Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Bethan Lloyd-Jones/ Memories of Sandfields

Dovnload 8.8 Mb.

Bethan Lloyd-Jones/ Memories of Sandfields



Datum14.10.2017
Grootte8.8 Mb.

Dovnload 8.8 Mb.

Bethan Lloyd-Jones/ Memories of Sandfields

In het navolgende is de vertaling gegeven van een klein boekje, geschreven door de vrouw van de bekende dr. Martin (D.M) Lloyd-Jones, in Europa (ook in ons land)) bekend o.a. als de schrijver van de commentaar op de brief aan de Romeinen. Lloyd-Jones leefde van 20 december 1899 tot 1 maart 1981.


Over hem lezen we in Wikipedia (Internet): David Martyn Lloyd-Jones was een Britse protestantse theoloog en predikant. Hij had een belangrijke invloed binnen de reformatorische vleugel van de Evangelische beweging in Engeland. Hij wordt gerelateerd aan Jonathan Edwards, George Whithefeld, Charles Spurgeon en John Stott.
Deze theoloog was 30 jaar lang de inspirerende predikant/ leider van de bijbelseminars in de Westminster Chapel in Londen
Hij trouwde op 8 januari 1927 in Charing Cross Chapel te Londen met Bethan Lloyd-Jones (geb. Philips) (1898-1991). Zij beiden brachten de eerste jaren van hun bediening door in Bethlehem Forward Movement Church (“Sandfields”) in Aberavon/ Zuid Wales.
Mrs. Lloyd-Jones beschrijft in haar ‘Memories of Sandfields’ een aantal gebeurtenissen en personen uit hun beider arbeid in Wales gedurende die eerste elf jaren van hun bediening aldaar. Tevens laat zij ons iets weten van hoe zij daar tot de zekerheid van haar eeuwig behoud is gekomen.
Persoonlijk heb ik intens genoten van het geschrift. Het is naar mijn besef hier en daar wat wijdlopig (haar Engels is niet altijd doorzichtig)), maar geeft ons zeker ook een treffend beeld van wat het ‘revival’ in Wales in de dertiger jaren van de 20e eeuw heeft betekend
Toen mijn vrouw en ik (CdB) jaren geleden in Wales waren, kochten we in een klein boekwinkeltje in Wales, in de plaats waar Lloyd-Jones begraven ligt, haar boekje. Dit Engelse boekje is nu in het Nederlands op ons verzoek (voor het eerst) vertaald door een goede vriend Izak den Dekker, een man uit het onderwijs die door zijn verblijf in Canada zeer vertrouwd is met de Engelse taal en die wij in onze eerste gemeente (Veen) hadden leren kennen.
De Engelse titel van het boekje is:

Memories of Sandfields (1927-1938). Het is een uitgave van The Banner of Truth Trust (Edinburgh, Carlisle/ Pennsilvania)); 1983 (ISBN 085 151 366 2). De afbeelding boven is die van de omslag van het boekje (van Martyn, Bethan Lloyd-Jones en hun dochter Elisabeth).


Inhoud:

1. Fifty years ago; weeknight 2. meetings; 3. women of the church; 4.whit monday; 5 summer 1932; 6. William Nobes; 7. Mark Mccann; 8. Staffordshire Bill; ELIPOGE



HERINNERINGEN AAN SANDFIELDS 1
1. VIJFTIG JAAR GELEDEN

 

December 1926, de maand van zijn 27ste verjaardag was de laatste die Martyn Lloyd-Jones wijdde aan de geneeskunde. De London MD en de M.R.C.P. stonden achter hem en aan zijn termijn van Onderzoek voor de Bacteriële Hartstichting, gesticht door fam. Hamsworth was een einde gekomen. Het was een turbulent jaar van hoogte- en dieptepunten geweest. In 1925 was hij bijna op de gedachte gekomen dat hij zich vergist had in betrekking tot zijn roeping tot het ambt van predikant en had hij zich weer gestort in zijn medisch onderzoek en werk. Maar in 1926 kwam de roeping terug met een kracht en aandrang dat hij er geen weerstand aan kon en wilde bieden.



Toen hij bekendheid gaf aan zijn besluit, beijverde iedereen zich om hem er vanaf te brengen – zijn collega-dokters, familie, vrienden, zelfs zijn eigen predikant! Een merkwaardige uitzondering was het weekblad John Bull, dat iemand aan mij toestuurde. Onder het kopje: “Van hartkloppingen naar kloppen op de deur van harten” stond er een mededeling in die begon met: “Dr. Lloyd-Jones, een briljante jonge hartspecialist…” en daaronder als commentaar’ Chapeau voor Dr. ’Loyd-Jones’!
Dit alles gebeurde een jaar of twaalf nadat wij elkaar in 1914 ontmoet hadden. Op een zondagmorgen, in de nazomer van dat jaar ging ik zitten in de gewone gezinsbank in de kerk van Wales aan de Charing Crossweg Welsh Kapel. In de bank vooraan zat een gezin dat ik niet eerder gezien had. Een heel knappe, wat armoedig uitziende man met een prachtige grijze kop haar. Naast hem zat zijn vrouw – keurig gekleed en heel wat jonger. Bij hen drie jongens, de jongste vlak naast zijn moeder droeg nog zijn Etonkraag aan de buitenkant van zijn jas. De middelste slank met recht zwart haar, van links naar rechts over zijn voorhoofd geborsteld en de derde sprekend lijkend op zijn vader.

Aan het einde van de bijeenkomst werden hun bewijzen van lidmaatschap voorgelezen en werden zij in de gemeente opgenomen als de familie Lloyd-Jones uit Llangeitho


De jongens, Harold, Martyn en Vincent waren respectievelijk 15, 14 en 12 jaar oud. Dit was onze eerste ‘meeting’ en ik had nauwelijks gedacht….!
Martyn en ik waren verloofd in juni 1926 en ik was trots om met hem te delen in die moeilijkheden die zijn besluit om de doktersfunctie te verlaten meebracht. In december 1926 was de storm die hij had doorgemaakt gaan liggen en men kon zien dat hun bezwaren en pleidooien niets hielpen. Derhalve trouwden we in januari 1927 en na een korte huwelijksreis en een periode van griep!) gingen wij in februari naar Aberavon in Zuid Wales, onze eerste woning en de eerste standplaats van mijn man als predikant.
Ik weet nog dat wij uit de trein stapten in een grijze motregen en van de trein gehaald werden door twee, drie mensen uit de kerk die ons snel naar het huis van de heer en mevrouw Robson wegbrachten, waar wij koninklijk op hartverwarmende wijze verwelkomd werden. Wij verbleven daar een week terwijl de pastorie voor ons klaar gemaakt werd en ik zie dankbaar terug op alle hulp die mevrouw Robson mij gaf. – Zij was werkelijk een moeder in Israël.
In die tijd kreeg Aberavon te lijden onder de grote depressie. Ramsay MacDonald werd beschouwd als een verafgode held en het duurde nog een paar jaar toen men ontgoocheld raakte en menige foto van hem aan de muur omgekeerd of in de prullenbak gegooid werd. Er stonden hele groepen jongelui op de hoeken van de straten die vier of vijf jaar tevoren de school verlaten hadden en sindsdien nog geen dag werk gehad hadden. Er heerste in die streek een algemene sfeer van depressie.
De Bethlehem Forward Movementkerk, gewoonlijk onder de leden ‘de Voorwaarts’ of de ‘Sandfield’s genoemd, was een zendingspost of dochtergemeente van de Presbyteriaanse Kerk in de stad. De oudere kerk had vertegenwoordigers in ‘de commissie’ die in Sandfields de plaats innam van een diaconie. De kleine gemeenschap had hoge schulden, maar een gering aantal leden. In de boeken stonden negentig met inkt opgeschreven namen. Het waren warme, aardige en tamelijk vriendelijke mensen. Er was niets te veel voor hen om iets voor ons te doen en er vielen banden die nooit gebroken konden worden.
Dat was het begin van elf en een half gelukkige en vruchtbare jaren, waarvoor ik God altijd wil danken en de “dochterkerk”, laat mij dat eraan toevoegen, was spoedig meerderjarig, onafhankelijk en schuldenvrij.

Terugkijkend naar die periode en naar het begin van de bediening van mijn man, zie ik misschien een ding dat er in mijn geheugen uitspringt. Opdat de lezers het belang ervan op waarde kunnen schatten, moet ik eerst een religieuze opvatting noemen die in de twintiger en dertiger jaren van de 20e eeuw algemeen aangehangen werd.

Het is vaak gezegd door zendelingen, evangelisten en jeugdwerkers, dat als jonge mensen niet als tieners tot bekering komen, er weinig hoop is dat zij nog bekeerd zouden worden. Deze gedachte was zo vaak gehoord, dat ze breed was geaccepteerd.
Ik was een beetje vaag over mijzelf. Ik wil zeggen dat ik in een christelijk gezin geboren ben, als baby gedoopt en op 12-jarige leeftijd de doop door belijdenis heb overgenomen en daarmee lidmaat van de kerk was geworden. Derhalve wist ik niet wat er nog meer nodig was. Ik was bang van God, vreesde de dood en onthield me daarom van het kwaad. Ik trachtte te doen alles wat een “Christen” diende te doen qua plichten als kerkgang en ik accepteerde de Bijbel als het Woord van God.. maar ik had geen inwendige vrede of blijdschap en ik wist niets van de heerlijke verlossing door het Evangelie.

In die vroege jaren te Aberavon, was ik blij te zien dat mannen en vrouwen tot bekering kwamen – dronkaards, kwaaddoeners – allerlei soorten van verschillende afkomst en leeftijd! Ik was blij hen te zien; ik benijdde hen en wenste soms, als ik hun stralende gezichten en veranderde levens zag, dat ik een dronkaard of erger geweest was, zodat ik bekeerd kon worden! Ik stelde me nooit voor, dat ik bekering nodig had (ik was immers altijd “Christin” geweest), of dat ik nog meer zou kunnen krijgen dan ik reeds had! In deze eerste twee jaren gebruikte God genadig Martyns morgenpreken om mijn ogen te openen en mijzelf en mijn nood te leren kennen. Ik ervoer vergeving van mijn zonden en de vrede van God in mijn hart.

Er bestond in deze dingen geen leeftijdsgrens; de leeftijd deed er niet toe.
De Kerk groeide uit tot een gemeente met alle leeftijden vanaf Georgie Sullivan een tiener tot hen die aan het einde van hun leven stonden, de ‘bejaarde zuigelingen’ van ons kerkelijke gezin. Dat waren zij en dat vonden wij van hen. Terugdenkend aan hun leven heb ik het gevoel de schrijver van de Brief aan de Hebreeën te begrijpen, als hij zegt, “De tijd zou mij ontbreken als ik zou verhalen van….’ Van de wonderen die we zagen – bij mannen en vrouwen van elke soort en conditie – Ik kan ze niet allemaal noemen in deze bladzijden. Ik heb mij liever beperkt tot iets wat ik altijd heb willen doen, namelijk de verhalen van sommige ‘bejaarde zuigelingen’ op schrift te stellen, vooral van hen die ik om een bepaalde reden het best ken. Hun leven was inderdaad voor mij het beslissende bewijs van de fout om de genade van God te beperken tot een zekere leeftijd. Naast deze bijzondere herinneringen moet ik ook enkele speciale trekken noemen van het kerkelijke leven in Sandfields, de gebedsdienst in de week, de bijeenkomst van het Gezelschap en de jaarlijkse Zondagsschooloptocht op 2e Pinksterdag.
Maar voor ik me met deze thema’s ga bezig houden, moet ik het verhaal vertellen van Georgie Sullivan die vanaf zijn vroege jeugd niet minder gedenkwaardig liet zien, hoe onbelangrijk leeftijd is in het koninkrijk van God.

Georgie Sullivan kwam uit een goed, solide Schots- Noord-Iers gezin; zijn ouders en zusters waren gelovige lidmaten van de kerk en Georgie ging altijd naar zondagsschool en kerk.. Hij was nu 15, kon op school heel goed meekomen, was een aardige jongen en populair onder zijn soortgenoten.


Toen hoorden we plotseling dat Georgie ziek was. Binnen een week begrepen we hoe ziek hij was – hij had een ernstige vorm van longtuberculose. Toen wist iedereen natuurlijk dat het een hopeloos geval was, want de wondermedicijnen kende men nog niet. Er werd veel gebeden, maar Georgie werd niet beter

Op een zaterdagavond kwam Dr. Lloyd-Jones erg laat thuis van de mannenvergadering – de zaterdagavondbroederschap. Toen hij thuiskwam had hij een wonderlijk verhaal. Toen hij op het punt stond de kerk te verlaten, kwam er een boodschap – of hij even bij de Sullivans langs wilde gaan – Georgie verlangde wanhopig hem te spreken. Hij ging en trof de jongen in bed aan met typisch vurig blozende wangen en stralende ogen. Hij had nauwelijks adem, maar vroeg: “Dokter, zeg mij wat dit alles betekent. Ik zit naar u te luisteren, en ik weet dat het waar is, maar ik begrijp het niet. Ik weet niet wat ik moet doen.’


Martyn vertelde hem weer, eenvoudig en duidelijk de weg der zaligheid – had hij berouw over alle dingen die hij gedaan had, waarmee hij God mishaagde? Dat moest hij aan God vertellen en om vergeving vragen. En God zou hem die geven, omdat de Heere Jezus Christus de straf ervoor aan het Kruis gedragen had. Zij zouden voor eeuwig uitgewist worden en hij zou voor God kunnen bestaan en weten dat hij vergeving had en in de heerlijkheid zou worden opgenomen.

Georgie zat verwonderd te kijken en zei: “Dokter, is dit echt het hele Evangelie?’ En de ogen van Georgie gingen op tijd open. Die nacht stierf hij met een hart vol vrede en blijdschap. Vijftien jaar en jonger, tachtig en ouder en elke leeftijd daartussen. Leeftijd is geen barrière

 

2 WEEKDIENSTEN.

 

Het gebedsuur van de gemeente werd op maandagavond gehouden en begon om 7 uur. Na een paar jaar werd het steeds bijgewoond door tussen de 200 en 300 mensen.



De dominee placht te vragen, of er iemand wilde beginnen met Bijbellezing en gebed. Na het zingen was de bijeenkomst dan begonnen – Niemand werd ooit gevraagd een gebed te doen. De Dokter voelde dat de Heilige Geest iemand zou inspireren en ingeven, als wij dit nederig verwachtten. Als hij na een half uur of driekwartier aanvoelde dat er een stilte viel, gaf hij een gezang op en zette dan de bijeenkomst voort. Als er na ongeveer een half uur weer een stilte viel, wachtte hij altijd een paar minuten om een zenuwachtig of aarzelend persoon desgewenst de gelegenheid te geven om te bidden.

Deze bijeenkomsten werden meer gezegend dan we in woorden kunnen weergeven; zij waren warm en oprecht en soms voelden wij ons opgeheven, helemaal tot de hemelpoorten.


Eens op zo’n avond had de Dokter aan Harry Woods gevraagd om de bijeenkomst te openen. Ik had het idee dat hij een man was tussen 60 en 70 jaar oud, krachtdadig bekeerd vanuit een hardwerkende, fatsdoenlijke manier van leven en weinig denkend aan geestelijke dingen. Maar toen Harry Woods verstond, wat hem in het Evangelie van Jezus Christus aangeboden werd, greep hij het aan en gaf er zich geheel aan over.
Op zijn rustige manier was Harry opmerkelijk en ik wou dat ik over hem kon schrijven zodat ik hem recht kon doen. Maar ik heb hem nooit goed genoeg gekend. Hij was verlegen, woonde aan de andere kant van de stad, maar hij placht vaak met de Dokter te spreken en zijn hart voor hem open te leggen, vooral op zaterdagavond na de bijeenkomst van de Broederschapsmeeting. Hij was anders dan de meeste anderen en zag nu alles – zelfs de meest alledaagse dingen – in beelden en gelijkenissen en zijn weergaven hiervan vonden we erg ontroerend.

Er lag een oud wrak op het strand van Aberavon. Een kolenscheepje had in een stormachtige nacht de ingang van de haven niet kunnen bereiken en was ongelukkig terecht gekomen op het zandstrand, naast de pier. Daar lag het wrak: een lelijke smet in het landschap, maar niemand vond het de moeite waard om het te verwijderen.


Harry Woods had hartproblemen en werkte niet. Op zekere dag, toen hij langs het strand wandelde, hield hij stil en stond hij naar het wrak te kijken. Weldra was het niet het wrak dat hij zag, maar zijn eigen zondig hart en zijn oude zondige leven. En juist toen hij door zijn tranen stond te kijken, kwam de vloed snel op. Vlak voor zijn ogen lag het wrak onder water en volledig uit het zicht. Harry Woods zag – niet de vloed die het wrak bedekte, maar het dierbare bloed van Christus dat ‘al zijn overtredingen bedekte’! Dat typeerde de gelijkenissen die hij graag op een zaterdagavond aan de Dokter vertelde
Wij hadden ’s morgens op Goede Vrijdag altijd een gebedsuur en ik herinner mij er nog een in het bijzonder. Het was uitnemend en verkwikkend. Niemand scheen erg te hebben in de tijd en niemand scheen naar het einde van de bijeenkomst te verlangen. Dokter stond bij de deur om de vertrekkenden een hand te geven. Harry Woods kwam langs en terwijl hij hem een hand gaf zei hij: “Dokter, ik ga naar huis als een zeer teleurgesteld mens.” Dokter kon nauwelijks zijn oren geloven. “Waarom zegt u dat?” vroeg hij, “hebt u niet genoten, hebt u niet…..?”Maar Woods viel hem in de rede. “Dokter, ik wilde direct na de bijeenkomst naar de Hemel, maar het mocht niet zo zijn en nu ga ik gewoon naar huis – ik kan het niet helpen dat ik teleurgesteld ben.
Een paar jaar hierna waren we op de reguliere maandagavondbijeenkomst en de Dokter had gevraagd aan Harry Woods om met gebed te openen. Terwijl hij las, werd het Woord levendig en toen bad hij. Het scheen dat hij tot vlak bij de poorten van de Hemel gebracht werd en wij raakten vervuld met ontzag toen Woods ging zitten. Toen wij ons hoofd weer bogen voor de gebeden van anderen, hoorden wij een vreemd piepend ademen. Het geluid werd steeds luider en toen hield het op. We keken op en zagen dat twee sterke mannen Harry opvingen toen hij viel. Zij droegen hem naar de consistoriekamer. Dokter ging hen achterna en wij bleven aan onze plaatsen vastgenageld zitten. Toen hij terugkwam, zei hij tot ons dat Harry Woods gegaan was naar zijn eeuwig Thuis in de heerlijkheid. Niemand van ons was verrast; het had geleken, dat hij daar reeds was, toen hij bad. Dokter bad met ons en wij gingen allen naar huis, bedaard, verbaasd en God dankend voor alles wat wij gezien, gehoord en gevoeld hadden.
De Dokter vond, dat de gebedsbijeenkomst zo weinig mogelijk onderbroken diende te worden. Geheel nu en dan herinnerde hij ons aan het doel ervan – niet te persoonlijk te zijn, maar te bedenken, dat wie er ook bad, hij de gemeente als het ware naar de Troon der Genade moest brengen.

We glimlachten half schuldbewust, toen hij tot ons zei, dat het in het openbare gebed beter was geen geheimzinnige toespelingen te maken en God te vragen om ‘de mens te zegenen die ik gisteren sprak en die het zo moeilijk had’ en zo voorts. “Het is niet nodig”, zei hij dan, “en het leidt mensen af van hun gebeden, daar hun gedachten afdwaalden en zij zich zouden afvragen wie die bedoelde persoon was”.


Soms – niet vaak, maar nu en dan, als hij dacht dat wij het vergaten – zei hij tegen ons dat wij niet lang moesten bidden. Velen wilden bidden en wij mochten niet egoïstisch zijn met de tijd. Dat was inderdaad een woord op zijn tijd, want het was niet ongebruikelijk, dat dertig, nu eens meer, dan minder mensen tijdens de bijeenkomst in het openbaar baden.
Er waren andere gebedsbijeenkomsten die ik me nog heel goed herinner. Wij geloofden altijd, op elke bijeenkomst, dat de Heere aanwezig was. Had Hij niet beloofd: “Waar twee of drie in Mijn naam vergaderd zijn, ben Ik in het midden?” We geloofden dat – maar er waren twee of drie bijeenkomsten waarin we het wisten. De avond van het overlijden van Harry Woods was er één van, toen dat wonderlijke gevoel van Gods nabijheid ons vervulde en alle besef van tijd weg was. God geeft dan Zijn volk een voorsmaak van de Hemel en is de geestelijke wereld echt werkelijkheid.

De gezelschapsavonden vonden plaats op woensdag en weer was de zaal altijd goed vol. Dokter placht iemand te vragen de bijeenkomst te openen met zingen, lezen en gebed. Dan vroeg hij gewoonlijk of iemand een vraag of probleem had waar hij over wilde praten. “Heeft iemand een ervaring mee te delen, een vraag of een probleem om over te spreken.?” waren dan de woorden waarmee de discussie geopend werd. Vaak wilde de eerste aan wie het gevraagd werd geen discussie aanmoedigen en zou hij zelf een kort antwoord geven en om andere vragen verzoeken.


In deze bijeenkomst wilde hij geen zuiver theologisch probleem accepteren. Deze bijeenkomst moest altijd een probleem aanpakken dat op het christelijke leven sloeg. Als er eenmaal zo’n vraag gesteld was, stelde hij die dan open voor bespreking. In zijn stoel achterover leunend zei hij dan: “Wel, wat hebt u hierover te zeggen?” Vaak legde hij dan de vraag open om een hele reeks van verwante vraagstukken aan te pakken en dan de discussie een uur of anderhalf lang te leiden, punten aan te voeren, gedachten te delen, antwoorden te geven en Schriftplaatsen te citeren.

Het was boeiend om te zien hoe een hele gemeente leerde over een probleem na te denken, het te wegen en er - logisch en Bijbels – vragen over te stellen. Ik besefte pas goed wat ons op woensdagavonden overkwam, toen ik veel conferenties enz. bijwoonde en aanwezig was op hetzelfde soort bijeenkomsten. De tegenstelling was interessant en ontdekkend.


Nu en dan waren op de bijeenkomsten van onze Kerk-meetings pauzes met veel humor en één ding vermaakte altijd die mensen onder ons die eerder luisterden dan praatten. Iemand met vaste meningen placht te gaan staan en gaf zijn mening in niet onzekere bewoordingen, wellicht een weinig dictatoriaal en dogmatisch en als hij dan weer ging zitten, zei de Dokter: “O, mijnheer….. een ogenblik a.u.b….” op de vriendelijkste manier en de arme man stond dan weer met beide benen op de grond en moest redelijke, feitelijke een Bijbelse uitleg geven van sommige van zijn oorspronkelijke beweringen.
Wat het gedeelte van de gemeente stilletjes deed glimlachen en begrijpend kijken was de blik – de opgejaagde blik – op het gezicht van de man, als hij besefte, dat hij niet wegkwam met het houden van een ‘speech’!.
Aan het eind van de bespreking nam, de Dokter gewoonlijk tien of vijftien minuten om de draden bijeen te rijgen en een slotverklaring te geven. Velen hadden liever de bespreking korter gehad en de samenvatting langer! Maar hij wist wat goed voor ons was en deed steevast alsof hij voorstellen in die richting niet hoorde.
Zo leerden wij zonder te weten, dat we leerden en we vonden het allemaal fijn.
3. VROUWEN IN DE KERK

 

Terugziend over de jaren – nu inmiddels meer dan vijftig – moet ik wel over mijzelf verwonderd staan. Want ik ging naar Aberavon zonder twijfeling of bang vermoeden. Ik had nooit echt gedacht aan mijn positie daar. Ik denk niet, dat het zelfvertrouwen was – het was onwetendheid.


Maar nadat wij ons gevestigd hadden en de introductiebijeenkomst voorbij was, kwam mevr. Bradley mij opzoeken.

Mevr. Bradley was een werkende zuster geweest bij de Beweging Voorwaarts – een van een toegewijde en getrouwe groep vrouwen die met echte zendingsdrang werkten onder de vrouwen en de moeders van de mannen die in de mijn- en handelssteden in het Noorden en het Zuiden van Wales, vooral in Zuid-Wales werkten. Zij was getrouwd met een zakenman en woonde in Aberavon. Zij was lid van de diakonale commissie van de Kerk. Zij had een donderdagmiddaggroep voor vrouwen opgezet. En nu was ze gekomen om de leiding hiervan over te dragen aan de echtgenote van de dominee – dus mij!


Hier wonnen het gezonde verstand en de redelijkheid het van de paniek. Dit was haar bijeenkomst, maakte ik haar duidelijk. Zij was ermee begonnen en koesterde die. Zij had al jaren ervaring met zulke bijeenkomsten en ik nog geen dag. Zij moest ermee doorgaan en ik wilde haar helpen waar het maar mogelijk was. Ik won het pleit. Het was een gelukkige regeling en ik zou ervaring opdoen.
De Zustergroep is nooit groot geweest. De jongere vrouwen en de meeste meisjes werkten en konden middagvergaderingen niet bijwonen. Maar het was een warm gezelschap en de sprekers werden met zorg gekozen, zodat wij er zeker van konden zijn dat het Woord des Levens steeds gesproken werd. De leden vormden een vrolijk gezelschap en bijna zonder uitzondering met een sterk gevoel voor humor. Hun christelijk leven was voor hen heel echt en zij brachten graag hun onbekeerde vriendinnen mee.2
Ik herinner mij slechts een vervelend incident in al die jaren. Een zendelinge – lidmate van een zustergemeente in de stad – was op verlof en ik had gehoord, dat zij boeiend kon spreken qua voordracht en inhoud. Wij nodigden haar uit en zij kwam een middag om ons toe te spreken.
Alles ging goed tot zij een verslag gaf van haar eigen spirituele pelgrimage. Zij gaf een levendige beschrijving van het afscheid van haar man en haarzelf van hun drie of vier jonge kinderen, toen zij naar het zendingsveld in het buitenland gingen. Zij gaf een aanschouwelijke beschrijving van het gebeuren en had het gevoel dat zij een meelevend publiek had. In werkelijkheid gaf zij een hartverscheurend verhaal van het afscheidstoneel: de kinderen wier harten gebroken waren snikten en huilden, met uitgestrekte armen roepend “Mama, mama”, toen de trein wegreed. Haar man en zij waren verslagen, maar probeerden flink te zijn, daar zij geloofden de wil des Heeren te doen.
Het resultaat was niet wat zij verwachtte. De gezichten van de vrouwen weerspiegelden wat zij voelden. Een keiharde, zo niet oorlogszuchtige afkeuring was op elks gezicht te lezen en de bijeenkomst eindigde zo koel, dat het te voelen was.

Sommigen probeerden de spreekster te bedanken, toen zij vertrokken, maar het ging niet van harte en ik kon de dames horen mopperen: “het was beter dat ze bij die kinderen gebleven was.” “Waarom hebben zij kinderen, als zij niet voor hen gaan zorgen?’ ‘Arme kinderen, wat voor uitwerking zal het op hen hebben?’ enz. enz. Ik weet nog steeds niet of zij de ijzige atmosfeer voelde, maar ik wel en ik herinner me nog hoe we acuut met de situatie verlegen zaten.


Natuurlijk waren er bijzondere vriendschappen, maar ik ben me nooit bewust geweest dat er kliekvorming was. Ze waren allemaal even vriendelijk voor hen die vreemd waren. O ja, die waren er natuurlijk. Ik zou ernstige twijfels hebben over een kerk, waarin dat niet het geval was. Is er enige andere plaats waar zo’n liefde en vriendschap en geduldig elkaar verdragen te vinden zijn?
In verband hiermee gebeurde er iets bijzonders – het had niet te maken met de Vrouwenbijeenkomst, maar het had te maken met zielige figuren. Een heel gestoord meisje tussen dertien en twintig jaar oud, begon te komen op zondag naar de bijeenkomsten. Zij kwam altijd vroeg en zat precies midden in de volle benedenverdieping. Tijdens de bijeenkomst, altijd tijdens de preek kreeg zij, naar het scheen, een aanval van epilepsie en moest door een paar flinke mensen naar buiten gedragen worden. Zij zwaaide met haar armen en benen, liet haar ogen rollen en haar hoofd heen en weer zwaaien en haar tong hing uit haar mond. In het portaal kwam zij dan van lieverlee bij en ging dan snel naar huis.

Dit alles was wel erg storend en het probleem wat we er mee aan moesten werd wel nijpend. Toen kwam ze op een woensdagavond naar het gezelschap en ging nu helemaal vooraan zitten, een paar meter van de Dokter, die aan zijn tafel zat.


En jawel hoor, de bespreking was een minuut of tien aan de gang en Annie kreeg een toeval, heftig en zeer vreselijk om aan te zien. Een paar mannen sprongen overeind, maar toen zij op punt stonden naar haar toe te lopen, stak de Dokter zijn hand op en wenkte hen terug. Intussen lag het arme meisje op de vloer en maakte weer die afschuwelijk bewegingen.
Dokter keek haar aan en zei met zeer gezaghebbende stem: “Annie, direct ophouden’. Zij hield op en was erg stil. “Nu opstaan en stil gaan zitten”. Weer gehoorzaamde ze onmiddellijk, bleef rustig en gedroeg zich tot het einde van de bijeenkomst uitstekend. “Het was een wonder,” zei iedereen.
Was dat zo? Ging het hier om echte epilepsie welke die avond wonderlijk genas, of was het de vijand – de duivel – die gebruik maakte van het gemoed van de arme verdwaasde geest van het meisje om het werk van God in de war te sturen? Zo dit laatste het geval was, bleek de vermaning in de Brief van Jakobus voor onze ogen waar te zijn: “Wederstaat de duivel en hij zal van u vlieden”. In beide gevallen zagen wij het als een wonder van genade en dankten er God voor. Wij hadden geen storingen meer. Soms kwam zij achterin de kerk zitten, maar ze genas niet en na verloop van tijd moest ze voor haar eigen bestwil opgenomen worden.
Nu ik het heb over die “aparte figuren”, denk ik, dat de vreemdste die ik in Aberavon ontmoet heb, de oudere dame was met de oogschaduw. Zij was geen lidmate van de kerk, maar woonde soms de zondagavonddienst bij. Op een dag toen ik naar de stad liep, kwam ik voorbij haar huis (bepaald zonder het te weten) en stond zij in de deuropening. Zij smeekte mij enkele minuten binnen te komen, daar zij mij iets wilde vertellen Ik voelde er niets voor, want, om de waarheid te zeggen, had ze iets vreemds en wat vaags en duisters over zich. Maar ik voelde dat ik niet kon weigeren en dus stapte ik naar binnen.
Wij zaten in haar ‘spreekkamer”. – keurig opgeruimd, even proper als zijzelf; haar witte haar was strak achterover gekamd. Ze was, zoals altijd, in het zwart gekleed met witte kraag. Ze keek mij met haar goede oog strak aan en zei, wijzend naar haar oogschaduw: “Ik wil hierover met u praten”. Ik mompelde zoiets als ‘sorry’, maar het was misschien een recent ongelukje of iets uit een lang geleden. Maar zij brak door mijn armzalige poging heen en zei: “Het was echt geen ongelukje; ik heb het zelf gedaan.”
Ik gaapte haar aan. Zij ging voort: “Christus zegt in de Bijbel: “Als uw rechteroog u ergert, pluk het uit en werp het weg”. Wel, het ergerde mij inderdaad en deed mij zondigen; daarom heb ik dit gedaan….””Wat?”, zei ik zwakjes. “Ja, ik heb het uitgeplukt en weggeworpen Vind je niet dat ik het goed heb gedaan?”

Hoezeer wenste ik, dat de Dokter daar geweest was! Ik deed mijn best en zei haar, dat als zij alleen met berouw tot Christus gekomen was en Hem haar probleem medegedeeld had, hij haar vergeving en vrijheid geschonken zou hebben en Zijn eigen kracht om de verzoeking te weerstaan, zonder zulk een lichamelijke maatregel in overweging te nemen. Maar zij luisterde niet en wilde werkelijk niet luisteren.


Ik ging weg met het gevoel dat ik ernstig tekort geschoten was, maar overtuigd, dat zij geestelijk niet gezond was. Toen ik later vernam dat zij een slechte naam had wegens een losbandig leven, besefte ik weer, hoe de duivel handig gebruik maakt van geestelijk zwakke mensen Zij hebben onze hulp en gebeden nodig en de omgeving van een zorgzame, begripvolle gemeente.
Maar hier wijk ik af. Laten we terugkeren naar onze vrouwenbijeenkomst. Daar wij steeds een spreker hadden, was er geen gelegenheid voor de leden om veel te spreken. Maar ik dacht vaak, als ik rond keek, dat bijna zonder uitzondering iedereen wat bijzonders te vertellen had. Soms gingen inderdaad de sluizen wijd open en zaten we te luisteren naar een hart dat open ging – verdrietig, angstig, vrezend en blijmoedig. Wat het ook was; er zou even hartelijk en meelevend geluisterd worden, niet in de openbare bijeenkomst, maar door een groepje in de leeglopende zaal, of op weg naar huis.
De zondagsschool werd goed bezocht en de kinderen waren levendig. Zoals op alle zondagsscholen in Wales in die tijd werden ze bezocht zowel door de jongste kinderen als 80plussers. De Dokter nam de mannenklas, tussen dertig en veertig manspersonen van alle leeftijden. Dhr. Miljard nam de oudere vrouwenklas, terwijl ik een klas had van jonge vrouwen in de leeftijden van ongeveer 18 tot 30. Het was een nieuwe ervaring voor mij, maar het bleek, dat ik het van begin tot eind erg leuk vond. De meisjes wilden echt leren; zij hoefden niet gedwongen te worden; zij kwamen vrijwillig.
Wij kozen ons boek om uit te leren en dan liepen we het van vers tot vers door. Na een alinea of passage gelezen te hebben – om de beurt een vers – werd elke aanwezige aangemoedigd om te beginnen met een vraag over haar vers. Dan praatten en discussieerden ze allemaal en vroegen en beantwoordden vrijmoedig vragen. De tijd vloog om. Voor sommigen was het niets nieuws; zij gingen al vanaf hun kinderjaren naar de zondagsschool; maar voor anderen van wie de ogen pas open waren gegaan voor geestelijke dingen, was het een nieuwe wereld, en zij genoten dat zij moesten nadenken.
Ik herinner me een zondag. Iemand vroeg of babies die als babie sterven naar de Hemel zouden gaan. Er werd druk gepraat en vele meningen werden uitgesproken. Ik liet zulke vragen graag over aan de rechtvaardigheid van onze alwetende en liefhebbende God en zei, zoals Abraham van vroeger: “Zal de Rechter der ganse aarde geen recht doen?” Toen vroeg een van de meisjes – de enige keer dat ik naar ik me herinner, haar hoorde spreken: “In de Bijbel staat dat Jezus zei: ‘Laat de kinderkens tot Mij komen’ en ik denk dat als Hij dat hier op aarde zei, Hij nu in de hemel nog steeds hetzelfde zal zeggen”.
Op een andere zondag was er een zekere onrustige atmosfeer (ik weet zeker dat het kwam door de politieke onrust van dat ogenblik), toen we lazen van de arbeiders in de wijngaard, dat de man die slechts een uur werkte hetzelfde loon kreeg als zij die de hele dag gewerkt hadden. Zij aarzelden te zeggen, met zoveel woorden, dat het niet eerlijk was – en toch! Maar toen we hen ernaar lieten kijken vanuit het oogpunt van de arme arbeiders die slechts het elfde uur werkten en de vreugde moesten missen van de hele dag te werken voor zo’n vriendelijke en gulle heer, kwam er een enigszins schuldige glimlach en een toegeven van de geestelijke waarheid achter het verhaal. En zo worstelden we door en ik leerde met hen.
Ik moet nog één ding zeggen over wat het onderwijs aan die klas mij gedaan heeft. Ik leerde door hen van Bijbelse commentaren genieten. Ik had als kind geleerd geen commentaren te lezen. Mijn vader had er een streng standpunt over. Je moet voor jezelf denken en Schrift met Schrift vergelijken en je geheiligd verstand gebruiken en niet anderer gedachten, ideeën en gedachten over de Bijbel lezen en slikken, enz.
Dus had ik nooit commentaren gelezen. Maar nu ontdekte ik iets. Als u een lid bent van een groep, kan deze manier van handelen nuttig zijn. Het kan een uitstekende geestelijke oefening zijn om je eigen verstand te gebruiken en jezelf te leren om te discussiëren en vragen te beantwoorden. Maar als u de leiding hebt over een groep, is hoe meer je leest, des te beter. Derhalve lees ik nu commentaren. Wij hadden er een goede verzameling van over elk Bijbelgedeelte en ik was gewoon ze allemaal te lezen over de te behandelen passage, ja, ook vermaak in te hebben in, Welsh en Engels, de meditaties van grote mannen Gods over Gods Woord. Ik werd erdoor verrijkt en veel meer voorbereid om de vragen en de tegenspraken van mijn klas op zondag te beantwoorden.
Als de commentaren op een bepaald punt van mening verschilden, vond ik mijn geduldige mentor in de studeerkamer en de Doctor was altijd gereed om dingen voor mij uit te zoeken, het echte geschilpunt bloot te leggen en zijn mening te geven, die kon ik accepteren of afwijzen. Ik hoef niet te zeggen dat ik die altijd accepteerde en tevreden was.

Eens in de beginperiode – als ik me goed herinner liep het tegen het einde van het tweede jaar – vroegen een paar vrouwen om een Bijbelklas-avond in de week. Zij benaderden de Dokter erover en hij keurde het van harte goed, zolang de extra bijeenkomst niemand weg hield van de reguliere kerkdiensten – de gebedsdienst op maandag en de gezelschapsavond op woensdag! Geen probleem; zij zouden ze alle bijwonen, verzekerden ze hem en hij gaf graag zijn zegen aan het voorstel.


Zij helden zich aan hun woord: de reguliere kerkdiensten leden er helemaal niet onder. Integendeel betoogden zij met klem, dat het des te profijtelijker was voor de Bijbelklas en de Bijbelklas zelf bloeide. Het was een mengeling van alle leeftijden en allen waren gretig om te leren en het Woord te bestuderen. Vooral genoten de pas bekeerden van dit extra uur van christelijke gemeenschapsoefening. We hadden nooit sprekers voor deze bijeenkomst. Het ging precies als op een grotere zondagsschoolklas en iedereen was helemaal vrij om vragen te stellen en antwoorden te geven, een ervaring te vertellen die op het onderhavige onderwerp betrekking had of iets te vertellen wat men gehoord of gelezen had dat er verband mee hield.
We haastten ons niet en namen ons ook niet voor om een bepaald onderwerp op een avond af te hebben. In een jaar of negen werkten we Genesis, Mattheüs, Handelingen en tot en met de eerste vier hoofdstukken van Hebreeën door. Dat was het moment, dat de Dokter en ik Aberavon verlieten en naar Londen vertrokken. We ervoeren het als een pijnlijk verlaten van onze familie.
Er was een voorval in het leven van Mevr. Sullivan de moeder van Georgie, dat ik zeker moet vertellen, al was het alleen maar ter aanmoediging van een paar Christenen. Mevr. Sullivan en haar man waren van goede, gezonde, Schots-Ierse afkomst. Zij hadden een ideaal gezinsleven, niet overbelast met de rijkdommen van deze wereld, maar geriefelijk en gelukkig. Hun dochter was onze gewaardeerde organiste. Altijd al een godvrezende vrouw zijnde, zat zij maand na maand onder de nieuwe godsdienstoefeningen en bleek steeds meer besef te hebben van en gevoelig te zijn voor geestelijke zaken. Op zekere dag vertelde zij mij een wonderlijk voorval uit haar leven.
Het schijnt dat haar enige grote traktatie en buitensporigheid van haar leven de bioscoop was. Zij kon het missen van een verandering in programma’s niet uitstaan; dit hield een bezoek aan de plaatselijke schouwburg tweemaal per week in. Maar nu voelde zij zich overtuigd – overtuigd dat zij haar tijd en geld verkwistte en erger: de gewoonte deed afbreuk aan haar belangstelling in en het genot van geestelijke zaken.
Derhalve hield zij ermee op. Zij sprak er nooit met iemand over. Zij heeft nooit geprobeerd iemand anders te beïnvloeden. Het was een persoonlijk probleem en zij loste het op door aan God te beloven, dat zij ermee zou ophouden. Haar gemoedsrust kwam terug.
Toen zei op zekere dag een vriendelijke buurvrouw tegen haar, dat er de week daarop een nieuwe speciale film vertoond zou worden; die heette “Beschadigde Goederen’. En zoals zij als moeder van een opgroeiend gezin toch echt zou moeten, zou zij die film moeten zien – het was in feite haar plicht ter wille van hen. Deze zou haar laten zien hoe hen te helpen om de valkuilen zien, die het moreel van de opgroeiende kinderen bedreigen te laten zien. Eerst was zij mordicus tegen, maar later bekende zij dat hoe meer zij eraan dacht, des te meer zij wankelde. Het ging zo ver dat zij tenslotte toegaf en beloofde met haar buurvrouw mee te gaan in de week daarop om de film te gaan zien.
De dag brak aan en de reeds onrustige en ongelukkige mevr. Sullivan die spijt had van haar belofte vanaf het ogenblik dat zij die gedaan had, vertrok met haar vriendin, maar met een bezwaard hart. Zij kochten de kaartjes aan het loket en namen hun plaatsen in de snel vollopende schouwburg in. Maar toen ze in de schouwburg naast haar argeloze vriendin zat, overviel mevr.Sullivan zo’n vlaag van wroeging en afkeer, dat zij een wanhopige kreet van wanhoop en ellende naar de hemel opzond Zij vertelde mij dat haar onuitgesproken gebed was: “O Heere , help mij alstublieft. Ik heb berouw, dat ik hier ben en als U mij uit deze toestand haalt, zal ik nooit weer zo dwaas zijn.
Ze voelde zich wat beter; nu wat minder wanhopig, maar maakte geen aanstalten om de bioscoop te verlaten. Nu zou de vertoning beginnen; het verzamelde publiek was vol verwachting. Maar toen het gordijn opzij geschoven was, stond daar de directeur en deed een afkondiging. Vol spijt en excuses, maakte hij duidelijk, dat er jammer genoeg iets misgegaan was met het instrumentarium van het projectieapparaat en dat de film die middag niet vertoond kon worden!
Zouden alle aanwezigen zich willen melden aan het loket op weg naar buiten om het geld terug te vragen of een kaartje te krijgen voor een volgende datum? Behoef ik nog te zeggen wat mevr. Sullivan verkoos? Met een lied in het hart en lichte tred stond zij snel vol blijdschap buiten. Wellicht wist ze niet, dat haar Vader in de hemel gezegd had: ‘Beproef Mij nu”. Maar wie zou ooit gedacht hebben, dat God een gebed zou verhoren door een projectieapparaat van een bioscoop buiten gebruik te stellen?

4. 2E PINKSTERDAG
2e Pinksterdag was een grootse dag voor de zondagsschool van Sandfields, Aberavon. De weersvoorspellingen van de deskundigen op de radio en in de kranten tot aan de plaatselijke weersprofeten toe die de wolken bij zonsondergang bestudeerden waren het onderwerp van veel discussie en de oorzaak van veel hoop of wanhoop naar gelang men optimistisch of pessimistisch was. Maar in beide gevallen was het toch een grootse dag.
Wij ontmoetten elkaar om een uur of twee voor de kerkdeur:– de kinderen en ook de meeste van de volwassen leden. Want dit was Wales en de zondagsschool was er voor allen die wensten te leren. Er waren klassen voor alle leeftijden. De mannenklas 40 a 50 man sterk; door de dokter zelf altijd voor diens rekening genomen. Dus stonden er heel wat mensen bij de kerkdeur.
Terwijl we stonden te wachten voor de aankomst van de laatste treuzelaars, vormden we een stoet, voorafgegaan door de Dokter en een stevige groep mannen die met hem ging. Elkeen was het waard - zo mogelijk – om genoemd te worden. Het waren niet allemaal leden – misschien nog niet – maar zij voelden zich allen tot de kerk aangetrokken en als ijzer door een magneet bijeengehouden.
‘Tom Yank’ was er een van. Ergens in de zestig. Hij was een regelmatige bezoeker van de avonddienst en leek op deze wonderlijke manier erbij gehouden. Van nature was hij een cynicus. Ik weet zijn echte achternaam niet meer De ‘Ýank’ was de bijnaam die hem gegeven was omdat hij enkele jaren in Amerika gewoond en gewerkt had en teruggekomen was met een Amerikaans accent en manier van spreken! Maar hij was zeker een cynicus en bijna altijd lag er een spottende uitdrukking op zijn gezicht.
Op een zondagavond preekte de Dokter over de discipel Thomas – ‘de twijfelende Thomas’. De volgende woensdagavond gingen we samen naar het gezelschap, met de optimistische gedachte dat wij een goede bijeenkomst zouden hebben, maar we hadden er weinig idee van, hoe goed die zou zijn. De stoel van de dominee stond bij de tafel op een kleine verhoging en wij zaten er omheen in een soort ‘vierkante’ halve cirkel.

Deze avond zag het er erg naar uit, dat die net als de andere zou zijn. De oudere mannen zaten vooraan zo dicht mogelijk bij de dominee en onder hen, zoals gewoonlijk, ‘Tom Yank’.


Na de opening van de bijeenkomst, in de korte pauze die gewoonlijk volgde, stond hij op en wij allen hielden onze adem in. Dit had hij nooit eerder gedaan en wij zaten in spanning. Ik zie hem nu nog steeds voor me: kort, gedrongen, met dun wordend grijs haar en gebruind, verweerd gezicht. Maar was het onze fantasie of was er een subtiel verschil in dat gezicht? Een zachtere en minder cynische blik? Misschien, maar toen was hij begonnen te spreken, worstelde hij eerst kennelijk met zijn natuurlijke terughoudendheid en was hij ademloos en aarzelend, maar toen hij voortging, scheen hij alles te vergeten, behalve wat hij ons wilde vertellen.
Hij bekende dat hij, hoewel hij graag naar de prediking luisterde en al luisterend, gevoelde, dat hij wilde geloven en lief en leed wilde delen met ons als lid van onze gemeente. Als de prediking echter voorbij was, werd hij weer bezet met alle twijfels die satan kon oprakelen. En dan vertrok hij weer: ellendig, zonder het heil aan te nemen en lid van de kerk te worden.
Maar de vorige zondagavond, toen de Doctor over de ‘ongelovige Thomas’ preekte, voelde hij aan, dat hij zelf bedoeld werd. Hij kon zich met Thomas identificeren. Hij zei, dat hij eerst de boeien van de twijfel voelde als ijzeren banden rondom zijn borst, zodat hij nauwelijks kon ademen. Maar het verhaal ging door en toen Thomas met het zicht op de opgestane Heere uitriep: “Mijn Heere en mijn God”, zei Tom Yank met heel zijn wezen hetzelfde en voelde hij de knellende banden rondom zijn hart wegsmelten en waren die voor altijd weg.
En nu stond hij hier op de Pinkstermaandagmars schouder aan schouder met de Dokter, zoals hij dat meer dan eens tevoren had gehad. Maar deze dag was hij een veranderde man. De twijfels en spot waren verdreven en in zijn hart was de zekere wetenschap, dat hij, als zij zich weer vertoonden, wist hoe hij ermee om moest gaan.

Maar om naar onze 2e Pinksterdag terug te keren – de stoet ordende zich snel en vertrok. Eerst een stevige groep mannen, gevolgd door de vrouwen met de kinderen, dozijnen met hun oppassers en moeders, tantes en grote zussen in de achterhoede. Elk meisje had een nieuwe jurk voor Pinksteren, gedragen met de zwier en het zelfvertrouwen van een klein meisje in een nieuwe jurk! Zelfs de jongens ondergingen een zekere mate van netjes gekleed te zijn.


Dus vertrokken we ordelijk en zingend, terwijl we liepen: ‘Voorwaarts, Christenstrijders’ en ‘Wie is er voor de Heere?’, of ‘Rijs op, rijs op voor Jezus’. We marcheerden door al de straten van onze omgeving, voorbij gaande langs de huizen van de kinderen. Blij sommige familieleden bij de deur van hun gezin te zien staan wuiven naar de enthousiaste zangertjes die voorbijkwamen. Problemen? O, natuurlijk, gewoonlijk slechts een of twee.
Het ene was ‘teer’. De gemeenteraad teerde in zijn wijsheid altijd de wegen in de week voor Pinksteren, met verwoestende uitwerkingen op nieuwe jurken en witte schoentjes. Wij leerden op de duur het ergste te ontwijken, maar het was zeker een probleem.
Het tweede probleem was de aard en de organisatie van de stoet zelf. De mannen bepaalden het tempo – een flinke stevige wandelpas – mooi ! Maar wat zij niet door hadden was, dat een flinke pas voor het hoofd van de stoet, inhield, dat de vrouwen halverwege hun pas moesten versnellen om het bij te houden en dat achteraan de kinderen met hun onderwijzers moesten rennen of achterblijven. Er werd een boodschap naar voren gestuurd: ‘Langzamer, alstublieft’. Maar de mannen konden de situatie nooit inschatten! Zij liepen al als in een begrafenisstoet!
De kinderen vonden alles erg leuk. Wij voor ons waren blij voor hen en hoopten en baden dat de hele onderneming hoorde bij de roeping van de kerk om een getuige te zijn naar de wereld toe, zoals de schrijver van het gezang het zegt:
Een lamp van brandend goud,

Om voor de volkeren te dragen

Het ware licht als vanouds.
Toen keerden we terug naar de hal van de kerk en juist toen knapte het weer op en werd geschikt voor het verdere verloop van de bezigheden van de middag. Een mooie dag om de hele groep richting de duinen te zien gaan. Maar voor ze vertrokken, waren er de moeders om hun spruiten op te pakken en de nieuwe “beste kleren” om te wisselen voor de katoentjes van de vorige zomer die meer geschikt waren voor spelletjes en hardloopwedstrijden.
De duinen tussen het stadje en het strand strekten zich mijlenver uit langs dit deel van de kust van Wales. Inderdaad, de uitbreiding van de oude stad van Aberavon, bekend als Sandfields, is gebouwd op zandgrond in de duinen en voor nieuwe wegen met rijen huizen werden waar nodig duinen weggegraven. ‘Op zand bouwen is okay, als je maar goede, stevige fundamenten hebt’, zei me een van de architecten van de nieuwe pastorie. ‘Het gaat om de fundamenten.’
Ik herinner mij dat een lid van de commissie van de gemeente, die ons de regio liet zien en belangrijke plaatsen aanwees, tegen ons zei: ‘Dit is het derde Aberavon, weet u’. ‘Waar zijn de beide andere?’ vroeg ik. ‘Hieronder’, zei hij en wees naar de grond onder onze voeten. ‘Die is niet weggespoeld’. Ik beken, dat deze woorden me soms voor de geest kwamen, wanneer ik ’s nachts wakker lag te luisteren naar het beuken van de golven op het strand, als de zuidwester storm de opkomende vloed de Bristol Channel opstuwde.
Maar er was een plek in de duinen die goed bekend was bij de zondagschoolonderwijzers en leerlingen en ideaal was voor spelen en hardloopwedstrijden. Het is daarheen, dat op een mooie middag de stoet, nu een kudde opgewonden jongelieden en hun onderwijzers, op af konden stevenen. Het was een grote open ruimte, omgeven door de zandduinen, waar we goed en gerieflijk konden zitten en de omgeving tegelijk goed konden bekijken.
Deze duinen bleken in andere opzichten eveneens een geweldig voordeel te zijn. De Dokter placht daar te zitten, ontspannen en niets om handen hebbende als het ware en velen die te verlegen waren om naar hem toe te gaan in de consistoriekamer bleven dan daar zitten om hem te leren kennen en hem de gelegenheid te geven hen te leren kennen. Vaak kon dit alleen maar een prettig gesprek in het algemeen of over het belang van dagelijkse gebeurtenissen zijn. Maar allen werden erdoor geholpen en soms gingen de harten ook open en werd er eeuwigheidswerk gedaan in de lentezon op de duinen.

Edgar werd er een van de laatste categorie. Hij was een kwiek, mager en gespierd, kleinachtig mannetje met een goede baan in de Haven. Hij had belangstelling voor politiek en was bijna een vereerder van Ramsay MacDonald. Maar hij had ook belangstelling getoond voor het werk van “De Vooruitgang”, zoals men onze kerk kerk bleef noemen. Hij was net begonnen om zo nu en dan naar de avonddienst te komen. Zijn grote moeilijkheid en probleem was de drank en zijn werkplek – de haven - hielp hem daar niet in. Kolenschepen en Scandinavische vaartuigen die steunpalen voor de mijnen brachten, hadden kapiteins die graag hun waardering lieten blijken door borrels en wijngeschenken enzovoorts aan te bieden om mee naar huis te nemen.


Toen men Edgar zag zitten bij de Dokter op hun zandhoogte, in diep gesprek gewikkeld, kreeg men hoop en inderdaad was deze dag een keerpunt in zijn leven. Zijn probleem werd behandeld, in zijn nood werd voorzien en hij verheugde zich in zijn redding.
Een tijdje later werd hij ziek en ging de Dokter hem opzoeken. Hij lag in bed. Tegenover hem hing de foto van Ramsay MacDonald, met zijn gezicht naar de wand gekeerd. Edgar vestigde de aandacht van de Dokter op een serie van drie vergrote foto’s, elk op een ereplaats met onderschriften:
1. Edgar met verwarde haardos, aan lager wal geraakt en stomdronken, een lantaarnpaal vasthoudend. Onderschrift:: Verloren
2. Edgar, die met de Dokter zit te praten op de zandduinen Onderschrift: Gevonden

3. Edgar in een smetteloos tenue, wakker en er rein uitziende, vredig en tevreden met een stralend gezicht. Onderschrift: Gered


Maar om nu terug te keren naar de 2e Pinksterdag: Als het nu eens een natte namiddag zou worden, wat goed mogelijk was, met Zuidwester slagregens die horizontaal in ons gezicht zouden blazen? Geen probleem! In dat geval werden we allemaal in de kerk ondergebracht die we vulden van de deur tot de kansel en van de vloer tot de zolder. Dan genoten we wel een aantal uren van een eersteklas geïmproviseerd concert tot er een boodschap uit de keuken kwam dat de thee klaar was. Er was een overvloed van talent in alle leeftijdsgroepen en een paar werkelijk prachtige stemmen. Men zei me, dat ik het hoogtepunt gemist had door in de keuken te gaan helpen, toen de Dokter in een kwartet een van de meest geliefde gezangen zong. Hij kon zijn partituur – voor hem de bas – met gemak en goed lezen. Op do-re-mi en niet in de oude notitie.
In deze bijeenkomst was de scriba van de kerk er altijd. Hij was dan in zijn knollentuin. Met de kinderen was hij in zijn element en kon ze blijven boeien, zelfs honderden tegelijk met verhalen en kennis van kleine grapjes. Hij kreeg altijd reacties van hen, als hij vragen op hen afvuurde, terwijl hij sprak. In wezen kon hij met hen doen wat hij wilde.

Er waren altijd wel ogenblikken dat ze luidruchtig waren, maar ik heb nooit gezien, dat kinderen uit de band sprongen, als hij met hen bezig was. En tegen het einde van de middag was het belangrijkste wat hij deed hen te doen vergeten dat zij echt hun thee wilden!


Gedurende heel deze tijd was een heel leger van vrouwen in de aangrenzende zaal met de thee bezig. De grote zaal was vol lange tafels met witte tafellakens bijna verborgen onder het eten – borden vol boterhammen en beschuiten, cakes, gebak en sponsjes (om de handen te wassen), alle gemaakt door de vrouwen van de kerk. Zij waren snel aan de weet gekomen wat de smaak van de dokter was voor zoetigheden; er stond dan ook altijd een schaal apart klaar met wat men had waargenomen, dat zijn geliefkoosde dingen waren.
Alles was hartelijk en gul en iedereen werd altijd uitgenodigd om thee te drinken en de kleine zondagsschoolleerlingen wisten dat hun moeders en vaak ook hun vaders welkom waren aan tafel of zij nu leden waren of niet.
Ik herinner me een voorval nog levendig. Toen alle kinderen zaten (zij kregen altijd hun thee als eersten) kwam een zorgelijk gemeentelid naar de Dokter en zei: ‘Dokter, er zitten een stuk of zes Katholieke kinderen aan tafel; dat is niet eerlijk, want zij krijgen hun Pinkstertraktatie pas morgen. Zal ik ze wegsturen?’ Dat was echter tot de verkeerde man gezegd. ‘O nee, doe dat niet, het zijn maar kinderen; laat ze blijven,’ zei de Dokter. Mompelend dat het niet eerlijk was, ging de arme man weg. Maar toen hij van de kerk wegliep naar de zaal, had hij een helder idee. Hij zou akkoord gaan met de wensen van de Dokter.
Hij ging de zaal binnen, riep om stilte en zei: “Pater M. staat buiten en ik denk, dat hij iemand zoekt… ‘ En daarmee had hij genoeg gezegd, genoeg om vijf of zes schimmige kleine figuurtjes weg te sturen; zij slopen stilletjes de zaal uit. Het duurde een paar dagen voor de Dokter erachter kwam. Hij kon om deze handige truc een glimlach niet verbergen. Toch geloof ik dat het zijn hart wat pijn deed om de kinderen. Hij had altijd een teer plekje voor hen.

Maar om naar ons concert terug te keren, er kwam een eind aan, toen een bode uit de zaal dhr. Reed een woord in het oor fluisterde en hij aankondigde dat de thee gereed was. Hij organiseerde de gang uit de kerk naar de zaal en of je nu in de buitenlucht gerend had of in een volle kerk naar hartelust gezongen had, niets smaakte beter dan een lekker kopje thee in goed gezelschap. We genoten allemaal door en door en gingen blij naar huis met een hart waarin de liefde voor elkaar gegroeid was. Toen was de Pinkstertraktatie weer voor een jaar voorbij.


Ik bespaar u het verhaal van de afwas en het opruimen na een feestje van bijna duizend mensen. We hadden geen afwasmachines, maar daar iedereen graag hielp, werd de klus weer een gelegenheid voor gemeenschapsoefening.

 

5. ZOMER 1932


Wat Martyn en ik in de vakanties deden is nauwelijks belangrijk genoeg om in dit verhaal te noemen. Maar er was een zomervakantie gedurende onze tijd in Aberavon, die zo heel anders was dan we ooit meegemaakt hadden. Die moet niet onvermeld blijven.
Gewoonlijk was augustus onze vakantiemaand en die brachten we meestal bij familie en vrienden door, eerst bij Martyns familie in Londen en daarna bij de mijne in Harrow. Toen de laatstgenoemden naar Newcastle Emlyn verhuisden, gingen we met hen daarheen. Het huren van het huis van de onderwijzer in Talybont of dat van Professor Morris Jones huis in Aberystwyth verwijdden onze horizon en ontdekten we een paar verrukkelijke plaatsen, ideaal voor rust en ontspanning en voor de belangstelling van onze snelgroeiende dochter.
Sommige van deze plaatsen en de dingen die daar soms gebeurden worden elders beschreven en ik wil niet in herhaling vallen. Martyn kon zich volkomen gelukkig voelen op de meeste plaatsen, zolang we hem de morgens voor zichzelf lieten houden om te lezen, te studeren en te denken – vakantie of niet.
Maar de zomer van 1932 was heel anders. Martyn kreeg een brief van een zekere Dr. Richards Roberts, dominee van de Sherbourne Street Presbyteriaanse kerk in Toronto. Deze man was dominee in de Weelse kerk in Willesden Green te Londen geweest en hoewel beiden met een leeftijdsverschil van een generatie elkaar nog nooit ontmoet hadden, had Dr. Roberts alles over deze jonge man gehoord, over de Weelse ‘grape - vine’. Wat zenuwachtig aarzelend, maar gerustgesteld door de kennelijke oprechtheid, intelligentie en ongetwijfelde populariteit van deze nieuwe man (want per slot van rekening was hij nu al een jaar of vijf dominee) schreef Dr. Roberts om hem te vragen in juli en augustus 1932 voor hem in de kerk in de Sherbourne Street te preken.
De vooruitzichten waren helder en de uitnodiging werd aanvaard onder voorwaarde dat zijn vrouw en dochter mee konden komen! Er moest een hindernis opgeruimd worden - de zorg en het welzijn van de ‘Voorwaarts’. Zonder oplossing van die zorg voelde hij dat hij niet kon gaan. Maar er gebeurde iets dat we slechts kunnen beschouwen als dat Gods voorzienig bestel aan het werk was. Er woonde in Cardiff een bejaarde emeritus-predikant – Ds. Wynn Thomas. Hij had in Sandfields gepreekt en was een heel acceptabele gastpredikant op zondagen dat Martyn ‘weg’ was. Martyn vroeg hem om met zijn vrouw intrek te komen nemen in onze pastorie en tijdens onze afwezigheid in Canada, te preken. Hij stemde erin toe en het werd een compleet succes.
Door zijn ‘ja’ konden we gaan inpakken – o, wat dom! – We namen een koffer, een reiskoffer. Wat een voortdurende hindernis. Maar een mens leert
De dag brak aan dat we in Southampton aan boord gingen van de oude 'Olympic' Toen we wegvoeren konden we onze beide moeders zien staan zwaaien, die van Martyn en de mijne. Zij werden steeds kleiner tot we twee gekleurde vlekken zagen, een blauwe en een bruine, tot ze helemaal verdwenen. Ik was overtuigd, dat ik hen nooit weer zou zien, net zo min als weer droog land. Het droge land zagen we weliswaar spoedig, want we meerden in Cherbourg aan voor we het ruime sop kozen. Elizabeth die 4 en een half jaar was, beleefde alles gewoon en genoot van alle plezier en spelletjes in de onder toezicht staande kinderkamer of speelkamer. Het leven

van Martyn was precies eender als thuis. Wat mij betreft, ik kon er niet echt

van genieten, omdat ik bang was en mijn fantasie met mij op de loop ging. Ik

weet nog, dat ik in mijn kooi wakker lag en dacht. Er is alleen maar een wanddikte tussen mij en de Atlantische Oceaan en onzegbare gruwelen.


Toen kwam de mist en om de drie minuten loeiden de misthoorns met hun waarschuwend droevig geluid. Op een nacht midden op de Atlantische Oceaan - ik herinner het mij nog goed - was het pikkedonker en de dikke mist was echt een natte motregen. Ik liep juist naar de hoofdzaal, toen een van de officieren mij begon aan te spreken - hij zag akelig bleek en zei: 'Rotnacht'. 'Ja, ik houd er ook niet van' antwoordde ik. Hij ging voort: 'Het was net zo'n nacht als toen de Titanic verging - (0 help!) - Wij voeren zoals nu en toen kwam het alarm en elk schip binnen redelijke afstand van de plaats moest er meteen heen om overlevenden binnen te halen. Wij moesten van koers veranderen en we overtroffen ons eigen snelheidsrecord. Maar we waren te ver weg geweest en kwamen te laat om iemand te helpen.' Ik kon zien, dat hij het hele gebeuren opnieuw beleefde: hij voelde zich depressief en

ellendig en ik was heel dankbaar, dat hij weggeroepen werd. Martyn vond het

grappig, dat mij dit overkwam en toen ik de aardige kant door zijn ogen zag, was ik spoedig weer in mijn evenwicht. Maar na al deze jaren kan ik mij het gebeuren en de somberheid ervan nog heel goed herinneren.
Tijdens deze zeereis leerde Elizabeth lezen. We hadden zeeën van tijd en een kind kan niet altijd spelen. Ik had het idee, dat het haar kon interesseren en

tot op zekere hoogte het probleem van verveling kon oplossen, alsook het syndroom van 'Wat kan ik nu doen?'

Natuurlijk hadden wij geen geschikt boek waaruit ze kon leren. Dus moest ik

zinnen in drukletters voor haar opschrijven en gewapend met fonetiek en geheugen en een sterke wens om in de geheimen te duiken, ploeterde ze voort. Ik weet nog steeds de eerste zin die we aanpakten: DE DIKKE POES ZAT OP DE MAT.


Toen zij onder zeil ging en in slaap viel, kon ze met moeite 'lezen'. Intussen bereikten wij New Vork. En sindsdien is ze nooit opgehouden met lezen.
We kwamen aan op een heldere zonnige dag. Maar het was een heel ontmoedigd New Vork. De mensen leden nog steeds onder de depressie van de laatste jaren. We werden afgehaald door de ouders van een vriend van
Vincent Lloyd-Jones. Zij waren heel rijk geweest, maar waren nu vervallen tot wat zij beschouwden als armoede, zoals zo velen in die tijd in New York. Maar het waren hartelijke en vriendelijke gastheren, een paar dagen voor ze ons naar de trein naar Toronto brachten, steeds klagend over de toestand, vergeleken bij wat zij voor ons konden doen met wat zij een paar maanden eerder hadden kunnen doen.

We kwamen na een heel ongeriefelijke nachtreis ongeveer midden op de dag in Toronto aan. Dr. Roberts en een paar anderen kwamen ons afhalen en namen ons mee naar St George Straat 74 – een prachtig oud huis, nu een pension waar we zouden verblijven. Dat was op vrijdag 1 juli. Ik nam me bepaald voor een dagboek bij te houden – dat deed ik precies drie dagen lang. 1 Juli geeft het verslag van onze aankomst; 2 juli een beschrijving van ons tijdelijk huis en een aantekening over het feit dat Dr. Roberts Martyn uitnodigde om hem te introduceren in de verschillende aanwezige bibliotheken (1e prioriteit) en bij nader inzien de Bank.


Kennelijk kwam Toronto mij voor als een prachtige stad. Ik zeg: ‘Het is een meest prachtige stad – het woongedeelte vooral met fluwelen gazons en overal bomen. Als een nieuwe weg aangelegd werd, plantte men er bomen langs’. Mijn derde en laatste dagboeknotitie ging over zondag 3 juli. Dit beschrijf ik helemaal: De morgendienst begon om 11 uur. Martyn ging vroeg met een assistent naar de kerk; wij gingen er met mej. Stevenson heen. Een heel mooie kerk, uitbundig versierd en met vloerkleden. Alleen achterin was een galerij. Dr. Roberts leidde de dienst, de assistent las het hoofdstuk en Martyn preekte – vreemd om hem in een toga te zien (die droeg hij in Sandfields nooit), maar hij had er geen last van. Hij preekte over de tekst: “U dan die gelooft is Hij dierbaar”.
Er was een flinke gemeente; er werd goed geluisterd. Het werd een goede dienst met ogenblikken van gespannen aandacht. Tenslotte toonden velen waardering. Velen getuigden, dat zij zich helemaal geen christen voelden. Velen waren dankbaar voor ‘deze oase in de woestijn’. We gingen naar het huis van Dr. Roberts voor de maaltijd en de thee. – veel lof voor de preek en verzekeringen dat Martyn preekte in overeenstemming met het thema van Dr. Roberts. De avonddienst – heel goede opkomst meer dan gewoonlijk, maar niet helemaal vol. De preek werd uitgezonden: ‘Gaat in door de enge poort”. De mensen luisterden ademloos; de overtuiging was voelbaar. Kennelijk was men niet gewend op die manier het eenvoudige Evangelie te horen.. Dr. Roberts nam ons mee naar huis met de auto na een zeer informele ontvangst in de consistoriekamer, zodat we de lidmaten konden ontmoeten (Ik ontmoette Laura Samuel die 20 jaar eerder uit Newcastle Emlyn vertrokken was). Einde van het dagboek en ook van het bijhouden van dagboeknotities.
Die morgen was er een deftig uitziende kleine oude dame aanwezig. Toen zij aan het einde van de dienst met anderen ons een hand kwam geven, zei Dr. Roberts tegen Martyn, dat het een enorm rijke vrouw was – eigenares van een reeks grote winkels (zo groot als Selfridge, volgens Dr. Roberts) in elke grote stad in het hele land. Toen ze Martyn een hand gaf, zei ze: ‘Dr. Lloyd -Jones, heb ik u goed begrepen, dat u zei, dat u ‘s morgens hoofdzakelijk voor christenen preekte en ’s avonds hoofdzakelijk voor niet-gelovige of twijfelende christenen?’ ’Ja,’ zei Martyn ‘in het algemeen is dat mijn gewoonte’. ‘Wel’, zei ze vastberaden en ernstig, ‘dan kom ik voortaan ’s avonds.’ Zij hield zich aan haar woord en miste nooit een dienst. Het was bekend, dat zij eerder nooit naar een avonddienst kwam.

Deze twee maanden in de gemeente aan de Sherbournestraat waren opmerkelijk. De gemeente groeide elke passerende zondag meer en meer. De laatste twee of drie zondagen was de kerk bomvol; er stonden stoelen in de paden en op elke beschikbare plaats en er zaten mensen op de trappen van de preekstoel. Er werd speciale politie gestuurd om het verkeer te regelen en op hun verzoek begonnen de diensten vroeg. Al spoedig was er binnen geen ruimte meer over.


Dr. Roberts was geen ‘evangelical’, maar liet nooit enige tegenzin blijken. Ik denk dat het hem wel aanstond, dat zijn keuze van een vervanging in de vakantie zo’n succes was. Hij had ervoor gekozen om niet met vakantie te gaan, bepaald een ongehoorde beslissing, maar om liever thuis te blijven, vooral omdat een van zijn dochters zou trouwen in de tijd, als wij daar waren. Maar hij overreedde Martyn om in zijn plaats voor een week naar Chatauqua te gaan. Daar gebeurde hetzelfde opnieuw als in Sherbourne Street. Aanvankelijk leidde een volslagen onbekende uit Engeland de morgendienst in een kleinere zaal, maar aan het einde van de reeks zaten duizenden opgepakt in het groot auditorium om deze zelfde onbekende te beluisteren.
Er gebeurde in deze twee maanden in Toronto veel belangwekkende dingen. Sommige zijn in de loop van de tijd in de herinnering vervaagd, verhuld door de nevelen van tijd en eeuw, maar sommige hebben nog de kracht om – zoals Wordsworth’s paaslelies 3 – ‘voor het inwendig oog te schitteren, hetwelk is de zaligheid van eenzaamheid.’ Het was interessant om Dr. T.T Shields te ontmoeten, vaak aangeduid als de “Canadese Spurgeon”, een goede evangelische dominee, maar volgens velen zijn bediening bedervend met zijn onophoudelijke beschimpingen van liberalen en Rooms-Katholieken.
Ondertussen hebben we veel van het landschap gezien; ik vond het erg interessant. Toen ik op zekere dag met de trein reisde, zag ik voor het eerst hoe boeren werkten op stroken grond. De boerderijen waren niet gerangschikt als de naaf van een wiel, met de landerijen eromheen. De boerderijen lagen daarentegen in een lange rij van alleenstaande huizen in een modieuze woonwijk. De landerijen lagen van de huizen vandaan in evenwijdige stroken begrensd door een weg of een rivier. Ik was geboeid en maakte opmerkingen over de ongebruikelijke ligging en kreeg te horen dat het voor de boeren helemaal niet ongewoon was, maar heel populair, daar de

boeren alle binnen een paar honderd meter van de buren vandaan woonden en daarom niet eenzaam – een groot voordeel voor de mensen die zich daar het eerst vestigden. Nog een zeer lumineus en origineel idee was het markeren van de grenzen van hun eigendommen met boomwortels.


Van omheinen was geen sprake, want de mensen die zich daar vestigden waren erg arm. Het meest gemakkelijke was de wortels van de bomen te gebruiken die gerooid waren om het land te ontginnen. We zagen veel van deze “afrasteringen”. De grote wortels aan het eind geplaatst en verward met elkaar leken meer op verdedigingswallen dan op heiningen, maar zij waren erg doelmatig en bleven een heel lange tijd bestaan.

Op een dag had ik pech. Enkele nieuwe vrienden gingen met ons uit en toen we over de landwegen reden, merkten we op, dat aan de kant van de weg framozenstruiken groeiden De struiken waren vol fruit. Het was heet en dorstig en het fruit leek ons uit te nodigen. We stopten en genoten als op een feest. Wat ik al etende niet door had, was dat de muggen aan het eten waren aan mijn enkels. Ik moest drie dagen het bed houden met enkels als ballonnen die vreselijk jeukten. Zoals ik al eerder zei – we leren!


We hadden een paar honderd mijl naar het Noorden een prachtige trip naar woeste streken en meren. Telkens reden we door een “dorp” dat er heel anders uitzag dan thuis. Slechts een soort herberg, een benzinepomp en een paar houten hutten of huizen die er uitzagen als bungalows. Maar in een van deze kleine nederzettingen was een open vlakte met in het midden ervan een sterke paal in de grond geslagen. En aan die paal was een bruin beertje vastgebonden Voor Elizabeth een vreugde en genot, samen met een beetje aangename vrees. Maar dat was niet erg.
Alles wat de beer nodig had, was een fles frisdrank. Er lagen dozijnen lege flessen om hem heen, maar hij had nog steeds dorst. Wij gaven hem een fles en hij dronk die gulzig leeg, de fles onderste boven houdend tot de laatste druppel. En tot groot vermaak van Elizabeth keek hij erin om te zien, of er nog een druppel over was. We suggereerden, dat we Elizabeth daar maar moesten achterlaten. Maar toen we haar beloofden, dat we hem op de terugweg weer zouden zien, liet zij met tegenzin toe, dat we met haar wegreden. Ons verblijf in het hotel aan het meer dat op een ranch leek, was heerlijk, al waren we heel, heel dankbaar voor de netten die ’s nachts de muggen moesten weghouden.
Ik ontwaakte uit een diepe slaap vanwege enkel uitputting en gemis van frisse lucht. Toen hoorde ik net onder ons raam harde stemmen, knerpende wielen op grint en het snuiven en hoefgetrappel van paarden. ‘Rode Indianen’, stelde ik vast met een bonzend hart. Ik was op het punt Martyn te wekken, toen ik mezelf klaar wakker bevond en de komst van laat bezoek herkende. Onwaarschijnlijk? Jawel, maar toch echt waar.
Op zekere dag leerde ik een les gedurende de reis met de trein, waar vandaan en waarheen weet ik niet meer. Maar ik genoot er van begin tot het eind van. Ik bleef alsmaar kijken naar de schoonheid van het beboste heuvelland. We gingen met een sneltreinvaart langs de ene kant van een vallei. Aan de overkant van de brede vallei, aan de andere zijde liep het beboste land omhoog. Het was bedekt met bomen: donkergroene coniferen wier puntige toppen zich richtten op de zon. Ik bemerkte, dat er precies in het midden van de voorste rij bomen, een andere boom was. Die had een goudrode gloed en zag er zo mooi uit tegen de donkere achtergrond. Bij de volgende halte die we snel naderden, stapten we uit en ik vroeg een van de mannen die we tegen kwamen hoe de boom heette. ‘Is hij niet mooi? ‘ zei ik. ‘Ja,’ zei hij, ‘hij ziet er voor het oog er goed uit, maar is dood, weet u. Hij zal het deze zomer wel uithouden, maar hij zal helemaal aan stukken breken door het ijs en de sneeuw en de stormen, als het koude weer eraan komt. – er zit geen leven in’’. Ik moest hem wel geloven. Ik kon het zien. En ik dacht – die lijkt op ons. Wij schijnen misschien geweldige christenen, maar het ‘woeste weer’ zal ons testen, of er leven in ons is.

Ik veronderstel dat het hoogtepunt van onze toeristische uitjes de dag was, toen we naar Niagara gingen. Er woonde een gezin in Toronto dat nauw verbonden was met vrienden van ons in Llanelly in Zuid-Wales. We waren met hen in aanraking gekomen en reeds bij hen thuis geweest. Elizabeth was verrukt, dat de 12-jarige Marian met haar wilde spelen. Het speet hun familie dat zij niet veel belangstelling hadden voor geestelijke dingen, maar wij vonden hen vriendelijk en zij wilden heel graag ons de wonderen laten zien gedurende de tijd waarover wij beschikten.


Zij regelden de trip naar Niagara Falls en wij hadden een onvergetelijke dag. Het was een adembenemende ervaring binnen een paar meter te staan van de plaats waar de grote St. Laurence Rivier zich ledigt over de klippen in wolken van schuim; om haar weg te vervolgen. Maar er was meer te zien – de brug over naar de Amerikaanse kant en naar beneden door wat harde rotsen schenen te zijn in een lift waarmee we naar de voet van de waterval konden komen.
Van boven was het een schrikwekkend gezicht, maar hier vandaan was het bijna te veel! We stonden te mijmeren en ons erover te verwonderen, dat al die enorme kracht door de mens geharnast was om een grote landoppervlakte van de nodige elektriciteit te voorzien! De God Die Niagara Falls geschapen had, had zeker ook de grote hersenkracht en bekwaamheid in de mens geschapen. We sloten dit bezoek af met een lunch in de Seagram-toren – die meer leek op de Postkantoor-toren in Londen – en hadden een prachtig uitzicht over het hele gebied. Het was vreemd, dat toen Elizabeth een paar jaar geleden Niagara weer met haar eigen gezin bezocht, zich niets van haar bezoek herinnerde, toen zij 4½ jaar oud was , totdat zij weer aan de voet van de waterval stond.
Uiteraard wilde Martyn zonder ons enkele wandeltochten gaan maken. Zoals zijn bezoek aan Chatauqua en andere soortgelijke bezoeken. Maar Dr. Roberts herinnerde hem eraan dat hij op vakantie was en haalde Martyn over om met hem op de meren te gaan vissen. Zij gingen van maandag tot vrijdag. Martyn had geheel zijn leven nog nooit zoiets gedaan en later ook niet meer. Het was echt een woeste streek met een reeks meren, als kralen aan een snoer, omgeven door heuvels en bomen en dikke vegetatie waar nooit een mensenhand aan gesnoeid had. Dr. Roberts kende verscheidene primitieve hutten, zodat zij niet onder een zeil hoefden te slapen. Het enige leven in het wild dat ze tegenkwamen waren muggen en een soort kleinere vliegjes die hen constant hinderden en het hun lastig maakten. Zij hengelden vanuit een soort roeiboot. Een Indiaan roeide en sleepte de boot op het droge van het ene meer naar het andere. De gevangen prooi bestond uit meer forellen en Martyn ving voor het eerst van zijn leven een groot aantal vissen, inclusief een enorm beest zo groot als een behoorlijk grote zalm. En die allemaal zonder hulp. Hij stemde erin toe ermee op de foto te gaan; in geval niemand het verhaal zou geloven. Wij aten de vis in het weekend en het smaakte verrukkelijk. De hele week had hem heel veel goed gedaan en hij kwam thuis eruit ziende als een rode Indiaan.
Een van de herinneringen van Elizabeth was die van een geweldige maaltijd die ze bij ons meemaakte. Mevr. Fudger, de rijke oude dame had ons uitgenodigd en toen zij begreep, dat Elizabeth achterlaten bij totaal vreemden moeilijk was en het onmogelijk maakte om de uitnodiging aan te nemen, stond zij erop haar ook mee te brengen. Dus, terwijl wij en de familie Roberts en een paar anderen aan de grote tafel van het diner zaten, had Elizabeth voor haarzelf alleen een klein tafeltje een paar meter van mij vandaan waar ik zat; daar werd zij met haar pop tot en met bediend.
Maar – en dit is voor mij het meest interessant, als ik terugkijk – er vond een voorval plaats, toen we op het punt stonden weg te gaan. Wij hadden afscheid genomen en stonden op het punt om in de auto te stappen, toen iemand begon te gillen – de pop was achter gelaten! Martyn keerde om en ging terug naar de stoep van de voordeur – deze zag eruit als een plaat solide staal! Hij vond een bel en drukte erop; wij konden die op afstand horen. Na een paar minuten werd er een paneeltje opengeduwd en verscheen er een bordje van traliewerk ongeveer 15 cm in het vierkant en een ongerust gezicht tuurde naar ons, en daarna nog een en nog een.
We legden onze situatie uit. Er vond een bespreking plaats, daarom was er een soort bevel gegeven. Tenslotte ging er een deurtje in het “ijzeren gordijn” open, juist breed genoeg om een hand met een pop erin door te laten. We pakten de pop; de arm werd teruggetrokken en de deur snel gesloten. Er wachtte niemand op ons bedankje. Men was blijkbaar erg geschrokken en voelde zich pas veilig, toen de stalen deur weer gesloten was. In 1932 scheen het ongelooflijk en werkelijk nogal dwaas, maar vandaag de dag niet!
Tenslotte brak de laatste zondag in augustus aan, de volle bijeenkomsten en de warme afscheidsgroeten. We zouden vanuit Quebec met de boot vertrekken, hetgeen een lange treinreis betekende en een nacht in Quebec door te brengen. Al onze vrienden in Toronto zeiden: ‘Jullie moeten zeker verblijven in het “Chateau Frontenac”, een prachtig hotel boven op een rots boven Quebec – het toppunt van luxe hotels.
We kwamen in Quebec, maar hadden geen idee, hoe we bij ons ‘Chateau’ moesten komen of ergens anders. Alles was verwarrend en even Frans als in Frankrijk. Toen zag ik plotseling een kantoortje met alleen een dame achter een grote tafel. En een mededeling erboven dat men daar Engels sprak. Een oase in de woestijn! Wij gingen erheen en vroegen, hoe we in het Chateau Frontenac konden komen, daar we tot de volgende dag op de boot moesten wachten. Deze heel aardige persoon keek ons een minuut aan. Haar ogen werden zacht, toen zij naar Elizabeth keek.
Ze zei: ‘Waarom wilt u naar het Chateau?’ Martyn zei, dat men ons dat geadviseerd had – of liever geprest had dit te doen – en we wisten niet, waar we anders heen moesten. Ze nam vervolgens een resoluut besluit: ‘Daar moe ut niet heen willen gaan. U moet dat kleine meisje daar niet heen willen brengen. Zij zou veel gelukkiger zijn bij de Y.W.C.A. Daar is het aangenaam verblijven. Ik zal een taxi voor u bestellen.’
We beseften nauwelijks, dat we werden gedirigeerd, maar we kwamen in de Y.M.C.A en ondervonden, dat zij volkomen gelijk had. Het was een geweldig mooi oud huis, omgeven door gazons die deden denken aan St George 74, maar dan veel groter. Wij verlustigden ons in de luxe van de koelte en het comfort en de rust en zagen iets van Quebec voor we de volgende dag aan boord gingen van de “Empress of Britain” en zonder incident afvoeren na een onvergetelijke ervaring.
In de hele periode dat we weg waren scheef Martyn elke week een brief aan de gemeente van Sandfields. Elke brief zou men een wekelijks dagboek kunnen noemen – om alles wat hij deed, zijn opmerkingen over de diensten en sommige reacties die hij van zijn hoorders kreeg; alle gedachten die opgeroepen werden, ook van alles wat hij zag en hoorde, waren in wezen een doorlopend commentaar op de week en steeds de uitdrukking van zijn zorg voor het welzijn van de kudde in Sandfields.
In feite waren het echt pastorale brieven. Dhr. Wynn Thomas zou ze aan de gemeente voorlezen en Martyn was erg gelukkig bij de gedachte, dat ze een volledig en samenvattend verslag vormden van zijn acht weken in Canada.
Maar helaas heeft nooit iemand die brieven later gezien en niemand weet wat ermee gebeurd is. Ik veronderstel, dat dhr. Thomas er nooit aan gedacht heeft ze aan dhr. E. T. Rees te geven voor de gemeentearchieven en dat dhr. Rees er liever niet naar wilde vragen. Niemand weet het. Toen dhr Wynn Thomas stierf (zijn vrouw was eerder overleden) hebben we geschreven aan de mensen die verantwoordelijk waren voor het afwikkelen van zijn zaken en bezit. Wij vroegen hem de brieven voor ons te bewaren, als hij ze ooit tegen zou komen. Maar ze zijn nooit terechtgekomen. Was dat wel gebeurd, dan was dit hoofdstuk wel een boek geworden. Ik weet zeker, dat men de lezing ervan rijk en vreugdevol zou hebben gevonden.
In 1937 stak Martyn weer de oceaan over, maar zonder zijn gezin, want Ann was in januari van dat jaar bij ons gekomen en was net 6 maanden oud. Zij, Elizabeth en ik bleven bij mijn ouders in Harrow, terwijl Martyn in de Verenigde Staten preekte. Ik heb een echte bibliotheek van brieven, die waarschijnlijk het hele verhaal van zijn bezoek zouden vertellen, maar zij zouden allemaal uit het Welsh vertaald moeten worden. Misschien zullen ze later in druk verschijnen. Ongetwijfeld had Martyn vruchtbare en belangwekkende zes weken en heeft daar veel kostbare en verwante zielen ontmoet.
Maar in elke brief klaagt hij ook over heimwee – soms meer – soms minder. En hij verklaarde, dat hij nooit meer alleen zo’n reis zou maken – hetgeen hij ook nooit gedaan heeft!
6. WILLIAM NOBES

 

Ik weet niet meer wanneer William Nobes voor het eerst bij ons kwam; ook niet dat hij ooit niet bij ons was. We vonden hem niet oud, hoewel hij al gepensioneerd was. Zijn vrienden noemden hem Nobby. Soms kwam deze oudere bijnaam uit de tijd dat hij nog werkte naar boven. Het was voor mij een raadsel – ‘Waarom Kingy?’, vroeg ik iemand die juist die naam gebruikt had. ‘Vroeger zat hij bij de marine, weet u’, was het antwoord, dat ik kreeg, en dat bedoeld was om alles te verklaren. Om een of andere onbekende reden was elke marinier een “Kingy”.



William Nobes, een magere, bijna jongensachtige figuur, zag er altijd tot in de puntjes schoon en netjes uit. Hij had een gaaf gezicht, regelmatige gelaatstrekken en heldere blauwe ogen, was glad geschoren, rozerood en blank, had wit haar en een plezierige gelaatsuitdrukking dat altijd een glimlach had. Hij was rustig en onopvallend, er niet op uit om in het openbaar zijn mening te geven. Ik herinner mij slechts eenmaal hem te hebben horen spreken en dat was wel iets om te onthouden. Het was op de bijeenkomst van het Gezelschap.
De gesprekken waren vrij en vaak ontroerend; als er iets gezegd was of enige innerlijke drang daartoe, stond William Nobes overeind en vertelde ons zijn bekeringsverhaal. Hij sprak niet vlot of ook met gemak, maar aarzelend. Hij sprak zacht en brouwend, typerend voor de zuidelijke graafschappen. Elk oog was op hem gericht en wij wachtten op wat hij ging zeggen, met iets meer dan een afwachtende stilte.
Hij zei weinig over zijn eertijds, of hij christelijke voorouders had. Ik weet niet of hij ooit bij ondervinding gewetenswroeging had gehad of worstelingen van overtuiging – wat had ik hem er toen graag naar gevraagd. Mijn indruk was, dat hij nooit een gewelddadige zondaar geweest was, maar wel, dat hij geheel onverschillig was tegenover God en dat hij niet de minste belangstelling voor geestelijke zaken had.
En toen, met zijn jeugd achter zich, toen hij op middelbare leeftijd gekomen was, had hij een droom. Hij zag nog steeds, hoe afschuwelijk de droom was en hij slaagde erin om ons in de stilte van die bijeenkomst iets van het afschuwelijke mee te doen voelen.
In zijn droom hing hij boven een vlammende hel, hulpeloos en in paniek. Boven hem en de opening van de put, die daardoor bijna was afgesloten, was een enorme bal, als een grote aardbol en hij merkte, dat hij langs de bal probeerde naar boven te klimmen om weg te komen van de hitte van de vlammen beneden, naar boven in de schone, koele lucht. Soms legde hij 2 of 3 voet af, soms meer, soms slechts twee of drie duim.

Eens dacht hij dat hij over de helft van de bal gekomen was, maar ondanks al zijn inspanningen en de toenemende vrees en doodsangst was het resultaat steeds hetzelfde – hij kon zich niet vasthouden niet nog een duim klimmen en in hulpeloze zwakte gleed en slibberde hij terug langs die vreselijke helling, en zag dat hij weer was waar hij begonnen was.


Dit scheen een eeuwigheid te duren en toen tenslotte hopeloos hangend boven de open kaken van de hel, keek hij nog eens naar het licht boven hem en slaakte een grote, wanhopige kreet. Daar zag hij in dat licht een gezicht dat op hem neerzag, vol liefde en medelijden. Een hand strekte zich uit naar beneden, greep hem en trok hem op uit het afschuwelijke daar beneden hem en plaatste hem op de vaste en zoete grond en in de zuivere schone lucht.
Wat zei David? Hij boog zich over mij en hoorde mijn geschreeuw. Hij haalde mij op uit de verschrikkelijke kuil….en zette mijn voeten op een rots en heeft mijn gangen vastgemaakt. En hij heeft me een nieuw lied in mijn mond gegeven, ja een lofzang aan onze God.”. Ps. 40 : 3, 4.

Al deze woorden kon William Nobes ook opzeggen en zij waren alle voor hem waar. Vanaf die tijd wandelde hij voor de Heere in liefde en dankbaarheid.


William Nobes was erg arm naar de wereld. Van het magere pensioen van die tijd kon hij net rondkomen en de huur betalen van zijn vrijgezellenkamertje. Maar niemand heeft hem ooit horen brommen of klagen. ‘We zijn nu alleen maar met ons vieren’ was zijn tevreden antwoord, als er iemand naar zijn gezin en familie vroeg, ‘mijn bed en mijn tafel, mijn Boek en ik’.

Men zou kunnen denken, dat al is zijn naam in de hemel opgeschreven, er niet veel te schrijven was over zijn aardse leven. Misschien niet, maar naast zijn lieve aard had William Nobes een zeldzame en kostelijke gave, een verrassende gave, zou men denken in zo’n verlegen en teruggetrokken aard. Hij kon zonder ergernis te geven altijd en tegen iedereen spreken over God en geestelijke zaken.


Er was een vensterbank in de open ruimte buiten de ingang naar de markt. Dat ving alle beschikbare zonneschijn op en William Nobes werd daar gewoonlijk aangetroffen, blij pratend op zijn vriendelijke manier tegen wie ook maar tijd had om stil te staan en met hem te praten. Als het soms liep over de verwoesting veroorzaakt door de domheid van sommigen van de meeste goedbedoelende christenen, wisten we dat de gave van deze onopvallende vriendelijke discipel van de Heere zeker heel hoogstaand was en we beseften allen, dat hij een plaats verdiende, zo niet onder de drie “helden”, dan zeker onder de dertig.!
William Nobes stierf zoals hij geleefd had, stil en vredig. Hij had geen gezin en zover men wist geen enkele familie. Maar hij was een Koningskind en op de dag van zijn begrafenis, was er ‘familie’ genoeg om zijn aardse lichaam ter ruste te leggen, “in een vaste en zekere hoop op de opstanding”. Zelfs op deze, zijn laatste reis legde William Nobes nog steeds getuigenis af. Dat was te zien aan het grote gezelschap van zijn medeleden van de kerk – zijn gezin – die de Dominee volgden achter de eenvoudige doodkist door de stad heen en drie mijlen omhoog naar de begraafplaats op de berghelling. Hij sprak tot de harten van vele – nieuwsgierige, belangstellende, zorgeloze, nadenkende - toeschouwers.
Het herinnerde hen weer, temidden van de drukte van het dagelijkse leven aan de “onzienlijke dingen”, die, zoals het Woord van God ons zegt, “eeuwig zijn”
7. MARK McCANN

 

Op zondagavond zat ik vroeg op mijn plaats achter in de kerk. Toen kwam Johnnie Mort binnen en stond op het punt naar zijn gewone plaats vooraan te gaan. Toen aarzelde hij, stond stil en fluisterde mij toe: ‘Ik heb hier vanavond een van de generaals van de duivel meegenomen, mevrouw Lloyd-Jones, bid voor hem, dat hij bekeerd mag worden’.


Ik keek belangstellend naar de man die hem volgde op het gangpad en tijdens de voortgang van de dienst, had hij moeite om niet te luisteren naar alles wat er gezegd werd. De dienst liep ten einde en vele lidmaten vertrokken tijdens de slotzang voor de nabetrachting. Tot hen behoorden Johnnie Mort en zijn vriend.
Toen zij het gangpad opkwamen, kon ik de bezoeker beter bekijken. Ik zag een dunne, nogal lange, magere man met dun grijs haar, glad op zijn hoofd geplakt, een beetje verlegen gelaatsuitdrukking en een ongelooflijke snor. Die was zorgvuldig met was bestreken om aan weerskanten recht uit te staan. Van links naar rechts gemeten was die heel wat breder dan zijn lang en mager gezicht. Deze was zijn trots en vreugde en hij zou ervoor hebben willen vechten aanspraak te kunnen maken op de langste snor, even fel als een ridder van ouds de eer van zijn beminde zou hebben kunnen verdedigen.
In de loop van de volgende dagen kwam Johnnie Mort zijn vriend aan ons voorstellen en wat over hem vertellen. Hij heette Mark McCann, een Schot van vaders kant en een Ier van moeders zijde. Waarschijnlijk was hij iets boven de zestig en vroeger mijnwerker. Maar het schijnt, dat werken in zijn leven altijd van minder belang geweest was. Hij bracht zijn tijd hoofdzakelijk door met het bezoeken van de ene kermis na de andere, soms kilometers van elkaar, lopend en soms liftend, met het doel van dat alles: vechten! Daarvoor leefde hij. Zelf zei hij, dat hij overal wel heen wilde voor een goed gevecht.
Zijn kameraden wisten precies, hoe ze hem konden opjutten. Een paar borrels en daarnaast een beetje uitdagen of beledigen waren genoeg. Een feilloze manier om hem woedend te maken was elke scherpe opmerking over zijn snor; dat mijnheer Dinges een betere of langere had. Dan had je de poppen aan het dansen.

Ongetwijfeld was hij vaardig in dat opzicht; hij kon geweldig vechten. Zijn uitzonderlijk lange armen gaven hem het voordeel dat hij ver kon reiken; de wandelingen hielden hem fit en hij was zeer geoefend. Maar daar kwam nog bij, dat hij een onbeheerst temperament had – had die hem eenmaal in zijn greep, dan was hij praktisch krankzinnig. Zijn tegenstander buiten gevecht stellen was niet genoeg. Naar zijn eigen zeggen bij een van zijn zeldzame momenten van openhartigheid, moest hij doden en met dit doel wierp hij zich dan op de ter aarde geworpen verslagen man, schudde hem en sloeg zijn hoofd tegen de grond evenmin denkend aan opgeven als een valse hond die zijn slachtoffer fel aanvalt.


Deze neiging had hem doen schrikken en daar hij zelf erkende, dat het erger werd in plaats van beter, zorgde hij ervoor, dat hij altijd een gevecht begon, voordat hij twee kompanen bij zich had om hem te weerhouden van verdere aanvallen, als hij iemand eenmaal buiten gevecht gesteld had. Zij hielpen hem om af te koelen en dan de prijs van de overwinnaar binnen te halen.

Mark McCann gaf me nog een andere barre illustratie van zijn krankzinnig temperament. Op zekere dag was hij binnen gekomen voor zijn warme maaltijd en stond zijn volle bord op de tafel. Hij ging naar de bijkeuken om zijn handen te wassen en toen hij bij de tafel terugkwam, zag hij, dat de hond zijn maaltijd op at. Hij vertelde mij - met gebogen hoofd en afgewende ogen – dat hij de hond meenam naar de gootsteen in de keuken en met een broodmes zijn hoofd afsneed! Dit alles vertelde hij niet met een bravo mentaliteit of in een omgekeerde zelfverheerlijking, maar zich diep schamend mompelde hij zacht alsof hij het allerergste moest vertellen en weer verzekerd worden van de eeuwige barmhartigheid.


Die eerste zondagavond werd Mark McCann door de Geest van God gearresteerd. Hij wilde alsmaar de nabetrachting bijwonen en Johnnie Mort zei wijselijk niets tegen hem, hoewel hij kon zien, dat er een ‘werk’ aan hem werd verricht.
De volgende zondag hadden we een gastpredikant. Enigszins tot verbazing van Johnnie Mort fluisterde McCann na de avonddienst, dat hij voornemens was in de nabetrachting te blijven, hetgeen hij deed. Johnnie Mort naast hem, vol vragen en half ongelovig. Hij stond op ten antwoord op de uitnodiging, werd ontvangen met plechtige vreugde en vanaf dat ogenblik bleek hij een veranderde man, feilloos trouw, waarachtig wedergeboren – nog een enigszins bejaarde zuigeling voor de kerk om lief te hebben en te koesteren.
Vele maanden later zei hij tegen mij, dat hij in zijn hart wist die eerste avond bekeerd te zijn, maar dat hij te verlegen was of te zenuwachtig of ook om – hij wist niet wat - een verklaring af te leggen. Die hele week groeide er een innerlijke angst in hem, dat hij zijn kans had gemist en dat God hem aan zijn lot zou overlaten. Nooit had een week zo lang geduurd, maar naarmate zijn angst toenam, groeide zijn vastbeslotenheid en toen de uitnodiging kwam op de tweede zondag in de nabetrachtingsbijeenkomst, was dit als een reddingslijn voor een drenkeling. ‘Het speet me, dat de Dokter er niet was,’ zei hij. ‘Ik had graag willen wachten op hem om mij te ontvangen, maar ik durfde op geen andere week te wachten.’

Mark McCann had een gezin, een vrouw en vier of vijf volwassen kinderen, van wie de jongste een meisje was van een jaar of vijftien. De enige die blijkbaar enige intelligentie had was de oudste zoon Tom, die jammer genoeg schik had in wat hij kon om zijn vader te laten struikelen. Ik hield nooit op mij te verbazen over de manier waarop de Heere zijn vader hielp aan een antwoord, als hij het moeilijk had of aan een woord op zijn tijd, als het nodig was. Want hij wist in het begin absoluut niets van geestelijke dingen af.


Ik herinner mij hiervan nog een voorbeeld dat hij mij vertelde op zijn eigen half - aarzelende, half - verdedigende manier – bang om te weten of het goed was wat hij zei.
Zoon: ‘Vader, u zegt, dat Jezus Christus heel goed was, is ‘t niet?

McCann: ‘O ja, zoon, o ja. Hij was goed, heel goed, de Beste.’

Zoon: ‘U gelooft, dat oorlog en vechten slecht zijn, niet waar?’

McCann:: ‘O ja, zoon, ja, erg slecht, o zo erg slecht.’



Zoon: ‘Wel, er staat in de Bijbel, dat Jezus Christus tegen zijn discipelen zei, dat zij voor zwaarden moesten zorgen.’
Wat moest hij nu zeggen? Hij wist niet, dat de Heere ‘mond en wijsheid beloofd had, die al uw tegenpartijders niet kunnen tegenspreken of tegenstaan (Luk. 21 : 15). Maar Hij zou het dan en veel andere keren bewijzen. Aan het einde van het gesprek zei
McCann: ‘Goed, zoon, als er in de Bijbel staat, dat Jezus Christus ons gezegd heeft een zwaard te nemen, dan moet dat zijn om onze zonden af te snijden!’
Dat was niet wat u zou vinden in een commentaar of een theologische verhandeling, maar het was wel doeltreffend en heel effectief! Tom (de zoon?) had zich zonder iets te zeggen omgedraaid en was weggegaan zonder enig woord te zeggen.
De leden van zijn gezin toonden nooit enige belangstelling voor de staat van hun ziel, maar zolang Mark McCann leefde, moesten allen de diensten op zondag bijwonen. Of zij bang voor hem waren en voor de woede - uitvallen die hen zo lang hadden geterroriseerd, of dat zij dankbaar waren voor de vrede die zij nu genoten jegens “een onbekende God”, die zij associeerden met de ‘Chapel’ , weet ik niet. Maar zo lang als hij leefde, gingen ze allemaal in één drom gehoorzaam mee naar de zondagse diensten. Wat hem betreft, hij was er bijzonder blij mee en genoot van dit alles. Hij scheen een echt geestelijk begrip te hebben, een door God gegeven instinct voor wat goed was, hoewel hij geheel onwetend en niet onderwezen was, gezien uit menselijk oogpunt.
Op een woensdagavond op de bijeenkomst van het gezelschap een paar weken na zijn bekering zat McCann als gewoonlijk op zijn plaats achter in de zaal en genoot van elk woord in de gesprekken en dronk alles in, maar zei nooit iets. Ik herinner me niet, dat hij ooit een woord in het openbaar sprak. Aan het einde van de bijeenkomst, na de zegen, ging Dokter zoals gewoonlijk bij de deur staan om een woord te wisselen met de mensen en een hand te geven aan de vertrekkende leden, onder wie McCann – maar nu een nauwelijks herkenbare McCann. De snor, eens zijn trots en vreugde, was weg. Alles wat ervan over was, was een klein, keurig verzorgd, gewoon, onopvallend overblijfsel op zijn bovenlip.
Zich herstellend van zijn verbazing en met verschillende verklaringen voor het fenomeen die door zijn binnenste stroomden, zei Dokter: “Mijnheer McCann, wilt u een paar minuten wachten? Ik zou graag een woord met u willen wisselen”.Hij was bang, dat een ongevoelige en wellicht goedbedoelde bemoeial, opmerkingen gemaakt had over deze pas bekeerde. Hij vroeg hem, wie tegen hem gezegd had dat hij zijn snor moest afscheren.? ‘Niemand, Dokter, niemand heeft mij gezegd, dat ik dat doen moest”. ‘Maar waarom hebt u dat dan gedaan?’ Weer (reageerde) hij schuifelend en verlegen, aarzelend en bijna stotterend: ‘Wel, Dokter, op een morgen was ik me aan het scheren, keek in de spiegel naar mezelf en naar mijn snor en zei ik bij mezelf: ‘Die dingen passen een Christen niet en toen heb ik hem afgeschoren.’

Hij was hartelijk vanaf het begin. Als hij hoorde dat andere dingen niet bij een Christen hoorden, moesten ze weg. Drank was nooit een probleem, maar zijn temperament wel en de erkenning daarvan en zijn succes om ermee om te gaan was weinig minder dan heldhaftig.


Op een avond, toen we de zaal verlieten na ene door-de-weekse bijeenkomst liep ik langs een man of drie, vier die met McCann stonden te praten. Toen ik: ‘Goede avond’, zei en voorbijliep, zei een uit de groep: ‘Is het geen schande, mevrouw Lloyd-Jones, McCann kan niet lezen’ ‘Niet kunnen lezen?’ Ik was heel verbaasd. ‘Nee, dat is jammer; hij heeft het nooit geleerd, ziet u’ Hij had het graag willen leren. Hij kan de Bijbel niet lezen’. Er klonk een heel koor van gemompel en commentaar. Intussen schoof McCann met zijn voeten en liet het hoofd hangen.
‘Kunt u helemaal niet lezen, mijnheer McCann?’ vroeg ik. ‘Nee, ik heb het nooit geleerd. Ik ging nooit geregeld naar school; ik liep altijd weg; daarom kan ik niet lezen’. Wanhoop en hopeloosheid alom. Nu, ik weet, dat het gemakkelijk genoeg is om een kind te leren lezen. Maar toen de gedachte bij mij opkwam, dat dit moeilijker zou zijn m.b. t. een man die midden - vijftig of bijna 60 jaar was, liet ik die geheel varen. Het beeld van mijn moeder kwam mij voor de geest, hoe zij de oude heer Matthews leerde lezen. Hij was heel wat ouder dan 70. Zij scheen het helemaal niet moeilijk te hebben gevonden.

Ik moet hier een ogenblik afdwalen, want deze Matthews verdient het met ere genoemd te worden. Heel zijn leven is hij boer geweest in het Glamorgandal; hij begon als boerenknecht in een hutje. Zoals velen van zijn tijdgenoten in hetzelfde beroep, was hij nooit op school geweest en van kindsbeen af kende hij niets anders dan hard werken. Hij was opgegroeid en getrouwd en heeft een groot gezin grootgebracht met het vorstelijke bedrag van 9 shilling per week.



Hij maakte een duidelijke bekering mee in de opwekking van 1904-05, 4 toen hij naar ik denk dichter bij de 70 dan bij de 60 jaar oud was. Hij had gezien en gevoeld, hoe de Heilige Geest krachtdadig werkte en het wonder en de heerlijkheid van die opwekking is hem altijd bijgebleven. Maar hij kon niet lezen en was zich bewust van het grote gemis, dat hij de Bijbel niet kon bestuderen.
Nu was hij als gepensioneerde gaan wonen bij zijn getrouwde dochter in Harrow. Zij en haar man waren oprechte christenen. Zij hadden drie fijne kinderen en het gezin bezocht een Engelse kerk. Dhr. Matthews kende geen Engels en hij was lid van de Welshe kerk waar wij als gezin heengingen.
Op zekere dag vertelde mijn moeder ons, dat dhr. Matthews ging leren lezen en elke morgen voor lessen zou komen. Wij vonden het erg spannend. Misschien vonden we het moeilijk te geloven, dat iemand lessen zou willen hebben. Evenwel kwam de leerling en na al deze jaren kan ik hen nog in mijn herinnering zien.
In ons ouderwetse huis hadden wij wat wij noemden “de salon”. Die gaf toegang tot een glazen huis dat wij groots noemden “Het Conservatorium” en in een van deze kamers plachten zij te zitten. Zoals ons klein broertje zou zeggen: ‘Als het mooi weer is, zitten ze in de “d’awin’ moon” en als het nat weer is in de “scuvetry”.
Natuurlijk lag de Bijbel met grote letters opengeslagen op de tafel tussen hen , een in de taal van Wales (en Welsh is een fonetische taal). In een mum van tijd las dhr. Matthews. In het begin langzaam en met horten en stoten, terwijl hij de woorden met een vinger aanwees. Maar weldra met gemak en genotvol. Toen hij eerst het woord Jesu (Jesus) ontdekte, schoot zijn gemoed helemaal vol en terwijl de tranen over zijn wangen rolden riep hij: ‘O, Zijn Naam, zijn gezegende Naam’, pakte het boek op en kuste die Naam.
Ik weet zeker, dat het de herinnering hieraan was, die hielp in minder dan een seconde de twijfel in mijn gemoed te verdrijven aangaande de mogelijkheid om een oude man te leren lezen. Hoe het ook zij, ik zei in het volste vertrouwen vergeleken met wie nog jong was en gebrek aan ervaring had: ‘Ik weet zeker, dat ik u kan leren lezen, mijnheer McCann, als u het zou willen proberen’. A.u.b. help mij! Ik besefte nauwelijks wat ik op me nam. Dhr. McCann was verrukt en sprong op bij het aanbod en wij regelden de tijden van de lessen.
De eerste paar minuten van de eerste les maakte mij alles duidelijk!! Ik had een van de leesboeken van onze dochter Elizabeth uitgekozen. Het was een klein boekje met een plaatje op een bladzijde en een paar eenvoudige worden op de bladzijde er tegenover. Het heette: De kleine rode Kip. Er kwam niets van terecht. Fonetiek? We hadden net zo goed Chinese karakters kunnen proberen. Ik was wanhopig en verdrietig om wat ik wist dat voor hem een grote klap zou zijn.
Wij ploegden twee/drie lessen voort zonder enige hoop van mijn kant. Toen – het moet de derde of vierde keer geweest zijn, dat hij kwam - ik het boek pakte en voor hem legde, schoof hij het weg. Half - verdedigend en half -opstandig zei hij: ‘Dat wil ik niet lezen; ik wil de Bijbel lezen’. Ik beken dat ik me bestraft voelde!. ‘Goed’, zei ik, ‘laten we dat doen en ik pakte een Bijbel in heldere druk en sloeg die open bij het Evangelie naar Johannes, hoofdstuk 10, vers 11: ‘Ik ben de goede Herder…..’ Elk woord met de vinger aanwijzend, begon hij hardop te spellen, nu en dan een klein woordje voor zichzelf houdend en keek, hoe hij daarvan de grote kon afleiden. ‘Ik’….. be’n, dan erg aarzelend ‘ben, d’e’???
Toen ik zag, dat hij vastraakte, zei ik: ‘Hier kan je niets van maken, is ‘t niet? U moet gewoon bedenken dat d’e’ altijd gelezen wordt als “de”..Heel tevreden! Hij heeft het nooit vergeten en nu stond de deur wijd open en het ging hem dagen.
De manier om Mark McCann te leren lezen was vooral een zaak van geheugen en de klank van de woorden; misschien enige bekendheid met de rest van de zinnen, maar bovenal besef van de dierbaarheid van de woorden en een overweldigend verlangen om ze te lezen. Daar kwam nog een moeilijkheid bij. Het werd duidelijk, dat hij een leesbril nodig had. Een meelevende opticien in de stad zorgde ervoor (hij weigerde betaling door hem) en weer maakten we goede vorderingen. Hij placht voor de les te komen, aan tafel te gaan zitten, de bril tevoorschijn te halen en die met zijn zakdoek liefdevol schoon te wrijven en zei dan altijd hortend en stotend en al aarzelend: ‘’Prachtig grint in de bril’ en zette hem trots op.
Na een poos ging ik me afvragen of de beslist merkbare vorderingen in het lezen gelegen zouden kunnen hebben aan zijn sterke geheugen. Had hij onbewust Johannes 10 uit het hoofd gememoriseerd?
Wij sloegen een hoofdstuk op in het Evangelie naar Markus – geen vooruitgang! Zelfs de vinger langs de woorden, van woord tot woord, gaf geen resultaat, noch met een paar andere passages. Ik beken, dat ik de moed een beetje ging verliezen, maar ging steeds terug naar Johannes 10 om hem gelukkig te houden.

Toen kwam ik op zekere dag op het idee om het eens met Johannes 1 te proberen. We vonden de plaats en met zijn vinger gereed, begonnen we. Maar merkwaardig….Hij werkte in de regel langs de lijn, heel langzaam en met horten en stoten, af en toe hulp zoekend en toch met een vreemd soort vertrouwen. Aan het eind van het eerste vers hield hij op, keek over zijn bril heen mij aan en zei: ‘Grappig, niet waar? Ik kan Johannes lezen, maar Markus niet, hoewel ik ook zo heet.’.


Daarna gaf ik toe en besteedden urenlang de lessen aan het Evangelie naar Johannes. Ik herinner mij vooral de hoofdstukken 14 en 15. Zijn vreugde kende geen grenzen en veranderde zijn lege dagen. Maar het zou niet lang duren
Op zekere dag kwam Mevr. McCann aan de deur om te zeggen, dat de gezondheid van haar man niet in orde was en dat hij niet op les kon komen, maar wel graag mij zou willen spreken. Ik was zelf ook niet in orde, maar daar de dokter weg was, zei ik, dat ik zou gaan. Ik herinner mij nog de wandeling naar zijn huis, weinig minder dan een mijl verderop. Het was een warme dag eind juni of begin juli in de zon die genadeloos op ons brandde. Dat betekende echter niets vergeleken met wat ik in het huis aantrof. Men liet mij in de zitkamer die aanvoelde alsof men een oven binnenging.
In de open haard was een laaiend vuur dat loeiend zijn weg zocht naar de schoorsteen. Tussen de deur en de haard, bijna mijn ingang versperrend stond een lange, hoge tafel en ernaast lag iets onder een laken. Een ogenblik dacht ik…, maar nee! Een beweging rechts van het vuur trof mijn oog. Daar lag Mark McCann, met een lijkwit gezicht en opgepropt in zijn smal bed, om hem in staat te stellen te ademen. Kennelijk was hij doodziek.
Hij had altijd al, wat hij noemde, een zwakke borst, maar dit was geen gewone ‘borstaandoening’.. Zijn bleke gezicht en de zweetdruppels op hoofd en gelaat, de hoge koorts en de steeds terugkomende oncontroleerbare rillingen en de kennelijk ernstige ziekte betaalde hun tol. De gevreesde ‘rubberen long’, het gevolg van jarenlange arbeid in zijn jonge jaren in de antracietmijnen – had hem weer aangepakt. Mark McCann was stervende. Zijn Bijbel en zijn bril lagen naast hem op zijn bed, steeds binnen handbereik. Dit verklaarde het laaiende vuur. Zijn vrouw en kinderen dachten dat de rillingen betekenden, dat hij het koud had!

Maar wat lag er onder dat witte laken? Toen ik tenslotte opstand om weg te gaan, zei mevr. McCann vol trots: ‘Kijk, mevrouw Jones’, terwijl ze het laken wegtrok. En daar lag een enorme zwarte zeug, op die morgen gedood en nu op een praalbed liggend. ‘Ik zal wat spek naar de pastorie laten brengen, als wij de zeug klein gemaakt hebben, mevrouw Jones.’ Ik raakte bijna in paniek. ‘O nee, doe dat niet. Het zou erg jammer zijn om die te verspillen.’ ‘Wat? lust u geen spek, mevr. Jones?’ Nu, wat kon ik zeggen? ‘We gaan een paar weken weg, ziet u’. Deze uitleg werd geaccepteerd.


We hebben hem een paar keer bezocht voor we op zomervakantie gingen. Hij was vriendelijk en hoffelijk en werd gewoonlijk aangetroffen, terwijl zijn ogen en lippen de vinger volgden die hem nog steeds begeleidde door de geschriften van zijn beminde Johannes. De mannen uit de gemeente bezochten hem trouw. Zij plachten de bezoeken te regelen, drie of vier personen per keer, met hem te bidden en met hem te praten over de rijkdom van zijn pas gevonden geloof. Hiervoor was hij dankbaar en vol vrede en diepe vreugde.

Hij scheen alleen maar meer weg te zakken, werd steeds zwakker, totdat de Heere in Zijn barmhartigheid hem uit al zijn lijden haalde naar zijn thuis in de hemel en de Kerk verheugde zich in de wetenschap, dat weer een van onze “bejaarde zuigelingen” voor eeuwig veilig was.


8. STAFFORSHIRE BILL

 

Staffordshire Bill zat te drinken in de Club van de Werklieden. Het was een wanstaltig hoopje mens, niet erg groot, maar dik. Hij bleek altijd verschillende truien te dragen en gebreide vestjes en verschillende jassen tegelijk aan te hebben. Zijn gezicht was donkerrood en had een lugubere uitdrukking. Dichtbij kon men zien, dat de huid van zijn gezicht bedekt was met talloze littekentjes – het resultaat van dronkemansfeesten en de onvermijdelijke gevechten die plaats vonden op de kermissen die hij nooit miste.


Het was zijn gedrag op kermissen en zijn constante roep om ‘Eerlijk spel nu, jongens, eerlijk spel’, die hem de bijnaam bezorgde, waaronder zijn kennissen van de kermis hem kenden – Billy Fairplay.
Deze zondagmiddag zat hij alleen in de club, maar dat was helemaal niet vreemd. Hij was altijd alleen. Hij had geen vrienden en zijn medeleden van de Club vermeden het altijd om aan zijn tafel te zitten. Weliswaar waren velen van hen zelf geen toonbeelden van deugd. Zij namen het ook niet nauw met hun taalgebruik waar mogelijk. Maar de vuile taal van Staffordshire Bill en zijn onaangename persoonlijkheid waren meer dan menigeen kon verdragen en zelfs de vriendelijkste (onder hen) zagen het niet zitten om zo de tijd door te brengen.
Bill had een klein, geduldig musje van een vrouw. Wat voor leven ze had en wat ze verdroeg, wist God alleen. Zij klaagde nooit en daar ze zelden uitging en niemand het huis ooit bezocht, was er heel weinig bekend over de huiselijke omstandigheden. Uit niets bleek, dat hij ooit fysiek geweld tegen haar gebruikte. Het leek veeleer, dat hij altijd stomdronken was, gemelijk en humeurig.
Zij was zijn derde vrouw. Ik weet niet, hoe lang ze getrouwd waren. Ik weet nog, dat ik hem enkele maanden na zijn bekering op straat tegenkwam en naar haar gezondheid vroeg. Met tranen op zijn wangen en een stem, bevend van emotie, zei hij, dat het Goddank goed met haar ging en vervolgde: ‘Zij is een goede vrouw, mevrouw Jones, zij is een goede vrouw en ik dank God, dat Hij voor iemand die zo ongelukkig was om telkens zijn vrouw te verliezen, in plaats van hen steeds een goede gaf.’
Zij overleefde hem, maar daar hun dorp enkele drie of vier mijl vanaf de Kerk verder op in het dal lag, kon zij geen lidmate worden. Zij bracht de rest van haar leven rustig in haar eigen dorp door tussen vriendelijke buren.
William Thomas zelf was bijna 70, toen wij hem voor ’t eerst leerden kennen, maar hij gaf er niet om die drie of vier steile hellingen de heuvel op te gaan, toen eenmaal ”het licht van de kennis der heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus in zijn hart geschenen had.”
Hij was aanwezig in elke kerkdienst tweemaal per zondag, op de bidstond op maandagavond, de woensdagavond van het kerkgezelschap en op de zaterdagavond - broederschap. Zijn oud beschadigd gezicht straalde van innerlijke vreugde.
Een diaken uit een van de andere kerken in de stad woonde aan zijn weg naar huis. De vrouw van de diaken vertelde mij, dat hoewel zij al jaren van hem op de hoogte was, haar gewone kijk op hem bijna ongelooflijk was. Ik wist nooit wat zijn werk al die jaren geweest was. Maar de laatste tijd had hij een soort deur – aan - deur viszaak opgezet; hiervoor had hij een open karretje – een soort ondiepe houten box met een houten plank van links naar rechts om op te zitten. De vis lag op de vloer van de kar onder hem. Hij zat op zijn smalle zitplaats. Op weg naar huis was hij altijd dronken. Daar de weg naar zijn huis erg steil was, viel hij vaak achterover van zijn zitplaats op de onverkochte vis met zijn benen in de lucht, terwijl zijn trouwe pony hem thuisbracht om door zijn lankmoedige vrouw verzorgd te worden. Zo had mijn vriendin, de vrouw van de diaken hem altijd gezien tot…., maar nu moet ik doorgaan met mijn verhaal.
Daar was hij, op een zondagmiddag in de Club, zich zoals gewoonlijk dronken drinkend, en zoals hij later bekende, zich gemelijk, hopeloos en depressief voelend, op de drank vertrouwend om die innerlijke steken en angsten weg te drinken, die hem soms verstoorden. Daar zaten verscheidene groepjes van twee en drie mannen in de gelagkamer te drinken en te praten. Plotseling merkte hij bij zichzelf, dat hij luisterde, eerst onwillekeurig, maar later begerig, naar een gesprek tussen twee mannen aan een tafel naast de zijne.
Staffrordshire Bill ving de woorden “de Vooruitgang” op en dan iets over de “prediker” en dan een hele zin die zijn gehele leven zou veranderen. ‘Ja’, zei de ene man tegen de andere, ‘Ik was daar de vorige zondagavond en die prediker zei, dat niemand hopeloos was; hij zei, dat er voor iedereen hoop was’. Van de rest van het gesprek hoorde hij niets, maar nu, stilgezet en geheel nuchter, zei hij bij zichzelf: ‘Als er voor iedereen hoop is, is er ook hoop voor mij’; ik ga zelf naar die kapel om te kijken wat die man zegt’.
Bill haalde zijn oude zilveren horloge voor de dag en zag, dat het ongeveer de tijd was voor de avonddienst. Hij ging staan en met een straaltje hoop dat hem voortstuwde en tegen zijn eigen sidderend hart in, liep hij de paar honderd meter naar de open poort van het hekwerk om de kerk en bleef daar twee a drie minuten staan. Toen verloor hij de moed, keerde om en ging naar huis!
Wat hij die volgende week leed kan men alleen maar vermoeden. Alles wat we weten is, dat hij de volgende zondagavond vertrok, voortgestuwd door alle overtuigende kracht van de Heilige Geest naar “de Vooruitgang”. Toen hij op gehoorsafstand van het gebouw kwam, hoorde hij zingen. En toen hij weer bij de poort kwam , besefte hij dat hij te laat was; de dienst was al begonnen. Zij hart zonk hem in de schoenen en vol naamloze vrees, draaide hij weer om en ging naar huis.
Er kwam weer een ellendige week, soms vol wanhoop. Maar hij dacht er niet aan om terug te keren naar zijn vorige leven. Evenmin probeerde hij de steken in zijn geweten of verschrikkingen van de overtuigingen weg te drinken. In weerwil van al zijn lijden kon niets het kleine schijnsel in zijn hart ontstaan door de woorden die hij twee weken geleden afluisterde in de Werkliedenclub doven. Per slot van rekening was God een werk in zijn hart begonnen en ‘het werk dat Zijn goedheid begon, zou Zijn sterke arm voltooien’. Maar dat wist William Thomas toen nog niet.
De derde zondag brak aan en hij ging weer richting de kapel. Weer kunnen we alleen maar raden naar zijn gevoelens en zijn gedachten. Maar nu hij weer bij de poort was, gingen de mensen naar binnen en stond hij daar, zich zenuwachtig afvragend, wat hij toen moest doen. En toen voelde hij plotseling een hand op zijn schouder en hoorde de bekende opgewekte stem van Johnnie Mort, die hem begroette als een lang verloren broeder en zijn ongelooflijke verbazing heel geloofwaardig verborg.

Zijn vreugde probeerde hij niet te verbergen. ‘Kom je binnen, Bill?’, zei hij; ‘Kom naast mij zitten’. Die zondagavond kwam Staffordshire Bill tot bekering. Dat leed geen twijfel. Hij werd ‘opnieuw geboren’. Hij werd ‘overgeplaatst uit het rijk van de duisternis in het koninkrijk van Gods lieve Zoon. Oude dingen waren voorbijgegaan; alle dingen waren nieuw geworden.’

Hij ervoer, dat hij de dingen die gezegd werden, kon verstaan. Hij geloofde het Evangelie en zijn hart vloeide over van een grote vrede. De verandering in zijn gezicht was opmerkelijk; het had nu de uitstraling van een heilige.

Aan het einde van de dienst was er altijd - zoals wij kenden - een nabetrachtingsbijeenkomst. Die werd gehouden om aan hen die wilden komen tot een volledig lidmaatschap en broederschap van de kerk, gelegenheid te geven die wens kenbaar te maken. Men werd niet onder druk gezet, maar die avond, toen de uitnodiging uitging, ging een bevende hand omhoog uit de hoek van Staffordshire Bill en onder de anderen ging er een geruis van vreugde en verrukking op. De Dokter zei: ‘Ga staan, mijnheer Thomas en laat hun het jongste monument van Gods genade zien.’ Hij stond op en voegde zich bij ons, een heel “bejaarde zuigeling” in Christus, maar even dierbaar in de gemeente als elke nieuwe baby in een natuurlijk gezin.


Toen hij die avond naar buiten liep, liefdevol vergezeld door Johnnie Mort, liepen ze bij mij langs en Johnnie Mort zei: ‘Mevrouw Jones, dit is “Staffordshire Bill”. Ik zal de pijnlijke blik op zijn gezicht nooit vergeten, toen hij terugdeinsde alsof hij een plotselinge klap gekregen had. ‘O nee, o nee.’ zei hij, ‘dat is een slechte oude naam voor een slechte oude man; nu ben ik William thomas’. En dat was typerend voor deze man.
Wij hadden veel booswichten “nieuwe mensen in Christus” zien worden. Sommigen misschien zo verbaasd over de verandering in zichzelf en het verschil met wat zij eens waren, dat zij de neiging hadden te praten over wat voor zondaars zij geweest waren, zelfs soms zo, dat zij met elkaar wedijverden over wie de grootste zondaar geweest was! Hiervan was echter geen sprake bij William Thomas. Zo diep schaamde hij zich over zijn verleden, dat hij de gedachte daaraan niet kon verdragen, nog minder erover praten. Ik voelde vaak inderdaad, dat zijn grote vreugde vermengd was met spijt over zijn verspilde jaren. Maar nu lag het nieuwe leven voor hem en hij had vrede en was tevreden. De strijd was voorbij en de overwinning behaald.
Maar wat nu? Nu moet het meest noodzakelijke deel van de strijd volgen – de ‘follow-up’ werkzaamheden of het opruimen van verzetshaarden en een voortdurende waakzaamheid. Deze operaties konden talrijk zijn en gevarieerd in vorm en kracht van verzet. Soms kon juist ook de onverzettelijkheid van de arme strijders en/of hun vrienden zich doen afvragen, of de eerste slag echt wel geëindigd was in een overwinning. Een leven van slechte gewoonten, de noodzaak van onderwijs en van het verstaan van geestelijke zaken, het gebrek aan meeleven in het gezin, van vrienden en collega’s, variërend van een vervelend gebrek aan belangstelling tot een boosaardige afkeuring en verder altijd de actieve pogingen van de duivel die alle gelegenheden en omstandigheden gebruikt om de groei van het nieuwe leven tegen te gaan – al die dingen tonen, hoe taai het verzet is om mee om te gaan.
William Thomas scheen weinig moeite te hebben met de mindere dingen, en evenmin met sommige grotere hindernissen. Zijn drinkgewoonte verdween, zonder moeite van zijn kant. Zij had deel uitgemaakt van zijn hele volwassen leven. Er waren niet veel dagen geweest zonder drank en niet veel avonden en nachten dat hij niet geheel door alcohol onbekwaam tot iets was geweest. En toch verliet hem na zijn bekering het verlangen ernaar en in zijn leven als christen is het nooit een probleem geweest.
Er waren echter andere punten van felle strijd. Bovenaan de lijst stond slechte taal. Staffordshire gebruikte altijd vuile taal – zozeer dat zelfs de ergste van zijn wereldse kennissen er misselijk van werden – een van de redenen waarom men hem altijd alleen liet in zijn eigen hoekje van de gelagkamer waar zij zaten te drinken. Tegelijk met zijn bekering kwam de overtuiging, dat hij hieraan iets moest doen. Hij besefte, dat het Godonterend en ergerlijk was. Hij moest ophouden met vloeken en vuile taal. Maar nu ontdekte hij, dat hij te strijden had met iets dat te sterk voor hem was. Hij kon niet spreken zonder te vloeken; hij kon geen zin zeggen die niet doorspekt was met vloeken en godslastering.. Daar kon hij niets aan doen en hij kon er geen eind aan maken.
De waarheid was, dat hij niet wist wat hij deed, tot de woorden eruit waren en dan maakte het besef, dat deze afschuwelijke termen en woorden uit zijn eigen mond kwamen hem ziek en beschaamd. Het dreef hem in een vlaag van wanhoop en de diepste ellende.

Het schijnt vreemd, dat hij in deze zaak nooit hulp gezocht had bij een mede-christen, maar hij schaamde zich te diep, leed een paar weken en droomde een beetje, dat hij weldra opgeknapt zou zijn.


Het gebeurde zo ongeveer, dat hij op zekere morgen opstond en zijn kleren pakte om zich aan te kleden.
Maar bij zijn kleren lagen geen sokken. Hij ging naar de slaapkamerdeur en schreeuwde naar zijn vrouw: ‘Ik kan mijn …..sokken niet vinden! Waar zijn die ….. dingen?’ Toen hij zichzelf hoorde en besefte wat hij zojuist gezegd had, nam grote afschuw zich van hem meester en viel hij terug op zijn bed in een aanval van wanhoop. Hij riep hardop: ‘O Heere, reinig mijn tong. O Heere, ik kan niet om een paar sokken vragen, zonder te vloeken; wees mij alstublieft genadig en geef mij een reine tong.’
Toen hij daar lag en opstond van het bed, wist hij, dat God voor hem gedaan had wat hij zelf niet kon. Zijn gebed, zijn roep in de benauwdheid was gehoord en verhoord. Het was zijn eigen getuigenis, dat vanaf dat moment tot op het einde van zijn leven, geen vloek, vuil woord of godslastering ooit over zijn lippen gekomen was. Zijn eigen verslag van deze verbazende verlossing was te horen op een gezelschapsavond op een woensdag daarna, iets is dat we nooit meer zullen vergeten. Zijn gezicht, nat van tranen en stralend met een innerlijke vreugde en verwondering, zijn haperende stem, gebroken door emotie riep een warme golf van reacties op uit elk hart.
Hij was geen spreker en ik denk niet, dat ik hem ooit daarvoor of daarna op de gezelschapsbijeenkomst heb horen spreken. Maar hij leerde dan altijd een paar Schriftwoorden en herhaalde ze desgevraagd als zijn eigen getuigenis. Hij werd bijzonder door de Psalmen aangetrokken en las vaak in het Oude Testament en in de Evangeliën.

William Thomas was niet, wat men kon noemen, een man met een humoristisch karakter. Hij was ernstig, nuchter en dacht veel na en had af en toe een rake opmerking die getuigde van opmerkingsgave die elk idee van gebrek aan intelligentie of leegheid logenstrafte.


Het was zijn gewoonte om in de Gezelschapsmeeting op de eerste rij te gaan zitten, enkele meters van het verhoogde platform waar de Dokter zat. Tevoren zat hij daar ook, maar toen was het nog heel anders met hem.
Tot op de dag van vandaag weet ik niet of dhr. J werkelijk gekomen was tot zaligmakende kennis van het Evangelie. Het is zeker, dat er iets met hem gebeurd was. Misschien zag hij het verschil dat bekering bij anderen gewerkt had, onder wie zijn eigen zoon. Misschien dat het feit, dat hij ouder werd, hem bezorgd maakte en bevreesd voor de toekomst. Misschien was het de eigenaardige eerbied die hij voor de Dokter had en een wens om bij hem een goede indruk te maken.
Ik weet het niet, maar God kent het hart en de hoop bleef, dat er een zaad geplant was en na verloop van tijd tekenen van leven zou tonen. Maar nu waren daar geen bewijzen van, behalve een grote verbetering in gedrag en handelwijze en een reguliere aanwezigheid op de bijeenkomsten.
Hij was klein, donker en zag er nogal vuil uit; hij was snel van begrip en had een nogal gerede en ondeugende zin voor humor. Deze laatste trek was gif in het leven van William Thomas. Hij zat vlak bij hem en was gewoon commentaar en iets soortgelijks te mompelen op sommige dingen die door anderen op de bijeenkomst gezegd werden. Het oude kind van God kon deze houding in de dingen van God – het Evangelie, Zijn huis, Zijn bijeenkomsten niet verdragen. Zijn eigen houding tegenover alle christelijke zaken was er een van liefdevolle eerbied. Zijn echte vreugde was die van iemand die in de hel gekeken had en wist, dat alleen de liefde van God in Christus hem daarvan verlost had. Derhalve kon hij geen begrip opbrengen of een luchthartige geest verdragen m.b.t. deze dingen.

Op zekere dag had hij zijn antwoord klaar. Het gemompelde commentaar in zijn rechteroor hield op, toen de Dokter zei: ‘Hebt u ons iets te zeggen, mijnheer Thomas?’ Rustig, maar met een besliste blik in zijn oog, werd de tekst aangehaald: ‘Antwoord een dwaas niet naar zijn dwaasheid, opdat u hem niet gelijk worde.’ Echt een woord op zijn tijd. Maar het riep de rebel op in de oude heer J. en de volgende woensdag was hij net zo uitdagend als ooit, zo niet erger. Daarop antwoordde William Thomas zacht en bedoeld als enige welgekozen bewoordingen, terwijl hij zich wendde tot de Dokter, citerend zijn weektekst: ‘Antwoord een dwaas niet naar zijn dwaasheid, opdat hij in eigen ogen niet wijs zij.’ Daarna waren er geen moeilijkheden van de heer J.


In de Christenreis van John Bunyan werd Christen, niet lang nadat hij zijn pak bij het Kruis was kwijtgeraakt, geconfronteerd met Apollyon in de volle kracht van zijn afschrikwekkende boze macht. En dit gebeurde nu ook met onze “pelgrim”. Het was in de week volgend op de Zondag dat hij voor het eerst deelnam aan het Heilig Avondmaal. De gedachte dat hij, William Thomas zich met zijn daad voegde onder zijn medeleden van de kerk bij dit liefdemaal door de Heere Zelf ingesteld, had zijn gedachten dagenlang gevuld met een vreugde vermengd met ontzag en ootmoed.
Het werd zondag en William Thomas verkreeg zijn wens; hij voegde zich met het gezin van de kerk aan de Avondmaalstafel. Er waren daar niet veel ogen die droog bleven. En weer werd ik herinnerd aan de liefdevolle vreugde van het natuurlijke gezin als de jongste baby gaat lopen.
Toen hij thuis zat na te denken aan zijn nieuwe vreugde en voorrecht, trof hem plotseling de vurige pijl van de boze in zijn ziel. De zon werd verduisterd en hij vocht voor zijn leven. Zomaar ergens vandaan kwam er evenwel iets in zijn gedachten van bijna 50 jaar geleden dat hij vergeten was. Als een donderslag bij heldere hemel kwam het voorval glashelder in zijn gedachten. Hij was een jongeman en zat in een kroeg te drinken. Er was enige discussie geweest, een verschil van mening en om zijn opmerking kracht bij te zetten, had hij de Heere Jezus Christus een bastaard genoemd. Nu was al zijn vreugde weg en zijn hoop was vergaan.
Dit was de duistere nacht van zijn ziel; de poorten van de Hemel waren voor hem gesloten. Hiervoor kon geen vergeving zijn; de poorten van de hel stonden voor hem open om hem mee te sleuren en hij bracht de lange uren van die nacht door in zwarte wanhoop en rampzalige ellende. Christen lag geveld, gewond en bloedend op de grond voor Apollyon. Maar nu kwam er een straaltje hoop in zijn ziel. Misschien te zwak om hoop genoemd te worden; het was meer een overweldigend verlangen om zijn ellende met iemand te delen, die het zou begrijpen.
Heel vroeg in die morgen werd er op de deur van de pastorie geklopt. Het ongebruikelijke uur deed de Dokter en mij tegelijk naar de deur rennen. We zouden waarschijnlijk nooit vergeten wat we zagen, toen we de deur openden. De arme William Thomas zag er even ellendig, hopeloos en weemoedig uit als hij zich voelde. Hij kwam binnen en ik liet hen bij elkaar, terwijl hij de Dokter zijn triest verhaal vertelde. Het was geen gemakkelijke opdracht om hem te overtuigen, dat er voor hem vergeving mogelijk was. Aanvankelijk was het enige dat hij kon zien, hoe groot zijn zonde wel was. Maar liefdevol en geduldig werd hem uit het Woord van God getoond, dat er voor hem vergeving mogelijk was en dat zijn gruwelijke zonde, evenals al de andere weggewassen was door het bloed van Christus.
Zo werd hij genezen en hersteld en de duistere nacht van zijn ziel ging weg. Vrede en veiligheid heersten weer in zijn hart en dankbaarheid voor deze verdere verlossing maakte zijn zaligheid dubbel dierbaar.
Toen kwam er een beproeving die dreigde hem te beroven van veel genot in het nieuwe leven. Aan christenen is nooit beloofd, dat zij niet zullen vallen door de ‘slingers en de pijlen van het wrede lot.’ God heeft Zijn kinderen nooit beloofd, dat zij onvatbaar zouden zijn voor ziekte en lijden – alleen wel dat Hij altijd in de beproeving bij hen zal zijn.
William Thomas kreeg staar in beide ogen en zelfs na een succesvolle operatie kon hij niet lezen. Dit was een bittere slag en hij werd er zeer door geschokt. Hij verdroeg dat met een geduld dat wonderlijk was in zulk een jonge christen. Er was geen opstand en geen bitterheid, maar hij was wel heel erg verdrietig. We hadden allemaal medelijden met hem en toen na een paar weken mijn eigen vader, een oogspecialist bij ons langs kwam op weg naar het westen van Wales, vertelde ik hem erover. Hij vond het resultaat van zo’n succesvolle operatie heel vreemd en zei, dat hij hem graag wilde zien. Hij zag, dat de ogen van de oude man helemaal goed waren en was ervan overtuigd, dat sterkere lezen in zijn bril het enige was, dat hij nodig had. Die schreef hij voor en toen de nieuwe bril kwam, merkte William Thomas, dat hij weer even goed als ooit en zonder moeite kon lezen. Zijn vreugde kwam terug en zijn Bijbel werd hem steeds dierbaarder.
Hij zou niet lang genieten van de “hemelse vruchten op aardse bodem”. Op een woensdag was hij afwezig in de ‘meeting van het Gezelschap. Men zei, dat hij een zware verkoudheid opgelopen had. Een paar dagen later kreeg de Dokter de boodschap, dat hij heel ziek was en de diensten niet kon bijwonen. De Dokter en dhr. E. T. Rees, de scriba van de kerk gingen hem samen thuis opzoeken
Zij troffen de oude man in zijn bed aan, zijn rug steunend in de kussens. Zijn vrouwtje verzorgde hem angstvallig. De eerste blik vertelde alles; zijn snurkende ademhaling en de hoge koorts zeiden genoeg. Hij had dubbele longontsteking; en dat voor de tijd van moderne geneesmiddelen. Hij was ver weg, maar reageerde op een groet en een gebed. Hij had kennelijk volkomen vrede en alle blijken van het oude, zondige, woeste leven waren weggevaagd van een thans kinderlijk aangezicht.

De minuten gingen voorbij en werden een uur en meer. Toen scheen het pijnlijke geluid van de moeilijke ademhaling stil te staan. Het gezicht van de oude man veranderde helemaal en werd verlicht, stralend. Hij ging zitten met verlangend uitgestrekte armen en een mooie glimlach op het gelaat, alsof hij zijn beste vriend welkom heette en toen was hij heengegaan naar dat ‘land van zuivere genieting waar onsterflijke heiligen regeren.’ Zijn kerkgezin op aarde had een poos haar bejaarde zuigeling verloren. Drie jaar oud op de geestelijke kalender.

 

EPILOOG

 

Het vertrek uit Sandfields in 1938 was niet gemakkelijk. De herinnering aan de nabetrachtingsbijeenkomst, toen de dominee de gemeente meedeelde, dat hij einde juli zijn bediening in de gemeente zou besluiten, is nog levendig en onuitwisbaar in mijn gemoed gegrift. Toen scheen het onwerkelijk. Ik kon niet geloven, wat ik hoorde. En toch was de beroeping van Martyn helder en onmiskenbaar.


In de elf en een half jaar, dat hij in Sanfields diende, had hij veel beroepen gehad vaak met aanzienlijke druk om hem te bemoedigen te vertrekken, maar hij voelde niet de minste neiging om ze aan te nemen noch de aanwijzing dat er een einde zou komen aan zijn werk in Sandfields.
Maar nu, zoals hij het zelf beschreef, was het alsof ‘een luik neergelaten’ was en hij wist, dat de tijd gekomen was om onze eerste bediening te verlaten.

Sandfields verlaten was zeker niet gemakkelijk.


Die tijd werden we gewaar, dat we stap bij stap geleid werden. We zagen niet alles duidelijk, maar wandelden door het geloof. Als ik nu terugzie over de loop van de jaren, schijnt de leiding van God even duidelijk en onvermijdelijk als een route op een kaart en ik verwonder mij opnieuw over de manier waarin alles samenwerkte en over het vertrouwen en standvastige geloof, aan Martyn in het bijzonder gegeven. Wij hadden ons zeker niet kunnen realiseren, dat wij verhuisden van onze gemeente in Sandfields waar we elf en een half jaar gewekt hadden, naar de veel grotere gemeente van Westmister Chapel! Wonderlijk dat onze tijd in het eerste kerkgezin een voorbereiding bleek te zijn voor het werk in het nieuwe gezin, waarmee de naam van Martyn vaker verbonden werd.

Ik hoop dat deze bladzijden zullen aangeven, waarom ik God nog steeds kan danken voor de jaren in Sandfields, voor alle lessen die we daar geleerd en de vrienden die we gemaakt hebben. Ik heb de verhalen van sommigen opgeschreven; maar alleen de eeuwigheid zal het hele verhaal vertellen.



 


1 Hier en daar heb ik (CdB) enkele kleine taalcorrecties aangebracht.

2 De afbeelding toont ‘The Young Women’s Sunday School Class, Sandfields.

3 Wordsworth was een Romantische dichter. Een van zijn (ons onbekende) gedichten wordt hier geciteerd.

4 Zie hierover ook in mijn website sub Bijdragen op het terrein van kerk- en dogmageschiedenis, sub Philip Jacob Spener en zijn Pia Desideria (pagina 12). Hier wordt eveneens de opwekking in Wales van 1904/ 1905 genoemd.




  • EPILOOG

  • Dovnload 8.8 Mb.