Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Belastingdienst

Dovnload 2.98 Mb.

Belastingdienst



Pagina48/55
Datum04.04.2017
Grootte2.98 Mb.

Dovnload 2.98 Mb.
1   ...   44   45   46   47   48   49   50   51   ...   55

Let op!

Als u gebruikmaakt van de werkkostenregeling, dan mag u de volgende

eindheffingen niet toepassen:

bezwaarlijk te individualiseren loon (zie paragraaf 22.4)

loon met een bestemmingskarakter (zie paragraaf 22.5)

geschenken in natura (zie paragraaf 22.7)

bovenmatige kostenvergoedingen en verstrekkingen

(zie paragraaf 22.8)

22.13 Eindheffing berekenen

Voor de berekening van de eindheffing die u moet betalen,

gelden afzonderlijke regels. Deze regels wijken af van de

regels voor de berekening van de loonbelasting/premie

volksverzekeringen (zie ook hoofdstuk 7). Er zijn afzonderlijke

tabellen voor de eindheffing (zie tabel 5 en 6 achter in

dit handboek). De eindheffing moet u op hetzelfde moment

aangeven en betalen als de loonheffingen, namelijk per

aangiftetijdvak.

Voor eindheffing gelden de volgende tarieven:

• tabeltarief (zie paragraaf 22.13.1)

• enkelvoudig tarief (zie paragraaf 22.13.2)

• vast tarief van 15%, 20%, 25%, 30%, 45%, 52%, 75% of 80%

(zie paragraaf 22.13.3)

• vast bedrag van € 300 op jaarbasis (zie paragraaf 22.13.4)

Welk tarief u moet toepassen, hangt af van het loonbestanddeel

waarover eindheffing gaat plaatsvinden.



Let op!

De mogelijkheid van eindheffing bestaat niet voor de premies

werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.

22.13.1 Tabeltarief

Het tabeltarief is een percentage dat wordt toegepast op

het eindheffingsloon. De hoogte van het percentage is

afhankelijk van:

• het jaarloon van de werknemer voor toepassing van de

tabel voor bijzondere beloningen (zie ook paragraaf 7.3.6

en 3.2.1)

• de leeftijd van de werknemer (jonger dan 65 jaar of 65 jaar

en ouder)

• het al dan niet toepassen van de loonheffingskorting

Er zijn drie soorten tabeltarieven:

• het tabeltarief voor werknemers jonger dan 65 jaar

(zie tabel 5 achter in dit handboek)

• het tabeltarief voor werknemers van 65 jaar en ouder,

geboren in 1945 of eerder (zie tabel 6a achter in dit

handboek)

• het tabeltarief voor werknemers van 65 jaar, geboren in

1946 (zie tabel 6b achter in dit handboek)



Voorbeeld

U verstrekt aan een werknemer loon in natura waarover eindheffing

mag plaatsvinden en u kiest voor eindheffing. De werknemer is 40 jaar.

Hij heeft een jaarloon van € 25.000 en recht op loonheffingskorting.

Het tabeltarief is 72,2%.

Afwijkende tarieven voor enkele groepen werknemers

Voor enkele groepen werknemers gelden tarieven die

afwijken. Het gaat om de volgende groepen:

• werknemers die uitsluitend premieplichtig zijn

• werknemers die uitsluitend belastingplichtig zijn

• anonieme werknemers

• aannemers van werk, thuiswerkers, sekswerkers en

gelijkgestelden (zie ook hoofdstuk 15)

De afwijkende tarieven staan in tabel 5, 6a en 6b achter in

dit handboek.



Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 22 Eindheffingen | 235

22.13.2 Enkelvoudig tarief

Het enkelvoudige tarief is een percentage dat wordt toegepast

op het eindheffingsloon. De hoogte van het percentage

is afhankelijk van:

• het jaarloon van de werknemer voor de toepassing van de

tabel voor bijzondere beloningen (zie ook paragraaf 7.3.6

en 3.2.1)

• de leeftijd van de werknemer (jonger dan 65 jaar of 65 jaar

en ouder)

• het al dan niet toepassen van de loonheffingskorting

Er zijn drie soorten enkelvoudige tarieven:

• het enkelvoudige tarief voor werknemers jonger

dan 65 jaar (zie tabel 5 achter in dit handboek)

• het enkelvoudige tarief voor werknemers van 65 jaar en

ouder, geboren in 1945 of eerder (zie tabel 6a achter in dit

handboek)

• het enkelvoudig tarief voor werknemers van 65 jaar geboren

in 1946 (zie tabel 6b achter in dit handboek)



Voorbeeld

U vergoedt aan een werknemer € 50 parkeergeld. Dit is loon met een

bestemmingskarakter waarover u eindheffing moet toepassen (zie paragraaf

22.5). De werknemer is 40 jaar. Hij heeft een jaarloon van € 25.000

en recht op loonheffingskorting. Het enkelvoudige tarief over de vergoeding

van € 50 bedraagt 41,95% (zie tabel 5 achter in dit handboek).

Afwijkende tarieven voor enkele groepen werknemers

Voor enkele groepen werknemers gelden tarieven die

afwijken. Het betreft de volgende groepen:

• werknemers die uitsluitend premieplichtig zijn

• werknemers die uitsluitend belastingplichtig zijn

• anonieme werknemers

• aannemers van werk, thuiswerkers, sekswerkers en

gelijkgestelden

De afwijkende tarieven staan in tabel 5, 6a en 6b achter in

dit handboek.



22.13.3 Vast tarief van 15%, 20%, 25%, 30%, 45%,

52%, 75% of 80%

Er bestaan vaste eindheffingtarieven van 15%, 20%, 25%,

30%, 45%, 52%, 75% of 80%:

• Het tarief van 15% moet u toepassen bij backservice voor

hoge inkomens (zie paragraaf 22.11.2).

• Het tarief van 20% mag u toepassen bij geschenken in

natura aan uw werknemers voor zover de waarde in het

economische verkeer niet meer is dan € 70 per

kalenderjaar.

• Het tarief van 25% moet u toepassen bij een

spaarloonregeling.

• Het tarief van 30% moet u toepassen bij excessieve

vertrekvergoedingen (zie paragraaf 22.11.1).

• Het tarief van 45% mag u toepassen bij geschenken en

verstrekkingen aan anderen dan uw werknemers als de

waarde in het economische verkeer per geschenk of

verstrekking niet meer bedraagt dan € 136 en de totale

waarde in het economische verkeer niet meer bedraagt

dan € 272 per persoon per jaar. Het tarief van 45% geldt

ook bij de verstrekking van goederen of diensten in de

promotionele sfeer en over de waarde van bonussen in de

vorm van papieren of digitale spaarpunten als de waarde

daarvan niet meer bedraagt dan € 136.

• Het tarief van 52% moet u toepassen op de uitkeringen uit

vut-regelingen en het omslaggefinancierde deel van prepensioenregelingen,

de werkgeversbijdragen en -premies

waarvoor geen overgangsrecht geldt. Voor zover u uitkeringen

doet uit stortingen waarover al 26% eindheffing is

betaald, moet u nog aanvullend 26% eindheffing betalen.

U moet deze aanvullende eindheffing ook betalen voor

zover u de uitkeringen doet uit bedragen die op het loon

van de werknemer zijn ingehouden en niet volledig tot

het loon zijn gerekend.

• Het tarief van 75% mag u toepassen bij geschenken en

verstrekkingen aan anderen dan uw werknemers als de

waarde in het economische verkeer per geschenk of

verstrekking meer bedraagt dan € 136 en de totale waarde

in het economische verkeer niet meer bedraagt dan € 272

per persoon per jaar. Het tarief van 75% geldt ook bij de

verstrekking van goederen of diensten in de promotionele

sfeer en over de waarde van bonussen in de vorm van

papieren of digitale spaarpunten. Hierbij geldt geen

maximumwaarde van € 272 per jaar.

• Het tarief van 80% past u toe als u gebruikmaakt van de

werkkostenregeling. U past het toe op het bedrag van de

vergoedingen en verstrekkingen die uitkomen boven uw

vrije ruimte. De vrije ruimte is 1,4% van het totale fiscale

loon van uw werknemers (kolom 14 van de loonstaat).

Bij de berekening van de vrije ruimte mag u ook loon uit

vroegere dienstbetrekking meenemen als dat loon

minder dan 10% van het totale fiscale loon uitmaakt.

22.13.4 Vast bedrag van € 300 op jaarbasis

U moet de eindheffing van € 300 op jaarbasis toepassen

als twee of meer werknemers een door u ter beschikking

gestelde bestelauto door de aard van het werk doorlopend

afwisselend gebruiken en het daardoor voor u bezwaarlijk is

de regeling voor privégebruik individueel toe te passen

(zie paragraaf 19.4.6).

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 23 Afdrachtverminderingen | 236

23 Afdrachtverminderingen

U kunt op grond van de Wet vermindering afdracht

loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (wva)

gebruikmaken van een vermindering van de belasting- en

premieafdracht voor verschillende groepen werknemers

of voor bepaalde kosten die u maakt. U hoeft dan minder

loonbelasting/premie volksverzekeringen en eindheffing af

te dragen dan u hebt aangegeven. De belangrijkste doelen van

de afdrachtverminderingen zijn het stimuleren van de werkgelegenheid

en het bevorderen van onderwijs en onderzoek.

U kunt recht hebben op de volgende afdrachtverminderingen:

• afdrachtvermindering onderwijs (zie paragraaf 23.2)

• afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk

(zie paragraaf 23.3)

• afdrachtvermindering zeevaart (zie paragraaf 23.4)

Bij elke soort afdrachtvermindering leggen wij uit welke

voorwaarden er gelden en hoe u de afdrachtvermindering

moet toepassen. In paragraaf 23.1 vindt u algemene

informatie over de afdrachtverminderingen.

23.1 Algemeen

In deze paragraaf lichten wij de volgende algemene

aspecten van de afdrachtverminderingen toe:

• begrip ‘werknemer’ (zie paragraaf 23.1.1)

• loontijdvak (zie paragraaf 23.1.2)

• loon en toetsloon (zie paragraaf 23.1.3)

• deeltijdfactor (zie paragraaf 23.1.4)

• samenloop van meerdere afdrachtverminderingen

(zie paragraaf 23.1.5)

• verrekening in de aangifte (zie paragraaf 23.1.6)

• 53e week (zie paragraaf 23.1.7)

23.1.1 Begrip ‘werknemer’

U kunt de afdrachtverminderingen alleen toepassen voor

werknemers. Voor de afdrachtvermindering onderwijs geldt

een uitzondering: die kunt u ook toepassen voor bepaalde

niet-werknemers, bijvoorbeeld stagiairs (zie paragraaf 23.2).

Voor de afdrachtverminderingen is het begrip ‘werknemer’

beperkter dan voor de loonheffingen. Onder een werknemer

voor de afdrachtverminderingen wordt verstaan:

• degene die bij u in echte dienstbetrekking is (

zie paragraaf 1.1.1)

• degene die behoort tot een van de volgende groepen

personen met een fictieve dienstbetrekking

(zie paragraaf 1.1.2):

• agenten en subagenten

• meewerkende kinderen

• bestuurders van coöperaties met werknemerszelfbestuur

• bestuurders en commissarissen die niet in Nederland

wonen van een in Nederland gevestigde nv, bv, of

andere organisatie

• thuiswerkers en hun hulpen

uitzendkrachten

• gelijkgestelden



Let op!

Afdrachtverminderingen kunt u niet toepassen voor pseudowerknemers

(zie paragraaf 15.15). De voor andere werknemers berekende afdrachtverminderingen

kunt u wel verrekenen met de af te dragen loonbelasting/

premie volksverzekeringen voor pseudowerknemers. U kunt dus de

ruimte voor de afdrachtverminderingen vergroten door gebruik te

maken van de opting-inregeling.

23.1.2 Loontijdvak

De afdrachtverminderingen onderwijs en zeevaart moet u

per loontijdvak vaststellen. Alleen als u gebruikmaakt van de

studenten- en scholierenregeling (zie ook paragraaf 15.17),

waar het loontijdvak het kwartaal wordt, geldt deze regel

niet. Dan moet u uitgaan van het loontijdvak dat van

toepassing zou zijn als de studenten- en scholierenregeling

buiten beschouwing zou blijven.

U kunt de afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk

per jaar vaststellen, maar ook voor een kortere periode

(zie ook paragraaf 23.3.1).

Let op!

Voor een aandeelhouder met een aanmerkelijk belang in een

vennootschap kan het loon op een hoger bedrag worden vastgesteld

dan het werkelijk genoten loon. Voor toepassing van de afdrachtverminderingen

moet u het verschil tussen het loon en het werkelijk

genoten loon gelijkmatig over het kalenderjaar verdelen. Aan elk

loontijdvak moet u een evenredig deel van het verschil toerekenen.

Loon na einde dienstbetrekking

Als u na het einde van een dienstbetrekking nog loon uitbetaalt,

kunt u normaal gesproken geen afdrachtvermindering op dit

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 23 Afdrachtverminderingen | 237

loon toepassen omdat er op het tijdstip van inhouding geen

werknemer meer is. Als u het loon over de laatste periode

pas na het einde van de dienstbetrekking betaalt, mag u op

dit loon toch afdrachtvermindering toepassen. U rekent dit

loon dan toe aan de periode die ligt tussen het laatste

volledige loontijdvak van de dienstbetrekking waarin de

werknemer loon heeft genoten, en het einde van de

dienstbetrekking.

Voorbeeld

De dienstbetrekking van een werknemer wordt halverwege de maand

beëindigd. Het loon over de eerste helft van de maand wordt uitbetaald

in de tweede helft van de maand. Voor toepassing van de afdrachtverminderingen

rekent u het loon toe aan de eerste helft van de maand.

23.1.3 Loon en toetsloon

Het begrip ‘loon’ voor de berekening van de afdrachtvermindering

onderwijs wijkt af van het begrip ‘loon’

voor de berekening van de loonheffingen. U kunt de

afdrachtvermindering onderwijs in een aantal situaties

toepassen als het loon van de werknemer niet hoger is

dan een bepaald grensbedrag, het zogenoemde toetsloon.

Het toetsloon bedraagt ongeveer 130% van het minimumloon.

Als minimumloon geldt hier, ongeacht de leeftijd

van de werknemer, het minimumloon voor werknemers

van 23 jaar en ouder. Het toetsloon voor de afdrachtvermindering

onderwijs vindt u in tabel 15, 16 en 17

achter in dit handboek.

Bij de bepaling of het loon van een werknemer boven het

toetsloon uitkomt, hoeft u de volgende loonbestanddelen

niet mee te tellen:

• beloningen die in de regel maar één keer of één keer per

jaar worden toegekend, zoals vakantiegeld, tantièmes of

gratificaties

• loon uit vroegere dienstbetrekking

• loon in de vorm van vakantiebonnen, vakantietoeslagbonnen

of daarmee overeenkomende aanspraken

• loon waarover u loonbelasting/premie volksverzekeringen

moet betalen in de vorm van de zogenoemde eindheffing

(zie ook hoofdstuk 22)

• Waz-, Wet Wajong- en wao/wia-uitkeringen

• toeslagen in verband met ploegendiensten of onregelmatige

diensten


• overwerkloon

Let op!

Een reistijdvergoeding kan tot het overwerkloon horen (zie hierna).

Werkt u met een deeltijdfactor, dan kan het overwerkloon tot het loon

voor de afdrachtverminderingen horen (zie paragraaf 23.1.4).

Wel tot het loon voor het toetsloon behoren:

• loon in verband met tijdelijke arbeidsongeschiktheid

• een extra beloning voor bereikbaarheidsdiensten (zie

paragraaf 23.1.4)

Reistijdvergoeding en overwerkloon

Extra reistijd is overwerk als aan de volgende twee voorwaarden

wordt voldaan:

• De normale arbeidsduur wordt overschreden doordat

de werknemer in opdracht van de werkgever naar een

tijdelijke arbeidsplaats reist.

• De tijdelijke arbeidsplaats ligt op grote afstand van de

woon- of verblijfplaats van de werknemer.

De vergoeding voor de extra reistijd is dan overwerkloon.

Het maakt niet uit of de werknemer tijdens die reistijd al

dan niet werkt.

Voorbeeld

Een werknemer is op grond van zijn arbeidsovereenkomst verplicht zijn

normale aantal uren te werken op een tijdelijke arbeidsplaats. Hierdoor

moet de werknemer meer reizen dan normaal. De werknemer heeft met zijn

werkgever afgesproken dat hij voor de extra reistijd een vergoeding krijgt.

Deze vergoeding is dan een overwerkvergoeding, ook als de werknemer in

die extra reistijd niet werkt.

Afdrachtvermindering onderwijs

Het loon voor de afdrachtvermindering onderwijs is het

loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen (kolom 14

van de loonstaat) verminderd met de hiervoor genoemde

loonbestanddelen. Voor meer informatie over het loon uit

kolom 14 zie paragraaf 8.2.14.



Afdrachtvermindering zeevaart

De afdrachtvermindering zeevaart wordt berekend over het

loon voor de loonbelasting/volksverzekeringen (kolom 14

van de loonstaat) verminderd met het loon uit vroegere

dienstbetrekking.

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk

De afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk

wordt in principe berekend over het gemiddelde uurloon

dat u betaalt aan uw werknemers die speur- en ontwikkelingswerk

verrichten (zie ook paragraaf 23.3.2).

23.1.4 Deeltijdfactor

U mag de afdrachtvermindering onderwijs in een aantal

gevallen (zie paragraaf 23.2) alleen toepassen als het

loon van de werknemer niet hoger is dan het toetsloon

(zie paragraaf 23.1.3). U vindt het toetsloon in tabel 15, 16

en 17. De bedragen in de tabellen zijn vastgesteld voor een

voltijdwerker. Voor deze afdrachtvermindering wordt onder

voltijd verstaan: een overeengekomen arbeidsduur van

36 uur of meer per week. Bij deeltijdwerkers, werknemers

zonder overeengekomen arbeidsduur en bij beloningen

naar prestatie moet u het toetsloon en het bedrag van de

afdrachtvermindering herrekenen met een deeltijdfactor.

Als u een werknemer inzet voor bereikbaarheidsdiensten,

dan kunnen die uren meetellen voor het vaststellen van

de deeltijdfactor.

Belastingdienst | Handboek Loonheffingen 2011 23 Afdrachtverminderingen | 238

U mag bij de vaststelling van de deeltijdfactor ook uitgaan

van het aantal uren waarover u loon moet betalen, in plaats

van het aantal contractueel vastgelegde uren. In dat geval

moet u vooraf, voor de periode van een kalenderjaar,

schriftelijk bij de loonadministratie vastleggen dat u deze

mogelijkheid gebruikt en voor welke categorie werknemers.

Als u de deeltijdfactor op deze manier vaststelt, telt u ook

het overwerkloon mee bij de bepaling van het loon van de

werknemer dat aan het toetsloon moet worden getoetst.

De deeltijdfactor is niet groter dan 1. Verder moet u bij de

vaststelling van de deeltijdfactor aan de hand van het

aantal uren waarover u loon moet betalen, per tijdvak

per werknemer administreren: dit aantal uren, het loon

en het toetsloon dat van toepassing is.

Deeltijdwerkers

Bij deeltijdwerkers moet u de afdrachtvermindering en het

toetsloon naar tijdsevenredigheid herrekenen. Hiervoor

berekent u de deeltijdfactor. Bijvoorbeeld bij een werkweek

van 24 uur is de deeltijdfactor 24/36.

Werknemers zonder overeengekomen vaste arbeidsduur

Ook bij werknemers zonder overeengekomen vaste arbeidsduur

moet u de afdrachtvermindering en het toetsloon

herrekenen met behulp van een deeltijdfactor. U deelt dan

het aantal werkelijk gewerkte uren door 36. Maar de deeltijdfactor

mag niet groter zijn dan 1. Voor deze werknemers

moet u per tijdvak per werknemer administreren: het aantal

uren waarover u loon moet betalen, het loon en het

toetsloon dat van toepassing is.

Let op!

Als er geen overeengekomen vaste arbeidsduur is, is er geen sprake

van overwerkloon en overwerkuren.

Werknemers met een beloning naar prestatie

Voor werknemers met een beloning op basis van de

geleverde prestatie (onder andere bij stukloon), moet

u soms de afdrachtvermindering onderwijs herrekenen.

Er kan sprake zijn van de volgende situaties:

• Als in een loontijdvak de beloning gelijk is aan of hoger

dan het fiscaal minimum(jeugd)loon, maar niet hoger

dan het toetsloon, hoeft u de afdrachtvermindering niet

te herrekenen.

• Als de beloning in een loontijdvak lager is dan het

minimum(jeugd)loon, moet u de afdrachtvermindering

herrekenen. Daarbij bepaalt u de herrekenfactor door het

verdiende loon te delen door het fiscaal minimum(jeugd-)

loon (zie tabel 18 achter in dit handboek). Vervolgens

moet u het bedrag van de afdrachtvermindering dat van

toepassing is, vermenigvuldigen met de gevonden factor.

Voor deze werknemers moet u per tijdvak per werknemer de

verhouding tussen het loon en het fiscaal minimum(jeugd-)

loon dat van toepassing is, administreren.

Bereikbaarheidsdiensten

Als uw werknemer een extra beloning krijgt voor de uren

die hij bereikbaar moet zijn om op oproep van u te kunnen

werken, bijvoorbeeld een percentage van het normale loon,

hoort deze extra beloning tot het loon voor de afdrachtvermindering.

De uren die de werknemer bereikbaar moet zijn, tellen

bij de vaststelling van de deeltijdfactor alleen als arbeidsduur

mee als de werknemer deze uren op de werkplek doorbrengt.

Voor een werknemer met een vast overeengekomen

arbeidsduur heeft dit geen gevolgen, omdat deze uren deel

uitmaken van de overeengekomen arbeidsduur. Maar voor

een werknemer zonder overeengekomen arbeidsduur tellen

bij het berekenen van de deeltijdfactor de daadwerkelijk

gewerkte uren op een werkplek wel mee voor de arbeidsduur.

U mag deze uren bepalen door het percentage van

het doorbetaalde loon te vermenigvuldigen met het totale

aantal uren van de bereikbaarheidsdienst.

Voorbeeld

Een werknemer krijgt 20% van zijn loon voor een bereikbaarheidsdienst.

Als een dienst 20 uur duurt, mag u ervan uitgaan dat de werknemer tijdens deze

bereikbaarheidsdienst 20% van 20 uur, dus 4 uur, op de werkplek heeft gewerkt.

23.1.5 Samenloop van meerdere

afdrachtverminderingen

U kunt per werknemer voor meerdere afdrachtverminderingen

tegelijk in aanmerking komen. De afdrachtvermindering

speur- en ontwikkelingswerk en de afdrachtvermindering

zeevaart kunnen niet samengaan.

23.1.6 Verrekening in de aangifte loonheffingen

Voor het toepassen van een afdrachtvermindering hebt u geen

toestemming van ons nodig. Maar voordat u de afdrachtvermindering

speur- en ontwikkelingswerk toepast, moet u

zich wel aanmelden bij Agentschap nl (zie paragraaf 23.3.1).

Voor elke werknemer voor wie u een afdrachtvermindering

toepast, moet u een administratie bijhouden waaruit het

bedrag van de toegepaste afdrachtvermindering per aangifte

loonheffingen blijkt. Deze gegevens moet u bij uw

loonadministratie bewaren.

Het totale bedrag van de afdrachtverminderingen per

aangiftetijdvak

trekt u af van het totale bedrag aan ingehouden

loonbelasting/

premie volksverzekeringen en eindheffing.

Het totaalbedrag

van de loonbelasting/premie volksverzekeringen

en eindheffing mag door de afdrachtverminderingen

niet negatief worden. U mag de totaalbedragen op de aangifte

naar boven afronden op hele euro’s. De bedragen per

werknemer mag u niet afronden.

1   ...   44   45   46   47   48   49   50   51   ...   55

  • Afwijkende tarieven voor enkele groepen werknemers
  • Belastingdienst
  • 22.13.3 Vast tarief van 15%, 20%, 25%, 30%, 45%, 52%, 75% of 80%
  • 22.13.4 Vast bedrag van € 300 op jaarbasis
  • 23.1.1 Begrip ‘werknemer’
  • Loon na einde dienstbetrekking
  • 23.1.3 Loon en toetsloon
  • Reistijdvergoeding en overwerkloon
  • Afdrachtvermindering onderwijs
  • Afdrachtvermindering zeevaart
  • Werknemers zonder overeengekomen vaste arbeidsduur
  • Werknemers met een beloning naar prestatie
  • 23.1.5 Samenloop van meerdere afdrachtverminderingen
  • 23.1.6 Verrekening in de aangifte loonheffingen

  • Dovnload 2.98 Mb.