Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Bernhard van Galen 15 druk pp. 291-312

Dovnload 81.32 Kb.

Bernhard van Galen 15 druk pp. 291-312



Datum16.11.2017
Grootte81.32 Kb.

Dovnload 81.32 Kb.

Bernhard van Galen_15 druk pp. 291-312
Aantekeningen

Blz. 292: Autaer of Altaer? T. Autaer.

Blz. 296: S.R.J.??? denk ik, maar ik weet niet of het wel een J is. T. J is goed, wel met spaties.

Blz. 309: het gepasseerde, ?? Ik kan het woord niet lezen waar de ?? staan. T. is

Blz. 312:Het laatste woord van de regels waren lastig te lezen. (is niet goed gekopieerd, of gescant.)

Nagekeken door Tineke Wiltink.

Opmerkingen in groen voor de tikker en roze voor Hans.

p.292 Dr superscript?



p.296 Praedecessorum moet dit niet ff zijn, maar wat staat er dan? vergelijk: suffragia (4 regels van onderen)

p.296 Celssmum & Revmum. superscript?

p.296 CHRISTOPHORVM BERNARDVM dit zijn volgens mij de letters V. Als je naar de tekst kijkt met de kleine letters is er verschil tussen de letter u en v, deze kleine v ziet er het zelfde uit als de grote v in kleinkapitaal in de naam. zie ook p.198 DEVM

p.312 ontijd onse tijd?

p.312 Heer, Heere?

p.312 nu na?



{p.*}

[illustratie]

{p.*}

[blanco}

{p.291}


hy, geduerende sijne krankheyd heeft gesproocken, is tot heden toe noch niet in ’t licht gekoomen. Alleen is my van een seer aensienlijck Heer toegeschreeven, dat hy wel gewenscht wou hebben, noch wat te mogen op der aerden sijn, schoon hy sich uyterlijck grootmoedigh genoeg toonde.

{poem}


Die soo onrustigh was geweest in gantsch sijn leven,

Kon tot de rust des Grafs sich niet te wel begeven.

{/poem}


Seer hoogh beklaeghde hy: dat hy sijn’ Onderdanen meer als te veel had beswaerd; dat hy hare Lasten had vermeenighvuldighd, en sijne Regeeringh haer hard gemaeckt; doch voeghde daer by: Dat hy sulcks had moeten doen uyt nood, om sijne Vyanden tegens te gaen. Wat van deese verontschuldigingh te houden is, en wat voor een nood hem gdwongen heeft, soo veelerley Oorlogen aen te vangen, kanmen afneemen uyt ons voorigh verhael der selver.

Ontrent sijne Schulden was hy seer bekommerd. Korts te vooren eer hy de Geest gaf, belastede hy aen d’uytvoerers

{p.292}

van sijn Testament (onder welke oock waren den Vice-Dom-Deecken en Dr Ham) datse wel sorge souden dragen voor de Betalingh der selve. Sy wisten wel, dat’er noch seer veel te quaeds stond: Maer desgelijcks, dat’er noch gelds genoegh in voorraed lagh, om ’t geen hy schuldigh was daer mee af te doen. Dit beval hy haer scharp op hare Conscientie, alsoose wel wisten, waerse ’t geld souden konnen vinden.



Tot sijne Begraefnis heeft hy besteld een somme gelds van twintigh duysend Rijckdaelers. Vier silvere Kandelaers heeftmen vervaerdigd, yeder van twee duysend Rijksdaelers, op welcke gedurig brandende Wasch-kaerssen sullen staen, op den Autaer in de Kapel, daer ’t Lijck bygeset is. Den vierden der Slachtmaend is bestemd tot de Lijck-statie, tegens welcken tijd den Land-dagh is uytgeschreven, en den nieuwen Heere Bischop staet gehuldighd te worden. Behalven de gedaghte vier kostlijke Kandelaers is ook gemaekt een Silvere Schip, tot geheugenis, dat hy eens een Fransch Schip in Oost-Friesland heeft veroverd. Andere geven voor, dat het maer een Lichter is geweest.

Nauwlijcks had hy sijnen Geest opge-



{p.*}

[illustratie]



{p.*}

[blanco]


{p.*}

[illustratie]



{p.*}

[blanco]


{p.293}

geven, of alles wat in de Kamer was wierd terstond geplonderd. Elck roofde wat hy bekoomen kon; niet alleen Geld, Goud en Silver, maer oock alle andere dingen van minder waerde: Waer nae yder sijns wegs ging, latende hem leggen, t’eenemael ontbloot van alles.

{poem}

Hy, die voorheenen was ontsaglijck, en gantsch swaer

De geene viel, waer op hy met geweld wou dringen,

Die gantsch de Weereld (had hy macht gehad) wou dwingen,

Lagh, doe hy dood was, als een armen Bedelaer,

Beroofd van Kamer-cier, ontbloot van alle dingen.

’t Werd voor yet seldsaems van elck een gehouden: Maer

Daer is geen reden, dat men sich soo seer verwonderd:

Den Roof wierd maer geroofd, de Plondering geplonderd.

{/poem}


Hy is gestorven na een Regeeringh van achtentwintigh Jaren. Ontrent den tijd sijns Ouderdoms valt verschil. Sommi-

{p.294}


ge seggen in ’t vier en tseventigste; andere het drie entseventigste. Als sijn Vorstlijcke Doorluchtigheyd in ’t Jaer 1667. voorneemens was een Coadjutor te doen verkiesen, deed hy (gelijck wy hier boven gehoord hebben) ’t Capittel voordragen, dat hy doe alreeds had bereyckt sijn tsestighste Jaer. Van dien tijd af tot op sijne dood toe sijn verstreecken elf Jaeren: t’saemen een-en-tseventigh. Doch als men seght sijn tsestighste Jaer al te hebben bereyckt, soo verswygdmen wel somtijds een jaer of twee, ’t welck nu aldaer over verloopen is, nemende alleen ’t evene getal. ’t Sy soo ’t is, hy was al vry over de tseventigh Jaren.

Na sijnen Dood heeft sijnen Navolger, de nu Regeerende Heer Bischop van Munster, laten uytgaen dit volgende Placcaet, om sijn Onderdanen op te wecken tot Aendacht, ten goede van de Ziel des Overleedenen.

{p.295}
{h3}FERDINANDUS DEI ET APOSTOLICAE SEDIS GRATIA EPISCOPUS MONASTERIENSIS ET PADERBORNENSIS, BURGGRAVIUS STROMBERGENSIS, SACRI ROMANI IMPERII PRINCEPS, COMES IN PYRMONT, ET DOMINOS IN BORKELO &c.{/h3}
{h4}Venerabili Clero, & dilecto populo Civitatis, & Diaecesis Monasteriensis Salutem in Domino sempiternam.{/h4}
VIsum est ei, qui ut juxta Psalmistam terribilis sit apud omnes Re-

{p.296}


ges terrae, aufert spiritum Principum, cùm voluerit, Clarissimum Fratrem, Consanguineum & Praedecessorum Nostrum Celssmum & Revmum. Principem, Dominum CHRISTOPHORVM , Episcopum, Monasteriensem, Administratorem Corbejensem, Burggravium Strombergensem, S. R. J. Principem, Dominum in Borckelo, postquam Episcopatum Monasteriensem annis propè viginti octo ad perennem Nominis sui famam verè paternâ sollicitudine gubernavit, decimâ nonâ labentis nunc Mensis Septembris ex hac vita ad meliorem evocare. Et quamvis non dubitemus, quin subditi omnes, sicut viventem amaverunt ut Patrem venerati sunt ut, Principem, ita placidâ jam morte defuncto debita Christianae pietatis solatia & suffragia nequaquam passuri sint in se desiderari; voluimus tamen (reservatâ de futuris Exequiis ulteriore dispositione) de Consilio & assensu Venerabi-

{p.297}


lis Capituli Nostri Cathedralis adhortari & demandare, pro ut adhortamur & demandamus per praesentium tenorem, quatemus omnes & singuli Sacerdotes, tam Regulares, quam Saeculares quomodolibet ad Dioecesin Monasteriensem spectantes in quotidiana sanctissimi Missae Sacrificii oblatione, reliqui verò devotissimis suis precibus animam tanti Principis misericordissimae Redemptoris pietati Humillimè commendent, ut quem tot eximiis virtutibus & factis gloriosum reddidit in terris, aeternâ beatas inter mentes gloriâ frui concedat in Coelis. Et quia immensae Omnipotentis DEI bonitati placuit post Canonicam de Persona Nostra electionem auctoritate Apostolica & Imperiali jam dudum confirmatam & receptam Successionis munus & onus Hymeris Nostris imponere, Nos considerantes tanti ponderis difficultatem & iniquam praesentium temporum conditionem, quaeque undique urgere & impendere pos-

{p.298}


sent mala, tametsi non desinimus assiduis ipsimet precibus illius auxilium implorare, qui coelestia simul & terrena moderatur, nec praetermittemus, quicquid in Nobis est virium & humanae opis, prompto semper animo conferre, fidelium tamen subditorum & DEVM timentium, quorumipse, ut speramus, voluntatem, faciet, orationes etiam & bona opera expetimus, quibus imbecillitas Nostra viribus à Coelesti Rege subministratis abundantius suffulta commissae Nobis curae & officii partes orantis simul populi instantiâ promerente Fortiter valeat sustinere & Gregem Divinâ Providentiâ sollicitudini Nostra concreditum ad Majorem nominis ejus gloriam & communem omnium utilitatem suaviter gubernare. Quod ut Pastores & Concionatores Auditoribus & commisso sibi populo sedulò proponant & inculcent, seriò pariter demandamus. In fidem praesentes dedimus Manu & Sigillo Nostris roboratis. In Ar-

{p.299}


cae Nostra Neuhusana, 28. Septemb. 1678.

FERDINANDUS

(L.S.) Ut

J. Alpen Vic. Gen.



’t Welk in onse Tael overgebracht sijnde, aldus luyd:
FERDINANDUS, DOOR DE GRATIE GODS EN DES APOSTOLISCHEN STOELS BISCHOP VAN MUNSTER EN PADERBORN, BURGHGRAEF VAN STROMBERGH, VORST DES H. ROOMSCHEN RYCKS, GRAEF VAN PYRMUNT, EN HEER VAN BORCKELO, &c.
{h3}D’Eerwaerde Cleresy en ’t seer Beminde Volk van de Stad en ’t Bisdom Munster, eeuwige Saligheyd in den Heere.{/h3}

DEn geenen, die den Geest der Princen wegh neemd als hy wil,

{p.300}


op dat hy, volgens den Psalmist, alle Koningen der Aerde verschricklijck sy, heeft het behaeghd, onsen seer geliefden Broeder, Bloedtverwant en Voorsaet, den seer hoogen en waerdigen Vorst Heer Christoph Bernard, Bischop van Munster, Administrateur tot Corvay, Vorst des H. Roomschen Rijcks, Heer van Borckelo, op den negenthienden der nu loopende Maend September uyt dit leven te roepen tot een beeter, na dat hy ’t Bisdom van Munster by nae achtentwintigh Jaren, tot eeuwige roem van sijnen naem, met een ware Vaderlijke voorsorge had geregeerd. En onaengesien wy niet twijffelen, of al d’Onderdanen, gelijckse hem levende hebben bemind als haren Vader, en geëerd als haren Vorst, sullen oock in geen gebreecke blijven, ontrent hare Christlijcke plichten van Behulpsaemheyd en Voorbiddingh, schuldigh aen den sacht-overledenen, soo hebben wy echter gewild (behou-

{p.301}


dende aen ons de verdere beschicking over d’aenstaende Uytvaert) achtervolgens de Raed en Toestemmingh onses Eerwaerdigen Dom-Capittels, te vermanen en te beveelen, gelijck wy vermanen en beveelen by deesen, dat alle en yder Priester, soo Rugulaer als Seculaer (Geestlijck of Weereldlijck) eeniger maten behoorende tot ’t Bisdom van Munster, in de daeglijckse Opoffering van d’alderheyligste Offerhande der Mis, en d’andere in hare Godvruchtige Gebeden, de ziel van soo grooten Vorst op ’t aldernedrighst sullen beveelen aen de grootste barmhertigheyd des Salighmaeckers; op dat hy den geenen, dien hy met soo veele uytsteekende Deugden en Daden glorieux (heerlijck en beroemd) heeft gemaekt op Aerden, ook geve te genieten d’eeuwige Heerlijckheyd onder de gelucksalige Zielen in den Hemel. En nadien ’t d’oneyndige goedheyd des Almachtigen Gods heeft geliefd, na regelmatige

{p.302}


verkiesingh van onse persoon, door Apostolische en Keyserlijcke Authoriteyt al over lang bevestighd en aengenoomen, ’t Ampt en de last der Navolging (Successie) op onse schouderen te leggen, Soo is ’t, dat wy, overweegende de gewichtigheyd des selven, en d’ongestalte der tegenwoordige tijden, nevens de quaden, welcke van alle kanten sich souden konnen opdoen, en over ’t hoof hangen, alhoewel wy niet aflaten, selver met geduerige Gebeeden aen te roepen de hulp des geenen, die de Hemelsche en Aerdsche saecken bestierd, en niet sullen nalaten met een bereydwilligh gemoed toe te brengen al wat in onse macht en menschlijck vermoogen sal sijn; echter versoecken de Gebeeden en goede wercken van onse getrouwe en Godvreesende Onderdanen, welckers wil, gelijck wy hoopen, hy volbrengen sal: Op dat door deselve onse swackheyd, te meer ondersteund sijnde door krach-

{p.303}


ten, ons van den Hemelschen Koningh verleend, mach kloecklijck dragen d’aenbevolene sorge en Ampt door ’t verdienend aenhouden van de t’saemgevoegde Gebeden des Volks; en wy alsoo de Kudde, door de Godlijcke voorsienigheyd onse sorge toevertrouwd, tot de grootste eer van sijnen Naem en ’t gemeene best van alle, soetlijck mogen regeeren. Beveelen oock by deesen wel ernstlijck, dat de Pastoren en Predikers de Toehoorers en ’t Volck haer aenbevolen dit vlijtigh sullen voorstellen en instampen. Ten oirconde deeses hebben wy deesen tegenwoordigen gegeven, en bevestighd met ons Hand en Zegel. Uyt ons Kasteel Nyenhuys, den 28. September 1678.

FERDINANDUS

(L.S.) Ut

J. Alpen Vic. Gen.
Maer of deesen seer hoogen lof, hem van sijnen Nasaet toegeschreeven, ingang

{p.304}


sal vinden in de Gemoederen, niet alleen van andere Volckeren, maer oock in die van sijn’ eygene Onderdanen, staet niet weynigh in twijffel. Immers, veele sijner Naebueren hebben in openbaere Schriften gantsch anders gesproocken. En veellicht sal ’t meeste deel sijner Ondersaten (door sijne geduerige Onrusten gantsch uytgemargeld) sijne dood niet so seer beklagen, alsse wel sijn leven hebben besught; soo dat vermoedelijck in Munsterland over sijn afsterven niet veel gehoord is de Rouw-klacht, Ach mijn Heere! Ach mijn Vader!

Aldus dan is gestorven in een hoogen Ouderdom, en met goed verstand tot op ’t laetste toe, dien soo seer vermaerden Bischop en Vorst van Munster, Heer Christoph Bernard, als nu den Vreede was geslooten tusschen Frankrijck, Spanje en deesen Vereenighden Staet; gelijck hy dan oock tot de Bischoplijke Hoogheyd was verheven, korts na d’opgerichtede Vrede tusschen Spanje, de Vereenighde Nederlanden, den Keyser, de Koningh van Sweeden, en dien van Franckrijck. Hier over hebben eenige dusdanige gedachten opgevat:

{p.305}

{poem}


Hy, die in Vreedens-tijd tot Bischop wierd verheven,

Maer steeds gelegentheyd tot twist en Oorlogh socht,

Heeft, doe de Vrede nu weer was in ’t Land gebrocht,

En ’t Oorloghs-vyer gedempt, niet langer konnen leven.

{/poem}
Sijne dood streckt de Naburen tot een groote gerustheyd; wijlse geduerigh in vrees hadden moeten staen, dat hy (als eens de Vreede tusschen Duytschland en Franckrijck getroffen sal sijn) al weer eenige nieuwe onrust, volgens sijnen aert, verweckt en ter hand genoomen sou hebben; waer toe hem nimmermeer voorwendingen ontbraecken. Onder de Regeeringh van sijnen Naesaet, deesen tegenwoordigen Bischop en Vorst van Munster, Heer FERDINAND, sullense sich beeter verseeckerd konnen houden: En d’Onderdanen mogen hoopen, dat voor d’Ysere haer een Silvere tijd sal verschijnen, wijl ons bericht werd, dat hy een Prins is van een vreedsaemen en sachtsinnigen aert, afkeerigh van allerley onrusten, insonderheyd van d’Oorloghs-verwoestingen; een liefhebber van Geleerdheyd en van Geleerde lieden. Ge-

{p.306}

meenlijck sijn de Landen geluckigh geweest onder de Heerschappy van soodanige Vorsten, welcke ARS boven MARS, de Weetenschappen boven den Oorlog; de Boecken boven de Wapenen hebben gesteld. Deesen lof, Vorst FERDINAND (soo wy verneemen) toegeeygend, doet ons wat goeds verwachten voor de Nabueren, en te gelijck oock voor sijn’ Ondersaten: Welcke wy toewenschen, datse, die onder de heerschappy des voorigen Bischops hebben geproefd de bitterheden des Krijghs en den last eens harden Heers, nu onder de Regeering van desen mogen genieten d’aengename vruchten van een geduerige Vrede, en smaken de lieflijckheyd van ’t bestier eens sachten Hoeders: Dien wy desgelijcks toewenschen de genade uyt der Hoogte, om te bekomen verlichtede oogen des verstands, tot bequame uytvoeringh van sijn Ampt. De Heere geve hem, te regeeren met Gerechtigheyd, Wijsheyd en Vreedsaemheyd, op dat d’Onderdanen mogen hebben Vreede in sijne dagen: En alsoo sijnen Naem grooter werde, sijne gedachtenis gesegender sy, door sijne genegentheyd tot rust, als die van sijnen Voorsaet is geworden door sijne gedurige Oorlogh-voeringen.



{p.307}

Sijne verkiesingh tot het Coadjutorschap en de Navolgingh in ’t Bisdom Munster is wel geschied (gelijk wy hier boven hebben gehoord) onder een seer groote onrust tusschen den overledenen Bischop en een goed deel Leden des Dom-Capittels, doch (gelijck ons bericht is) buyten sijne schuld, en sonder dat hy oorsaeck daer toe heeft gegeven, wijl hy Vorst Christoph Bernhard tot deese saeck noch bewoogen noch aengeset heeft; maer deesen dit alles uyt sich selven verrichtede. Soo dat deese Onordeningh (dus schrijft ons seecker Heer) niet te wijten is aen sijn Vorstlijcke Doorluchtigheyd Heer Ferdinand, als die sich buyten de saeck heeft gehouden, ja wel misschien niet eens kennis heeft gehad van ’t voorneemen des Bischops, immers niet van sijn onrustig bedrijf daer ontrent; maer alleen aen den Heere Bischop Bernard, die alles wat hy voornam socht uyt te voeren, ’t mocht kosten wat het wou: En wel somtijds, als hy yemand wou bevorderen, sulcks doordrongh, sonder dat hy den bevorderden eenige kennis had gegeven van sijn opset. Wy besluyten met de volgende Verssen.

{poem}

Vorst Christoph was gesind tot Volck en Land verwoesten:

Vorst Ferdinand sal ’t Swaerd doen in de Scheede roesten.

{p.308}


Den geenen maeckte kael den armen Onderdaen,

Maer deesen sal het Land weer doen in welstand staen.

Het eerste word beklaegd van duysenden der menschen,

Maer ’t ander is ’t geen sy verwachten, hoopen, wenschen.

(/poem)
{h4}Autentijcke Brief, behelsende de Geboorte van Christoph Bernard, Bisschop van Munster, e.s.v.{/h43}


Myn Heer:
ALsoo verscheyde gevoelens sijn over de gedesidireerde saecke, soo heb, om de seeckerheyd van de selve, een Post moeten laten voor by gaen; en heb eyndlijck van d’ Ouste en Geleerdste verstaen, dat den overleden Bischop wel in de Gevancknis tot Bevergeerde is geconcipieert, maer op sijns Vaders huys (Bispink genaemd) gebooren. De saecke leyd aldus: Nademael des Overleedene Vader, van Galen Bispink, en de Mareschal Morien Heer tot Noordkerck, beyde Nabueren, om het Recht der Jacht een tijd langh hadden gedisputeert, heeft den laetsten op seeckeren tijd des eersten Honden en Jagers opgevangen, en te gelijck in eene gevancknis

{p.*}

[illustratie]



{p.*}

[blanco]


{p.309}

doen werpen, soo lang tot dat d’ een van d’ ander door hongers-nood is opgegeeten en vernield, soo dat noyt yets daer van te voorschijn is gekoomen. Deese beyde Heeren naer dato op een by-een-komst tot Munster den ander gerescontreert hebbende, heeft Galen Bispink den Marschal Morien in ’t afgaen van ’t Hof gevraeghd, of hy niet haest sijne Honden en Jagers sou weer hebben? Heeft den anderen aenstonds geantwoord van ja, en dat hy ten dien eynde eenige pampieren by hem had, die hy hem wilde geven: En ondertusschen dat hy simuleerde die te krijgen, liet hy met’ er haest sijnen Mantel over de Schouders vallen, trock sijn Rappier, en gingh op van Galen los; die, alhoewel beschoncken sijnde, een tijd langh met den Deegen half uyt de Schee heeft gesimuleert, tot dat hem de nood soo hard aendrongh, en hy van sijn Dienaers aengemaend wierd, dat hy hem moest defenderen; ’t welck hy oock gedaen, en aenstonds den Deegen geheel uyttreckende, den anderen doorsteecken heeft. Niet tegenstaende het gepasseerde, is van Galen echter niet ontvlucht, en van de Regeeringh op ’t Huys Bevergeerde in bewaeringh genomen, en hem belast een Advocaet tot sijn defensie te neemen. Maer hy sulcks weygerende, heeft in de Gevancknis voor hem selven gepleyt, en het eyndlijck door sijne Studie (alsoo in Crimina-

{p.310}


libus seer wel ervaren was) soo verre gebracht, dat sijne Vrouw by hem wierd geadmitteert, sijnde doe deesen Bernard van Galen geconcipieert. En alschoon sijn Vader ten laetsten wierd vry verklaerd, soo heeft hy nochtans niet uyt de Gevancknis willen gaen, voor dat al de kosten van sijn tegenparthyen waren voldaen, hebbende deese sijne Gevancknis en Playdoy geduerd derthien Jaren, en sijnde sijne Moeder om meerder Commoditeyt in de Kraem gelegen op haer Adelijck Huys Bispinck. Na hare Dood is de Soon geworden Dom-Heer tot Munster: En om dat hy van Natueren lust tot den Oorlog had, en daer in wel ervaren was, is hy gemaeckt Opper-Krijghs-Commissarius, en eyndlijck na ’t overlyden van den voorgaenden Bischop in des selven plaets verkooren. Meer particuliereteyten heb ick niet konnen ervaren.
{h4}Een ander.{/h4}
Myn Heer:

NAdat ick den uwen had ontfangen uyt handen des geenen aen wiense eerst was gesonden, heb ick alle neerstigheyd aengewend, om uwe begeerte te voldoen, in opsicht van des Heeren Bischops Geboorte. Maer wijl ’t seer langh is geleden, en weynige meer leven van de geene, welcke kennis hier van hadden, soo is niet veel seeckers van de rechte gelegentheid te seggen. Dit is bekend, dat

{p.*}

[illustratie]



{p.*}

[blanco]


{p.311}

de Heer Christoph Bernard is gewonnen in de Bevergeerdsche Gevancknis, alwaer sijnen Vader sat ter oorsaeck van een begaene doodslagh. Doch hoe den selven is toegegaen, daer van sijn d’oordeelen verscheyden. De geene, die den Heere Bischop gunstigh sijn, schrijven sijnen Vader onschuld toe, als hier toe geparst geworden sijnde. Andere laten sich voorstaen, datmen by ’t leven van den Heere Bischop niet veel anders als dit heeft derven seggen, en dat sulcks door langheyd van tijd geloof heeft gekregen. Tusschen de Vader van Heer Christoph Bernard (een Edelman, genoemd van Galen Bispinck, na sijn Huys Bispinck) en de Maerschalck Morien, was een twist ontstaen over ’t Recht der Jacht, waer in den eersten den anderen dickmael te na quam: En wijl hy na geene Waerschouwingen vraeghde, soo heeft Morien eens sijne Honden doen aenvatten, en van honger laten sterven. Na eenige tijd ontmoeteden deese beyde elckander binnen Munster. Van Galen droncken sijnde, eyschte sijne Honden weer met vry steeckelige woorden en dreygementen. Morien wou sich niet laten verbluffen, maer trock sijn Geweer, seggende gereed te sijn, om sijne scheldredenen met den Deegen te beantwoorden. Sommige geven voor, dat van Galen socht t’ontwijken, doch geparst sijnde, sich ter weer stelde. Andere, dat hy oock terstond sijn Rappier uyttrock, en alsoo in gevecht quam. Immers, hy doorstack den anderen, en wierd daer op te Bevergeerde gevangen geset: Daer hy oock na veele Jaren gestorven is. Eenige seggen, dat hy eynd-

{p.312}


lijck sich soo verr’ vry pleytede, ten opsicht van den hoon, hem in sijne Honden aengedaen, dat hy uyt de Gevancknis sou mogen gaen hebben, doch dat hy niet begeerde, voor dat d’onkosten souden betaeld sijn door de Vrienden des gedoodden: Doch andere laten sich voorstaen, dat dit weynigh waerschijnlijkheyd heeft, en alleen maer werd voorgegeven tot bewimpeling sijner derthien of veerthien jarige gevancknis, tot sijne dood toe. Kortlijck mijn Heer, de Daed is seecker, maer de ware omstandigheden sijn t’eenemael onseecker in deese ontijd. Als van Galen Bispinck nu een tijd lang in de gedachte Gevanknis had geseeten, wierd sijn Echt-genoot vergund, by hem te mogen komen en sijn. Waer op dan volgde, datse van haren Man bevrucht wierd. En also is onsen overledenen Heer, Bischop in Gevanckenis gewonnen. Doch op ’t Huys Bispinck gebooren. Ick wenschte uwe naukeurigheyd naerder en klaerder te mogen voldoen doch d’onseeckerheyd deses stucks belet my sulcks. Ondertusschen is de saeck, gelijck ick alreeds geseghd heb, gewis: D’ongewisheyd bestaet maer alleen in de dingen, welcke deselve konnen verswaren of verlichten: Waer van dan yeder spreeckt nu de genegentheyd of ongenegentheyd tot den Bischop. En niet vreemt is ’t, dat sulcks geschied na soo een lange reecks van Jaren, wijl dickmael een doodslager onder ons van deese verontschuldigd van die weer swaerlijck beschuldighd werd, aengaende d’oorsaeck des misbedrijfs, en d’omstandigheden daer ontrent, e.s.v.
EYNDE.


Dovnload 81.32 Kb.