Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Bespreek de moleculaire mechanisme van de transcriptie initiatie bij prokaryoten

Dovnload 69.41 Kb.

Bespreek de moleculaire mechanisme van de transcriptie initiatie bij prokaryoten



Pagina1/3
Datum25.06.2017
Grootte69.41 Kb.

Dovnload 69.41 Kb.
  1   2   3

  1. Bespreek de moleculaire mechanisme van de transcriptie initiatie bij prokaryoten.

Het RNA-polymerase is een holo-enzyme dat bestaat uit een core-gedeelte en een sigma-gedeelte. Het core-gedeelte bevat vier subunits: beta, beta’, en twee alfa’s.

Als deze twee samen kunnen werken, zijn ze het meest actief. Zonder sigma-factor is het het core-deel niet zo productief. Zeker niet als er geen knikken in het DNA zitten. De sigma-factor herkent dus de promoter op het DNA zodat RNA-polymerase kan binden. Wanneer het holo-enzyme gebonden is op het DNA is dat eerst via een zwakke binding, een gesloten promotercomplex. Vervolgens smelt polymerase de dubbelstreng ter vorming van een open promotercomplex. Dat is een veel steviger complex. Eens de transcriptie dan kan beginnen, worden er eerst een aantal abortieve transcripten gemaakt die maar heel kort zijn. Pas daarna worden er langere gemaakt. Het transcript is dan lang genoeg om een stabiel hybride te maken met de DNA-template. De sigma-factor komt dan van het core-gedeelte af. De sigma-factor is niet specifiek voor één core-gedeelte en kan dus uitgewisseld worden.



Om ervoor te zorgen dat RNA-polymerase goed kan binden en de promoter snel vindt, zijn er op het DNA een aantal regio’s die daarbij helpen. Zo is er de TATAA-box op -10 en een box op -35. Dan is er ook nog een UP-element dat samen met een alfa-subunit zorgt voor een heel stevige binding tussen het DNA en het polymerase. Dit UP-element is geassocieerd met drie fis-elementen. Die behoren niet echt tot de promoter, dit zijn enhancers omdat ze binden met een transcriptie-activatorproteïne.



  1. Bespreek de transcriptie elongatiecyclus bij prokaryoten.

Het open promotercomplex is dus gevormd en het begin van het transcript is gemaakt. Vooral de simga-factor houdt het DNA in het begin vast maar zorgt er ook voor dat het vast komt te zitten in de krabbenklauw van het RNA-polymerase zodat er een open promotercomplex gevormd kon worden. Eens als het transcript lang genoeg is om een stevige hybride te kunnen maken met de DNA-template, komt de sigma-factor los. Het transcript wordt gevormd in een ‘tunnel’, langs de ene kant komen de nucleotiden erin en langs de andere kant komt het transcript eruit. Maar omdat het DNA tijdelijk ontwonden moet worden, legt dat een spanning op het DNA, als RNA-polymerase gewoon rechtdoor gaat (zodat het template niet gecoild geraakt) dan zou er voor en achter het polymerase een supercoiling van het DNA moeten optreden. Maar topoïsomerase voorkomt dit. Tijdens de elongatie kan het polymerase even pauzeren of zelfs terugdraaien zodat het transcript nog eens gecontroleerd kan worden.

  1. Geef de structuur en functie van sigma-factoren bij RNA-polymerase van prokaryoten.

De sigma-factor stimuleert de initiatie door te binden aan de core-promoter samen met een core-gedeelte. De sigma-factor bij prokaryoten lijkt bij verschillende prokaryoten wel op elkaar maar is niet helemaal gelijk. Maximaal komen er vier regio’s voor. Maar veel prokaryoten beschikken ook enkel over regio 2 en 4.

  • Regio 1 zorgt ervoor dat wanneer de sigma-factor niet gebonden is aan een core-deel, er geen transcriptie kan optreden.

  • Regio 2 (2.4) zorgt voor binding aan de -10 box.

  • Regio 3 heeft een functie in het binden van het core-gedeelte en de core-promoter.

  • Regio 4 (4.2) zorgt voor binding aan de -35 box en heeft een belangrijke functie in het herkennen van de promoter

Sigma kan hergebruikt worden in wat de sigma cyclus heet: de sigma-factor bindt tijdelijk aan het core-gedeelte maar kan ook terug loskomen en aan een ander core-gedeelte gaan.



  1. Bespreek DNA-sequencing volgens Sanger.

Met DNA-sequencing komen we te weten welke base op welke plaats in de DNA-streng komen. Sanger deed dat als volgende:

  1. Neem een enkelvoudige DNA-streng.

  2. Zet er een primer van gekende lengte op.

  3. Laat DNA-polymerase zijn werk doen maar voeg ook ddATP toe. Dit zal ingebouwd worden als een A-nucleotide maar hierna kan er niks meer aangebouwd worden.

  4. We krijgen dus allemaal stukjes complementair DNA die op de verschillende A-plaatsen zijn afgebroken.

  5. Voer een gel-elektroforese uit op de stukjes complementair DNA.

  6. Doe hetzelfde met ddC, ddG een ddT en doe hierop ook een gel-elektroforese.

  7. Ieder stukje zal dus van een verschillende lengte zijn en aan de volgorde van de bandjes in de kolomen volgens base kan dan afgeleid worden welke volgorde de basen moeten hebben.

Dit duurt natuurlijk heel lang maar ondertussen staat de techniek al meer op punt. Met 4 verschillende labels kunnen de stukjes DNA allemaal op 1 laan gezet worden en met speciale lasers kan dan e sequentie gelezen worden. En met capilaire elektroforese is het nog meer op punt gezet.



  1. Bespreek het regulatiemechanisme/controle van het trp operon. Wat is attenuatie?

Het trp operon zorgt ervoor dat tryptofaan kan gemaakt worden. Het is dus een anabool operon. Als tryptofaan voldoende aanwezig is, hoeft de cel dit niet te maken want dat kost te veel energie. Als het niet voldoende aanwezig is, moet het wel afgeschreven worden. Om dit te regelen kan een repressor (aporepressor, dimeer eiwit) binden op de operator. Deze repressor kan enkel binden als er een co-repressor aan bindt. En deze co-repressor is tryptofaan. De genen voor deze aporepressor is ook gelegen op het operon.

Het operon heeft een heel sterke promoter. Daarom is er nog een tweede mechanisme: attenuatie. Hierbij mag RNA-polymerase toch binden en beginnen met afschrijven. Bij bacteriën is het zo dat ribosomen meteen aan de afschrijving van eiwitten beginnen. Het transcript bevat 4 regio’s waar van 1 en 2 samen een hairpin kunnen vormen en 3 en 4. Maar 2 en 3 kunnen ook samen een hairpin vormen. Het transcript bevat ook twee codons achterelkaar die voor tryptofaan coderen en iets daarna een stopcodon. Wanneer de ribosomen nu beginnen met het afschrijven van het RNA komen ze eerst aan de tryptofaancodons:



  • Als tryptofaan veel aanwezig is, is het geen probleem om deze in te bouwen en gaat de translatie snel voort tot het aan het stopcodon komt, dan valt het ribosoom eraf en kunnen de twee hairpinnen gevormd worden en de laatste hairpin duwt RNA-polymerase van het trp operon af (het bevat een terminator: 8U’s) en de transcriptie stopt.

  • Als tryptofaan weinig aanwezig is, pauzeert het ribosoom aan de twee codons en dan wordt de hairpin tussen 2 en 3 gevormd. Dat heeft geen invloed op RNA-polymerase en die kan dan gewoon doorgaan.



  1. Wat is het effect van lactose en glucose op het lac operon?

Het lac operon bevat 4 genen: lacI (controle), lacZ (B-galactosidase, knipt lactose in galactose en glucose), lacY (galactoside permease, om lactose in de cellen te krijgen) en lacA (galactoside transacetylase, functie ongekend). Deze functies zijn natuurlijk enkel nodig als er lactose aanwezig, als er glucose aanwezig is, zal de cel leven op glucose.

  • GLUCOSE: inhibitie van het lac operon door een repressor te laten binden (twee bindingsplaatsen) op de operator (3) zodat polymerase niet kan binden en afschrijven. Deze repressor wordt afgeschreven door het lacI gen. Deze repressor staat in competie met het polymerase.

  • LACTOSE: dan moet het gen afgeschreven worden. Repressie lekt altijd een beetje, dus er wordt wat lactose geknipt door B-galactosidase. Dat is de inducer die dan bindt op de repressor waardoor die loskomt van de operator en polymerase kan beginnen. Omdat dit zwakke promoters zijn, komt cAMP (voelt als de glucose concentratie zakt) nog helpen. Dat vormt een complex met CAP (catabolic activator protein). Dat gaat binden op deCAP-bindingsplaats op het operon en zo polymerase te helpen een open promoter complex te maken. Het bevat altijd een TGTGA-sequentie.





  1. Bespreek de structuur en functie van CTD bij eukaryoten.

Dit is het C-terminale domein van het RNA-polymerase. Meer bepaald een van de subunits van RNA-polymerase II. Het is een uitsteekseltje met een herhaling (bij de mens 52x) van 7 aminozuren. Waarvan de tweede en de vijfde plaats een serine is. Die serines kunnen gefosforyleerd worden. Dan verandert het polymerase van een IIa naar een IIo. De a-vorm dient voor initiatie, de o-vorm voor elongatie. De fosforylatie van de serine 5 kan door TFIIH (transcriptiefactor II H) en die van serine 2 door pTEFb (positieve transcriptie-elongatie factor b). Wanneer CTD niet voldoende gefosforyleerd is, blijft het polymerase gepauzeerd.

(bij prokaryoten is er ook een CTD, aan de alfa-subunit van polymerase en die zal via een binding aan het UP-element de binding tussen de promoter en het polymerase versterken en zo een hoger transcriptie-level geven.



  1. Bespreek en vergelijke de verschillen tussen eukaryote en prokaryote promoters.

Promoters zijn plaatsen waar polymerase mee bindt om zo translatie te starten.

Bij prokaryoten bestaat dit uit een -10box (TATAAT-box), een -35box en een UP-element. De -10 en -35boxes worden core promoter elements genoemd. Er zijn wel kleine afwijkingen in basesamenstelling tussen verschillende prokaryoten. Meer upstream ligt het UP-element, dat is geassocieerd met fis-sites die binden met transcriptie-activators en zijn dus eerder enhancers dan promoters. Polymerase heeft verschillende subunits en de alfa-subunit zal interageren met het UP-element en de sigma-unit met de -10 en -35 box.

Bij eukaryoten zijn er drie verschillende RNA-polymerases, dus moeten er ook 3 verschillende promoters zijn:


  • De klasse 2 promoters van RNA pol II bestaan uit twee delen: het proximale deel en het core deel, dat is een beetje zoals bij prokryoten (UP zoals prox en core zoals -10 en -35). Het core-gedeelte bevat 6 onderdelen maar die hoeven niet alle 6 per se voor te komen. Er komt een TATA-box voor (lijkt een beetje op TATAAT) en meer upstream een BRE, een initiator, DPE, DCE en een MTE. Het proximale deel bindt aan gen-specifieke transcriptiefactoren. Dit deel kan ook 180° draaien en nog functioneel zijn maar kan wel niet opschuiven (enhancers kunnen dat wel).

  • Klasse 1 promoters (voor rRNA) lijken het meest op die van prokaryoten omdat ze ook uit de twee delen bestaan: een core element en een up-streampromoter element.

  • Klasse 3 promoters (voor tRNA) zijn eig heel vreemd omdat hun promoterdeel in het gen ligt. Deleties voor of achter deze delen maken eig niet uit, transcriptie kan dan toch nog doorgaan.



  1. Bespreek transcriptie bij eukaryoten.

Bij eukaryoten vindt de transcriptie plaats in de kern. Er wordt een stuk DNA afgeschreven onder de vorm van RNA, dat RNA kan tRNA, mRNA of rRNA zijn. In de eerste fase wordt een preRNA-streng gemaakt, die bevat nog introns die eruit moeten geknipt worden. Alleen de exons bevatten immers nuttige informatie. Er wordt ook een cap-structuur aangebracht op het 5’-uiteinde en aan het 3’-uiteinde wordt een polyA-staart gemaakt. Dan is het RNA klaar om de kern te verlaten en overgeschreven te worden tot proteïen.

De preRNA-streng wordt gemaakt door RNA-polymerase. Dat bestaat uit meerdere subunits met ieder een eigen functie die zo promotersequenties gaan herkennen en daarop binden. Verder zijn er ook enhancers en silencers die de transcriptie kunnen stimuleren of inhiberen. Vanaf dat er 30nt afgeschreven zijn, wordt er een cap-structuur aangebracht. Deze zorgt voor een langere levensduur en een betere vertaalbaarheid en ook voor beter transport uit de kern en een efficiënte splicing. Op het CTD van polymerase kunnen verschillende eiwitten gaan zitten om hun functie uit te oefenen. Zo zijn er de snRNPs die zorgen voor uitknippen van de introns. Als laatste wordt dan een polyA-staart aan het RNA gezet. Het RNA wordt op een bepaalde plaats geknipt en vanaf daar zet polyA-polymerase er allemaal A’tjes aan. De polyA-staart zorgt voor een langere levensduur en een betere vertaalbaarheid.



  1. Vergelijk transcriptie terminatie bij pro-en eukaryoten.

De terminatie is bij pro-en eukaryoten best wel verschillend. Bij eukaryoten wordt dit gedaan door het maken van een polyA-staart, bij de prokaryoten zijn er twee manieren: ofwel door intrinsieke terminators ofwel door hulpfactor rho.

De intrinsieke factor gaat als volgt: in de sequentie van het DNA zit op het einde een inverted repat die zal zorgen voor een hairpin die polymerase van het template zal afduwen en een T-rijke zone, T-U baseparen zijn niet sterk gebonden (maar twee H-bruggen) en daardoor hangt het RNA niet meer stevig aan de template.

Bij de rho-afhankelijke terminatie bindt er een eiwit, rho, bovenop polymerase. Als het RNA dan gevormd wordt, zal rho het beet nemen en door zijn gaatje (rut-site) trekken en trekt het RNA er als het ware af.

Bij eukaryoten wordt ook een speciale regio in het gen overgschreven: AAUAAA: de polyadenyleringsplaats, daarachter knipt een cleavage factor het RNA af en dan kan polyA-polymerase er een polyA-staart aan maken. Er werd iets na deze polyadenyleringsplaats nog een belangrijke sequentie afgeschreven: het cotranscriptioneel cleavage element. Dat kan zichzelf knippen. Daardoor ontstaat er een 5’-uiteinde aan het overige RNA en dan kan nuclease dit verder afbreken. Ook het andere kleine stukje RNA (tss polyadenyleringsplaats en cotranscriptioneel cleavage element) wordt door nuclease afgebroken.



  1. Vergelijk translatie initiatie bij pro-en eukaryoten.

Translatie gebeurt bij zowel pro-als eukaryoten in de ribosomen, bij beide gaat het mRNA door de ribosomen om vertaald te worden naar proteïnen. De twee grote verschillen hier zijn dat de ribosomen iets anders zijn opgebouwd en dat bij prokaryoten transcriptie meteen plaatsvindt als het mRNA uit het polymerase komt terwijl bij eukaryoten het mRNA eerst uit de kern moet getransporteerd worden.

Bij prokaryoten bestaan de ribosomen uit een 50S en een 30S subunit. Net als bij eukaryoten zijn ze opgebouwd door ribonucleotiden, rRNA samen met proteïnen. Het mRNA kan op de ribosomen binden door een zeer specifieke sequentie: de Shine-Dalgarnosequentie. Dit is een sequentie iets voor het startcodon dat kan hybridiseren en zo kan mRNA stabiel binden en het ribosoom. Er wordt dan een initiatiecomplex gemaakt: Er gaat een proteïne, IF3 zitten op de E-plaats van de kleine subunit zodat het ribosoom even niet meer toe kan. Dan gaat IF1op de A-plaats zitten samen met IF2dat dan een GTP draagt. Op de P-plaats kan dan een eerste tRNA gaan zitten dat een aminozuur draagt, dat aminozuur, methionine vaak, is hier geformyleerd met mierenzuur door tetrahydrofolaat. En ten slotte komt mRNA dan binden in het ribosooom. IF1 en IF3 komen los en dan kan de grote subunit zich vestigen. Dan hydrolyseert de GTP aan IF2 wat een conformatieverandering geeft waardoor de A-plaats vrijkomt voor een nieuw tRNA en dan kan elongatie beginnen.

Bij eukaryoten is het systeem vrij identiek maar iets complexer. Er komen meerdere initiatiefactoren voor en het mRNA heeft een cap-structuur. Hier gaat eIF6 binden op de grote subunit zodat de ribosomen even niet kunnen sluiten. 1A/1 en 3 binden op de kleine subunit, op 1A/1 komt 5B (met GTP) en daarop 2 (met GTP) die ook het tRNA vast heeft. Dat is pre-initiatiecomplex. Tegelijkertijd wordt er ook het eIF4F gevormd, van 4E die de cap-structuur vast heeft, 4G die als adapter wordt gebruikt en 4A, met helicase activiteit dat de secundaire structuur van RNA zal verwijderen. Daarop gaat dan het mRNA zitten en dat wordt vastgehouden door 4E. 4G bevat ook een plaatjes waar een eiwit van de polyA-staart op kan binden zodat het mRNA eigenlijk circulair is. 4G en 3 binden zodat het mRNA verankerd is. Dan moet er opzoek gegaan worden naar het startcodon, het nutteloze RNA verlaat in een lus het ribosoom. Dat kan aan de hand van de Kozaksequentie. Die wordt herkend door de ribosomen, zo weten ze waar het startcodon zit. Als dat gevonden is, komen If2, 3 en 4B los, daardoor verliest ook het eIF4E zijn binding op het ribosoom en komt ook los, maar het RNA blijft circulair. Dan komen ook 5B en 1A/1 los zodat de grote subunit erop kan gaan en elaongatie kan beginnen. Op het losgekomen eIF4E kan wel ook een nieuwe kleine subunit gaan binden ter vorming van polysomen.


  1. De genetische code is onveranderlijk maar evolutie laat wel sporen na. Bespreek.

De genetische code was moeilijk te kraken maar het is dan toch gelukt. De code bestaat uit codons, dat zijn tripletten, er zijn 20 aminozuren en de code bestaat uit 4 basen. Dat houdt in de er 64 mogelijkheden zijn voor codons. Maar dus staan er meerder codes voor 1 aminozuur. De code wordt vertaald van 5’ naar 3’, ook hoe dat is ze is afgeschreven. De code heeft geen overlapende delen en er komen geen gaps of komma’s voor. De code is bijna universeel en zeer robuust. De code nu nog veranderen is heel slecht en zal niet lukken omdat een grote verandering lethaal zal zijn door verkeerd gevouwen eiwitten en een kleine mutatie zal niks uithalen omdat de code zo robuust is. Als we 1 base veranderen, is het vaak het geval dat nog steeds hetzelfde aminozuur wordt ingebouwd en als het dan toch verandert, zal dat vaak naar een aminozuur zijn dat er wel redelijk op lijkt. Bv leucine naar isoleucine. Ook zal bij een mutatie purine vaker naar een ander purine veranderen wat veel minder schadelijk blijkt dan naar een pyrimidine en in de code is de tweede base de belangrijkste ter beslissing van welk aminozuur en net die base kan het beste uitgelezen worden.

Onderzoek heeft aangetoond dat er met deze aminozuren en basen maar 1 op een miljoen kans is dat een betere code wordt gemaakt. Het is dus bijna onmogelijk om te kunnen uitgaan van een frozen accident. Er moet dus wel sprake zijn van evolutie. Er zijn in een aantal gevallen kleine veranderingen in de code waargenomen, maar dit is dan voornamelijk in mitochondriën of in plantplastiden. Die hebben een veel kleiner genoom waardoor het gemakkelijker is om een verandering aan te brengen die niet lethaal is. Ook zijn deze veranderingen vaak van een stopcodon naar een aminozuur en niet van een aminozuur naar een heel ander aminozuur. Dat is een bewijs dat het leven toch wel van 1 dezelfde code afstamt. De code wordt ook gevonden in al het leven op aarde, dus we moeten wel van dezelfde code afstammen.



  1. Leg translatie elongatie uit bij eukaryoten. Welke mechanismen hebben een regulerende werking?

De translatie bij eukaryoten vindt plaats in de ribosomen in het cytoplasma. Als het mRNA uit de kern is, gaan initiatiefactoren zich hierrond vormen. Op de cap-structuur zal eIF4E binden, daaraan eIF4G, dat een adaptor is voor andere proteïnen en daaraan eIF4A, een RNA helicase dat de secundaire structuur van het RNA verwijdert. Hierop zal het mRNA binden en vastgezet worden door eIF4B. Tegelijkertijd wordt op de kleine subunit van het ribosoom op de E-plaats eIF3 gezet en op de A-plaats eIF1/1A zodat de grote subunit niet meer op de kleine past. Dan gaat op 1A/1 eIF5b zitten en daarom kan dan tRNA met eIF2 en een methionine gaan zitten op de P-plaats. Dan wordt het mRNA naar de ribosomen gebracht door een binding van 3 met 4E. Het mRNA is circulair omdat een polyA-proteïne is aangehecht op de 4G. Dan wordt er op zoek gegaan naar het startcodon. Dat wordt herkend aan de hand van de Kozaksequentie, het eerste startcodon daarna is het echte startcodon. Het niet nuttige RNA is dan als een lus uit het ribosoom gekomen. Als de correcte baseparing van het startcodon is gebeurd, laren 3 en 4G elkaar los. Tot slot laten oom 1/1A en 5b los en kan de grote subunit aanmeren. Dit moest eig allemaal niet, dit is de initiatie.

De volgende stap is dan de elongatie en daarbij zal een tRNA samen met een Tu-GTP complex binden op de A-plaats, vervolgens zal deze GTP hydrolyseren en Tu komt los. Dan volgt de peptidyl transfer door een peptidyltransferase. De polypeptideketen wordt van op de P-plaats overgebracht op het AZ op de A-plaats. Dan is moet er translocatie gebeuren, de tRNA’s moeten een plaats opschuiven. Dat kan omdat EF-G-GTP gaat binden op de A-plaats, met moleculaire mimicry. Als dit GTP gehydrolyseerd wordt, shuift het ribosoom een plaats op, en het tRNA op de E-plaats komt los en ook het EF-G komt los.

Verschillende antibiotica kunnen dit inhiberen. Zo is er bijvoorbeeld erythromycine dat de uitgang van het peptide blokkeert of streptomycine die de baseparing verstoort waardoor er foute aminozuren ingebouwd worden. G-proteïnes hebben een zeer regulerende werking door de hydrolyse van GTP wordt energie gegeven voor verschillende reacties. Ook het rRNA heeft een regulerende werking doordat het het Tu juist positioneert.

Een voorbeeld van regulatie bij de voorlopers van rode bloedcellen: als er te weinig heemgroepen zijn, dan is het energieverspilling om nog hemoglobine te maken. Daarom zal HCR, de heemcontrol repressor de eIF2alfa fosforyleren. Daardoor bindt 2 strakker op 2B, normaal komt deze los en plaats GTP op 2, maar nu kan hij niet loskomen, eIF2 blijft dus inactief en zo wordt translatie geïnhibeerd.

Eenzelfde systeem is er bij eIF4E, dei wordt gefosforyleerd waardoor het veel sneller aan de capstructuur bindt. Maar mTOR kan dit ook wel fosforyleren waardoor het geïnhibeerd wordt.


  1. Geeft het thrombonereplicatiemechanisme. Bespreek de verschillende onderdelen en de functies.

Dit mechanisme houdt in dat de leading strand toch gelijk wordt afgeschreven als de lagging strand. DNA polymerase kan enkel afschrijven op een 3’ uiteinde dus daarom kan dat op de lagging strand niet continu gaan zoals op de leading strand. Daarom maakt het replisoom een lus van de lagging strand en zet daar een RNA-primer op en vanaf daar gaat dan polymerase van start gaan, eerst wordt er natuurlijk een klem gezet. Polymerase gaat door tot dat het de primer van de vorige heeft bereikt, dan die primer vervangen worden door DNA en dan worden die stukjes aaneen gezet.

De onderdelen zijn het replisoom bestaat uit een DNA helicase dat de strengen uit elkaar doet en daarachter komt dan DNA polymerase voor de leading strand. Ook is er een DNA polymerase voor de lagging strand, beide met klem. Er is ook een RNA primase dat voor een primer op de lagging strand zorgt. Op de lus zullen single strand proteins komen zitten om de lus te beschermen maar die vallen er weer af als DNA wordt ingebouwd. Als de DNA’s elkaar raken, laat de lus ook los en wordter een nieuwe vast genomen.


  1   2   3

  • Bespreek de transcriptie elongatiecyclus bij prokaryoten.
  • Geef de structuur en functie van sigma-factoren bij RNA-polymerase van prokaryoten.
  • Bespreek DNA-sequencing volgens Sanger.
  • Bespreek het regulatiemechanisme/controle van het trp operon. Wat is attenuatie
  • Wat is het effect van lactose en glucose op het lac operon
  • Bespreek de structuur en functie van CTD bij eukaryoten.
  • Bespreek en vergelijke de verschillen tussen eukaryote en prokaryote promoters.
  • Bespreek transcriptie bij eukaryoten.
  • Vergelijk transcriptie terminatie bij pro-en eukaryoten.
  • Vergelijk translatie initiatie bij pro-en eukaryoten.
  • De genetische code is onveranderlijk maar evolutie laat wel sporen na. Bespreek.
  • Leg translatie elongatie uit bij eukaryoten. Welke mechanismen hebben een regulerende werking
  • Geeft het thrombonereplicatiemechanisme. Bespreek de verschillende onderdelen en de functies.

  • Dovnload 69.41 Kb.