Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Belastingdienst

Dovnload 2.98 Mb.

Belastingdienst



Pagina46/55
Datum04.04.2017
Grootte2.98 Mb.

Dovnload 2.98 Mb.
1   ...   42   43   44   45   46   47   48   49   ...   55

Let op!

Werknemers die al vóór 1 januari 2007 bij u in dienst waren, hoeven

geen verzoek voor het toepassen van loonheffingskorting te doen.

De loonbelastingverklaring die zij in die tijd hebben ingevuld en

ondertekend, wordt met dit verzoek gelijkgesteld.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 21 Heffingskortingen | 225

De algemene heffingskorting, de ouderenkorting en de

alleenstaande-ouderenkorting zijn verwerkt in de witte en

de groene tijdvaktabellen. De arbeidskorting is alleen verwerkt

in de witte tijdvaktabellen. U hoeft deze vier heffingskortingen

dus niet zelf te berekenen. De jonggehandicaptenkorting

en de levensloopverlofkorting moet u wel zelf

berekenen (zie paragraaf 7.3.1).

In de tabellen voor bijzondere beloningen zijn geen heffingskortingen

verwerkt.

U mag alleen rekening houden met de loonheffingskorting

als uw werknemer daar schriftelijk om heeft gevraagd. Voor

de jonggehandicaptenkorting geldt een uitzondering: ook

als de werknemer de loonheffingskorting niet bij u laat toepassen,

mag u de jonggehandicaptenkorting verrekenen

(zie paragraaf 21.6).

Als de werknemer u niet heeft gevraagd de loonheffingskorting

toe te passen, loopt hij de korting niet mis: hij kan de

loonheffingskorting verrekenen via zijn aangifte

inkomstenbelasting.



Werknemers die niet volledig belasting- of premieplichtig zijn

De heffingskortingen voor de loonbelasting/premie volksverzekeringen

kennen elk een belasting- en een premiedeel.

Bij werknemers die niet belastingplichtig zijn voor de

loonbelasting of niet (volledig) premieplichtig zijn voor de

volksverzekeringen, moet u de loonheffingskorting verminderen.

Voor werknemers van 65 jaar of ouder is die vermindering

in de witte en groene tijdvaktabellen verwerkt.

Voor andere situaties (bijvoorbeeld werknemers die in het

buitenland wonen of werken) gelden herleidingsregels die

u moet toepassen op het bedrag dat de loonbelastingtabel

aangeeft (zie paragraaf 7.3.8).



Werknemers met meer dan een werkgever of

uitkeringsinstantie

De loonheffingskorting mag maar bij één werkgever of uitkeringsinstantie

worden toegepast. De werknemer moet

een schriftelijk, gedagtekend en ondertekend verzoek bij u

doen als hij wil dat u de loonheffingskorting toepast (zie paragraaf

2.3). Als de werknemer de loonheffingskorting niet bij

u laat toepassen, dan mag u met geen enkele heffingskorting

rekening houden.

Als de werknemer meer dan een werkgever of uitkeringsinstantie

heeft, is het mogelijk dat hij niet de volledige loonheffingskorting

kan verrekenen. Ook is het mogelijk dat de

werknemer ervoor kiest om de loonheffingskorting bij geen

enkele werkgever of uitkeringsinstantie te laten toepassen.

De werknemer kan dan teruggaaf vragen via zijn aangifte

inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Of met een

verzoek om een voorlopige aanslag.

21.2 Algemene heffingskorting

Iedere werknemer heeft recht op de algemene heffingskorting.

De algemene heffingskorting is € 1.987 als de werknemer

jonger is dan 65 jaar. Als de werknemer 65 jaar of

ouder is, is de algemene heffingskorting € 910.

21.3 Arbeidskorting

De werknemer met een echte of een fictieve dienstbetrekking

krijgt loon uit tegenwoordige dienstbetrekking (zie paragraaf

1.1.1). Hij heeft recht op de arbeidskorting. De arbeidskorting

is een percentage van dat loon tot een maximumbedrag. De

arbeidskorting wordt alleen berekend over tijdvakloon en

niet over eenmalige beloningen of beloningen die maar eenmaal

per jaar worden toegekend (zoals gratificaties, tantièmes

of vakantiegeld).

Voor de toepassing van de arbeidskorting worden tot het

loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ook gerekend:

• loon wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid

• uitkeringen voor de financiering van loopbaanonderbreking

(Wet arbeid en zorg) en eventuele aanvullingen

hierop door de werkgever

Tot het loon wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid

horen niet:

• wao/wia-uitkeringen

• Waz-uitkeringen (behalve uitkeringen in verband met

bevalling)

• Wet Wajong-uitkeringen

• uitkeringen op grond van buitenlandse arbeidsongeschiktheidsverzekeringen

die naar aard en strekking

overeenkomen met de wao/wia, Waz of Wet Wajong

U moet over elk loontijdvak bijhouden welk bedrag aan

arbeidskorting met de loonbelasting/premie volksverzekeringen

van de werknemer is verrekend. Daarom is in de witte

tijdvaktabellen de verrekende arbeidskorting opgenomen.

U vermeldt de verrekende arbeidskorting in kolom 18 van de

loonstaat (Verrekende arbeidskorting; zie paragraaf 8.2.18) en

u moet het totaalbedrag op de jaaropgaaf aan de werknemer

(zie hoofdstuk 12) vermelden. Dit is nodig omdat de werknemer

dit bedrag in zijn aangifte inkomstenbelasting moet

invullen. De arbeidskorting die de werknemer via zijn aangifte

inkomstenbelasting krijgt, is nooit minder dan het bedrag

dat u als werkgever hebt verrekend en nooit meer dan het

maximum dat voor de werknemer geldt.



Arbeidskorting voor werknemers geboren in 1954 of later

Werknemers die aan het begin van het jaar 56 jaar of jonger

zijn, hebben recht op de arbeidskorting. Deze korting is per

jaar maximaal € 1.574 (zie tabel 2a achter in dit handboek).

De korting is verwerkt in de loonbelastingtabellen en de

rekenregels.



Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 21 Heffingskortingen | 226

Verhoogde arbeidskorting voor werknemers geboren

in 1953 of eerder

Werknemers die aan het begin van het jaar 57 jaar of ouder

zijn, maar nog geen 64 jaar zijn, hebben recht op een

verhoogde arbeidskorting, voor zover hun loon uit tegenwoordige

dienstbetrekking hoger is dan € 9.209 (zie tabel 2a

achter in dit handboek). De verhoging is verwerkt in de loonbelastingtabellen

en de rekenregels.

Arbeidskorting voor werknemers van 65 jaar en ouder

Vanaf de eerste loonbetaling nadat de werknemer 65 jaar is

geworden, geldt de arbeidskorting uit tabel 2b achter in dit

handboek. De arbeidskorting is per jaar maximaal € 1.081.

Deze korting is verwerkt in de loonbelastingtabellen en de

rekenregels.



Afbouw arbeidskorting voor loon boven € 44.126

Als het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking hoger is

dan € 44.126, moet u het bedrag aan arbeidskorting verminderen

(afbouwen). Die afbouw is 1,25% van het loon boven

de € 44.126 met een maximum van € 77. Voor werknemers

van 65 jaar en ouder geldt een afbouw van 0,571% met een

maximum van € 35. Deze verlagingen van de arbeidskorting

zijn verwerkt in de witte tijdvaktabellen en de rekenregels.



Let op!

Soms moet uw werknemer via de aangifte inkomstenbelasting de

afbouw van de arbeidskorting van maximaal € 77 aan ons betalen. Dat

komt voor als uw werknemer op jaarbasis een loon heeft van meer dan

44.126 en zich een van de volgende situaties voordoet:

Uw werknemer had in een of meer loontijdvakken een loon beneden de

afbouwgrens (herleid naar het tijdvakbedrag) en hij krijgt via de witte

tijdvaktabel een tijdvakevenredige arbeidskorting zonder afbouw.

U hebt over eenmalige beloningen, zoals vakantiegeld, bonussen



of eindejaarsuitkeringen, de tabel bijzondere beloningen toegepast.

In de tabel bijzondere beloningen zijn de arbeidskorting en de

afbouw daarvan niet verwerkt.

Uw werknemer heeft verschillende werkgevers. Per werkgever blijft



hij onder de afbouwgrens, maar zijn jaarloon komt boven de

afbouwgrens uit.

Uw werknemer heeft naast loon nog ander arbeidsinkomen (winst



uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden). Voor het

loon blijft hij onder de afbouwgrens, maar zijn totale arbeidsinkomen

komt boven de afbouwgrens uit.

21.4 Ouderenkorting

Een werknemer heeft recht op de ouderenkorting als hij

aan de volgende twee voorwaarden voldoet:

• Hij is 65 jaar of ouder.

• Het tijdvakloon op jaarbasis is niet meer dan € 34.857.

De ouderenkorting is € 739.

U past via de tijdvaktabel de ouderenkorting toe vanaf de

eerste loonbetaling in de maand waarin uw werknemer 65

jaar wordt.

21.5 Alleenstaande-ouderenkorting

Alleen de Sociale Verzekeringsbank past de alleenstaandeouderenkorting

toe. Er moet dan sprake zijn van een aowuitkering

voor alleenstaanden of alleenstaande ouders.

De alleenstaande-ouderenkorting is € 421 en wordt toegepast

vanaf de eerste loonbetaling in de maand waarin de

uitkeringsgerechtigde 65 jaar wordt. De svb past deze korting

alleen toe als de uitkeringsgerechtigde de svb schriftelijk

heeft gevraagd de loonheffingskorting toe te passen.

21.6 Jonggehandicaptenkorting

De jonggehandicaptenkorting geldt voor iedereen die:

• een Wet Wajong-uitkering krijgt

• recht heeft op een Wet Wajong-uitkering, maar deze uitkering

niet krijgt omdat de uitkeringsgerechtigde nog

andere inkomsten heeft

Als u een Wet Wajong-uitkering (door)betaalt, mag u altijd de

jonggehandicaptenkorting verrekenen. Dit geldt ook als uw

werknemer de loonheffingskorting niet bij u laat toepassen.

Het kan zijn dat uw werknemer wel recht heeft op een Wet

Wajong-uitkering, maar deze niet krijgt omdat hij nog andere

inkomsten heeft. Dan mag u de jonggehandicaptenkorting

verrekenen als u bij uw loonadministratie een kopie bewaart

van de brief die uwv heeft gestuurd aan uw werknemer, waarin

staat dat deze recht heeft op de jonggehandicaptenkorting.

De jonggehandicaptenkorting is € 696 per jaar. Deze heffingskorting

is niet in de tabellen of in de rekenregels verwerkt.

U moet het tabelbedrag van de loonbelasting/premie

volksverzekeringen zelf verminderen met de jonggehandicaptenkorting.

Gebruikt u de maandtabel, de vierwekentabel,

de weektabel, de dagtabel of de kwartaaltabel, dan is

de korting 1/12, 1/13, 1/52, 1/260 respectievelijk 1/4 deel.

Heeft uw werknemer een loontijdvak waarvoor geen tabel

bestaat? Dan gebruikt u voor het berekenen van de korting

dezelfde herleidingsregels die u gebruikt voor het berekenen

van de loonbelasting/premie volksverzekeringen

(zie paragraaf 7.3.5).

21.7 Levensloopverlofkorting

Werknemers hebben bij opname uit de levensloopregeling

recht op de levensloopverlofkorting. Bij de berekening van

de loonbelasting/premie volksverzekeringen houdt u rekening

met deze extra heffingskorting als de werknemer bij u

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 21 Heffingskortingen | 227

de loonheffingskorting verrekent. De levensloopverlofkorting

is gelijk aan het opgenomen bedrag uit de levensloopregeling

met een maximum van € 201 per gespaard kalenderjaar.

Als de werknemer in november en in december 2011

bijvoorbeeld € 50 opneemt voor onbetaald verlof, dan verrekent

u bij het loon van november en van december € 50

aan levensloopverlofkorting. Is de opname in november en

in december € 1.000, dan verrekent u alleen in november

€ 201 met de berekende loonbelasting/premie volksverzekeringen.

Als de werknemer geld opneemt uit de levensloopregeling

en hij daarvoor twee jaar heeft gespaard, verrekent u maximaal

2 x € 201 = € 402. Hebt u in voorgaande jaren al levensloopverlofkorting

verrekend, dan verlaagt dit de levensloopverlofkorting

in latere jaren. Als u bij de werknemer in het

eerste jaar bijvoorbeeld € 100 aan levensloopverlofkorting

hebt verrekend, dan mag u in het tweede jaar maximaal

(2 x € 201) - € 100 = € 302 verrekenen.

Als uw werknemer naast zijn opname uit de levensloopregeling

ook ander loon krijgt, kunt u de levensloopverlofkorting

verrekenen met het totaalbedrag aan loonbelasting/

premie volksverzekeringen.



Voorbeeld

Een werknemer met een maandloon krijgt in november en december 2011

600 aan loon en neemt daarnaast € 400 aan levenslooptegoed op. De



werknemer is begin 2011 begonnen met de levensloopregeling. Hij heeft

niet eerder gebruikgemaakt van de levensloopverlofkorting. De levensloopverlofkorting

is € 201. Het bedrag aan loonbelasting/premie volksverzekeringen

is volgens de witte maandtabel bijvoorbeeld € 115 bij

een loon van (€ 600 + € 400 =) € 1.000. Van dit bedrag verrekent u in

november € 115 en in december het restant (€ 201 - € 115 =) € 86.

U vermeldt het bedrag van de toegepaste levensloopverlofkorting

in kolom 19 van de loonstaat (Levensloopverlofkorting;

zie paragraaf 8.2.19) en het totaalbedrag vermeldt

u op de jaaropgaaf voor de werknemer (zie hoofdstuk 12).

Let op!

Het saldo van de levensloopregeling mag ook worden omgezet in

pensioen, zolang de volledige pensioenregeling maar blijft voldoen

aan de wettelijke pensioenvoorwaarden (zie paragraaf 20.2.10).

Bij omzetting in pensioen verrekent u geen levensloopverlofkorting.

De levensloopverlofkorting is ook niet van toepassing als u het

levenslooptegoed na het overlijden van de werknemer uitbetaalt

aan de erfgenamen.

U mag de levensloopverlofkorting alleen toepassen als de

werknemer u schriftelijk heeft gevraagd de loonheffingskorting

toe te passen (zie paragraaf 2.3).



Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 22 Eindheffingen | 228

22 Eindheffingen

Over bepaalde vormen van loon wordt de loonbelasting/

premie volksverzekeringen geheven in de vorm van een

zogenoemde eindheffing. Deze eindheffing houdt u niet

in op het loon van uw werknemer, maar komt voor uw

rekening. Loon waarop u eindheffing toepast, hoort niet

(meer) tot het loon van uw werknemer en hoort dus ook

niet tot zijn verzamelinkomen voor de inkomstenbelasting.

De loonbelasting/premie volksverzekeringen die u over dit

loon betaalt, kan uw werknemer niet verrekenen met de

inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

In de volgende situaties en over de volgende loonbestanddelen

mag of moet u eindheffing toepassen:

• naheffingsaanslagen (zie paragraaf 22.1)

• tijdelijke knelpunten van ernstige aard

(zie paragraaf 22.2)

• publiekrechtelijke uitkeringen (zie paragraaf 22.3)

• bezwaarlijk te individualiseren loon (zie paragraaf 22.4)

• loon met een bestemmingskarakter (zie paragraaf 22.5)

• spaarloon (zie paragraaf 22.6)

• geschenken in natura (zie paragraaf 22.7)

• bovenmatige kostenvergoedingen en verstrekkingen

(zie paragraaf 22.8)

• vut-regelingen (zie paragraaf 22.9)

• doorlopend afwisselend gebruik bestelauto’s

(zie paragraaf 22.10)

• excessieve vertrekvergoedingen (zie paragraaf 22.11.1)

• backservice bij hoge inkomens (zie paragraaf 22.11.2)

• werkkostenregeling (zie paragraaf 22.12)

Dit hoofdstuk behandelt ook hoe u eindheffing berekent

(zie paragraaf 22.13).



Eindheffing niet voor werknemersverzekeringen en Zvw

Bij de loonbestanddelen uit paragraaf 22.2 tot en met 22.11

hebt u de mogelijkheid en soms de verplichting om eindheffing

toe te passen. Over loonbestanddelen waarop u

eindheffing kunt of moet toepassen, betaalt u geen premies

werknemersverzekeringen en houdt u geen inkomensafhankelijke

bijdrage (hierna: bijdrage Zvw) in. U betaalt voor

deze eindheffingen dus alleen loonbelasting/premie volksverzekeringen.

Voor de vergoedingen en verstrekkingen die

u binnen de werkkostenregeling als eindheffingsloon aanwijst

en die boven uw vrije ruimte uitkomen, betaalt u

alleen loonbelasting.

Een uitzondering is het loon waarbij wij door het opleggen

van een naheffingsaanslag eindheffing toepassen. Hierover

moet u wel premies werknemers verzekeringen en bijdrage

Zvw betalen, tenzij u het loon zelf in de eindheffing had

kunnen of moeten betrekken (zie paragraaf 22.1).

Loonstaat bij eindheffing invullen

Eindheffingsbestanddelen worden niet geboekt in de loonstaat.

Een uitzondering geldt voor loon dat door het opleggen

van een naheffingsaanslag in de eindheffing wordt

betrokken. Hierover moet u namelijk premies werknemersverzekeringen

en bijdrage Zvw betalen, tenzij u het loon zelf

in de eindheffing had kunnen of moeten betrekken. U boekt

dat in kolom 3 (loon in geld) of kolom 4 (loon anders dan in

geld) als positief bedrag en in kolom 13 als negatief bedrag.

Negatief eindheffingsloon

Als u aan uw werknemer een vergoeding betaalt voor de aanen

verkoopkosten van een woning bij een zakelijke verhuizing

(zie ook paragraaf 18.50), moet u verplicht eindheffing

toepassen (zie paragraaf 22.5). Als uw werknemer deze vergoeding

bij ontslag moet terugbetalen, is dat negatief eindheffingsloon

op het moment van de terugbetaling. U vermeldt

de eindheffing over dat loon volgens het tarief op het

moment van terugbetaling als negatief bedrag in de aangifte

loonheffingen. U doet dit in de aangifte over het tijdvak van

de terugbetaling. Het saldo van de af te dragen loonbelasting/

premie volksverzekeringen en eindheffingen mag hierdoor in

die aangifte niet negatief zijn. Als u op een negatieve aangifte

uitkomt, kunt u ons schriftelijk verzoeken om een teruggaaf.

22.1 Naheffingsaanslagen

Als u een naheffingsaanslag krijgt, heffen wij de loonbelasting/

premie volksverzekeringen in de regel van u in de vorm

van een eindheffing. Op deze regel zijn twee uitzonderingen:

• U verzoekt om een naheffingsaanslag die u wilt verhalen

op uw werknemers.

• Wij besluiten bij een voor bezwaar vatbare beschikking

om de eindheffing niet toe te passen. Dit laatste kan

gebeuren in de volgende gevallen:

• Er zijn geen praktische bezwaren tegen het opleggen

van een naheffingsaanslag die u wilt verhalen op uw

werknemers, bijvoorbeeld als het om een klein aantal

werknemers gaat.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 22 Eindheffingen | 229

• Eindheffing zou onbedoelde financiële voordelen

hebben voor een of meer werknemers, zoals tariefvoordelen

of een hogere subsidie.

In deze gevallen moet u per werknemer corrigeren.

Hoe u dat doet, leest u in hoofdstuk 11.



Let op!

Deze eindheffingsbestanddelen zijn ook loon voor de werknemersverzekeringen

en de Zvw, tenzij u het loon zelf in de eindheffing had kunnen

of moeten betrekken. Een voorbeeld van loon dat u in de eindheffing

had kunnen betrekken, zijn geschenken in natura (zie paragraaf 22.7).

Als u hierover geen eindheffing hebt betaald en u hebt deze looncomponent

ook niet tot het loon gerekend, is de eindheffing bij naheffing 20%.

Een voorbeeld van loon dat u in de eindheffing had moeten betrekken,

is loon met een bestemmingskarakter, zoals vergoedingen voor

parkeer-, veer- en tolgelden (zie paragraaf 22.5). Als u hierover geen

eindheffing hebt betaald, zal bij naheffing het enkelvoudig tarief van

toepassing zijn. Een ander voorbeeld is spaarloon: als u hierover geen

eindheffing hebt betaald, is de eindheffing bij naheffing 25%.

Berekening eindheffing bij naheffingsaanslagen

Als u, bijvoorbeeld naar aanleiding van een boekenonderzoek,

een naheffingsaanslag krijgt en wij de loonbelasting/

premie volksverzekeringen heffen in de vorm van eindheffing,

kan het tabeltarief afwijken van de percentages van

tabel 5 en 6 achter in dit handboek. Dit is het geval als het

loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen ook loon is

voor de werknemersverzekeringen en/of de Zvw, waardoor

de vergoeding van de bijdrage Zvw meegebruteerd moet

worden. De afwijkende tabeltarieven staan niet in het handboek,

maar in onze correspondentie over bijvoorbeeld het

boekenonderzoek.



Voorbeeld 1

Wij hebben bij een onderzoek in 2011 vastgesteld dat u aan uw werknemer

in 2007 en 2008 een bovenmatige kostenvergoeding hebt betaald van

1.000 per jaar. U had dit loon zelf in de eindheffing kunnen betrekken.



Over deze eindheffingsbestanddelen hoeft u dan geen premies werknemersverzekeringen

en bijdrage Zvw te betalen. De werknemer is 40 jaar. Hij laat

de loonheffingskorting bij u toepassen en zijn jaarloon is elk jaar € 33.000.

De eindheffing wordt berekend volgens het tabeltarief van 2007 en 2008.

De berekening ziet er als volgt uit:

Jaar

Kostenvergoeding

Tabeltarief

Loonbelasting/premie

volksverzekeringen

2007 € 1.000 72,40% € 724

2008 € 1.000 72,40% € 724

Eindheffing € 1.448

Wij verhogen dit bedrag eventueel met een boete en heffingsrente.

Het tabeltarief geldt niet als u aannemelijk kunt maken dat

u de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het

loon voor uw rekening neemt op een later tijdstip dan waarop

het loon is genoten. De loonbelasting/premie volksverzekeringen

wordt dan eerst berekend volgens het enkelvoudige

tarief (zie paragraaf 22.13.2). De berekende eindheffing

is het nettovoordeel dat uw werknemer heeft, omdat u de

loonbelasting/premie volksverzekeringen voor uw rekening

neemt. De loonbelasting/premie volksverzekeringen die u

moet betalen over dit voordeel, berekent u volgens het

tabeltarief op het tijdstip waarop u de loonbelasting/premie

volksverzekeringen voor uw rekening neemt.

Voorbeeld 2

De gegevens zijn hetzelfde als in voorbeeld 1, maar nu hebt u aannemelijk

kunnen maken dat u pas in 2011 hebt besloten om de loonbelasting/premie

volksverzekeringen voor uw rekening te nemen. De eindheffing over de

kostenvergoeding wordt nu berekend volgens het enkelvoudige tarief van

2007 en 2008. De berekening ziet er als volgt uit:

1   ...   42   43   44   45   46   47   48   49   ...   55

  • Belastingdienst
  • Werknemers die niet volledig belasting- of premieplichtig zijn
  • Werknemers met meer dan een werkgever of uitkeringsinstantie
  • Arbeidskorting voor werknemers geboren in 1954 of later
  • Arbeidskorting voor werknemers van 65 jaar en ouder
  • Afbouw arbeidskorting voor loon boven € 44.126
  • Eindheffing niet voor werknemersverzekeringen en Zvw
  • Loonstaat bij eindheffing invullen
  • Negatief eindheffingsloon
  • Berekening eindheffing bij naheffingsaanslagen

  • Dovnload 2.98 Mb.