Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Belastingdienst

Dovnload 2.98 Mb.

Belastingdienst



Pagina45/55
Datum04.04.2017
Grootte2.98 Mb.

Dovnload 2.98 Mb.
1   ...   41   42   43   44   45   46   47   48   ...   55

20.1.4 Administratieve verplichtingen bij een

spaarloonregeling

U moet kunnen aantonen wanneer, in welke vorm, en

tot welk bedrag is gespaard en welke bedragen binnen

de vierjaarstermijn aan toegestane bestedingsdoelen zijn

uitgegeven. Aan de hand van de administratie en eventueel

door derden afgegeven bescheiden moet blijken dat die

bestedingen hebben plaatsgevonden binnen de mogelijkheden

van de regeling. Als u ervoor kiest de administratie

van de spaarloonregeling te laten uitvoeren door een derde,

ontslaat dit u niet van de hiervoor genoemde bewijslast.

Wij kunnen bij een boekenonderzoek inzage in de administratie

van een spaarloonregeling verlangen. In dat geval

zult u die administratie voor controle beschikbaar moeten

hebben, ook als de administratie door een derde wordt

gevoerd. Om praktische problemen, met name bij

uitbestede

administraties, te voorkomen zullen wij zo veel

mogelijk bij de aankondiging van een boekenonderzoek

vermelden of de administratie van eventuele spaarregelingen

voor controle beschikbaar moet zijn.



20.1.5 Boeking in de loonstaat

Spaarloon mag in kolom 3 (loon in geld) van de loonstaat

worden geboekt. Als u kiest voor boeking in kolom 3,

moet u eenzelfde bedrag in kolom 7 (aftrekpost voor alle

heffingen) boeken. U kunt er ook voor kiezen het spaarloon

geheel buiten de loonstaat te laten. Het brutoloon in geld

(kolom 3) is in dat geval het loon zonder dat daar het

spaarloon bij is inbegrepen. Een toegestane besteding in

de vorm van een vrijwillige pensioenbijdrage van de werknemer

boekt u in kolom 7, net als een ‘normale’ bijdrage

van de werknemer ter verwerving van pensioenrechten.

20.1.6 Geen samenloop met levensloopregeling

Een werknemer kan bij u of een andere werkgever zowel een

spaarloonregeling als een levensloopregeling hebben. Hij

mag echter in hetzelfde kalenderjaar niet in beide regelingen

sparen. Hij zal elk jaar moeten kiezen in welke regeling

hij dat jaar wil sparen. Als een werknemer in het kalenderjaar

al bij u of een andere werkgever heeft gespaard in de

levensloopregeling, kan hij pas het volgend jaar sparen in

de spaarloonregeling.

20.2 Levensloopregeling

Met de levensloopregeling kunnen werknemers sparen

om in de toekomst een periode van onbetaald verlof te

financieren. De levensloopregeling kan worden gebruikt

voor bijna elke vorm van verlof. Werknemers mogen het

spaarsaldo ook gebruiken om eerder met pensioen te gaan.

20.2.1 Sparen in levensloopregeling

Een werknemer kan u op grond van een levensloopregeling

verzoeken om per jaar een bedrag van maximaal 12% van

zijn loon in te houden. Dit bedrag maakt u over naar een

door de werknemer gekozen:

• bank, als storting op een levenslooprekening

• verzekeraar, als premie voor een levensloopverzekering

• beleggingsinstelling, als storting voor een levenslooprecht

van deelneming

De werknemer bepaalt zelf bij welke toegelaten bank,

verzekeraar of beleggingsmaatschappij hij het levenslooptegoed

wil onderbrengen.



Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 20 Spaarregelingen | 221

Het bedrag dat u inhoudt, is niet aftrekbaar voor de

werknemersverzekeringen,

maar wel voor de loonbelasting/

volksverzekeringen en de Zvw. Een werkgeversbijdrage voor de

levensloopregeling is loon voor de werknemersverzekeringen,

maar is onbelast voor de loonbelasting/volksverzekeringen en

de Zvw. U berekent dus premies werknemersverzekeringen

over het gespaarde bedrag (inclusief de werkgeversbijdrage)

in de levensloopregeling. Dit gespaarde bedrag vermeldt u

in de aangifte loonheffingen.

Een werknemer mag per kalenderjaar maximaal 12% sparen

van zijn loon in dat jaar. U mag dit percentage berekenen

over het loon in geld, vermeerderd met de waarde van loon

niet in geld en belaste fooien en uitkeringen uit fondsen

(zie kolom 6 van de loonstaat). Het loon voor de levensloopregeling

mag ook het fiscale loon zijn, verhoogd

met ingehouden bijdragen van de werknemer. Voor de

berekening van de maximale bijdrage voor de levensloop

mag u dus ook uitgaan van het bedrag van kolom 14,

verhoogd met bijvoorbeeld pensioenpremies en de inleg

voor de levensloopregeling.

Als het levensloopsaldo aan het begin van het kalenderjaar

210% of meer is van het jaarloon over het voorgaande

kalenderjaar, mag een werknemer dat jaar niet langer

sparen in zijn levensloopregeling. Het levensloopsaldo kan

overigens door behaalde rendementen daarna verder boven

de 210% uitstijgen. Heeft een werknemer het voorgaande

kalenderjaar niet het hele jaar bij u gewerkt, dan mag u

het loon herleiden naar jaarloon.

Aanspraken die een werknemer nog heeft in een levensloop-

of verlofspaarregeling bij (ex-)werkgevers, tellen

mee bij de bepaling of het maximale levensloopsaldo van

210% is bereikt. Daarom is geregeld dat bestaande aanspraken

op een levensloopregeling overgaan naar de nieuwe

werkgever als een werknemer bij hem in dienst treedt en

weer opbouwt in een levensloopregeling. U moet daarom

een verklaring van uw werknemer vragen of hij bij eerdere

werkgevers aanspraken heeft op grond van een levensloopof

verlofspaarregeling, die niet zijn overgegaan naar een

andere huidige werkgever.

20.2.2 Overgangsregeling oudere werknemers

Voor werknemers die op 31 december 2005 51 jaar of ouder

waren, maar nog geen 56 jaar, is er een overgangsregeling.

Deze werknemers mogen meer sparen dan 12% van het

loon van dat jaar, maar dan mag het levensloopsaldo aan

het eind van dat jaar niet meer zijn dan 210% van het in

dat jaar verdiende loon.

20.2.3 Deeltijd, demotie en loonsverlaging

Als een werknemer, vooruitlopend op zijn pensioen, in

deeltijd gaat werken of een lager gekwalificeerde functie

accepteert, mag u bij de bepaling van de maxima uit blijven

gaan van zijn eerdere hogere loon. De loonsverlaging in

verband met deeltijd of demotie moet dan wel plaatsvinden

binnen tien jaar direct voorafgaand aan de pensioendatum in

de pensioenregeling. Voorwaarde is bovendien, dat ten minste

50% van de voorafgaande arbeidsduur feitelijk wordt gewerkt.

Als het loon om andere redenen wordt verlaagd, kan in

de loop van het jaar blijken dat het maximum van 12%

van het loon is overschreden. U moet het te veel gestorte

bedrag dan in hetzelfde kalenderjaar terugbetalen aan

uw werknemer en hierop loonbelasting/premie volksverzekeringen

en inkomensafhankelijke bijdrage Zvw

(hierna: bijdrage Zvw) inhouden.



20.2.4 Bijdrage werkgever

U mag een bijdrage verstrekken voor de levensloopregeling.

Deze bijdrage is altijd loon voor de werknemersverzekeringen.

Als u een bijdrage verstrekt, moet deze aan de volgende

voorwaarden voldoen:

• U verstrekt deze bijdrage aan al uw werknemers die in

vergelijkbare omstandigheden verkeren, ook als zij niet

aan de levensloopregeling deelnemen.

• U stelt geen voorwaarden aan het moment waarop uw

werknemer over het opgebouwde levenslooptegoed

mag beschikken.

Er zijn drie mogelijkheden:

• U voldoet aan beide voorwaarden. Dan is de bijdrage voor

de werknemer die deelneemt aan de levensloopregeling

geen loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen en

de bijdrage Zvw. De bijdrage voor de werknemer die geen

levensloopregeling heeft, is belast voor alle loonheffingen.

• U voldoet aan geen van beide voorwaarden. Dan geldt de

levensloopregeling niet meer. U moet dan de levensloopsaldi

van alle werknemers die deelnemen aan de levensloopregeling

en die tot op dat moment zijn gespaard,

als loon uit vroegere dienstbetrekking behandelen.

• U voldoet alleen aan de tweede voorwaarde. Dan geldt

de levensloopregeling alleen voor de deelnemers aan de

levensloopregeling die van u een bijdrage aan de regeling

krijgen die hetzelfde is als of lager is dan een bijdrage die

u geeft aan vergelijkbare werknemers die niet deelnemen

aan de levensloopregeling.



20.2.5 Geen samenloop met spaarloonregeling

Een werknemer kan bij u of een andere werkgever zowel een

spaarloonregeling als een levensloopregeling hebben. Hij

mag echter in hetzelfde kalenderjaar niet in beide regelingen

sparen. Hij zal elk jaar moeten kiezen in welke regeling hij

dat jaar wil sparen. Als een werknemer in het kalenderjaar

al bij u of een andere werkgever heeft gespaard in de spaarloonregeling,

kan hij pas het volgende jaar sparen in de

levensloopregeling.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 20 Spaarregelingen | 222

20.2.6 Schriftelijk vastleggen

Een levensloopregeling met een werknemer moet u

schriftelijk vastleggen. U moet daarin ten minste het

volgende opnemen:

• het doel van de regeling, namelijk het treffen van een

voorziening in geld die uitsluitend bedoeld is voor het

opnemen van een periode van extra verlof

• de naam van de instelling waarbij de voorziening wordt

aangehouden

• een bepaling dat de werknemer schriftelijk aan u verklaart

of hij eerdere werkgeversaanspraken heeft op grond van

een levensloopregeling of verlofspaarregeling, die niet

zijn overgegaan naar een andere huidige werkgever

• een bepaling dat de werknemer schriftelijk verklaart dat

hij geen voorziening op grond van een levensloopregeling

opbouwt in het kalenderjaar waarin hij bij u of een andere

werkgever loon spaart op grond van een spaarloonregeling

• een bepaling dat de aanspraken op grond van de

levensloopregeling niet kunnen worden afgekocht,

vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk

voorwerp van zekerheid kunnen worden anders dan

voor een verpanding voor een buitenlandse aanbieder

De regeling mag wel voorzien in de mogelijkheid om

de aanspraken af te kopen bij beëindiging van de

dienstbetrekking of bij een levensloopverzekering

waarbij de afkoop plaatsvindt in het kader van de

levensloopregeling (zie paragraaf 14.2.2).

Let op!

U bent verplicht om een werknemer die daarom vraagt, een levensloopregeling

aan te bieden. Door te sparen voor verlof heeft uw werknemer

echter nog geen wettelijk recht op het opnemen van het verlof. Dat

kan alleen met uw toestemming, behalve als het gaat om verlof waar

werknemers volgens de wet recht op hebben, zoals ouderschapsverlof.

20.2.7 Opnemen uit levenslooptegoed

De levensloopregeling kan worden gebruikt voor bijna elke

vorm van verlof, zoals zorgverlof, sabbatical, ouderschapsverlof

en educatief verlof. Een levenslooptegoed kan niet

worden gebruikt om het loon aan te vullen dat is verlaagd

tijdens het ziekteverlof.

Als de werknemer (gedeeltelijk) onbetaald verlof neemt,

kan hij zijn levenslooprekening (of verzekering) aanspreken.

Daarmee mag hij zijn loon aanvullen tot maximaal 100%

van het loon dat hij direct voorafgaand aan de verlofperiode

kreeg. Dus: een werknemer die in juli € 1.000 aan loon had,

mag in augustus niet meer dan € 1.000 aan spaartegoed

opnemen voor de financiering van één maand onbetaald

verlof. Als u tijdens het verlof loon doorbetaalt, moet u

daarmee rekening houden. Betaalt u uw werknemer tijdens

het verlof bijvoorbeeld € 500 loon door, dan mag hij nog

maar € 500 van de levenslooprekening halen.

De instelling waarbij de levensloopregeling is ondergebracht,

maakt het geld dat de werknemer van de levenslooprekening

opneemt (of de uitkering uit de levensloopverzekering) aan

u over. Het opgenomen bedrag is loon uit tegenwoordige

dienstbetrekking. U rekent het niet tot het loon voor

de werknemersverzekeringen, maar wel tot het loon voor

de loonbelasting/volksverzekeringen en de Zvw. U moet

daarop dus nog de loonbelasting/premie volksverzekeringen

inhouden en de bijdrage Zvw inhouden en vergoeden.



Levensloopverlof voor oudere werknemers

Opnames uit het levenslooptegoed door werknemers die

geboren zijn in 1949 of daarvoor (en dus op 1 januari 2011

61 jaar of ouder zijn), zijn loon uit vroegere dienstbetrekking.

U past daarom de groene tabel toe op de tegoeden die u

aan deze werknemers uitkeert. Voor de inhouding van de

bijdrage Zvw geldt het normale tarief van 7,75%. U moet

de inhouding vergoeden.

Voor werknemers die geboren zijn in 1950 of daarna,

verandert er niets. Het opgenomen levenslooptegoed blijft

loon uit tegenwoordige dienstbetrekking.

Ongeacht de leeftijd van de werknemer die levensloopverlof

opneemt, houdt u ook rekening met de levensloopverlofkorting

(zie paragraaf 20.2.9). Daarna maakt u het nettoloon

over aan de werknemer, die het bedrag kan gebruiken om

een periode van onbetaald verlof financieel te overbruggen.



Let op!

Als uw werknemer – geboren in 1949 of daarvoor – naast zijn levensloopverlof

voor u blijft werken, moet u hem tweemaal in uw aangifte loonheffingen

opnemen. U gebruikt voor deze werknemer dan twee verschillende

nummers inkomstenverhouding. Het nummer inkomstenverhouding

dat u al voor deze werknemer gebruikt, blijft u gebruiken voor het loon dat

hij in deeltijd verdient (dit is loon uit tegenwoordige dienstbetrekking).

Voor het levensloopverlof (loon uit vroegere dienstbetrekking) gebruikt

u een nieuw nummer. Zie paragraaf 10.2.5 voor meer informatie over

het gebruik van de nummers inkomstenverhouding.

Als uw werknemer met pensioen gaat of 65 jaar wordt

Als de werknemer het spaartegoed nog niet (volledig)

heeft opgenomen, wordt op de dag vóór uw werknemer met

pensioen gaat of 65 jaar wordt, het hele opgebouwde tegoed

belast als loon uit vroegere dienstbetrekking. U keert het

tegoed op dat moment uit aan de werknemer, houdt daarop

loonbelasting/premie volksverzekeringen in en verrekent

de opgebouwde levensloopverlofkorting daarmee.

Omdat de werknemer op dat moment nog geen 65 jaar oud

is, geldt voor de inhouding van de bijdrage Zvw het normale

tarief van 7,75%. U moet de bijdrage vergoeden.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 20 Spaarregelingen | 223

20.2.8 Overlijden van de werknemer

Bij overlijden van de werknemer mag zijn levenslooptegoed

ineens ter beschikking worden gesteld aan de erfgenamen.

Voor de loonheffingen, met uitzondering van de werknemersverzekeringen,

wordt het levenslooptegoed in dat

geval beschouwd als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking

van de overleden werknemer.

Voor de inkomstenbelasting hebben de erfgenamen

de keuze om dit postuum loon (zie ook paragraaf 8.2.3)

in de aangifte van de overledene op te nemen als loon uit

tegenwoordige dienstbetrekking of in hun eigen aangifte

als loon uit vroegere dienstbetrekking van een ander.



20.2.9 Levensloopverlofkorting

Werknemers hebben bij opname uit de levensloopregeling

recht op een korting op de loonbelasting/premie volksverzekeringen

die zij moeten betalen: de levensloopverlofkorting.

Bij de berekening van de loonbelasting/premie

volksverzekeringen houdt u rekening met deze extra

heffingskorting als de werknemer bij u de loonheffingskorting

verrekent. Zie voor meer informatie over de

levensloopverlofkorting paragraaf 21.7.

Let op!

Bij uitkering van het levenslooptegoed bij het overlijden van een werknemer,

hebben de erfgenamen geen recht op levensloopverlofkorting.

20.2.10 Levensloopregeling en pensioen

Het saldo van de levensloopregeling mag ook omgezet

worden in pensioen, zolang de volledige pensioenregeling

maar blijft voldoen aan de wettelijke pensioenvoorwaarden.

Dit betekent bijvoorbeeld dat na de omzetting van de

levensloopregeling per dienstjaar nog steeds niet meer aan

ouderdomspensioen mag zijn opgebouwd dan 2% van het

pensioengevend loon (bij eindloonstelsel: zie paragraaf 18.32).

Bij omzetting in pensioen verrekent u géén levensloopverlofkorting.

U bent niet verplicht om aan omzetting

mee te werken.

20.2.11 Ouderschapsverlofkorting

Als ouderschapsverlof (gedeeltelijk) onbetaald is, kan uw

werknemer gebruikmaken van de levensloopregeling om

het loon aan te vullen. Ook dan geldt de levensloopverlofkorting.

Daarnaast kan uw werknemer in zijn aangifte

inkomstenbelasting recht hebben op een aanvullende

heffingskorting: de ouderschapsverlofkorting. Deze korting

geldt alleen als het belastbare loon van uw werknemer

(het loon inclusief de uitkeringen uit de levensloopregeling)

door het ouderschapsverlof lager is dan in het voorafgaande

jaar. De ouderschapsverlofkorting bedraagt de helft van

het brutominimumloon

per opgenomen ouderschapsverlofuur.

Dat is in 2011 € 4,11 per uur. De ouderschapsverlofkorting

is maximaal

het verschil tussen het belastbare

loon in 2011 en 2010.

Voor de ouderschapsverlofkorting heeft uw werknemer

na afloop van het kalenderjaar een verklaring van u nodig

met de volgende gegevens:

• uw naam, adres en loonheffingennummer

• de naam en het BSN/sofinummer van uw werknemer

• de periode in het kalenderjaar waarin uw werknemer

ouderschapsverlof heeft gehad

• het aantal uren in het kalenderjaar dat uw werknemer

ouderschapsverlof heeft gehad



20.2.12 Deelname directeur-grootaandeelhouder

aan levensloopregeling

Een directeur-grootaandeelhouder kan deelnemen aan een

levensloopregeling. Voor een directeur-grootaandeelhouder

geldt de zogenoemde gebruikelijkloonregeling. Bij de

bepaling van het gebruikelijk loon gaat het om het begrip

‘loon’ voor de loonbelasting/volksverzekeringen. Dit is

het loon ná toepassing van de wettelijke vrijstellingen,

zoals de vrijstelling van een inleg in een levensloopregeling.

Deelname aan een levensloopregeling kan dus gevolgen

hebben voor de toepassing van de gebruikelijkloonregeling.

Als de directeur-grootaandeelhouder na deelname aan de

levensloopregeling een werkelijk loon heeft van € 41.000

of meer, moet de inspecteur een hoger gebruikelijk loon

bewijzen. Is het werkelijke loon na deelname aan de

levensloopregeling lager dan € 41.000, dan moet de

directeur-grootaandeelhouder zelf aannemelijk kunnen

maken dat dit lagere loon gebruikelijk is. De gebruikelijkloonregeling

is in ieder geval voor de levensloopregeling

niet van toepassing als aan de volgende twee voorwaarden

is voldaan:

• De directeur-grootaandeelhouder maakt aannemelijk dat

zijn werkelijke loon vóór inleg in de levensloopregeling

niet lager is dan het gebruikelijk loon vóór inleg in de

levensloopregeling.

• De inleg in de levensloopregeling is niet hoger is dan

12% van het loon.



20.2.13 Meer informatie

Meer informatie over de levensloopregeling vindt u op

www.belastingdienst.nl. Het ministerie van Sociale Zaken en

Werkgelegenheid biedt op www.rijksoverheid.nl ook

informatie aan.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 21 Heffingskortingen | 224

21 Heffingskortingen

Een heffingskorting is een korting op de belasting en/of

premie volksverzekeringen die iemand moet betalen. De

heffingskorting bestaat uit maximaal dertien verschillende

kortingen. Al deze kortingen kan de werknemer of uitkeringsgerechtigde

(hierna: werknemer) laten verrekenen via

zijn aangifte inkomstenbelasting. Met maximaal zes van

deze kortingen, samen de loonheffingskorting, houdt u als

werkgever of uitkeringsinstantie rekening bij de inhouding

van loonbelasting/premie volksverzekeringen (zie paragraaf

21.1). Maar alleen als de werknemer u schriftelijk heeft

gevraagd de loonheffingskorting toe te passen. Op welke

van deze zes kortingen de werknemer recht heeft, hangt af

van zijn persoonlijke situatie.

Inkomstenbelasting

Naast de loonheffingskorting zijn er heffingskortingen die

te maken hebben met de gezinssituatie van de werknemer

of met andere omstandigheden. Met deze kortingen houdt

u als werkgever geen rekening. De werknemer moet deze

zelf laten verrekenen via de inkomstenbelasting. Dat kan na

afloop van het jaar met de aangifte inkomstenbelasting,

maar ook vooraf met een verzoek om een voorlopige aanslag.

Dan krijgt de werknemer maandelijks een bedrag op

zijn rekening gestort. Bij de inkomstenbelasting gaat het,

naast de loonheffingskorting, om de volgende

heffingskortingen:

• de inkomensafhankelijke combinatiekorting

• de alleenstaande-ouderkorting

• de aanvullende alleenstaande-ouderkorting

• de korting voor maatschappelijke beleggingen

• de korting voor directe beleggingen in durfkapitaal

en culturele beleggingen

• de ouderschapsverlofkorting

Hiervoor heeft uw werknemer na afloop van het

kalenderjaar een verklaring van u nodig met de volgende

gegevens:

• uw naam, adres en woonplaats en uw

loonheffingennummer

• de naam en het bsn/sofinummer van de werknemer

• de periode in het kalenderjaar waarin de werknemer

ouderschapsverlof heeft gehad

• het aantal uren in het kalenderjaar dat de werknemer

ouderschapsverlof heeft gehad

• de doorwerkbonus

Deze korting geldt voor de werknemer die voldoet aan

de volgende drie voorwaarden:

• Hij is op 1 januari 2011 61 jaar of ouder.

• Hij heeft recht op de arbeidskorting.

• Hij heeft inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking

van ten minste € 9.045.

Alle heffingskortingen zijn persoonlijk. Ze kunnen niet

worden overdragen aan iemand anders.

21.1 Loonheffingskorting

De loonheffingskorting is de verzamelnaam voor de zes

heffingskortingen waarmee u rekening moet houden bij

het bepalen van de in te houden loonbelasting/premie

volksverzekeringen op het loon. De loonheffingskorting

kan bestaan uit de volgende heffingskortingen:

• de algemene heffingskorting (zie paragraaf 21.2)

• de arbeidskorting (zie paragraaf 21.3)

• de ouderenkorting (zie paragraaf 21.4)

• de alleenstaande-ouderenkorting (zie paragraaf 21.5)

• de jonggehandicaptenkorting (zie paragraaf 21.6)

• de levensloopverlofkorting (zie paragraaf 21.7)

Elke werknemer heeft in principe recht op de loonheffingskorting.

Dit geldt ook voor werknemers die niet in

Nederland wonen. Uw werknemer moet voor het toepassen

daarvan wel een schriftelijk verzoek bij u doen, bijvoorbeeld

met een Model opgaaf gegevens voor de loonheffingen (zie paragraaf

2.3). Als uw werknemer de loonheffingskorting niet

meer bij u wil of mag laten toepassen, moet hij u dat ook

schriftelijk vragen. In de rubriek ‘Gegevens voor tabeltoepassing’

op de loonstaat vermeldt u of u de loonheffingskorting

toepast (zie paragraaf 8.1). U moet op de jaaropgaaf

voor de werknemer (zie hoofdstuk 12) vermelden of u bij het

bepalen van de loonbelasting/premie volksverzekeringen

rekening hebt gehouden met de loonheffingskorting.

1   ...   41   42   43   44   45   46   47   48   ...   55

  • 20.1.5 Boeking in de loonstaat
  • 20.1.6 Geen samenloop met levensloopregeling
  • 20.2.1 Sparen in levensloopregeling
  • Belastingdienst
  • 20.2.2 Overgangsregeling oudere werknemers
  • 20.2.3 Deeltijd, demotie en loonsverlaging
  • 20.2.4 Bijdrage werkgever
  • 20.2.5 Geen samenloop met spaarloonregeling
  • 20.2.7 Opnemen uit levenslooptegoed
  • Levensloopverlof voor oudere werknemers
  • Als uw werknemer met pensioen gaat of 65 jaar wordt
  • 20.2.9 Levensloopverlofkorting
  • 20.2.10 Levensloopregeling en pensioen
  • 20.2.11 Ouderschapsverlofkorting
  • 20.2.12 Deelname directeur-grootaandeelhouder aan levensloopregeling

  • Dovnload 2.98 Mb.