Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Belastingdienst

Dovnload 2.98 Mb.

Belastingdienst



Pagina34/55
Datum04.04.2017
Grootte2.98 Mb.

Dovnload 2.98 Mb.
1   ...   30   31   32   33   34   35   36   37   ...   55

Let op!

Als de werknemer zijn eigen mobiele telefoon gebruikt, kunt u het

telefoonabonnement belastingvrij ter beschikking stellen bij een

zakelijk gebruik van meer dan 10%. Een vergoeding voor het

telefoonabonnement is belast loon. Maar u kunt dit loon ook als

eindheffingsloon onderbrengen in uw vrije ruimte.

18.24 Inwoning



U maakt gebruik van de oude regeling van vrije vergoedingen

en verstrekkingen

Een vergoeding voor inwoning is onbelast voor zover de

vergoeding

hoger is dan bepaalde normbedragen. Het moet

wel gaan om inwoning die noodzakelijk is voor een behoorlijke

vervulling van de dienstbetrekking. Deze normbedragen

vindt u in tabel 13 achter in dit handboek. Overeenkomstige

verstrekkingen zijn onbelast voor zover de waarde in het

economische verkeer hoger is dan de normbedragen.

Als ook gezinsleden van de werknemer inwonen, worden de

betreffende normbedragen uit de tabel als volgt verhoogd:

• voor elk gezinslid van 18 jaar of ouder met 80%

• voor elk gezinslid van 12 tot 18 jaar met 50%

• voor elk gezinslid jonger dan 12 jaar met 30%

Voor het bepalen van de leeftijd geldt de leeftijd bij het

begin van het kalenderjaar.

Bij inwoning kunt u ook denken aan het verblijf in een hotel

of aan andere vormen van niet-zelfstandige huisvesting.

In die situatie is echter in veel gevallen sprake van een vrije

vergoeding of verstrekking als de huisvesting niet langer

dan twee jaar plaatsvindt buiten de woonplaats van de werknemer.

Voor het geval dat de werknemer en zijn gezinsleden

ook maaltijden krijgen, geldt de regeling bij maaltijden

(zie paragraaf 18.27).



U maakt gebruik van de werkkostenregeling

Inwoning is een vorm van huisvesting. Zie paragraaf 18.21.

18.25 Kinderbijslag

Kinderbijslag op grond van de Algemene kinderbijslagwet

(akw) behoort niet tot het loon. Kinderbijslag vervangende

uitkeringen en kinderbijslag verhogende uitkeringen

behoren

wel tot het loon.



Let op!

Als u gebruikmaakt van de werkkostenregeling, mag u de kinderbijslag

vervangende en verhogende uitkeringen ook als eindheffingsloon

onderbrengen in uw vrije ruimte.

18.26 Kinderopvang

De Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

gaat ervan uit dat de overheid, de werknemers en de werkgevers

gezamenlijk de kosten voor kinderopvang dragen.

U betaalt de werkgeversbijdrage door een opslagpremie op

de premie sectorfonds (zie tabel 20). In 2011 is deze opslagpremie

0,34%. In tabel 20 en 24 is al rekening gehouden

met deze opslagpremie. De premie sectorfonds, inclusief

de opslagpremie, geldt voor alle werknemers voor wie u



Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 18 Bijzondere vormen van loon | 169

deze premie moet betalen, ongeacht of zij gebruikmaken

van kinderopvang.

U maakt gebruik van de oude regeling van vrije vergoedingen

en verstrekkingen

Als u de kinderopvang inkoopt bij een kinderopvanginstelling,

is de waarde van de verstrekking de waarde van de

kinderopvang verminderd met een eventuele werknemersbijdrage.

De waarde van de kinderopvang is het bedrag dat

de kinderopvanginstelling aan u in rekening brengt.

Als u zelf, zonder een derde partij, de kinderopvang uitvoert,

bepaalt u de waarde van de verstrekking als volgt: het aantal

uren genoten kinderopvang maal de uurprijs volgens de Wet

kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. U trekt

hier een eventuele werknemersbijdrage van af. Voorwaarde

voor deze manier van waarderen is dat de ouders een kinderopvangtoeslag

of een tegemoetkoming op grond van de Wet

kinderopvang kunnen krijgen als zij daar recht op hebben.



U maakt gebruik van de werkkostenregeling

Als u de kinderopvang bij een kinderopvanginstelling

inkoopt of buiten de werkplek organiseert, is de waarde van

de verstrekking de waarde van de kinderopvang verminderd

met een eventuele werknemersbijdrage. De waarde van de

kinderopvang is het bedrag dat de kinderopvanginstelling

aan u in rekening brengt.

Als u zelf de kinderopvang op de werkplek organiseert,

bepaalt u de waarde van de verstrekking als volgt: aantal

uren genoten kinderopvang maal de uurprijs volgens de

Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

U trekt hier een eventuele werknemersbijdrage van af.

Voorwaarde voor deze manier van waarderen is dat de

ouders een kinderopvangtoeslag of een tegemoetkoming

op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen

kunnen krijgen als zij daar recht op hebben.

18.27 Maaltijden

U maakt gebruik van de oude regeling van vrije vergoedingen

en verstrekkingen

Een vergoeding of verstrekking van maaltijden is onbelast,

als de maaltijden een meer dan bijkomstig zakelijk karakter

hebben. Van een maaltijd met een meer dan bijkomstig

zakelijk karakter is sprake bij:

• al dan niet verwacht overwerk of werk op koopavonden

• dienstreizen

• reizen van mobiele en ambulante werknemers, zoals

vertegenwoordigers

en accountants

• z akelijke besprekingen met klanten buiten de vaste werkplek

• werkzaamheden op niet-permanente locaties, zoals bij

het werk van wegenbouwers, bouwvakkers en medewerkers

van een filmcrew

• werkzaamheden aan boord van vliegtuigen, schepen,

boorplatforms of kermiswagens

Als een werknemer door zijn werk tussen 17.00 en 20.00 uur

niet thuis kan eten, is er in elk geval sprake van een meer

dan bijkomstig zakelijke maaltijd.

Als u dergelijke maaltijden vergoedt, kunt u de werkelijke

kosten ervan vergoeden. U mag ook aansluiten bij de normbedragen

voor maaltijden in bedrijfskantines. Deze normbedragen

staan in tabel 8 achter in dit handboek. Het maakt

daarbij niet uit waar de werknemer kosten voor de maaltijd

heeft gemaakt. Bijvoorbeeld:

• in een restaurant

• bij een bakker voor bijvoorbeeld kant-en-klare (luxe)

broodjes


• in een supermarkt voor bijvoorbeeld een maaltijd die

de werknemer de volgende dag mee van huis neemt



Ambulante werknemers

Ook voor ambulante werknemers geldt dat er sprake moet zijn

van een meer dan bijkomstig zakelijke maaltijd om de maaltijd

onbelast te vergoeden of verstrekken. U kunt de werkelijke

kosten vergoeden of aansluiten bij de normbedragen

voor


maaltijden in bedrijfskantines (zie tabel 8 achter

in dit


handboek).

Een werknemer is niet langer ambulant als het 20-dagencriterium

van toepassing is. Dit is het geval als de werknemer doorgaans

op ten minste één dag per week heen en weer reist tussen

zijn woning en dezelfde arbeidsplaats en hij dat op meer

dan 20 dagen doet.

U moet het 20-dagencriterium beoordelen over de zogenoemde

referentieperiode. Deze periode begint in de week waarin

de werknemer voor het eerst naar de arbeidsplaats reist, en

eindigt in de week waarin hij voor het laatst naar deze plaats

reist. Bij incidentele onderbrekingen loopt de referentieperiode

door. Bij lange onderbrekingen begint de referentieperiode

opnieuw. Van een langdurige onderbreking is

sprake als de werknemer niet naar dezelfde arbeidsplaats

reist gedurende:

• 2 of meer aaneensluitende weken, anders dan wegens verlof

en/of ziekte, in een periode van 26 weken of minder

• 3 of meer aaneensluitende weken, anders dan wegens

verlof en/of ziekte, in een periode van meer dan 26 weken

• 6 of meer aaneensluitende weken wegens verlof

en/of ziekte

Geen onbelaste vergoeding of verstrekking

Onbelaste vergoeding en verstrekking is niet mogelijk als

het zakelijke karakter van bijkomstig belang is. In dat geval

moet u de vergoeding of de waarde in het economische

verkeer

van de verstrekking tot het loon rekenen.



Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 18 Bijzondere vormen van loon | 170

Een lunch op de vaste werkplek is een voorbeeld van een

maaltijd met een bijkomstig zakelijk karakter. De waarde

in het economische verkeer van zulke maaltijden is belast.

Uit praktische overwegingen zijn voor maaltijden in bedrijfskantines

of soortgelijke ruimten normbedragen vastgesteld.



Maaltijden in bedrijfskantines

Bij verstrekkingen in de vorm van maaltijden met een privékarakter

in bedrijfskantines wordt de waarde van een kantinemaaltijd

vastgesteld op een normbedrag. Deze normbedragen

vindt u in tabel 8 achter in dit handboek. De eventuele eigen

bijdrage van de werknemer mag u op dit normbedrag in

mindering brengen. Als u de normbedragen niet (geheel)

aan de werknemer in rekening brengt, is het verschil tussen

het normbedrag en hetgeen u in rekening brengt, belast.

Hierover kan eindheffing plaatsvinden op basis van het tabeltarief

(zie ook paragraaf 22.4). Voor de premies werknemersverzekeringen

en de bijdrage Zvw gelden dezelfde bedragen.

De regeling voor maaltijden in bedrijfskantines geldt ook

als u geen bedrijfskantine hebt, maar de maaltijd wordt

gebruikt in een andere ruimte bij u, zoals een vergaderkamer

of de werkruimte van een van de werknemers.



Let op!

Als de eigen bijdrage van de werknemer hoger is dan het normbedrag,



mag u het negatieve bedrag niet in mindering brengen op het loon.

De regeling voor maaltijden in bedrijfskantines geldt niet voor



vergoedingen.

Als u een vergoeding voor maaltijden in een bedrijfskantine

verstrekt, is deze op de normale manier als loon belast.

Als de maaltijd in de bedrijfskantine een meer dan bijkomstig

zakelijk karakter heeft, geldt de hoofdregel. Een vergoeding

of verstrekking is dan onbelast.



Therapeutisch mee-eten

Sommige werknemers in de gezondheids- of welzijnszorg

zijn op grond van een publiekrechtelijke regeling of

(collectieve) arbeidsovereenkomst verplicht samen te eten

met de hen toevertrouwde patiënten, pupillen of bewoners.

Voor dit therapeutisch mee-eten hoeft u bij deze werknemers

niets bij het loon te tellen.

U maakt gebruik van de werkkostenregeling

Een vergoeding of verstrekking van maaltijden is onbelast,

als de maaltijden een meer dan bijkomstig zakelijk karakter

hebben. Van een maaltijd met een meer dan bijkomstig

zakelijk karakter is sprake bij:

• al dan niet verwacht overwerk of werk op koopavonden

• dienstreizen

• reizen van mobiele en ambulante werknemers,

zoals vertegenwoordigers

en accountants

• zakelijke besprekingen met klanten buiten de

vaste werkplek

• werkzaamheden op niet-permanente locaties,

zoals bij het werk van wegenbouwers, bouwvakkers

en medewerkers van een filmcrew

• werkzaamheden aan boord van vliegtuigen, schepen,

boorplatforms of kermiswagens

Als een werknemer door zijn werk tussen 17.00 en 20.00 uur

niet thuis kan eten, is er in elk geval sprake van een meer dan

bijkomstig zakelijke maaltijd.

Als u dergelijke maaltijden vergoedt, kunt u de werkelijke

kosten ervan vergoeden. U mag ook aansluiten bij het

normbedrag voor maaltijden in bedrijfskantines van € 2,90

per maaltijd. Het maakt daarbij niet uit waar de werknemer

kosten voor de maaltijd heeft gemaakt. Bijvoorbeeld:

• in een restaurant

• bij een bakker voor bijvoorbeeld kant-en-klare

(luxe) broodjes

• in een supermarkt voor bijvoorbeeld een maaltijd die

de werknemer de volgende dag mee van huis neemt



Maaltijden in bedrijfskantines

De waarde van een maaltijd in een bedrijfskantine is € 2,90.

Dit normbedrag geldt voor een ontbijt, voor een lunch en

voor een diner. U mag het normbedrag toepassen op maaltijden

in bedrijfskantines of soortgelijke ruimtes waar het

werk wordt gedaan. Het normbedrag is loon van de werknemer.

Maar u kunt de maaltijd ook als eindheffingsloon

onderbrengen in uw vrije ruimte. U hoeft dan de maaltijden

niet per werknemer te administreren. U houdt alleen het

totale aantal

maaltijden bij van alle werknemers samen.

Ambulante werknemers

Voor ambulante werknemers is een vergoeding of verstrekking

van een maaltijd onbelast. Maar zodra een werknemer

niet langer ambulant is, moet u het normbedrag toepassen.

Een werknemer is niet langer ambulant als het 20-dagencriterium

van toepassing is. Dit is het geval als de werknemer

doorgaans op ten minste één dag per week heen en

weer reist tussen zijn woning en dezelfde arbeidsplaats

en hij dat op meer dan 20 dagen doet.

U moet het 20-dagencriterium beoordelen over de zogenoemde

referentieperiode. Deze periode begint in de week

waarin de werknemer voor het eerst naar de arbeidsplaats

reist, en eindigt in de week waarin hij voor het laatst naar

deze plaats reist. Bij incidentele onderbrekingen loopt de

referentieperiode door. Bij lange onderbrekingen begint de

referentieperiode opnieuw. Van een langdurige onderbreking

is sprake als de werknemer niet naar dezelfde arbeidsplaats

reist gedurende:

• 2 of meer aaneensluitende weken, anders dan wegens

verlof en/of ziekte, in een periode van 26 weken of minder

• 3 of meer aaneensluitende weken, anders dan wegens

verlof en/of ziekte, in een periode van meer dan 26 weken

• 6 of meer aaneensluitende weken wegens verlof en/of ziekte

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 18 Bijzondere vormen van loon | 171

Zakelijk etentje

Als uw werknemer uit eten gaat met een klant en het aantoonbaar

om een zakelijk etentje gaat, geldt het volgende:

• Als uw werknemer de rekening zelf betaalt en deze later

bij u declareert, dan is het deel van de rekening voor

de maaltijd van de klant een vergoeding voor intermediaire

kosten. Deze vergoeding is onbelast.

• Het deel van de rekening voor de maaltijd van uw werknemer

is onbelast.

Therapeutisch mee-eten

Sommige werknemers in de gezondheids- of welzijnszorg

zijn op grond van een publiekrechtelijke regeling of (collectieve)

arbeidsovereenkomst verplicht samen te eten met de

hen toevertrouwde patiënten, pupillen of bewoners. Voor

dit therapeutisch mee-eten hoeft u bij deze werknemers

niets bij het loon te tellen.

18.28 Maaltijden, kleding en inwoning

voor meewerkend kind

Voor kinderen die meewerken in de onderneming van hun

ouders, behoort de waarde van maaltijden, kleding en

inwoning meestal tot het loon. Zie voor meer informatie

over meewerkende kinderen ook paragraaf 15.11.

Let op!

Als u gebruikmaakt van de werkkostenregeling, mag u dit loon ook

als eindheffingsloon onderbrengen in uw vrije ruimte.

18.29 Onregelmatige diensten

en continudiensten

De vergoedingen die u betaalt voor extra kosten voor

verlichting,

verwarming en het bereiden van de maaltijd in

verband met onregelmatige diensten of continudiensten,

zijn belast voor alle loonheffingen.



Let op!

Als u gebruikmaakt van de werkkostenregeling, mag u dit loon ook

als eindheffingsloon onderbrengen in uw vrije ruimte.

18.30 Outplacement

Outplacement is het geheel van diensten en adviezen voor

de werknemer om op zo kort mogelijke termijn een passende

nieuwe werkkring te vinden. Hieronder vallen bijvoorbeeld

ook sollicitatiekosten.



U maakt gebruik van de oude regeling van vrije vergoedingen

en verstrekkingen

De kosten van outplacement kunt u onbelast vergoeden.

Ook de verstrekking van outplacementfaciliteiten wordt

niet tot het loon gerekend.

Een prepensioencursus die vergelijkbaar is met outplacement,

is vrijgesteld. Als de cursus een meer recreatief karakter

heeft, kan deze wel belast zijn. Wij kunnen op uw verzoek

beoordelen in hoeverre u de cursus onbelast kunt vergoeden

of verstrekken.

U maakt gebruik van de werkkostenregeling

De vergoeding van de kosten van outplacement en de

verstrekking van outplacementfaciliteiten zijn onbelast.

18.31 Parkeergelegenheid

Het vergoeden of verstrekken van parkeergelegenheid wordt

apart behandeld in paragraaf 19.10.

18.32 Pensioen-, prepensioenen

VUT-regelingen

In deze paragraaf vindt u informatie over pensioenregelingen.

Daarnaast vindt u informatie over (pre)pensioenregelingen

en vut-regelingen van vóór 1 januari 2005: voor sommige

regelingen die vóór die datum zijn ingevoerd, geldt een uitzondering

op het huidige uitgangspunt dat een werknemer

stopt met werken als hij 65 jaar is.



18.32.1 Pensioenregelingen

Pensioenregelingen moeten in grote lijnen aan de volgende

voorwaarden voldoen:

• In een pensioenregeling mogen (vrijwel) alleen

voorzieningen

worden getroffen voor:

• een levenslang ouderdomspensioen voor de werknemer

Het uitgangspunt is dat de werknemer op 65-jarige leeftijd

stopt met werken. De werknemer mag wel eerder

met ouderdomspensioen gaan, maar dan moeten de

pensioenuitkeringen actuarieel worden herrekend. Uw

werknemer krijgt dan een lagere uitkering. Het vervroegen

van de pensioendatum mag alleen als de werknemer

op die datum ook daadwerkelijk stopt met

werken.

• een partnerpensioen dat na het overlijden van de werknemer



wordt uitbetaald aan de (ex-)echtgenoot of de

(ex-)partner met wie de werknemer een gezamenlijke

huishouding voerde

• een wezenpensioen dat na het overlijden van de werknemer

wordt uitbetaald aan eigen kinderen of pleegkinderen

die jonger zijn dan 30 jaar

• een arbeidsongeschiktheidspensioen dat naar maatschappelijke

opvattingen redelijk is en wordt uitbetaald

bij arbeidsongeschiktheid van de werknemer die

langer dan een jaar heeft geduurd



Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 18 Bijzondere vormen van loon | 172

• een nabestaandenoverbruggingspensioen

tot 65 jaar

dat naast het partnerpensioen kan worden uitbetaald

– ter compensatie van het gemis aan Anw/aow – als

dat pensioen vóór het bereiken van de 65-jarige

leeftijd

ingaat


Het nabestaandenoverbruggingspensioen

kan ook


worden uitbetaald naast het wezenpensioen.

• In de regeling moet onder meer worden opgenomen

dat de pensioenrechten niet kunnen worden afgekocht,

vervreemd, beleend of prijsgegeven, tenzij de Pensioenwet

dat toestaat.

• Het pensioen moet zijn verzekerd bij een verzekeraar

die in de wet wordt genoemd. Zie paragraaf 18.33.

• Het pensioen moet, uitgaande van de ingangsdatum

van 65 jaar, binnen de wettelijke grenzen blijven, zoals:

• Bij een eindloonregeling wordt per dienstjaar maximaal

2% van het pensioengevend loon aan ouderdomspensioen

opgebouwd en bij een middelloonregeling

maximaal 2,25%.

• Na 35 jaar wordt zo een ouderdomspensioen van 70%

van het eindloon opgebouwd. Als uw werknemer

langer


werkt, kan hij meer pensioen opbouwen,

tot maximaal 100% van het laatstverdiende loon

(bij eindloon-

en middelloonregelingen).

• Alle bovengenoemde grenzen worden bepaald met

inbegrip


van de aow-uitkeringen (normaal gesproken

met behulp van de zogenoemde aow-franchise). Naast de

collectieve – verplichte – pensioenregeling mag een regeling,

binnen de hiervoor genoemde grenzen, individuele

modules hebben waaruit de werknemer zelf kan kiezen.

• Om de individuele vrijwillige modules te betalen, kan het

spaarloon van uw werknemer worden gedeblokkeerd

(zie paragraaf 20.1.2).

• Opbouw van pensioen is ook toegestaan tijdens ouderschaps-,

sabbats-, studie- en zorgverlof, of verlof waarvoor

uw werknemer levenslooptegoed opneemt.

• Ruil van partnerpensioen in hoger of eerder ingaand

ouderdomspensioen en andersom is toegestaan.

• Variabilisering van de pensioenuitkeringen is toegestaan,

binnen de verhouding 100:75.

40-deelnemingsjarenpensioen

Werknemers die op 63-jarige leeftijd of eerder 40 deelnemingsjaren

hebben bij een pensioenfonds, kunnen

daarmee


een aanvullend levenslang ouderdomspensioen

opbouwen. Daardoor kunnen zij bij het bereiken van de

leeftijd van 63 jaar toch stoppen met werken. Het 40-deelnemingsjarenpensioen

moet gelijk ingaan met het

ouderdomspensioen.

Het (actuarieel herrekende) ouderdomspensioen en het 40-deelnemingsjarenpensioen

mogen in totaal niet meer bedragen dan

70% van het pensioengevend loon op 63-

jarige leeftijd. Hierbij

moet ook rekening worden gehouden

met de aow-inbouw.

Na de leeftijd van 65 jaar gaat immers de aow-uitkering in.

Vóór de leeftijd van 65 jaar mogen het ouderdomspensioen en

het 40-deelnemingsjarenpensioen

samen het gemis aan aow

compenseren tot het bedrag van de aow-inbouw. Door de variatie

in hoogte van het ouderdomspensioen en het 40-deelnemingsjarenpensioen

vóór en na de leeftijd van 65 jaar, kan het

pensioeninkomen vóór en na de leeftijd van 65 jaar even hoog

zijn, rekening houdend met de aow-uitkering. Belaste uitkeringen

op grond van een overbruggingspensioen

of prepensioen

en vut-uitkeringen tellen mee bij de toets of er ruimte is voor

een 40-deelnemingsjarenpensioen

en bij de 70%-grens.

AOW-franchise

Bij de berekening van het ouderdomspensioen moet u rekening

houden met aow-uitkeringen die uw werknemer zal

krijgen. Daarom moet u van het pensioengevend loon een

aow-franchise aftrekken. U berekent het pensioen over de

pensioengrondslag die na aftrek van de franchise overblijft.

Bij een maximaal gebruik van de ruimte voor pensioenopbouw

is de aow-franchise ten minste € 12.898. Maar u mag

ook rekening houden met een lagere aow-franchise, als u

een lager jaarlijks opbouwpercentage toepast dan maximaal

is toegestaan en als er geen overgangsregeling geldt.

Afhankelijk van het opbouwstelsel mag u de volgende

lagere aow-franchise toepassen:

• pensioenopbouw volgens het eindloonstelsel:

• Bij een opbouw per dienstjaar van niet meer dan 1,8%

mag de aow-franchise € 10.667 zijn.

• Bij een opbouw per dienstjaar van meer dan 1,8%, maar

niet meer dan 1,9% mag de aow-franchise € 11.803 zijn.

• pensioenopbouw volgens het middelloonstelsel:

• Bij een opbouw per dienstjaar van niet meer dan 2,05%

mag de aow-franchise € 10.667 zijn.

• Bij een opbouw per dienstjaar van meer dan 2,05%,

maar niet meer dan 2,15% mag de aow-franchise

€ 11.803 zijn.


1   ...   30   31   32   33   34   35   36   37   ...   55

  • U maakt gebruik van de oude regeling van vrije vergoedingen en verstrekkingen
  • U maakt gebruik van de werkkostenregeling
  • Belastingdienst
  • 18.32.1 Pensioenregelingen
  • 40-deelnemingsjarenpensioen

  • Dovnload 2.98 Mb.