Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Bespreking van C. Akkermans (2006)

Dovnload 16.97 Kb.

Bespreking van C. Akkermans (2006)



Datum08.02.2019
Grootte16.97 Kb.

Dovnload 16.97 Kb.

Ruud Abma,

Bespreking van C. Akkermans (2006). Aanspoelen aan de Achtergracht. Maatschappelijke ontwikkelingen, clientèlevorming en de psychiatrische patiënten van de Amsterdamse GG & GD (1933-1988). Amsterdam: Aksant. 230p.


Gepubliceerd in MGv, 61 (11), 2006, 974-977
In 1979 verscheen in De Gids het artikel ‘Uitgaansbeperking en uitgaansangst. Over de verschuiving van bevelshuishouding naar onderhandelingshuishouding’. Het was de uitgebreide en herziene versie van de oratie die Abram de Swaan had gehouden bij zijn inauguratie als hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. De kern van het betoog was dat het verbod dat vroeger voor vrouwen uit de betere kringen had gegolden om zich zonder begeleiding op straat te begeven, bij sommigen van hen kon terugkeren als agorafobie (pleinvrees). Ze hadden als het ware de etiquette zo zeer verinnerlijkt dat deze strenger uitpakte dan de vroegere externe sociale controle. Achter deze hypothese (want meer was het niet) stond een andere veronderstelling van De Swaan, namelijk dat wanneer maatschappelijke omgangsvormen veranderen ook de menselijke psyche verandert.

Vele jaren later zette de Amsterdamse klinisch psycholoog en psychoanalyticus Wouter Gomperts zich aan de taak om deze stelling empirisch te onderzoeken, met gebruikmaking van de uitslagen, over een reeks van jaren, van onderzoek met de 4-Platentest van Van Lennep. Hij ging na, analoog aan de agorafobiehypothese van De Swaan, in welke mate het sociaal fatsoen uit de jaren vijftig terug te vinden was in de sociale fobieën van de jaren tachtig, toen men inmiddels bevrijd was het uit fatsoenskeurslijf. Hij slaagde er in zijn proefschrift De opkomst van de sociale fobie (Amsterdam, 1992) echter niet in dit met zekerheid vast te stellen.


Veelvuldig op huisbezoek

Als derde in de reeks probeert Catelijne Akkermans in haar onlangs verschenen proefschrift te laten zien welke verbanden er zijn te vinden tussen maatschappelijke factoren en ontwikkelingen, veranderingen in sociaal-psychiatrische pathologie en ontwikkelingen in de geestelijke gezondheidszorg van de gemeente Amsterdam. Zij maakt hierbij gebruik van patiëntendossiers van de afdeling sociale psychiatrie van de GG & GD te Amsterdam over een periode van 55 jaar. Zoals te verwachten was, zijn er in deze periode behoorlijke veranderingen opgetreden in de clientèle van deze afdeling. Deze weerspiegelen maatschappelijke veranderingen, maar vooral wijzigingen in de Nederlandse GGZ. Zo verdwijnen jongeren (in 1946) en ouderen (in 1961) uit het patiëntenbestand op het moment dat daarvoor gespecialiseerde afdelingen in het leven werden geroepen.

Het Consultatiebureau voor Geestes- en Zenuwzieken van de GG & GD, opgericht in 1916 door F.S. Meijers, fungeerde als poortwachter voor de opname van Amsterdamse krankzinnigen in psychiatrische inrichtingen her en der in het land. Voor armlastige patiënten moest de gemeente Amsterdam zelf de kosten dragen, dus was het van belang kritisch te kijken of opname werkelijk noodzakelijk was: kon de patiënt niet met enige maatschappelijke ondersteuning thuis blijven wonen? Gaandeweg ontstond er een systeem van voor- en nazorg dat (een novum in die tijd) niet gekoppeld was aan één psychiatrische inrichting of één zuil.

Bijzonder sprekend (onder andere door de goed gekozen citaten uit de dossiers) vond ik de twee chronologisch opgebouwde hoofdstukken, over de veranderingen in het werk van respectievelijk de psychiaters en de verpleegkundigen. Opvallend is vooral hoe ‘sociaal’ het werk was. Niet alleen gingen psychiaters en verpleegkundigen veelvuldig op huisbezoek (in het kader van voor- en nazorg of crisisinterventie) maar ook konden ze urgentieverklaringen voor woonruimte verstrekken of mensen vrijwaren van tewerkstelling. Vanaf de jaren zestig gaan publieke overlast en drugsgebruik een deel van het werk bepalen.


Klaagbrieven

De kern van dit proefschrift is een nauwgezette en goed geschreven analyse van de geschiedenis van de sociaal-psychiatrische dienst van de GG & GD in Amsterdam, hoofdzakelijk bezien vanuit 566 patiëntendossiers. Uit het methodische hoofdstuk blijkt hoeveel zorg Akkermans (voor een deel samen met Han Israëls en Wouter Gomperts) heeft besteed aan het ordenen en uittikken (!) van de handgeschreven dossiers om ze zo toegankelijk te maken voor codering via de computer. Dat coderen vereiste een classificatiesysteem voor psychische stoornissen dat een vergelijking over de jaren heen mogelijk maakte; alleen al het ontwikkelen daarvan is een sterk punt van dit dissertatieonderzoek. Andere onderzoekers kunnen er hun voordeel mee doen, mits ze er de beschikking over krijgen (het codeboek is niet in het proefschrift opgenomen). In het lange hoofdstuk 4 wordt duidelijk dat dit systeem geschikt is voor het ordenen en door de tijd heen vergelijken van psychische problemen.

Zwakzinnigheid, dementie, gedragsproblemen van kinderen en somatische aandoeningen worden in de loop van de tijd minder gerapporteerd, terwijl stemmingsstoornissen, persoonlijkheidspathologie, verslaving en gedragsproblemen van volwassenen toenemen. Psychotische verschijnselen, angststoornissen en somatoforme stoornissen, ten slotte, kennen een wisselende incidentie. Vanaf de jaren zeventig wordt in de dossiers steeds meer melding gemaakt van ernstig depressieve, suïcidale, verslaafde en agressieve patiënten.

Terecht wijst Akkermans erop dat het interpreteren van de dossiers wordt bemoeilijkt doordat er veranderingen zijn opgetreden in het denken, het benoemen en het registreren van psychiatrische stoornissen. De kernsymptomen van ernstige stoornissen zijn minder gevoelig voor sociale en culturele veranderingen dan bijvoorbeeld neurotische aandoeningen, maar zelfs in deze categorie verandert de diagnostische naamgeving. Ook zie je maatschappelijke gebeurtenissen en culturele thema’s (zoals de Tweede Wereldoorlog) terugkeren in angsten, wanen en hallucinaties van patiënten.

Een ondersteuning van de centrale stelling van de historische sociologie, over de samenhang van maatschappelijke en psychische veranderingen, biedt deze bevinding echter niet. Ook ‘protoprofessionalisering’ (het proces waarin burgers leren hun problemen in professionele termen te ervaren en te benoemen) lijkt niet aan de orde: daarvoor zijn de problemen van deze patiënten te ontregelend en is hun afstand tot de professionele denkwereld te groot. Degenen die aanspoelden aan de Achtergracht waren in alle decennia mensen die tegen zichzelf beschermd moesten worden of die hun omgeving overlast bezorgden, en nergens anders terecht konden. Vooral bij agressieve patiënten waren het vaak buren of anderen uit de directe leefomgeving die aan de bel trokken en klaagbrieven schreven aan de gemeente. In deze brieven was vanaf de jaren zeventig de protoprofessionalisering vaak wel zichtbaar: de gewraakte gedragingen werden in de loop van de tijd door buurtgenoten steeds vaker benoemd als uitingen van een psychiatrische stoornis.
Sociale schipbreukelingen

Geven de geschetste verschuivingen nu ook een beeld van wat er maatschappelijk verandert? Werpen ze licht op de samenhang tussen sociale en psychische processen? Akkermans herhaalt wat eerder De Swaan, Wouters en Hutschemaekers schreven: er is in onze maatschappij een toegenomen gevoeligheid voor psychisch onbehagen. Terecht constateert zij ook dat dit geen verklaring biedt voor het steeds ernstiger worden van de problemen waarmee de sociale psychiatrie wordt geconfronteerd. Deze lijkt eerder te maken te hebben met wijzigingen in de selectieprocessen van de GGZ én met de toename van het drugsgebruik.

Al met al moet je na lezing van dit proefschrift constateren dat de centrale vraag, naar de verhouding tussen sociale en psychische veranderingen, op basis van de bestudeerde patiëntendossiers eenvoudigweg niet kan worden beantwoord: er zitten te veel stappen tussen. Om te beginnen geven de dossiers natuurlijk een specifieke selectie, interpretatie en benoeming van de problemen en het gedrag van patiënten. Maar zelfs als dat alles uitgebreid en nauwkeurig beschreven zou zijn, is het nog een helse klus om dit in verband te brengen met maatschappelijke omstandigheden (laat staan in een causaal verband). Het vaststellen van verschuivingen in deze verhouding over de decennia heen is dan helemaal een heksentoer.

Het is daarom niet zo verwonderlijk dat Catelijne Akkermans hierin niet is geslaagd. Je mag het van iemand eigenlijk ook niet vragen om een hypothese die vooral een heuristische functie heeft empirisch te toetsen of anderszins te ‘bewijzen’. Akkermans had bovendien een lastiger categorie patiënten dan Gomperts, bij wie het ging om cliënten met een kwaal (sociale fobie) die goed in verband te brengen is met omgangsvormen tussen mensen. De patiënten van de Achtergracht hadden niet enkel ernstige psychische problemen maar waren ook sociaal uitgestoten of uitgevallen – bij hen zijn het sociale en het psychische nauwelijks van elkaar los te maken. Het was ‘…een aaneenschakeling van ellende, kluwens van diffuse, vaak onderling samenhangende problematiek: sociale en psychische misère, gezondheidsklachten en opvoedingsmoeilijkheden, geldgebrek en relatieproblemen.’ (p. 129) In alle onderzochte periodes behoorden de cliënten tot de maatschappelijk minder bedeelden en hadden ze bovendien ernstige, meervoudige problemen. ‘De patiënten vormden een laag opgeleide, grotendeels werkloze achterhoede, sociale schipbreukelingen te midden van steeds hoger opgeleide en steeds vaker werkende medeburgers’, schrijft Akkermans (p. 71).

De sociaal-psychiatrische afdeling vormde in alle periodes, te midden van het wisselende conglomeraat van andere zorginstellingen, een laatste wijkplaats, waar gepoogd werd op sociaal en psychisch vlak het leed van deze cliënten te verlichten. De historische variaties en constanten daarbij worden in dit proefschrift zorgvuldig ontleed en op een systematische en heldere manier gepresenteerd. Het is te prijzen dat Akkermans niet bezweken is voor de verleiding de complexiteit van haar bevindingen te reduceren tot een ‘Amsterdamse’ one-liner over de interdependentie van sociogenese en psychogenese.
Ruud Abma,

Cultuurpsycholoog, Docent Algemene Sociale Wetenschappen, Universiteit Utrecht






Dovnload 16.97 Kb.