Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Belastingdienst

Dovnload 2.98 Mb.

Belastingdienst



Pagina38/55
Datum04.04.2017
Grootte2.98 Mb.

Dovnload 2.98 Mb.
1   ...   34   35   36   37   38   39   40   41   ...   55

Let op!

Een (aanvullende) vergoeding voor premies van een ziektekostenverzekering

is belast voor de loonheffingen.

U maakt gebruik van de werkkostenregeling

Vergoedingen voor kosten van ziekte, invaliditeit en bevalling

die loon zijn, kunt u als eindheffingsloon onderbrengen in

uw vrije ruimte.

18.58 Ziektekostenregelingen

Voor de waardebepaling van aanspraken op ziektekostenregelingen

die niet onder de Zvw vallen, gelden naast de

hoofdregel de volgende bijzondere regels:

• U kunt aanspraken met een waarde van ten hoogste

€ 27 per jaar onbelast verstrekken.

• De waarde van een aanspraak op grond van een in eigen

beheer gehouden ziektekostenregeling voor ten minste

25 (ex-)werknemers die gedurende het hele voorafgaande

kalenderjaar heeft bestaan, is het bedrag van de

gemiddelde

uitkering. Dit is het gemiddelde van de jaargemiddelden

van de afgelopen 5 kalenderjaren. Het jaargemiddelde

is het bedrag van de uitkeringen en verstrekkingen

in het betreffende jaar, gedeeld door het aantal

(ex-)werknemers dat in dat jaar ten minste 6 maanden

gerechtigd is geweest.

• Het hoogste en het laagste jaargemiddelde mogen

gezamenlijk

buiten beschouwing blijven als dit leidt tot

een lagere gemiddelde uitkering. Als de ziektekostenregeling

nog geen 5 hele kalenderjaren heeft bestaan,

mag het bovenstaande overeenkomstig worden toegepast

op het mindere aantal hele kalenderjaren. Het hoogste

en het laagste jaargemiddelde mogen echter niet buiten

beschouwing blijven als de ziektekostenregeling pas 1 of 2

hele kalenderjaren bestaat.

Uitkeringen en verstrekkingen die voortvloeien uit belaste

aanspraken zoals hiervoor zijn omschreven, zijn onbelast.

Overgangsregeling voor ziektekosten in eigen beheer

Bij de invoering van de Zorgverzekeringswet in 2006 kunnen

ziektekosten in eigen beheer zijn vervallen. Uitkeringen die

u hiervoor nog doet op grond van een overgangsregeling,

zijn belast. Sinds 1 januari 2007 mag u voor deze uitkeringen

de eindheffing toepassen voor bezwaarlijk te individualiseren

loon (zie paragraaf 22.4). Daarbij gelden de volgende

voorwaarden:

• De uitkeringen op grond van een overgangsregeling

mogen maximaal 250% zijn van de uitkeringen die uw

werknemer in 2003, 2004 of 2005 heeft gekregen.

• De overgangsregeling moet uiterlijk op 1 januari 2015

vervallen.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 18 Bijzondere vormen van loon | 187

Let op!

Als u gebruikmaakt van de werkkostenregeling, mag u aanspraken op

ziektekostenregelingen die niet onder de Zvw vallen, ook als eindheffingsloon

onderbrengen in uw vrije ruimte. De overgangsregeling voor

ziektekosten in eigen beheer is niet van toepassing.

18.59 ZW, Wet Wajong, WAZO, WW,

WAO/WIA en overeenkomstige

aanspraken

De aanspraken op uitkeringen op grond van de zw, Wet

Wajong, wazo (Wet arbeid en zorg), ww en wao/wia zijn

vrijgesteld. De uitkeringen zijn wel belast.

Aanspraken die naar aard en strekking overeenkomen met

de aanspraken op grond van de werknemersverzekeringen,

zijn bijvoorbeeld regelingen voor het toekennen van

ziekengeld

over wachtdagen of wachtgeld na ontslag.

De op het loon ingehouden werknemersbijdrage in de

premie


voor regelingen die overeenkomen met zw, Wet

Wajong, wazo, of wao/wia, komt in mindering op de loonheffingen

(kolom 7 van de loonstaat).

Op verschillende manieren kan zijn voorzien in aanvullende

uitkeringen als de werknemer in de wao/wia komt:

• De aanspraak is geregeld in de pensioenregeling. De

premies

voor de aanvulling worden als pensioenpremie



behandeld. Voorwaarde is dat er sprake blijft van een

zuivere


pensioenregeling.

• De aanspraak is niet geregeld in een pensioenregeling.

Zij komt wel naar aard en strekking overeen met een aanspraak

op een wao/wia-uitkering. De aanspraak is vrij en

de ingehouden werknemerspremies zijn aftrekbaar voor

alle heffingen (kolom 7 van de loonstaat). Van een dergelijke

aanspraak is in ieder geval geen sprake als de wao/

wia-uitkering en aanvulling samen meer bedragen dan

het loon dat zij vervangen.

• Er is geen sprake van een aanspraak. De werknemer

heeft bijvoorbeeld privé een regeling getroffen met een

particuliere

verzekeraar. Dit heeft verder geen gevolgen

voor de loonheffingen.



Let op!

De regels voor aanspraken gelden ook als u gebruikmaakt van de

werkkostenregeling. Een belaste aanspraak kunt u als eindheffingsloon

onderbrengen in de vrije ruimte. De uitkeringen op grond van de zw,

Wet Wajong, wazo, ww en wao/wia en overeenkomstige

aanspraken

zijn loon uit vroegere dienstbetrekking.

U kunt deze uitkeringen niet als

eindheffingsloon onderbrengen in uw vrije ruimte.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 19 Vervoer en reiskosten | 188

19 Vervoer en reiskosten

De meeste werknemers reizen voor hun werk. U kunt hierbij

denken aan woon-werkverkeer (bijvoorbeeld naar kantoor),

andere zakelijke reizen (bijvoorbeeld naar klanten) of reizen

voor een opleiding die uw werknemer voor zijn werk volgt.

Als werkgever kunt u de kosten voor deze reizen vergoeden.

U kunt er ook op een andere manier voor zorgen dat uw

werknemer deze reizen voor zijn werk kan maken, zoals een

auto aan hem ter beschikking stellen of treinkaartjes aan hem

verstrekken.

In dit hoofdstuk krijgt u informatie over de belaste en onbelaste

vergoedingen en verstrekkingen voor het reizen door uw

werknemer. Hoe u hierover loonheffingen berekent, hangt

ervan af of u gebruikmaakt van de oude regeling van vrije vergoedingen

en verstrekkingen of van de werkkostenregeling.

Als er hierin verschillen zijn, is de paragraaf gesplitst in twee

delen onder de volgende kopjes:

• U maakt gebruik van de oude regeling van vrije vergoedingen

en verstrekkingen.

• U maakt gebruik van de werkkostenregeling.

Als de informatie die voor de oude regeling geldt, ook voor

de werkkostenregeling geldt, is er geen tweedeling. Zo

nodig staat dan aan het eind van de paragraaf hoe u het

loon onder de werkkostenregeling behandelt.

Informatie over de systematiek van de werkkostenregeling

vindt u in hoofdstuk 17.

De volgende onderwerpen komen aan bod:

• reizen met een eigen auto, motor, (brom)fiets enzovoort

(zie paragraaf 19.1)

• reizen met openbaar vervoer (zie paragraaf 19.2)

• reizen met een personenauto van de zaak (zie paragraaf 19.3)

• reizen met een bestelauto van de zaak (zie paragraaf 19.4)

• reizen met een ander vervoermiddel van de zaak

(zie paragraaf 19.5)

• reizen met een taxi, boot of vliegtuig (zie paragraaf 19.6)

• fietsen (zie paragraaf 19.7)

• carpoolregeling (zie paragraaf 19.8)

• vervoer vanwege de werkgever (zie paragraaf 19.9)

• parkeergelegenheid (zie paragraaf 19.10)

• reiskosten voor periodiek gezinsbezoek (zie paragraaf 19.11)

• tijdelijk ander vervoer door wegwerkzaamheden

(zie paragraaf 19.12)

19.1 Reizen met een eigen auto, motor,

(brom)fiets enzovoort

Deze paragraaf gaat over de volgende onderwerpen:

• onbelaste vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer

(zie paragraaf 19.1.1)

• vaste vergoeding (zie paragraaf 19.1.2)

• vergoeding totale autokosten (zie paragraaf 19.1.3)

• vergoeding hoger dan € 0,19 per kilometer en andere

vergoedingen (zie paragraaf 19.1.4)

• vergoedingen administreren en bewaren

(zie paragraaf 19.1.5)



19.1.1 Onbelaste vergoeding van maximaal

0,19 per kilometer

Uw werknemer gebruikt een eigen vervoermiddel voor

reizen voor het werk. U mag uw werknemer voor deze reizen

een onbelaste vergoeding betalen van maximaal € 0,19 per

kilometer. Het maakt geen verschil of uw werknemer het

vervoermiddel gebruikt voor woon-werkverkeer of ander

zakelijk verkeer.

Het is niet van belang met welk privévervoermiddel uw

werknemer reist. Als uw werknemer bijvoorbeeld acht

kilometer van zijn werk woont en dagelijks met zijn fiets

of bromfiets naar het werk reist, mag u maximaal € 0,19

per kilometer onbelast vergoeden. Dat mag alleen voor de

zakelijk gereden kilometers. Uit privéoverwegingen gereden

omrijkilometers (bijvoorbeeld om een kind naar de crèche

te brengen) mag u niet onbelast vergoeden. Dat mag ook

niet voor kilometers die uw werknemer rijdt om bijvoorbeeld

tussen de middag thuis te eten. Deze kilometers zijn

ook niet zakelijk.

U mag ook geen onbelaste vergoeding betalen voor (delen

van) reizen waarvoor u voor vervoer zorgt (zie paragraaf 19.9).

Let op!

Als u van de werkkostenregeling gebruikmaakt, is de onbelaste

vergoeding ook maximaal € 0,19 per kilometer.

Voorbeeld 1

Uw werknemer reist van maandag tot en met woensdag met uw

personeelsbusje vanaf de opstapplaats tot aan de vaste arbeidsplaats.

Hij reist met zijn eigen auto van zijn woning naar de opstapplaats

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 19 Vervoer en reiskosten | 189

(afstand 9 kilometer). Op donderdag en vrijdag reist hij met zijn eigen auto

van zijn woning naar de vaste arbeidsplaats (afstand 42 kilometer),

omdat op die dagen het personeelsbusje niet beschikbaar is. Op vrijdag

moet hij 10 kilometer omrijden om zijn kind naar de crèche te brengen.

U mag uw werknemer dan de volgende onbelaste reiskostenvergoeding

betalen:

maandag tot en met woensdag: 3 dagen x 18 kilometer x € 0,19 = € 10,26

donderdag en vrijdag: 2 dagen x 84 kilometer x € 0,19 = € 31,92

U mag geen onbelaste vergoeding betalen voor de omrijkilometers op

vrijdag, omdat deze omrijkilometers een privékarakter hebben.

Voorbeeld 2

U hebt aan uw werknemer voor heel 2011 een personenauto ter beschikking

gesteld. Hij heeft ook een eigen auto. Hij rijdt met zijn eigen auto in 2011 400

zakelijke kilometers. Als uw werknemer uit privéoverwegingen zijn eigen auto

gebruikt, mag u hem geen onbelaste vergoeding betalen. Als uw werknemer

om zakelijke redenen zijn eigen auto gebruikt (bijvoorbeeld omdat de auto

van de zaak voor een onderhoudsbeurt in de garage is), mag u hem een

onbelaste

vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer betalen.

19.1.2 Vaste vergoeding

U mag aan uw werknemer een vaste vergoeding geven voor

woon-werkverkeer of andere zakelijke reizen als hij naar een

vaste arbeidsplaats reist. Daarbij gelden dezelfde voorwaarden

als voor andere vaste kostenvergoedingen (zie paragraaf 4.4).

De hoogte van de vaste vergoeding kunt u baseren op het

aantal keren in een jaar dat uw werknemer zijn zakelijke

trajecten vermoedelijk aflegt en de lengte van die trajecten.

U moet de vergoeding aanpassen als de omstandigheden

wijzigen, bijvoorbeeld als uw werknemer verhuist of op

minder dagen gaat werken.

Er zijn ook twee praktische methodes om aan werknemers

met een vaste arbeidsplaats een vaste onbelaste reiskostenvergoeding

te geven.



Methode 1

Een werknemer heeft bij deze methode een vaste arbeidsplaats

als hij in een jaar vermoedelijk in minstens 36 weken

naar zijn arbeidsplaats reist. Voor de berekening van de vaste

onbelaste vergoeding gaat u uit van 214 werkdagen in een

jaar. Hierbij is al rekening gehouden met kortstondige afwezigheid

wegens vakantie, ziekte en verlof. Als u aannemelijk

kunt maken dat het aantal dagen van 214 hoger is (ten minste

25%), mag u uitgaan van het hogere aantal dagen.

Het aantal werkdagen vermenigvuldigt u met het totale aantal

kilometers per dag. Het totale aantal kilometers voor een

jaar vermenigvuldigt u met de onbelaste kilometervergoeding

van maximaal € 0,19. Voor de vaste vergoeding per

maand of per week deelt u de uitkomst door 12 of 52.

U moet deze methode naar evenredigheid toepassen voor

werknemers die maar een aantal dagen per week naar een

vaste arbeidsplaats reizen, bijvoorbeeld door deeltijd.

U mag de vaste reiskostenvergoeding doorbetalen tijdens

maximaal zes aaneensluitende weken waarin uw werknemer

afwezig is. Als u langdurige afwezigheid van uw werknemer

verwacht, mag u de vaste reiskostenvergoeding nog

onbelast uitbetalen gedurende de lopende en de eerstvolgende

kalendermaand. U mag de vaste onbelaste reiskostenvergoeding

daarna pas weer betalen vanaf de maand volgend

op de maand waarin de werknemer weer gaat werken.

Voorbeeld

Een werknemer heeft griep en hij meldt zich ziek op 20 maart. Hij is net één

week aan het werk, als hij op 5 april van de trap valt en zijn been breekt.

Daardoor kan de werknemer vermoedelijk twee maanden zijn werk niet

doen. Op 5 augustus is de werknemer hersteld en hervat hij zijn

werkzaamheden.

Op 20 maart is er sprake van kortstondige afwezigheid; u mag de vaste

reiskostenvergoeding onbelast doorbetalen. Op 5 april is langdurige afwezigheid

te voorzien. U mag dan de vaste reiskostenvergoeding over april en

mei nog onbelast uitbetalen, maar daarna is tot en met augustus geen

onbelaste vaste reiskostenvergoeding meer toegestaan. Pas met ingang

van september kan de werknemer weer een onbelaste vaste reiskostenvergoeding

krijgen.

Nacalculatie

Bij een enkelereisafstand naar een vaste arbeidsplaats van

meer dan 75 kilometer is nacalculatie verplicht. Hierbij

moet u vaststellen of de vaste kostenvergoeding overeenkomt

met het werkelijke aantal woon-werkkilometers in het

kalenderjaar maal maximaal € 0,19 per kilometer. Variabele

kilometervergoedingen kunt u daarbij eventueel salderen

(zie paragraaf 19.1.4). Een eventueel bovenmatig deel van de

vergoeding moet u tot het loon rekenen of moet uw werknemer

terugbetalen.

De nacalculatie doet u aan het einde van het kalenderjaar,

of in het loontijdvak dat volgt op de maand waarin de

dienstbetrekking eindigt, als dat tijdens het kalenderjaar

gebeurt. Een vaste kostenvergoeding met nacalculatie mag

ook voor regelmatige reizen naar andere arbeidsplaatsen

dan vaste arbeidsplaatsen.



Let op!

Methode 1 kunt u ook toepassen als u gebruikmaakt van de

werkkostenregeling.

Methode 2

Als uw werknemer niet altijd naar zijn vaste arbeidsplaats

reist, mag u de vaste reiskostenvergoeding ook volgens een

ruimere methode vaststellen.



Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 19 Vervoer en reiskosten | 190

Voor methode 2 gelden de volgende uitgangspunten:

• U geeft een onbelaste reiskostenvergoeding van maximaal

€ 0,19 per kilometer.

• U gaat uit van 214 werkdagen per kalenderjaar. Bij dit aantal

is onder andere rekening gehouden met incidenteel

thuiswerken, ziekte, vakantie, sabbatsverlof en

zorgverlof.

• Uw werknemer reist op minstens 128 dagen per kalenderjaar

naar de vaste arbeidsplaats. Hierdoor kan de werknemer

tot twee dagen per week thuiswerken met behoud

van de onbelaste reiskostenvergoeding.

In de volgende situaties moet u het aantal werkdagen (214)

en reisdagen (128) naar evenredigheid toepassen:

• Uw werknemer werkt op minder dan vijf dagen per week.

• De dienstbetrekking begint of eindigt in de loop van het

kalenderjaar.

• De reisafstand voor uw werknemer wijzigt door bijvoorbeeld

een overplaatsing of verhuizing.

• U stopt met het geven van een vaste reiskostenvergoeding.



Voorbeeld 1

Uw werknemer werkt in 2011 op 2 dagen per week. De enkelereisafstand van

zijn woning naar de vaste arbeidsplaats is 25 kilometer. De onbelaste vaste

reiskostenvergoeding is dan voor het hele jaar maximaal 85 dagen (2/5 x 214)

x 50 kilometer x € 0,19 = € 807,50. Per maand kunt u uw werknemer voor

deze reizen een onbelaste vergoeding betalen van € 67,29, als hij in 2011 op

minstens 51 dagen (2/5 x 128) naar de vaste arbeidsplaats reist.

Voorbeeld 2

Uw werknemer werkt in 2011 op 5 dagen per week. De enkelereisafstand

van zijn woning naar de vaste arbeidsplaats is 25 kilometer. De onbelaste

vaste reiskostenvergoeding is dan voor het hele jaar maximaal 214 dagen

x 50 kilometer x € 0,19 = € 2.033. Per maand is dat € 169,42.

Uw werknemer wordt op 15 juli 2011 langere tijd ziek. Per 1 september 2011

stopt u de vaste reiskostenvergoeding. Op 1 december 2011 gaat uw werknemer

weer aan het werk en vanaf 1 december 2011 betaalt u de vergoeding

weer. Volgens deze regeling moet uw werknemer voor de onbelaste vergoeding

van € 169,42 per maand in de periode januari tot en met augustus 2011

op minstens 85 dagen (8/12 x 128 dagen) naar de vaste arbeidsplaats reizen

en in december 2011 op minstens 10 dagen (1/12 x 128 dagen). Als uw werknemer

hieraan niet voldoet, mag u maximaal € 0,19 per kilometer onbelast

vergoeden over de werkelijk afgelegde woon-werkkilometers. Voor eventueel

te veel gegeven onbelaste vergoedingen waarmee u rekening hebt gehouden

bij de al ingediende aangiften loonheffingen, moet u correcties insturen.

Let op!

Methode 2 kunt u ook toepassen als u gebruikmaakt van de

werkkostenregeling.

19.1.3 Vergoeding totale autokosten

Hebt u afgesproken om de totale kosten (inclusief de

afschrijving) van de eigen auto van uw werknemer te vergoeden,

dan gelden de regels voor een auto die u aan uw

werknemer ter beschikking hebt gesteld. Dat is ook zo voor

een auto die uw werknemer heeft geleased en waarvan u de

kosten vergoedt. Het maakt daarbij niet uit of uw werknemer

u een vergoeding betaalt voor het privégebruik van de

auto (zie paragraaf 19.3 en 19.4).

19.1.4 Vergoeding hoger dan € 0,19 per kilometer

en andere vergoedingen

U maakt gebruik van de oude regeling van vrije vergoedingen

en verstrekkingen

Als u aan uw werknemer voor reizen met een eigen vervoermiddel

meer vergoedt dan € 0,19 per kilometer, is de

vergoeding boven dat bedrag loon. Als u geen eindheffing

toepast over de bovenmatige vergoeding, moet u de loonheffingen

inhouden en betalen (zie paragraaf 22.8).

U mag de inhouding en betaling uitstellen tot januari van

het volgende kalenderjaar. U moet dan de heffingstarieven

van dat nieuwe kalenderjaar toepassen.

Als de dienstbetrekking in de loop van het kalenderjaar eindigt,

moet u uiterlijk in de daarop volgende kalendermaand

de loonheffingen inhouden en betalen.



Variabele kilometervergoedingen

Bij variabele kilometervergoedingen mag u per werknemer

het gemiddelde nemen van de betaalde kilometervergoedingen

om te bepalen of de vergoeding gemiddeld meer is

dan € 0,19 per kilometer. Dat mag alleen als u schriftelijk

hebt vastgelegd dat hogere kilometervergoedingen feitelijk

ook bedoeld zijn voor reiskosten waarvoor u een lagere kilometervergoeding

hebt gegeven dan € 0,19. U kunt de regeling

bijvoorbeeld vastleggen in een aanvulling op de (collectieve)

arbeidsovereenkomst of uw vergoedingsregeling.

U mag het gemiddelde van de hogere kilometervergoedingen

en de lagere kilometervergoedingen berekenen in het

loontijdvak waarover uw werknemer loon geniet. U mag de

gemiddelde kilometervergoedingen ook voor het hele

kalenderjaar berekenen, als u ervoor kiest om de inhouding

over reiskostenvergoedingen uit te stellen tot januari van

het volgende kalenderjaar.

Voorbeeld bij uitstel van de inhouding

U betaalt aan uw werknemer in 2011 de volgende kilometervergoedingen

voor reizen voor het werk:

3.000 km à € 0,30 per km € 900

1.000 km à € 0,10 per km € 100 +

Kilometervergoeding € 1.000

Berekening van het loon in januari 2012:

U hebt vergoed in 2011 € 1.000

Onbelast te vergoeden in 2011: 4.000 km à € 0,19 per km € 760 -

Loon € 240

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 19 Vervoer en reiskosten | 191

Andere vergoedingen

Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer

betaalt, zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen

voor parkeer-, veer- en tolgelden, voor (extra)

afschrijving en slijtage van de auto, voor het inbouwen van

een carkit, voor extra benzineverbruik door een aanhangwagen

of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor

parkeer-, veer- en tolgelden en verstrekkingen daarvoor

vallen onder de eindheffing, voor zover ze loon zijn

(zie paragraaf 22.5). Zie voor de vergoeding van een parkeergelegenheid

paragraaf 19.10.

Let op!

Navigatieapparatuur valt onder de regeling voor computers

(zie paragraaf 18.8). Dit betekent dat u navigatieapparatuur onbelast

mag vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen, als uw

werknemer deze voor 90% of meer zakelijk gebruikt.

U maakt gebruik van de werkkostenregeling

Als u aan uw werknemer voor reizen met een eigen vervoermiddel

meer vergoedt dan € 0,19 per kilometer, is de vergoeding

boven die € 0,19 loon van de werknemer. Maar u

mag dit loon ook als eindheffingsloon onderbrengen in uw

vrije ruimte.



Variabele kilometervergoedingen

Bij variabele kilometervergoedingen mag u per werknemer

het gemiddelde nemen van de betaalde kilometervergoedingen

om te bepalen of de vergoeding gemiddeld meer is

dan € 0,19 per kilometer. Dat mag alleen als u schriftelijk

hebt vastgelegd dat hogere kilometervergoedingen feitelijk

ook bedoeld zijn voor reiskosten waarvoor u een lagere kilometervergoeding

hebt gegeven dan € 0,19. U kunt de regeling

bijvoorbeeld vastleggen in een aanvulling op de (collectieve)

arbeidsovereenkomst of uw vergoedingsregeling.

U moet het gemiddelde van de hogere kilometervergoedingen

en de lagere kilometervergoedingen berekenen in

december van het lopende kalenderjaar. Als de dienstbetrekking

in de loop van het kalenderjaar eindigt, moet u

de berekening van het gemiddelde van de hogere en lagere

kilometervergoedingen maken in de maand waarin de

dienstbetrekking eindigt. In die maand moet u ook loonheffingen

betalen als er sprake is van loon van de werknemer.

Maar u mag dit loon ook als eindheffingsloon

onderbrengen in uw vrije ruimte.


1   ...   34   35   36   37   38   39   40   41   ...   55

  • Overgangsregeling voor ziektekosten in eigen beheer
  • Belastingdienst
  • 19.1.1 Onbelaste vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer
  • Let op! Als u van de werkkostenregeling gebruikmaakt, is de onbelaste vergoeding ook maximaal € 0,19 per kilometer. Voorbeeld 1
  • Let op! Methode 1 kunt u ook toepassen als u gebruikmaakt van de werkkostenregeling. Methode 2
  • Let op! Methode 2 kunt u ook toepassen als u gebruikmaakt van de werkkostenregeling. 19.1.3 Vergoeding totale autokosten
  • 19.1.4 Vergoeding hoger dan € 0,19 per kilometer en andere vergoedingen U maakt gebruik van de oude regeling van vrije vergoedingen
  • Voorbeeld bij uitstel van de inhouding
  • U maakt gebruik van de werkkostenregeling

  • Dovnload 2.98 Mb.