Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Beste lezers

Dovnload 0.64 Mb.

Beste lezers



Pagina8/23
Datum25.04.2019
Grootte0.64 Mb.

Dovnload 0.64 Mb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   23

Programmapunten



1. Ontspannen samenleving

a. Er komt eens per vier jaar een Plan Ontspannen Samenleving (POS), waarin de zorg-, werk- en vrije tijdbehoeftes en -mogelijkheden van de Nederlandse bevolking voor de middellange

termijn worden verkend, met bijbehorende maatregelen.

b. Er wordt een ambitieus ‘openingstijdenbeleid’ voor de publieke sector ingevoerd, zodat

de openings- en sluitingstijden van publieke voorzieningen beter aansluiten bij de behoeften en

mogelijkheden van burgers.


2. Volksverzekering voor langdurig zorgverlof

a. Er komt een volksverzekering voor langdurig zorgverlof. Het betreft een verzekering tegen inkomensderving bij verlof van maximaal een half jaar ter verzorging van direct naasten (kinderen, ouders) en dierbaren. De volksverzekering voorziet in een inkomensvoorziening

van 70 procent van het wettelijk minimumloon, voor werknemers, flexwerkers en (kleine) zelfstandigen. Via de CAO kan een aanvulling tot 70 procent van het laatstverdiende loon

geregeld worden. Voor uitkeringsgerechtigden geldt een opschorting van de sollicitatieplicht,

indien zij deze zorg verlenen. De verzekering wordt gedekt door een omslagstelsel, waarvoor iedereen premie afdraagt.
3. Andere zorgverloven

a. Het zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt uitgebreid van 16 naar 20 weken, conform de

resolutie van het Europees Parlement hierover.

b. Er komt een wettelijk recht op vaderschapsverlof van minimaal 5 dagen.

c. Het wettelijk kortdurend zorgverlof wordt opengesteld voor alleenstaanden. Bovendien wordt

een rouwverlof toegevoegd voor een termijn van 2 weken.

d. Iedere werknemer krijgt de mogelijkheid om voor dierbaren buiten het gezin zorg te verlenen

conform de bestaande zorgvoorzieningen van kortdurend verlof.

e. Er komt een wettelijk recht op betaald ouderschapsverlof van vier maal de arbeidsduur per week voor elke werknemer, ambtenaar en zelfstandige die de verzorging van een kind heeft in de leeftijd van 0-8 jaar. Voor alleenstaande ouders geldt een maximum van acht maal de arbeidsduur per week. De ouderschapsverlofuitkering bedraagt maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. Bij CAO kunnen aanvullingen overeengekomen worden, zowel in hoogte als duur van de ouderschapsverlofuitkering.

f. Adoptieverlof wordt opengesteld voor pleegouders en uitkeringsgerechtigde adoptie- en pleegouders.


4. Kinderopvang

a. Het aantal plaatsen in de kinderopvang wordt uitgebreid. Bij de organisatie en inrichting van de kinderopvang vormen de vraag en behoefte van de ouders en de kinderen het leidende principe. De

overheid stelt hoge kwaliteitscriteria vast en heeft een belangrijke rol in het toezicht op de kwaliteit.

b. Er komt een Wet Basisvoorziening Kinderopvang. Werkgevers betalen minimaal een derde van de kosten. Wanneer bedrijven niks regelen over kinderopvang in de CAO's krijgen ze te maken met een

werkgeverspremie. De kosten die werknemers kwijt zijn aan kinderopvang zijn hoger naarmate het inkomen hoger is en voor de lage inkomensgroepen zodanig laag dat de kosten geen drempel vormen om

gebruik te maken van kinderopvang.

c. De mogelijkheden voor voor-, tussen- en naschoolse opvang worden uitgebreid en daarnaast moet ook voldoende aanbod worden gerealiseerd op de niet reguliere tijden. De overheid draagt ook voor deze

niet-reguliere kinderopvang bij in de kosten.

d. Er komt een goede regeling voor kinderen met een handicap in de reguliere kinderopvang.

3.3 Inkomen en belastingen


Er is nog steeds armoede in Nederland. Ruim 650.000 huishoudens in Nederland moeten rondkomen van een minimuminkomen. Het gaat om ruim 1,2 miljoen mensen: vooral bejaarden, alleenstaande ouders met kinderen, WAO-ers en mensen met laagbetaalde banen. Dat zijn er – ondanks alle beloftes – meer dan in 1990. De koopkracht van de mensen met een uitkering is lager dan in 1979.
De economische voorspoed gaat gepaard met een toenemende inkomensongelijkheid in Nederland. De werkenden zien hun inkomen stijgen, met veel excessen bovenin. De inkomens van topmanagers stegen de afgelopen jaren drie keer meer dan de gemiddelde koopkrachttoename. Ook modale burgers konden de afgelopen jaren grote inkomensstijgingen genieten, mede door de hausse op de beurs en de huizenmarkt. Ondanks de dip op beurs in 2001 hebben velen grote vermogenswinsten geboekt.
Armoede in Nederland

Tegelijkertijd moeten 650.000 huishoudens al jaren rondkomen van het sociaal minimum. Die mensen leven in relatieve armoede, want het sociaal minimum is te laag. Eigen bijdrages in de zorg, het onderwijs, de kinderopvang, brengen hen in een maatschappelijk isolement. Het zijn vooral de (eenouder)gezinnen met kinderen waar de moderne armoede zich afspeelt. Ondanks de economische voorspoed tijdens de laatste kabinetsperiodes werd er geen geld uitgetrokken voor een verhoging van het sociaal minimum. De politiek van lastenverlichting voor iedereen moet dan ook ingeruild worden voor een gerichte inzet op de lagere inkomens, waar elke euro telt. Veel groepen, vooral ouderen en alleenstaande ouders met kinderen, zitten in de knel. Dat geldt ook voor gehandicapten en chronisch zieken. Velen ontberen een toereikend inkomen en zijn aangewezen op lage uitkeringen of pensioenen. GroenLinks wil een breed pakket van maatregelen dat moet leiden tot een zo volwaardig mogelijke maatschappelijke participatie van mensen met een handicap of chronische ziekte. Niet alleen de economie draaide de afgelopen jaren op volle toeren, ook de overheid heeft veel burgers en bedrijven extra inkomen bezorgd door de belastingen te verlagen. Dit is ten koste gegaan van een goede financiering van publieke voorzieningen. Onder het laatste kabinet kwam een vernieuwing van het belastingsysteem tot stand. GroenLinks heeft tegengestemd, omdat de belastingherziening 3,6 miljard euro (8 miljard gulden) op jaarbasis heeft gekost. Verder nam het verschil in inkomen tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden flink toe en hebben vooral de allerhoogste inkomensgroepen geprofiteerd van deze herziening.


Belastingpolitiek: vergroening van de belastingen

GroenLinks wil een drastische verschuiving van lastendruk van arbeid naar milieu. Groene belastingen zijn onmisbaar om te komen tot een duurzame economie. Hogere belastingen op energiegebruik, motorbrandstoffen, afval, bestrijdingsmiddelen etc. remmen het verbruik af en stimuleren alternatieven. De opbrengst kan worden gebruikt om de belastingen op arbeid te verlagen, zodat de invoering van deze heffingen rechtvaardig zal uitpakken. Tot nu toe betalen alleen burgers en de ‘kleinverbruikers’ regulerende heffingen op energie. GroenLinks vindt dat juist ook het energieintensieve bedrijfsleven een energieheffing moet betalen. Daarom wordt een heffing op grootverbruikers ingevoerd.


Belastingpolitiek: inkomensnivellering en stimulering arbeidsaanbod

De inkomensverschillen in Nederland stemmen tot zorg. De fiscale politiek van GroenLinks staat in het teken van solidariteit van sterk met zwak. Daarom vragen wij extra aandacht voor belasting op vermogen. De paarse belasting op inkomsten uit vermogen, de zogenaamde vermogensrendementsheffing, zorgt ervoor dat mensen die in korte tijd grote vermogens opbouwen veel te gematigd worden aangeslagen. Tegelijkertijd wil GroenLinks de koopkracht van lage inkomensgroepen verhogen door gerichte lastenverlichting, ook voor zelfstandigen met een klein inkomen. Ook mensen met een deeltijdbaan zullen hiervan profiteren. Dit stimuleert mensen die nu nog niet werken, te gaan werken. Bovendien ontstaat, door een forse toename van het netto minimumloon, ook ruimte om de uitkeringen te verhogen. GroenLinks vindt het van belang om mensen te faciliteren om betaalde arbeid en zorg te combineren. Dat kan door in deeltijd te gaan werken. De inkomensdaling kan worden verzacht door werkende mensen met geringe inkomens een flinke verlaging van belastingen te geven. Ook mensen die in voltijd werken met een laag inkomen krijgen zo meer te besteden.


De progressiviteit in de belastingen

Met de Belastingherziening 2001 zijn de verschillen in de tarieven voor de inkomstenbelasting fors afgenomen. Zo is het toptarief gedaald van 60 naar 52%. De verschillen in tarieven worden door de jaren heen steeds kleiner. Er circuleren zelfs voorstellen om deze progressie in de inkomstenbelasting helemaal af te schaffen, de ‘vlaktax’. GroenLinks is hier geen voorstander van en wil de progressiviteit van de inkomstenbelasting juist versterken: de tarieven van de laagste twee schijven verlagen en van hoogste twee schijven verhogen. Daarnaast wordt er een nieuwe belastingschijf ingevoerd voor mensen met een zeer hoog inkomen. Dat sluit aan bij het rechtvaardigheidsgevoel van mensen: over de eerstverdiende euro wordt minder belasting geheven dan over de laatstverdiende euro. In zo’n nieuwe progressieve tariefstructuur voor de inkomstenbelasting wordt, als het aan GroenLinks ligt, ook de invoering van de basisverzekering zorg en de bijbehorende afschaffing van de premies voor de ziekenfondswet verrekend. Zo worden de kosten voor de gezondheidszorg op een inkomensafhankelijke wijze gefinancierd.


De Wet Inkomstenbelasting 2001

De nieuwe inkomstenbelasting, die onder paars is ingevoerd, maakt een onderscheid tussen verschillende soorten inkomsten, ieder met eigen belastingtarieven en spelregels.

Inkomsten uit arbeid, maar ook uitkeringen en pensioenen worden belast met oplopende tarieven. Zo wordt de eerste ƒ33.000,- (15.000 euro) – de eerste schijf geheten – belast tegen een tarief van 32,35%. Voor het deel van het inkomen tussen f33.000,- (15.000 euro) en f59.500,- (27.000 euro) – de tweede schijf – geldt een tarief van 37,60%. De derde schijf, die loopt van f59.500,- (27.000 euro) tot f102.000,- (46.300 euro) kent een tarief van 42%. Wie nog meer verdient krijgt boven de 46.300 euro (f102.000,-) te maken met een tarief van 52%.

In het fiscale jargon wordt dit ook wel box I genoemd.

In box II vallen hoofdzakelijk de inkomsten van directeur-grootaandeelhouders. Zij betalen over inkomen uit de eigen BV 25% belasting. (Over de winst van de BV, waaruit het inkomen voor de ondernemer ontstaat, is reeds belasting verschuldigd tegen een tarief van 30% of 35% volgens de vennootschapsbelasting.)

In box III worden alle inkomsten uit vermogen belast met een tarief van 30%. Het gaat hier vooral over spaarrekeningen, aandelenbezit en het tweede huis. Anders dan in box I en II wordt niet gekeken naar de daadwerkelijke inkomsten uit vermogen. In plaats daarvan worden de vermogens van de belastingplichtige bij elkaar opgeteld en verminderd met eventueel uitstaande schulden. Aan dit nettovermogen wordt een vast rendement toegekend van 4%, dat vervolgens wordt belast tegen een tarief van 30%. Al met al dus een belasting van 1,2% op het vermogen. Dit heet de vermogensrendementsheffing. De feitelijke inkomsten uit vermogen – rente op spaarrekeningen, dividenduitkeringen, verhuurinkomsten tweede huis – worden vervolgens niet meer belast. Net zo min kan rente over uitstaande schulden worden afgetrokken.
(Genoemde bedragen zijn afgerond. Tarieven en schijfgrenzen 2001. Voor pensioenen gelden lagere tarieven voor de 1ste en 2de schijf.)

Eigen huis

De huidige fiscale behandeling van het eigen huis kost de staat jaarlijks veel geld en dit bedrag neemt de laatste jaren explosief toe. Belangrijker dan dat is dat het huidige systeem onrechtvaardig uitwerkt. Mensen met hoge inkomens profiteren verreweg het meest van de aftrekbaarheid van de hypotheekrente. Zij kunnen hogere hypotheken nemen en daarmee meer rente via de belasting aftrekken. In de tweede plaats krijgen ze meer geld terug, omdat ze in een hoger belastingtarief zitten. Ten slotte blijkt dat hoge inkomensgroepen naast hun hypotheken vaak vermogens aanhouden (spaartegoeden, aandelen etc.). Daartegenover staat een lage belasting op het eigen huis: het zogenaamde ‘eigenwoningforfait’ dat onder paars is verlaagd van 1,25 naar 0,8% van de WOZ-waarde van het eigen huis. De ongelijke behandeling van huurders ten opzichte van eigen-woning- bezitters is door Paars daarmee enkel vergroot.



GroenLinks streeft naar een rechtvaardige behandeling van het eigen-huisbezit. Dit kan door het eigen huis weer te beschouwen als vermogen en als zodanig te belasten.
De fiscale behandeling van het eigen huis in de Wet Inkomstenbelasting 2001

In het nieuwe belastingstelsel dat in 2001 is ingegaan, zit het eerste eigen huis in box 1. Dat betekent dat de rente die betaald wordt over de hypotheek, mag worden afgetrokken van het inkomen. Tegelijkertijd moet een percentage van de waarde van het huis (het eigen woningforfait: 0,8% van de WOZwaarde) worden opgeteld bij het inkomen. De hypotheekrente is dertig jaar volledig aftrekbaar. Ook mensen met een eigen vermogen die de aankoop van een huis (gedeeltelijk) zelf kunnen financieren, kunnen een maximale hypotheek nemen en de rente volledig aftrekken. Zo profiteren zij van de groei van hun vermogen, terwijl ze tegelijkertijd op kosten van de schatkist hun hypotheek afsluiten. De verleiding is ook wel erg groot: de rente is onbeperkt aftrekbaar terwijl de belasting op inkomsten uit eigen vermogen (box III) laag is.
De fiscale behandeling van het eigen huis volgens GroenLinks

GroenLinks wil een nieuwe fiscale behandeling van het eerste eigen huis. Daartoe worden de hypotheekrente-aftrek en het eigenwoningforfait uit box I van de inkomstenbelasting gehaald. Daarvoor in de plaats komt een hypotheekrentesubsidie van 30%. Deze subsidie geldt voor iedere huizenbezitter ongeacht het inkomen. Over elke gulden betaalde hypotheekrente krijgt men dus 3 dubbeltjes terug van de belasting. Wel wordt er gekeken naar het aanwezige eigen vermogen: mensen met een groot eigen vermogen, die toch een hypotheek nemen, komen niet in aanmerking voor deze hypotheekrentesubsidie. Zo ontvangt iedereen dezelfde subsidie en worden alleen de huizenbezitters gesubsidieerd die zonder hypotheek geen eigen huis zouden kunnen aanschaffen. Daarnaast wordt het eigen huis door GroenLinks gezien als vermogen. Dat betekent dat het eigen huis moet worden belast volgens de spelregels van box III. Dat leidt ertoe dat aan het eigen huis een fictief rendement van 4% wordt toegekend, waarover 30% belasting verschuldigd is. Per saldo ontstaat een heffing van 1,2% van de waarde van het eigen huis. Er gelden heffingsvrije voeten van f310.000,- voor alleenstaanden en f440.000,- voor gehuwden en samenwonenden. Deze heffingsvrije voeten worden jaarlijks geïndexeerd met de gemiddelde waardestijging van de huizenmarkt (WOZ-waardestijging). Voor zover hypotheekschulden niet in aanmerking komen voor voornoemde hypotheekrentesubsidie, worden deze in mindering gebracht op de waarde van het eigen huis. Voor nieuwkomers op de huizenmarkt wordt deze regeling in de komende kabinetsperiode ingevoerd. Voor mensen die nu al een eigen huis bezitten, geldt een invoeringstermijn van 10 jaar. Doorrekening van deze plannen door het CPB toont dat inkomenseffecten van deze maatregel gematigd zijn, zij het dat mensen met een hoog inkomen, én een duur huis én een hoge hypotheek, erop achteruit gaan. De voorgestelde regeling zorgt er voor dat het overheidsbeleid gericht op het eigen huis op belangrijke punten verbetert. De stimulering van het eigenwoning- bezit wordt rechtvaardig en richt zich meer op de lage en middeninkomens. Tegelijkertijd worden de alsmaar stijgende kosten die gemoeid zijn met de huidige fiscale behandeling van het eigen huis beperkt. Tenslotte wordt voorkomen dat schaarse middelen uit de schatkist op oneigenlijke manier worden gebruikt.


1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   23

  • 2. Volksverzekering voor langdurig zorgverlof
  • Belastingpolitiek: vergroening van de belastingen
  • Belastingpolitiek: inkomensnivellering en stimulering arbeidsaanbod
  • De progressiviteit in de belastingen
  • De Wet Inkomstenbelasting 2001
  • De fiscale behandeling van het eigen huis in de Wet Inkomstenbelasting 2001
  • De fiscale behandeling van het eigen huis volgens GroenLinks

  • Dovnload 0.64 Mb.