Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Beperkende factoren bij het imkeren

Dovnload 16.5 Kb.

Beperkende factoren bij het imkeren



Datum17.05.2018
Grootte16.5 Kb.

Dovnload 16.5 Kb.

Beperkende factoren bij het imkeren
Bijenkolonies kunnen zonder veel moeite leefbaar gehouden worden in streken waar

de mens zijn eigen voedsel kan voortbrengen.

De domesticatie van bijen, m.a.w. bijen houden als huisdieren op een bepaalde plaats

kan echter beperkingen meebrengen omdat zij niet alleen nectar verzamelen om

honing te produceren maar ook stuifmeel of pollen en water nodig hebben.

"Pollen is niet alles maar zonder pollen wordt alles niets" ; een harde waarheid die

menig imker heeft kunnen ervaren. Een bijenvolk moet in de eerste plaats voor

zichzelf gedurende het actieve seizoen kunnen beschikken over voldoende stuifmeel.

Dit is nodig voor een snelle broedontwikkeling om de populatie optimaal te laten

aangroeien tegen het aanbreken van de grote honingdracht.

Deze pollenvoorraad is overwegend afkomstig van de natuurlijke flora uit de

onmiddellijke omgeving van de bijenkolonie. Alleen in bepaalde streken kan gebruik

gemaakt worden van uitgestrekte, bebouwde oppervlakten met bv. fruitbomen,

koolzaad, enz. Dit vereist meestal reizen met bijen maar niet elk seizoen is even

renderend. Naast klimatologische factoren bestaat ook het gevaar van vergiftigingen bij

onoordeelkundig sproeien van gewassen.

De nadelige gevolgen van dit risico kennen we jaarlijks.

Een normale ontwikkeling van een bijenvolk houdt ook in dat de stuif- meelbronnen

permanent aanwezig moeten zijn, m.a.w. de opeenvolgende bloeiperiodes van de

verschillende planten zijn noodzakelijk en niet overal kan men deze

continuïteit verzekeren, zelfs indien de weersomstandigheden gunstig zijn.

De bijenweide moet immers volledig zijn. Enkele lindebomen binnen een straal van

500 m maken niet veel uit wanneer vóór hun bloei bij gebrek aan andere drachtplanten,

niets te halen is. Elk beginnend imker moet voor zijn omgeving kunnen uitmaken welke

flora voorhanden is en de bloeiperiodes er van nagaan in de bloeikalender.

Een magere bijenweide werkt vaak de uitbreiding van bijenziekten in de hand omdat

het nodige weerstandsvermogen niet kan verzekerd worden bij volken die

voortdurend een tekort hebben aan stuifmeel. Een andere factor die heel beperkend

kan ingrijpen is de dichtheid van het aantal bijenvolken in een bepaald gebied.

Wanneer dit aantal te groot wordt kan moeilijk aan de minimale behoefte van een

kolonie voldaan worden tijdens het seizoen. Bovendien mag men niet uit het oog

verliezen dat niet enkel honingbijen maar ook heel wat insecten pollen nodig

hebben om te overleven. In een wijk van Mortsel bv. wonen 8 imkers binnen een cirkel

met straal 500 m. Dit is een gebied van ongeveer 80 ha. Indien zij gezamenlijk

80 volken zouden hebben in deze zone, dan wordt dit gemiddeld 1 volk per ha.

Dit kan te veel zijn, zelfs indien de bijenweide optimaal aangepast is, wat in een

agglomeratie weinig waarschijnlijk is. Meestal raadt men aan, bijenstanden

minstens 3 km van elkaar te houden. Deze grote afstand is vooral noodzakelijk om

onderlinge invloed te vermijden tussen bijen van naburige standen. Het is niet

uitgesloten dat in deze wijk zekere behandelingen aan één stand (bv. slingeren), zich

laat merken bij naburige standen (bv. roverij). Elders is mij een geval bekend van

besmetting met acariose afkomstig van bijen uit een naburige stand waarvan de imker

niet aangesloten was bij de KVIB. Afstanden van ongeveer 1 km bieden echter nog

voldoende onafhankelijkheid indien voor deze bijen binnen een straal van 500 m het

pollen en nectar aanbod ruim voldoende is.
Ter illustratie gaan we even na hoeveel stuifmeel een normaal bijenvolk nodig heeft in

een periode van 3 maanden.

Om 1 larve tot volwassen bij te laten ontwikkelen zijn 3,2 milligram (mg) stikstof nodig.

Dit vereist het verbruik van gemiddeld 100 mg stuifmeel per larve. Praktisch betekent

dit ongeveer 0,5 kg stuifmeel voor zowat 4500 bijen wat ongeveer overeenkomt met

een raam broed. Tien zulke ramen broed vereisen dan 5 kg pollen. Wanneer we nu

veronderstellen dat de koningin gemiddeld 1500 eitjes per dag legt, dan is zo'n

broedraam na 3 dagen belegd zodat na 30 dagen opnieuw kan gestart worden met het

eerste raam. Voor 3 maanden zijn bijgevolg 15 kg pollen nodig.

Maar een goede moer die minstens 2000 eitjes per dag kan leggen, is met de 10 ramen

klaar in 22 dagen. Dit is precies de tijd die nodig is om het broed van het eerste

raam te laten uitlopen zodat zij onmiddellijk opnieuw aan de leg kan voor een tweede

cyclus. Dit volk heeft bijgevolg voor een periode van 3 maanden ruim 25 kg stuifmeel

nodig. Voor 10 zulke kolonies moet men dan minstens 250 kg stuifmeel

beschikbaar hebben uit de onmiddellijke omgeving tijdens deze periode van drie

maanden volle activiteit. Voor het ganse seizoen is dus meer nodig.

Ongunstige weersomstandigheden maken vaak een gedeelte van het beschikbaar

stuifmeel waardeloos zodat het gevaar bestaat niet aan deze minimale behoefte te

kunnen voldoen. En dan hoort men zich de vraag stellen : wat scheelt er toch aan die

bijen, ze ontwikkelen zo traag. Er ontstaat dus een "milieurem" waaraan enkel kan

verholpen worden door de bijenweide optimaal te houden.

Helaas ligt dit niet altijd in het bereik van de imker zelf.

Anderzijds kan men natuurlijk het aantal volken in een overbevolkt gebied sterk gaan

verminderen, dus zelf gaan beperken tot een paar kasten. Maar deze dwangfactor



verschuift men liefst eerst naar andere imkers...

Schrijver; G. Vanpraet


Dovnload 16.5 Kb.