Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Beste lezers

Dovnload 0.64 Mb.

Beste lezers



Pagina1/23
Datum25.04.2019
Grootte0.64 Mb.

Dovnload 0.64 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   23

VERKIEZINGSPROGRAMMA

GROENLINKS

2002-2006
Beste lezers,
Dit is het verkiezingsprogramma van GroenLinks. De programcommissie heeft een jaar lang met veel plezier aan dit programma gewerkt. Het op papier zetten van je visie en plannen voor de komende vier jaar is een intensieve, leuke klus. Leden, werkgroepen, medewerkers en vertegenwoordigers van Groen Links hebben veel bijgedragen om er een aansprekend programma van te maken. De programcommissie heeft de uitkomsten van de vele debatten, emaildiscussies en adviezen zo goed mogelijk verwerkt. Uiteindelijk hebben de leden het verkiezingsprogramma, zoals dat nu voorligt, op het programcomgres (januari 2002) vastgesteld.
GroenLinks combineert aanstekelijke idealen met haalbare alternatieven. De afgelopen jaren kwam de Tweedekamerfractie voortdurend met voorstellen die de idealen van GroenLinks handen en voeten geven. Die lijn wordt in dit programma doorgezet. We vonden het belangrijk om zowel beschouwend als concreet te zijn. Het is daarom geen dun programma geworden.
Groenlinks voerde de afgelopen jaren kwaliteitsoppositie tegen het Paarse kabinet. Het Paarse kabinet dat een blinde vlek had voor milieu en leefbaarheid. Het Paarse kabinet dat welvaartgroei bracht, maar die welvaart bar slecht verdeelde. Het Paarse kabinet dat voortdurend in het defensief was waar het ging om de multiculturele samenleving. Het Paarse kabinet dat de mondigheid en zelfbeschikking van sommige mensen gelukkig serieus nam – denk aan het homohuwelijk en de euthanasie-wetgeving – maar andere groepen burgers juist in de kou liet staan.
GroenLinks kiest voor nieuw evenwicht tussen werken en zorgen, en tussen werken en rusten. Een nieuw evenwicht ook in de verhouding tussen mensen, de overheid en de markt. GroenLinks kiest voor een eerlijke verdeling van de welvaart, in de wereld en binnen Nederland. Voor een volwaardige publieke sector: voor onderwijs en gezondheidszorg waar we trots op zijn. GroenLinks staat voor een duurzame economie.
Het gedachtengoed van GroenLinks is gebaseerd op vier principes: duurzaamheid, rechtvaardigheid, openheid en solidariteit. Dat zijn ook de overkoepelende hoofdstukken in dit programma, voorafgegaan door een inleidend hoofdstuk. De wereld zit niet in elkaar van onvermijdelijkheden, er valt gelukkig te kiezen. We hopen dat dit programma voor nog meer kiezers aanleiding is om op 15 mei 2002 voor GroenLinkse politiek te

kiezen.
Jan Willem Duyvendak, voorzitter programcommissie



Mirjam de Rijk, voorzitter GroenLinks
De Programcommissie bestond uit: Maarten Davelaar, Jan Willem Duyvendak (voorzitter), Jos van der Lans, Mirjam de Rijk, Lenie Scholten, Kees Vendrik, Marijke Vos, Stavros Zouridis. Secretaris: Willem Verhaak.

Inhoud

1 Overvloed en onbehagen


2 Duurzaam

2.1 Milieu

2.2 Klimaat en energie

2.3 Verkeer

2.4 Ruimtelijke inrichting

2.5 Landbouw en voedselveiligheid

2.6 Natuur en water

3 Rechtvaardig


3.1 Gezond werk

3.2 Werken en zorgen

3.3 Inkomen en belastingen

3.4 Onderwijs

3.5 Gezondheidszorg

3.6 Welzijn en sport

3.7 Wonen

4 Open


4.1 Multiculturele samenleving

4.2 Asielbeleid

4.3 Veiligheid en rechtstaat

4.4 Democratie en samenleving

4.5 De virtuele wereld

4.6 Kunst, cultuur en media

5 Solidair


5.1 Internationale samenwerking

5.2 Ontwikkelingssamenwerking en eerlijke handel

5.3 Vrede en veiligheid

5.4 Vluchtelingen en migratie

5.5 De toekomst van Europa

6 Betaalbaar


6.1 Betaalbaarheid en begrotingsbeleid

Trefwoorden
Afkortingen


Hoofdstuk 1



Overvloed en onbehagen




1. Kiezen en delen
In tal van opzichten leven we in een fantastisch land. Die voorspoed mag ons echter niet blind maken voor de verschillen tussen rijk en arm, die nog steeds toenemen. Net zo min als deze welvaart ons de ogen kan doen sluiten voor de aanslagen op natuur en milieu, die onverminderd doorgaan. Er is daarom geen reden voor zelfgenoegzaamheid;nog steeds moet er veel veranderen. In dit programma schetst GroenLinks hoe zij dat aan wil pakken. Uitgangspunt daarbij is een duurzame samenleving, waarin burgers met respect voor elkaar en hun natuurlijke omgeving vormgeven aan hun aspiraties. Dat betekent kiezen én delen: mensen moeten ruimte hebben om keuzes te maken, maar wel in het besef dat ze die ruimte moeten delen met anderen.

De overheid speelt in dit programma een belangrijke rol in het beschermen van publieke waarden en collectieve goederen. Maar ook burgers dragen hierin een eigen verantwoordelijkheid. In een geëmancipeerde samenleving worden veranderingen door burgers en bestuur gezamenlijk bedacht en uitgevoerd. Daarom is dit programma niet alleen de basis voor het optreden van de GroenLinks-fractie; het is ook een voorstel aan u, als kiezer, om deze weg op te gaan. Een weg naar een rechtvaardig, duurzaam, open en solidair Nederland in Europa en de wijdere wereld.

Sinds 11 september 2001 staan de terroristische aanslagen op de Verenigde Staten en de nasleep hiervan in het middelpunt van de publieke en politieke belangstelling. De oorlog in Afghanistan en de jacht op de waarschijlijke daders van de aanvallen op de WTC-torens domineren het nieuws. Veel onderdelen uit dit verkiezingsprogramma hebben sinds 11 september aan actualiteit gewonnen. Dit geldt zowel voor de dringende noodzaak van conflictbeheersing en -oplossing in brandhaarden als Afghanistan en Israël/Palestina als voor conflictpreventie in andere delen van de wereld. Dichter bij huis, biedt dit programma aanknopingspunten om de verhoudingen tussen autochtonen en allochtonen die in Nederland na 11 september verder onder druk kwam te staan, te verbeteren. Leren omgaan met culturele en religieuze verschillen zonder in cultuurrelativisme te vervallen, is de rode draad in de paragraaf over de multiculturele samenleving (4.1). Dat we een kwetsbare wereld bewonen, spreekt uit dit programma. Dat de wereld veiliger wordt als de ongelijkheid afneemt, ook daar zijn we van overtuigd. Maar dat religieus en politiek fanatisme daarmee niet de wereld uit is, ook daarvan zijn we ons meer dan ooit bewust.

In dit introducerende hoofdstuk geeft GroenLinks haar visie op recente maatschappelijke en politieke ontwikkelingen in Nederland en in de wereld.

2. Private rijkdom, publieke armoede
Ondanks de tijdelijk teruglopende economie gaat het materieel buitengewoon goed met Nederland. Nooit hebben we meer geconsumeerd dan nu. De welvaart is de afgelopen tien jaar met zo’n veertig procent toegenomen. In een periode van nog geen halve eeuw is er veel ten goede veranderd, niet alleen in materiële

maar ook in immateriële zin. Mensen zijn hoger opgeleid, mondiger en kritischer geworden. De vrijheid om je eigen leven vorm te geven en de keuzemogelijkheden zijn groter dan ooit, benauwende voorschriften zijn naar de geschiedenisboeken verwezen.

Toch sluimert onder deze overvloed een groeiend onbehagen. De toegenomen individuele welvaart heeft niet altijd bijgedragen aan collectief welzijn. Integendeel zelfs, in de publieke sector werd armoe troef. In het onderwijs verkeren de gebouwen in een beroerde staat, zijn er zo weinig docenten dat leerlingen naar huis worden gestuurd en kunnen de lokalen met grote moeite één keer in de week worden schoongemaakt. In de zorg lopen de wachttijden op, is een aandachtvragende patiënt lastig en zijn de handelingen van de thuiszorgster tot op de minuut uitgedokterd. Het klimaat verandert onder invloed van CO2-uitstoot, vooral veroorzaakt door mobiliteit en energiegebruik. Natuur en open ruimte verdwijnen door het tempo waarin het land wordt volgebouwd. En op straat voelen we ons steeds minder veilig.

Daar komt bij dat de welvaartsexplosie aan honderdduizenden Nederlanders grotendeels voorbij is gegaan. Vroeger haalden zij als ‘de echte minima’ nog wel eens de kranten. Nederland ging er prat op een land te zijn waar inkomensverschillen binnen de perken bleven. Aan die traditie is het afgelopen decennium een einde gekomen.

De Nederlandse welvaart steekt ook schril af tegen de armoede in andere landen. Juist in tijden van grote rijkdom zijn deze vormen van groeiende ongelijkheid onacceptabel én onnodig. Armoede, ziekte, honger en geweld zijn geen natuurgegevens maar de consequentie van hoe we de wereld inrichten. Sommigen verwachten veel van een ongebreidelde vrije markt om voorspoed in arme landen te brengen. GroenLinks verwacht daar weinig van en kiest niet voor ‘vrijhandel’, maar voor ‘eerlijke handel’, met respect voor het milieu en de natuur. We kiezen voor een politiek met ambities om de wereld rechtvaardiger, duurzamer en veiliger te maken.
Neoliberale agenda

Terwijl de economie in de jaren negentig op ongekende toeren begon te draaien, bleef in de publieke sector schraalhans keukenmeester. De Zalm-norm was het dogma van de paarse kabinetten. Een stroom van financiële meevallers stelde paars in staat lastenverlichting door te voeren en het financieringstekort terug te brengen.

Maar de prijs was niet gering: een systematische verwaarlozing van de publieke sector. Zorg en onderwijs kreunen onder jarenlange bezuinigingen. De lonen bleven achter en deze sectoren werden steeds minder aantrekkelijk om in te werken. Ook op andere terreinen sloeg de publieke verwaarlozing toe. Paars had lak aan het milieu. De open en groene ruimte in Nederland viel ten prooi aan oprukkende industrieterreinen en woonwijken. Wat we individueel aan welvaartsgroei mochten incasseren, hebben we collectief aan kwaliteitsverlies van de publieke sector en aan leefbaarheid en veiligheid moeten inleveren.

Deze neoliberale agenda werkt een atmosfeer in de hand waarin mensen vooral worden gezien als consumenten die met anderen weinig op hebben. Dat is een mensbeeld waarin prestatiedwang en eigenbelang richtinggevender zijn dan waarden als solidariteit en mededogen. De meeste Nederlanders willen daar gelukkig weinig van weten en tonen zich wel degelijk betrokken bij hun omgeving en bij andere mensen. We moeten waken voor een cultuur die aan deze betrokkenheid tornt; waarin sommigen uitsluitend oog hebben voor zichzelf. De toegenomen individuele vrijheid en consumptiemogelijkheden leiden dan tot onderlinge wrijving en ontsporen soms in vormen van zinloos geweld. Dat vraagt om bezinning, waarin de politiek haar verantwoordelijkheid moet nemen.


Einde van paars

De neoliberale agenda lijkt haar aantrekkingskracht kwijt. Steeds duidelijker blijkt dat op belangrijke onderdelen van dit programma de nadelige effecten groter zijn dan de voordelen. Zo is de beloofde verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening bij veel geprivatiseerde instellingen en organen achterwege gebleven. Vaak zijn de prijzen omhoog gegaan, is de dienstverlening verslechterd (denk aan de NS) en is de baanzekerheid van werknemers op de tocht komen te staan.

Het nieuwe marktregime heeft de meeste maatschappelijke voorzieningen weinig goeds gebracht. De thuiszorg werd als een product ‘in de markt’ gezet (gevolg: stopwatch-zorg), universiteiten moesten ondernemend worden (bijnaam tegenwoordig: de klussencentrale), scholen werden op een hoop gedreven en werden heuse onderwijsfabrieken. Per saldo is het resultaat verschraling en kwaliteitsverlies.

GroenLinks heeft – in de Tweede Kamer en daarbuiten – de afgelopen kabinetsperiode consequent stelling genomen tegen al die operaties waarin de overheid terugtrad zonder een duidelijke opvatting over haar nieuwe rol. Zij heeft bij elke begroting gepleit voor grotere investeringen in zorg, onderwijs, welzijn en integratie, en stuitte daarbij lange tijd op dovemansoren. Hetzelfde lot waren de voorstellen beschoren om extra te investeren in het openbaar vervoer, hogere milieuambities te realiseren en de natuur in Nederland de ruimte te geven die ze verdient.

De fundamentele vraag is aan de orde: wat is de politieke agenda van de komende tien jaar? Gaan we door op de weg van groeiende ongelijkheden, veronachtzaming van publieke waarden en ontmanteling van solidariteit? Of gaan we op zoek naar een nieuwe inspirerende agenda met aandacht voor kwaliteit, voor duurzaamheid, voor sociale rechtvaardigheid, voor eigentijdse vormen van solidariteit, voor ontspannen arbeidsverhoudingen en goede zorgregelingen, voor een leefbare en sociale woonomgeving, voor culturele openheid, voor meer democratie?

3. Maatschappelijke verantwoordelijkheid en publieke betrokkenheid


GroenLinks baseert zich op vier fundamentele principes: rechtvaardigheid, duurzaamheid, openheid en internationale solidariteit. De vertaling van deze uitgangspunten in concrete voorstellen maken in de Nederlandse politieke verhoudingen GroenLinks tot een veranderingsgezinde partij die op veel terreinen op zoek gaat naar vernieuwing. Die vernieuwing kan echter niet alleen gedragen worden door de politiek. Overheid, bedrijven, middenveld en burgers spelen hierin ieder hun eigen rol.
Een uitdagende overheid

De politiek en – in haar verlengde – de overheid moeten hun plaats opnieuw bepalen. De ‘oude’ overheid uit de tijd van de wederopbouw met het vermogen (en het gezag) om op terreinen als onderwijs, volkshuisvesting en gezondheidszorg omvangrijke programma’s uit te voeren, zo’n overheid is in een veel minder hiërarchische samenleving ondenkbaar geworden. Natuurlijk is de overheid nog steeds primus inter pares. De overheid maakt wetten en stelt regels, maar zowel in de formulering als in de effectuering daarvan heeft ze rekening te houden met andere partijen in de Nederlandse samenleving. Dat is een relatief nieuwe rol van de overheid, waarvoor de juiste balans, het juiste zelfbewustzijn en de juiste toon nog gevonden moeten worden.

Duidelijk is dat die balans zoek is geraakt tijdens de operatie ‘terugtredende overheid’. Dat is vooral een aftocht zonder duidelijk te maken welke rol de overheid in de nieuwe verhoudingen wenst te spelen. Privatisering werd een dogma. Over het toezicht op de geprivatiseerde instellingen begon men pas na te denken toen de eerste ongelukken zich voordeden.

Naar ons idee is een moderne overheid geen afzijdige overheid, maar een uitdagende: zij bepaalt het speelveld, de regels van het spel en zij corrigeert zonodig de (krachts-)verhouding tussen de spelers. Een overheid die richting geeft én ruimte biedt voor eigen initiatief, sluit aan bij de maatschappelijke dynamiek. Burgers, organisaties, instellingen en ondernemingen worden uitgedaagd om mee te doen. Ze weten dat er iets op het spel staat, dat hun stem zwaar weegt, ook al hebben ze niet het laatste woord.

Het behoort tot het wezen van een moderne, uitdagende overheid dat zij harde grenzen trekt op die terreinen waar particuliere belangen het publieke belang dreigen te overwoekeren. De politiek stelt doelen, normen en randvoorwaarden; mensen en organisaties kunnen vervolgens zelf het beste bepalen hoe ze daarbinnen vormgeven

aan wat zij belangrijk vinden (zie verder het kader ‘De overheid van GroenLinks’).


Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Bedrijven dragen niet alleen verantwoordelijkheid voor hun winstcijfers en hun aandeelhouders maar ook voor de omgeving waarin ze produceren, voor het milieu,

voor veiligheid en leefbaarheid, voor de kwaliteit van hun producten. De kritische consument verwacht in toenemende mate dat het bedrijfsleven die verantwoordelijkheid

serieus ter hand neemt. De overheid moet zich veel minder vrijblijvend opstellen ten opzichte van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Een eerlijke bedrijfsvoering

met respect voor mensen en voor milieu moet niet langer bijzonder of ‘vooruitstrevend’ zijn, maar een vanzelfsprekend uitgangspunt voor elke vorm van economische bedrijvigheid.
Democratisering maatschappelijk middenveld

Een uitdagende overheid kan niet zonder sterke, vertrouwenwekkende maatschappelijke instituties. Die instituties, vaak aangeduid met de term maatschappelijk middenveld, zijn de afgelopen decennia enorm van aanzien veranderd. Ze zijn los gekomen van hun vaak verzuilde oorsprong, geprofessionaliseerd en in meerdere of mindere mate vermarkt.

Met al die ingrijpende veranderingen is één vraag onbeantwoord gebleven: wie bepaalt nu of deze organisaties hun werk goed doen? Vrijwel zonder uitzondering zijn

het immers organisaties die opgebouwd zijn met maatschappelijk kapitaal en die sociale doelstellingen moeten realiseren. Soms ontstaan nieuwe vormen van verantwoording

afleggen. Ouders krijgen en grijpen de kans om mee te praten op school. Gezondheidszorginstellingen werken met gebruikersraden en overleggen met cliëntenorganisaties. Met dit type initiatieven pogen instellingen niet alleen hun klanten beter te bedienen, ze willen ook verantwoording afleggen. Die ontwikkeling moet verder worden gestimuleerd. Dat kan door elke publiek gefinancierde maatschappelijke voorziening te verplichten een ‘citizen charter’ op te stellen – een burgerhandvest waarin de organisatie onder meer vastlegt hoe zij met burgers omgaat, hoe zij zich verantwoordt, hoe de inspraak is gegarandeerd, hoe de kwaliteit wordt gecontroleerd en op welke prestaties burgers mogen rekenen.

Veel veranderingen in de publieke sector hebben de betrokkenheid van mensen de afgelopen jaren eerder verkleind dan vergroot. Schaalvergrotingsprocessen – waarbij

het idee is: hoe groter de organisatie, hoe effectiever de klant kan worden bediend – hebben geleid tot organisaties waarin alles
De overheid van GroenLinks
De discussie over de terugtredende overheid, marktwerking, privatisering en deregulering heeft tot onduidelijkheid geleid over wat in een moderne samenleving de rol van de overheid is, en welke instrumenten de overheid wanneer gebruikt. Het gevolg daarvan is dat veel burgers niet weten wat zij nog van de overheid mogen verwachten en dat de bescherming van collectieve waarden, van het publieke belang, onduidelijk is geregeld. Op sommige terreinen (onderwijs, gezondheidszorg) doden gedetailleerde subsidievoorwaarden het eigen initiatief van mensen die op deze terreinen werkzaam zijn. Op andere terreinen zijn er juist weer te weinig regels en normen (voor milieuvervuilende producten bijvoorbeeld) waardoor ongewenste ontwikkelingen kunnen

voortduren.

Aan die onduidelijke rol van de overheid moet een einde komen. Burgers en

organisaties moeten weten wat zij van de overheid mogen verwachten, en binnen welke kaders zij hun eigen verantwoordelijkheden kunnen waarmaken. Hieronder schetsen we de overheid van GroenLinks.


1. Vaststellen basiskwaliteit

De zorg voor ondermeer veiligheid, milieu, landschap, onderwijs, welzijn en gezondheidszorg vertaalt zich in duidelijke normen waar bedrijven, instellingen, organisaties en burgers ten minste aan moeten voldoen. Op veel terreinen is momenteel

onduidelijk wat die normen zijn; op andere terreinen zijn ze te vrijblijvend. Politieke discussie over het overheidsbeleid moet beginnen bij het vaststellen van deze basiskwaliteitsnormen. Met welke middelen een instelling of bedrijf de basisnorm bereikt, kan vaak aan henzelf worden overgelaten.
2. Consequente handhaving

De overheid ziet er op toe dat aan deze basiskwaliteitsnormen wordt voldaan. Handhaving is in Nederland lange tijd onderontwikkeld gebleven. Waar de overheid haar verantwoordelijkheid neemt voor een basiskwaliteit, moet zij ook zorgdragen voor een consequente naleving daarvan.


3. Publieke financiering

Naast het garanderen van een basiskwaliteitsniveau op alle mogelijke terreinen van de samenleving, heeft de politiek nog meer ambities. Denk aan het omschakelen op duurzame energie, of het terugdringen van het aantal voortijdige schoolverlaters. De overheid trekt er geld voor uit, en instellingen verantwoorden zich over de geleverde prestaties. Dat geldt trouwens ook voor de algemene financiering van bijvoorbeeld het onderwijs of de gezondheidszorg. Tegenover publieke financiering staat een heldere verantwoordingsplicht over wat er met het geld gebeurt. Prestatie-afspraken zijn in veel gevallen een goed middel.


4. Regulerende belastingen en heffingen
De overheid stuurt ook door gewenst gedrag te belonen en ongewenste ontwikkelingen

extra te belasten. Vooral als er veel ‘geadresseerden’ zijn, dus als het bijvoorbeeld gaat om het gedrag van automobilisten, zijn belastingen en heffingen een efficiënt sturingsmiddel. Door bijvoorbeeld een kilometerheffing in te voeren die variabel is naar tijd, plaats en milieubelasting ontstaat een mogelijkheid om het mobiliteitsbeleid echt te baseren op het motto ‘de vervuiler betaalt’. Lage BTWtarieven voor reparatie-werk is een ander voorbeeld.
5. Convenanten en ‘polderen’

Convenanten zijn een vorm van prestatieafspraken. Convenanten, bijvoorbeeld tussen de overheid en een bepaalde industriesector, kunnen nuttig zijn als overbrugging naar wetgeving. Polderen (overleggen met alle mogelijke betrokkenen en gezamenlijk komen tot een oplossing) gaat wat GroenLinks betreft vooral over de manier waarop de door de politiek geformuleerde doelstelling gerealiseerd kan worden.


6. Ruimte voor experimenten

Juist omdat vaak niet op voorhand duidelijk is wat werkt en wat niet werkt, moet de overheid wat GroenLinks betreft veel meer gaan werken met experimenten. Experimenten die in tijd en plaats beperkt zijn, met duidelijke doelstellingen en heldere evaluaties. Dat kunnen experimenten zijn die de politiek initieert, maar ook experimenten van instellingen of groepen burgers.


draait om kengetallen, outputsturing, productie- en registratiecijfers. Dat moet anders. De organisatie van het publieke domein moet zo zijn, dat mensen hun verantwoordelijkheid kunnen nemen en hun ambities kwijt kunnen zonder dat ze in een keurslijf van productienormen en efficiencyrichtlijnen worden geperst.
Betrokken burgers

Betrokken mensen vormen de levensvoorwaarde voor de kwaliteit van de samenleving. Burgers die zichzelf organiseren, zijn essentieel voor het inhoud geven aan een echte democratie. Die burgers zijn er genoeg in Nederland. Velen maken zich druk om hun leefomgeving, ouders helpen op school, één op de tien mensen verleent regelmatig mantelzorg aan familieleden of vrienden, de betrokkenheid bij natuur- en milieuorganisaties is nog steeds groeiende, duizenden gaan de straat op tegen ‘zinloos geweld’. Individualisering kan samengaan met engagement, zeker wanneer de overheid ruimte biedt voor onderlinge zorg en maatschappelijke betrokkenheid.

In de afgelopen decennia zijn mondige burgers zich meer en meer publiekelijk gaan manifesteren. Ze engageren zich anders dan vroeger, zoeken vaak tijdelijke verbanden en initiatieven op om zich publiekelijk te uiten. Ze zetten hiervoor ook niet alles opzij, maar proberen hun betrokkenheid te combineren met hun dagelijkse bezigheden. De kunst van een uitdagende overheid is om op deze nieuwe vormen van betrokkenheid in te spelen.

Daarbij kan goed aangesloten worden bij bestaande tradities. Van oudsher kent Nederland een sterke civiele maatschappij, waarbij grote aantallen mensen zich inzetten als vrijwilliger. Nederland kent relatief het grootste aantal non-profitorganisaties van de wereld. De overheid zou dat moeten koesteren.

Zo kan de civiele maatschappij een tegenwicht vormen tegen de marktcultuur die een heel ander beeld van burgers neerzet. Moderne burgers verschijnen daarin vooral als hyperindividualisten die uitsluitend in eigen carrière en bezit zouden investeren. Dat is geen vorm van burgerschap die GroenLinks inspirerend vindt. Mensen willen met elkaar ervaringen delen, willen elkaar opzoeken, met elkaar verbanden aangaan, dat is niet alleen een sociologische wetmatigheid, maar ook onontbeerlijk voor de kwaliteit van het bestaan. In plaats van een cultuur van afzijdigheid werkt GroenLinks liever aan een open cultuur van onderlinge rekenschap, niet zoals vroeger gebaseerd op verplichting, maar op basis van wederzijdse nieuwsgierigheid en respect.

4. Een wereld van veranderingen


Nederland verandert en dat stelt de politiek voor nieuwe vragen. De Nederlandse economie is uitgegroeid tot een kennis- en dienstverleningseconomie. Dat betekent niet dat de arbeid ‘ontspannender’ is geworden: het ziekteverzuim is in sommige sectoren een bijna onbeheersbaar probleem en de WAO functioneert nog steeds als afvalbak. In een samenleving waarin steeds meer draait om arbeid (‘werk, werk, werk’) en waarin verhoging van de arbeidsproductiviteit per werknemer het hoogste economische streven is, komen andere aspecten van het menselijke bestaan steeds meer onder druk te staan. Een moderne samenleving waarin mensen zich niet kunnen ontspannen en die rust en ruimte niet weet te waarderen, ondermijnt zichzelf op termijn. Mensen moeten ambitie en reflectie kunnen afwisselen, bijvoorbeeld met zorgen en leren, zoals ze ook de dynamiek van de stad moeten kunnen afwisselen met de rust van het open landschap en de stilte van de natuur. Een stresssamenleving is geen aantrekkelijk toekomstbeeld; GroenLinks laat zich inspireren door een meer ontspannen levensfilosofie.

De zeer internationaal georiënteerde informatie- en communicatietechnologie heeft in de moderne samenleving een stille revolutie teweeggebracht. De technologie is steeds verder doorgedrongen in het dagelijks leven van de burger, niet alleen op het werk, maar ook via elektronisch betalen, via nieuwe media, via het internet, via steeds krachtiger computers en gebruiksvriendelijker toepassingsmogelijkheden. De technologie - ooit begonnen als hulpmiddel - is een werkelijkheid op zichzelf geworden, waarin nieuwe (kennis)elites zich profileren, gemeenschappen zich vormen maar waar ook, onherroepelijk, nieuwe uitsluitingsprocessen optreden.

Nederland heeft zich ontwikkeld van een land met een relatief homogene bevolkingssamenstelling tot een multiculturele samenleving. Nederland is in een relatief kort tijdsbestek uitgegroeid tot een immigratieland, met een bevolking die, zeker in de steden, in groeiende omvang van allochtone afkomst is. Maar ook onder ‘witte’ Nederlanders is sprake van een toenemende verscheidenheid in levensstijlen, in persoonlijke gebruiken en voorkeuren. De uniformiteit waaraan de provo’s zich zo’n 35 jaar geleden nog zo ergerden (‘het klootjesvolk’) heeft plaatsgemaakt voor grote diversiteit. Dat maakt Nederland spannend. We moeten ons het omgaan met culturele verscheidenheid eigen maken, leren verder te kijken dan onze eigen cultuurkring groot is, en tegelijkertijd moeten we ons bezighouden met wat een samenleving die zo divers is, bij elkaar houdt, wat de onderlinge binding en cohesie is. Welke omgangsvormen zijn gewenst? Waar en wanneer is tolerantie een mooi woord voor onverschilligheid?

Technologische inventiviteit zal de wereld confronteren met nieuwe maakbaarheidsmogelijkheden. Dit keer is het niet de samenleving, maar de mens zelf en de natuur die we met behulp van gentechnologie en DNA-onderzoek naar onze hand kunnen zetten. De risico’s die daarmee gepaard gaan, maken van deze technologische mogelijkheden een urgent politiek-maatschappelijk probleem. GroenLinks pleit in dit opzicht voor de grootst mogelijke voorzichtigheid. Wanneer de risico’s van toepassingen van deze technologieën niet bekend zijn of niet in de hand te houden, dan past het voorzorgprincipe: niet alles wat kan, mag ontwikkeld worden.



Kwetsbare wereld

We leven in een wereld die zowel complexer als doorzichtiger wordt. Nieuwsbeelden, films, tv-series, clips, reclames zijn in alle uithoeken van de wereld te zien, musea zijn digitaal te bezoeken, informatie verplaatst zich met de snelheid van het licht over de wereld, overal zijn camera’s in de weer om een enorme verscheidenheid aan toeschouwers in de wereld te bedienen.

Het einde van de Koude Oorlog en de opkomst van de informatietechnologie hebben geleid tot een ongekende internationalisering van de economie. Economische beslissingen die steeds meer mensen raken, worden door kleine groepen genomen. Daarbij zijn de belangen van aandeelhouders zwaarwegender dan die van werknemers, burgers of lokale gemeenschappen.

Internationaal kapitaal onttrekt zich meer en meer aan democratische sturing en verantwoording. Het zoekt zo snel mogelijk een weg naar de hoogste rendementen, zonder dat het zich veel gelegen laat liggen aan de maatschappelijke consequenties. De gevolgen daarvan zijn een grotere kloof tussen rijke en arme mensen overal op de wereld en een groot aantal conflicthaarden. In nogal wat landen, bijvoorbeeld in de voormalige Sovjet-Unie, hebben dubieuze politici de touwtjes in handen. Zij houden de democratische rechtsstaat buiten de deur. Armoede, oorlogen, ziekten en enorme vluchtelingenstromen blijven internationaal het beeld bepalen.

Deze ontwikkelingen zijn geen natuurverschijnsel maar worden gedragen en gestuurd door internationale instituties en politieke organen, die ruim baan geven aan steeds dezelfde recepten: minder sociale uitgaven, verkleining van de publieke sector, flexibilisering van de arbeid, privatisering van publieke taken. Dat programma wordt versterkt door een overheveling van beslissingen en bevoegdheden van nationale staten naar ondoorzichtige en ondemocratische supranationale instellingen zoals G8, IMF, WTO, OESO en regionale organisaties zoals de EU. De belofte dat globalisering armoede zou verhelpen is niet waargemaakt. GroenLinks heeft sympathie voor de intenties van de protestbewegingen die zich sinds de wereldhandelsconferentie in Seattle op dit punt aan het formeren zijn. Hoe divers deze bewegingen ook zijn, met hun protest tegen de oneerlijke en ondemocratische wereldordening raken ze de kern van de zaak.

Om wereldwijd echte verandering te realiseren zijn ingrijpende besluiten nodig. Cruciaal is dat het Westen de ontwikkelingslanden van hun economische afhankelijkheid bevrijdt door de schuldenlast kwijt te schelden. Daarnaast zullen internationale organen, zoals de Verenigde Naties, een democratisch tegenwicht moeten vormen om de macht van internationaal kapitaal aan banden te leggen en de ontwikkeling van een democratische rechtsorde te bevorderen. Dat is een moeilijke maar geen onmogelijke opgave. Om de gedachten te bepalen: de omzet van financiële markten in de wereld bedraagt duizenden miljarden euro’s per dag. Een kleine belasting van dit flitskapitaal (de zogeheten Tobintax) zou jaarlijks honderden miljarden euro’s opleveren. Dat is genoeg om de buitenlandse schuld van ontwikkelingslanden in snel tempo substantieel te verminderen.

De grote ongelijkheid in de wereld is de belangrijkste reden voor migratiestromen. Het is een illusie te denken dat migratie kan worden gestopt en dat Europa kan worden omgebouwd tot een onneembaar fort. De migratiestromen wijzen de Westerse landen op hun verantwoordelijkheid om meer ontwikkelingskansen te bieden aan arme landen.

Het is navrant om te zien dat Nederland in staat is om de gevolgen van de klimaatverandering door middel van dijkverhogingen en een miljardenkostend waterbeleid aan te pakken, terwijl landen als Bangladesh, Mozambique en Vietnam, die nauwelijks veroorzaker zijn van het broeikaseffect, machteloos staan tegenover de toenemende overstromingen. Deze grote onrechtvaardigheden maken het voor Nederland en andere Westerse landen tot een dure plicht om zelf hard te werken aan vermindering van het broeikaseffect en bij te dragen aan de ontwikkeling van arme landen. De 1-procentsnorm voor ontwikkelingssamenwerking is voor GroenLinks een minimale inzet.

Mede door de voortdurende ongelijkheid is de wereld onveilig. Talrijke oorlogen vinden plaats, vooral in ontwikkelingslanden maar recentelijk ook in Europa. De Verenigde Staten werden zeer recent met grootschalig terrorisme geconfronteerd. Mensen bevechten elkaar op grond van geloof, klasse, kleur en etniciteit. Etnische zuiveringen en genocide vragen om ingrijpen van de wereldgemeenschap. Veel conflicten zouden voorkomen kunnen worden door in een eerder stadium als internationale gemeenschap in actie te komen: door bemiddeling en, bovenal, door te zorgen voor goede ontwikkelingsmogelijkheden voor landen.

5. Een nieuwe politieke agenda


De wereld verandert, Nederland verandert, maar het gaat nog steeds om verdelingsvraagstukken: de verdeling van welvaart, van ruimte, van levenskansen en ontplooiingsmogelijkheden. Het gaat nog steeds om het voorkomen van onrecht: het tegengaan dat mensen systematisch uitgesloten worden, dat mensen worden uitgebuit, dat volkeren verhongeren of aan een ziekte als Aids overlijden omdat ze uitgesloten zijn van de geneesmiddelen die in het Westen wel voorhanden zijn. Het gaat nog steeds om de bescherming van wat van waarde is én weerloos: het milieu, de natuur. Het belang daarvan spreekt voor zich, evenals de uitgesproken standpunten van GroenLinks over deze thema’s. Maar politiek gaat om meer. Het draait ook om zaken die zich moeilijk in harde doelstellingen laten vangen, maar die wel van vitaal belang zijn voor een samenleving. Het zou in de politiek ook moeten gaan over wat mensen aan elkaar hebben, over multiculturaliteit, over omgangsvormen op straat, over opvoeding, over duurzame levenswijzen, over de betekenis van zorg, over nieuwe vormen van medezeggenschap, over andere vormen van verantwoording afleggen. Een nieuwe politieke agenda is nodig. Een agenda waarin kwaliteit van kwantiteit wint, duurzaamheid van kortzichtigheid, zorgvuldigheid van efficiency, openheid van achterkamertjes, betrokkenheid van afzijdigheid, en het publieke van het private. Een agenda die durft te kiezen. Kiezen voor een echte vergroening van de economie. Kiezen voor eerlijk verdeelde welvaart. Kiezen voor een volwaardige publieke sector. Kiezen voor echte gelijkwaardigheid van mensen. Kiezen voor een open blik naar de wereld. Voor zo’n duurzaam en eerlijk programma staat GroenLinks.
Hoofdstuk 2
Duurzaam

2.1 Milieu


Voor zijn consumptie gebruikt een Nederlander jaarlijks gemiddeld 4,7 hectare vruchtbare grond. Inwoners van India en Ethiopië gebruiken 0,8 hectare. Eerlijk delen zou betekenen dat elke wereldburger recht heeft op 1,7 hectare. Nederlanders leven dus op een veel te grote ecologische voet. Als de hele wereld zou produceren en consumeren als de westerse landen, dan waren er vier aardes nodig.
Duurzaamheid gaat iedereen aan. De kwaliteit van het dagelijks leven staat of valt met frisse lucht, schoon water, gezond voedsel, veilig op straat kunnen spelen, open ruimte en rust. Het zijn publieke waarden en goederen die zorg en bescherming verdienen. Elke generatie is schatplichtig aan volgende generaties.

In een aantal opzichten is er vooruitgang geboekt. De uitstoot van een groot aantal vervuilende stoffen door de industrie nam, ondanks de groei van de economie, de laatste decennia af. In een enkel geval was die daling zelfs spectaculair (zwaveldioxide). Maar helaas is dat niet de algemene tendens.

We komen de dure plicht van duurzaamheid onvoldoende na. De leefbaarheid gaat achteruit. Nergens is het echt stil, in de stad en in het landelijk gebied is overal herrie. De kwaliteit van de directe leefomgeving verschraalt sluipenderwijs, onder meer doordat auto’s zoveel ruimte opeisen en krijgen. Kinderen kunnen niet op straat spelen. Het landelijk gebied wordt stukje bij beetje volgebouwd, waardoor de open ruimte verdwijnt. De opeenvolgende schandalen en crises tonen dat de veiligheid van het voedsel gevaar loopt. Het aantal planten- en diersoorten loopt nog steeds terug. De voortdurende groei van de economie slokt de geboekte milieuwinst op. De toename van particuliere welvaart ging hand in hand met een verschraling van onze collectieve rijkdom aan natuur en leefbaarheid.

Het hardnekkigste probleem is het broeikaseffect, veroorzaakt door de uitstoot van CO2. De stijging van CO2-uitstoot gaat onverminderd door, ondanks alle plannen en beloftes. De rekening hiervan – een stijgende zeespiegel – schuiven we door naar volgende generaties en naar landen die zich hiertegen niet kunnen beschermen.

Nederland loopt niet langer voorop in het milieubeleid. Duurzaamheid werd een politiek stiltegebied. Tegelijkertijd is nergens ter wereld de aanhang van milieu- en natuurorganisaties zo groot als in Nederland. De aspiraties van deze burgers worden onvoldoende weerspiegeld in de ambities van het beleid en nog minder in de daadkracht van de politiek.

Technisch is het allang geen probleem meer; huizen met gesloten, zelfvoorzienende energiesystemen, bedrijventerreinen die netto geen CO2 uitstoten, biologische landbouw, die zonder bestrijdingsmiddelen en kunstmest voor gezond voedsel en een schoon milieu zorgt – het kan allemaal. Alleen komt het niet van de grond, omdat de bestaande economie geen prijskaartje hangt aan milieuschade.


Duurzame economie

GroenLinks wil het fundament leggen voor een duurzame economie, waarmee ook werkelijk een begin wordt gemaakt met het aflossen van de milieuschuld. Dat betekent een scherpere regulering van de Nederlandse markteconomie ten gunste van mens en milieu. Het gaat om gedurfde keuzen, in het besef dat de exploitatie van het milieu grenzen kent.

De vergroening van de belastingen zal fundamenteel opgepakt moeten worden; de lasten op milieuvervuiling moeten drastisch omhoog, die op arbeid kunnen dan omlaag. Hogere heffingen op energiegebruik, motorbrandstoffen, grondwater, afval, bestrijdingsmiddelen etc. moeten het verbruik afremmen en alternatieven stimuleren. Deze belastingherziening zal, samen met een omvangrijk duurzaam investeringsprogramma, Nederland op weg moeten helpen naar een duurzame economie.

We kunnen niet zonder strengere regelgeving. Er moeten basiskwaliteitsnormen komen voor de productie, producten en de inrichting van Nederland. Alleen op die manier zullen milieuvriendelijke technologieën en producten en échte kans krijgen om een markt te veroveren.


Rol burgers

Mensen zullen ook kritischer moeten kijken naar hun consumptiegewoonten. Dat kan worden gestimuleerd door vervuilende consumptie te belasten en alternatieven te belonen. Goede productinformatie is een eerste voorwaarde om kritisch te kunnen zijn. Daarom kunnen producenten niet langer ontkomen aan de verplichting duidelijke informatie te geven over de milieukwaliteit van producten.


De Tweede Kamer heeft in het najaar van 2000 het wetsvoorstel ‘duurzaam geproduceerd hout’ van GroenLinks aangenomen. Deze wet stelt etikettering van alle houten producten die in Nederland op de markt komen verplicht zodat de consument weet of het product gemaakt is van hout uit een duurzaam beheerd bos, of juist niet. Zo kan de consument voortaan een bewuste keuze maken. Het stimuleert de producenten en verkopers om zoveel mogelijk producten met het merkteken ‘duurzaam geproduceerd hout’ op de markt te brengen.

Programmapunten:


1. Scherpe eisen

a.Via regelgeving worden er voor productie, producten, gebouwen en vervoermiddelen duurzaamheidseisen (basiskwaliteitsnormen) vastgesteld.

b.Milieukosten worden in de prijzen van producten en diensten verwerkt.

c.Producenten zijn verantwoordelijk voor de milieubelasting tijdens de gehele levenscyclus vanaf de grondstofwinning tot en met de afvalstoffen van hun producten.


2. Vergroening

De vergroening van de belastingheffing wordt krachtig ter hand genomen.

De verschuiving van lasten van arbeid naar milieu bedraagt minimaal

0,5% BBP per jaar. Dat wordt bereikt door ondermeer de volgende maatregelen:

a. De bestaande Regulerende Energie Belasting wordt met name voor elektriciteit verhoogd en gaat ook gelden voor grootverbruikers van fossiele brandstoffen.

b. Er komen meerdere belastingprikkels om een duurzame bedrijfsvoering

te stimuleren. De Duurzame Ondernemers Aftrek wordt uitgebreid.

c. De vaste, voor iedereen gelijke, heffing voor riool en zuivering wordt vervangen door een heffing op het gebruik van water.

d. Er komen heffingen op onder meer oppervlaktedelfstoffen, bestrijdingsmiddelen,

afval en verpakkingen.

e. De hoogte van de afvalstoffenheffing wordt afhankelijk van de aangeboden hoeveelheid afval.
3. Prestatieafspraken en convenanten

a. De overheid maakt met bedrijfssectoren milieuprestatieafspraken en stelt daar zonodig financiële middelen voor ter beschikking. De afspraken worden vastgelegd in convenanten. Niet naleven leidt tot wet- en regelgeving.


4. Consumenteninformatie

a. Er komt een Wet op Consumenteninformatie, die voorschrijft dat producten, voedsel inbegrepen, zijn voorzien van informatie over samenstelling, productiewijze, duurzaamheid en energieverbruik.

b. Jaarlijks rapporteren bedrijven en instellingen over hun milieuprestaties, opdat maatschappelijke beoordeling mogelijk wordt. De verplichte milieurapportage wordt vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek, aansluitend op de wettelijke verplichting voor bedrijven tot externe verslaglegging.

c. Er wordt Europees ingezet op een verlaging van het BTW-tarief voor groene producten, zoals die met een milieukeur, van 19 naar 6% en zo mogelijk naar 0% om duurzame consumptie te stimuleren.

d. De overheid richt zich op verdere bewustwording van de bevolking van de negatieve gevolgen van de huidige overconsumptie voor milieu, ontwikkelingslanden en dierenwelzijn.
5. Voorbeeldige overheid

a. De overheid gaat volledig over op gebruik van groene stroom.

Voorts ontwikkelt zij een inkoopbeleid dat gericht is op het gebruik van duurzame goederen en biologische voedsel. Alle nieuwbouw van de overheid zal duurzame bouw zijn.
6. Afval: preventie, hergebruik en statiegeld

a. Het beleid voor preventie en hergebruik van afval wordt aangescherpt.

b. De overheid stelt statiegeld verplicht voor alle plastic frisdrankverpakkingen en voert heffingen in op andere drankverpakkingen.
7. Internationaal milieubeleid

a. Nederland herneemt haar rol van voorhoedespeler in de EU en komt zijn verplichtingen in het kader van internationale milieuverdragen zoals het Kyoto-protocol en het Biodiversiteitsverdrag na.

b. Nederland zet zich in het verband van de WTO, IMF en Wereldbank

in om aan handel en buitenlandse investeringen milieurandvoorwaarden

te verbinden.

c. De VN-verdragen over milieu en duurzaamheid zijn toetsstenen voor het internationale handels- en investeringsbeleid.

d. Wanneer de bescherming van natuur en milieu dat noodzakelijk maakt zullen handelsbeperkingen worden ingevoerd.

e. Dumping van gevaarlijk afval in het buitenland wordt verboden.


8. Investeren in kenniseconomie

a. Nederland heeft de ambitie om meer een kenniseconomie te worden en minder een distributie-economie. Er wordt flink geïnvesteerd in onderzoek, zodat Nederland op meer kennisgebieden een leidende positie gaat innemen. Te denken valt aan kennis op het gebied van milieubeheer, communicatietechnologie, internationaal recht en bergingswerk.


9. Rol ondernemingsraad

a. Via de ondernemingsraad komt er meer zeggenschap van de werknemers over strategische bedrijfsaangelegenheden, zowel op het terrein van interne milieuzorg als dat van de milieueffecten van productieprocessen en het gebruik en de verwerking van producten.


2.2 Klimaat en energie
Een recente studie van het gezaghebbende Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCG) toont aan dat het technisch mogelijk is om de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen de komende twintig jaar terug te brengen tot onder het niveau van 1990. Dat kan door toepassing van technologieën op het gebied van energiebesparing, door over te gaan op elektrische auto’s, windenergie, brandstofcellen, en door het afvangen en opslaan van CO2 in diverse industriële productieprocessen. Als het niet gebeurt, is dat uitsluitend te wijten aan politieke en maatschappelijke onwil.
De verandering van het klimaat heeft grote gevolgen: de zeespiegel stijgt, het klimaat wordt instabieler, grote gebieden verdrogen, ecosystemen verdwijnen en er is zelfs een kleine kans op het stagneren van de warme golfstroom. Vooral ontwikkelingslanden zijn hiervan de dupe, terwijl juist zij weinig hebben bijgedragen aan de oorzaak van de klimaatverandering. Het is een kwestie van rechtvaardigheid dat geïndustrialiseerde landen de verantwoordelijkheid nemen voor de oplossing van het klimaatprobleem.

Nederland hoort binnen Europa tot de landen met de grootste groei in CO2-uitstoot. In tien jaar is de energieconsumptie van Nederlandse huishoudens – ondanks de besparingsdoelstellingen – met één derde gestegen. Dit vraagt om veel meer ambitie op het terrein van energiebesparing en duurzame energie. Duurzaam energiebeleid vormt de sleutel voor een duurzame economie.


Groene energie

Het gebruik van duurzame energie moet worden gestimuleerd door niet-duurzame energie te belasten met een energieheffing (ecotax) die voor alle verbruikers, dus ook de grootverbruikers, omhoog zal moeten. Liefst in Europees verband, of mogelijk nog internationaler. Maar als Europa het laat afweten, zal Nederland eenzijdig stappen moeten zetten. Nederland kan zich zo tot een voorloper in energiezuinige en schone technologieën ontwikkelen.

De ecotax is een extra prikkel om energie te besparen en te investeren in zuinige apparaten en technologieën. Mensen moeten informatie krijgen over de aard van hun energiegebruik, zodat ze beter in staat zijn om zuinig met energie om te gaan.
Energienormen voor producten

Onvermijdelijk is dat we kritischer met onze apparaten omgaan. Er moeten voor deze producten duidelijke energienormen komen, die met de ontwikkeling van de techniek aangescherpt worden. Aanscherping van de normen is effectiever dan het subsidiëren van energiezuinige producten, wat de overheid nu doet.


Geen import vuile stroom

Stroom uit fossiele brandstoffen kan schoner worden opgewekt. Kolencentrales stoten veel meer CO2 uit dan aardgascentrales. De inzet van een groot aantal kleinere warmtekrachtcentrales levert een aanzienlijke milieuwinst op. Er moeten daarom hogere eisen gesteld worden aan de energieproductie. Zeker in Europees verband is dat broodnodig, nu de grenzen voor stroom verder opengaan en Nederlandse bedrijven steeds meer vuile stroom uit het buitenland importeren. GroenLinks vindt dat Nederland stroom uit bruinkoolcentrales, kerncentrales en verouderde kolencentrales moet weigeren. In Europees verband moet Nederland zich sterk maken voor opwekkingsnormen die een maximum aan CO2-uitstoot vastleggen. Ook moet Nederland zich in Europa hard maken voor een afbouwprogramma voor kernenergie. Landen dienen het recht te krijgen import van stroom uit kernenergie te weigeren.


Liberalisering energievoorziening

Sinds de liberalisering van de stroomvoorziening zijn energiebedrijven vooral bezig zoveel mogelijk klanten te werven met zo goedkoop mogelijke stroom. Positief is dat groene stroom relatief goedkoper is geworden, maar energiebedrijven leveren helaas vooral de minst milieuvriendelijke groene stroom uit bijvoorbeeld biomassa. Nieuwe investeringen in warmtekrachtkoppeling, in zon- en windenergie en energiebesparing blijven uit. Het gebruik van warmtekrachtkoppeling daalt, omdat deze stroomopwekking duurder wordt ten opzichte van de goedkopere importstroom en stroom uit Nederlandse kolencentrales. GroenLinks heeft zich tegen deze liberaliseringsoperatie verzet omdat er te weinig waarborgen zijn om milieu en kleinverbruikers te beschermen. Verkoop van netten voor elektriciteits- en gaslevering moet om dezelfde reden worden voorkomen. De netwerken zijn van cruciale betekenis voor een betrouwbare, milieuvriendelijke en toegankelijke leverantie van elektriciteit en gas en moeten daarom in overheidshanden blijven.




  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   23

  • Inhoud
  • 3 Rechtvaardig
  • 4 Open
  • 5 Solidair
  • Hoofdstuk 1
  • De overheid stuurt ook door gewenst gedrag te belonen en ongewenste ontwikkelingen

  • Dovnload 0.64 Mb.