Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Bijgewerkt t/m nr. 5 (NvV d d. 4 december 2013)

Dovnload 187.29 Kb.

Bijgewerkt t/m nr. 5 (NvV d d. 4 december 2013)



Pagina1/3
Datum05.12.2018
Grootte187.29 Kb.

Dovnload 187.29 Kb.
  1   2   3

Bijgewerkt t/m nr.5 (NvV d.d. 4 december 2013)










33 819

Invoering van een verhuurderheffing over 2014 en volgende jaren alsmede wijziging van enige wetten met betrekking tot de nadere herziening van de fiscale behandeling van de eigen woning (Wet maatregelen woningmarkt 2014 II)













Nr. 2

VOORSTEL VAN WET







Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om vanaf 2014, als onderdeel van de maatregelen om de woningmarkt in zowel het huur- als het koopsegment beter te laten functioneren, een heffing in te voeren voor verhuurders van woningen in de gereguleerde sector en een tariefsaanpassing aftrek kosten eigen woning in de inkomstenbelasting in te voeren waardoor het fiscale voordeel ter zake van de aftrek van dergelijke kosten voor zover deze tegen het tarief in de vierde schijf worden vergolden stapsgewijs wordt verkleind, alsmede om enkele onduidelijkheden, onbedoelde gevolgen en omissies als gevolg van de invoering van de aflossingseis in de inkomstenbelasting te herstellen;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. VERHUURDERHEFFING OVER 2014 EN VOLGENDE JAREN
Afdeling 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
Onder de naam verhuurderheffing wordt een belasting geheven van de in artikel 1.4 bedoelde belastingplichtigen.
Artikel 1.2
1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. compensatie: heffingsvermindering als bedoeld in artikel 1.10;

b. diensten van algemeen economisch belang: diensten van algemeen economisch belang als bedoeld in:

1°. artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en

2°. het Besluit van de Europese Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen;

c. groep: de combinatie van rechtspersonen in het geval een rechtspersoon meer dan 50% onmiddellijk of middellijk deelname heeft:

1°. aan de leiding van een van die combinatie deel uitmakende andere rechtspersoon;

2°. aan het toezicht op die andere rechtspersoon, of

3°. in het kapitaal van die andere rechtspersoon;

d. heffingsjaar: kalenderjaar waarover de verhuurderheffing is verschuldigd;

e. huurwoning: in Nederland gelegen voor verhuur bestemde woning die ingevolge artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken als één onroerende zaak wordt aangemerkt en waarvan de huurprijs niet hoger is dan het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag, met uitzondering van een woning die wordt verhuurd in het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf aan personen die in die woning voor een korte periode verblijf houden;

f. investeringskosten: door de belastingplichtige betaalde investeringskosten die noodzakelijkerwijs voortvloeien uit het verrichten van de activiteiten, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 6°;

g. Onze Minister: Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst;

h. WOZ-waarde: volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor een kalenderjaar vastgestelde waarde.

2. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt voorts verstaan onder:

a. heffingsvermindering: vermindering van de verhuurderheffing op grond van een definitieve investeringsverklaring;

b. voorgenomen investering: op of na 1 januari 2014 te verrichten activiteit die betreft:

1°. bouw van huurwoningen;

2°. grootschalige verbouw van huurwoningen;

3°. verbouw van niet voor bewoning bestemde ruimten tot huurwoningen;

4°. sloop van huurwoningen;

5°. kleinschalige verbouw van huurwoningen, of

6º. samenvoeging van huurwoningen teneinde een of meer huurwoningen te verkrijgen;

c. voorlopige investeringsverklaring: schriftelijke kennisgeving van Onze Minister aan de aanvrager, met gegevens over:

1°. de voorgenomen investering en

2°. het voorlopige bedrag aan heffingsvermindering met een berekening van dat bedrag;

d. gerealiseerde investering: activiteit die door de belastingplichtige is gerealiseerd ter uitvoering van een voorgenomen investering;

e. definitieve investeringsverklaring: schriftelijke kennisgeving van Onze Minister aan de belastingplichtige met gegevens over:

1°. de gerealiseerde investering en

2°. het bedrag aan heffingsvermindering met een berekening van dat bedrag.


Artikel 1.3
Indien er ter zake van een huurwoning meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, wordt voor de verhuurderheffing de huurwoning in aanmerking genomen bij degene aan wie de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, ter zake van die huurwoning op de voet van artikel 24, derde en vierde lid, van die wet is bekendgemaakt.
Afdeling 2. Belastingplicht
Artikel 1.4
Belastingplichtig voor de verhuurderheffing is de natuurlijke persoon, de rechtspersoon of de groep die bij aanvang van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van meer dan tien huurwoningen.
Afdeling 3. Grondslag
Artikel 1.5
De verhuurderheffing wordt geheven naar het belastbare bedrag.
Artikel 1.6
Het belastbare bedrag is de som van de WOZ-waarden van de huurwoningen waarvan de belastingplichtige bij aanvang van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft, verminderd met tien maal de gemiddelde WOZ-waarde van die huurwoningen.
Afdeling 4. Tarief
Artikel 1.7
De verhuurderheffing bedraagt 0,381% van het belastbare bedrag.
Afdeling 5. Wijze van heffing
Artikel 1.8
De verhuurderheffing wordt verschuldigd op 1 januari van het kalenderjaar.
Artikel 1.9
1. De door een rechtspersoon of natuurlijke persoon verschuldigde verhuurderheffing wordt op aangifte voldaan.

2. De door een groep verschuldigde verhuurderheffing wordt namens de groep op aangifte voldaan door een van de rechtspersonen die onderdeel is van die groep. Daarbij vermeldt die rechtspersoon welke andere rechtspersonen onderdeel uitmaken van die groep, waarbij die andere rechtspersonen in afwijking van het eerste lid ontheven zijn van hun plicht tot het voldoen op aangifte.

3. De inspecteur kan een naheffingsaanslag ter zake van de door een groep verschuldigde verhuurderheffing opleggen aan een van de rechtspersonen die onderdeel uitmaken van die groep.

4. De ontvanger kan een naheffingsaanslag ter zake van de door een groep verschuldigde verhuurderheffing invorderen ten name van elk van de rechtspersonen die onderdeel uitmaken van die groep.

5. In afwijking van artikel 10, tweede lid, tweede volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen stelt de inspecteur de termijn voor het doen van aangifte zodanig vast dat deze niet eerder verstrijkt dan negen maanden na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

6. In afwijking van artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is de belastingplichtige gehouden de verhuurderheffing aan de ontvanger overeenkomstig de aangifte te betalen binnen negen maanden na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.


Afdeling 6. Heffingsvermindering
Artikel 1.10
1. De belastingplichtige die beschikt over een op zijn naam of, in het geval van een groep, op naam van een van de rechtspersonen die onderdeel uitmaakt van de groep afgegeven definitieve investeringsverklaring met een dagtekening in een kalenderjaar dat ten hoogste drie jaren voor het heffingsjaar ligt of voor 1 oktober in het heffingsjaar zelf, kan het bedrag van de verhuurderheffing verminderen met het in die verklaring opgenomen bedrag van de heffingsvermindering; in dat geval brengt de belastingplichtige het volledige in de definitieve investeringsverklaring genoemde bedrag van de heffingsvermindering in mindering voor zover dit niet hoger is dan het bedrag van de verhuurderheffing.

2. Indien het bedrag van de heffingsvermindering hoger is dan het bedrag van de verhuurderheffing, kan de belastingplichtige het deel van het bedrag van de heffingsvermindering in mindering brengen dat gelijk is aan de verhuurderheffing. De belastingplichtige kan het deel van het bedrag van de heffingsvermindering, dat hij in enig heffingsjaar niet op het bedrag van de verhuurderheffing in mindering heeft kunnen brengen, in mindering brengen op de over een volgend heffingsjaar verschuldigde verhuurderheffing, doch niet later dan in het heffingsjaar dat ten hoogste drie jaren ligt na het jaar van de dagtekening van de definitieve investeringsverklaring.


Artikel 1.11
1. De heffingsvermindering bedraagt in geval van:

a. bouw van huurwoningen: € 15 000 per gebouwde huurwoning;

b. grootschalige verbouw van huurwoningen: € 15 000 per verbouwde huurwoning;

c. verbouw van niet voor bewoning bestemde ruimten tot huurwoningen: € 10 000 per gerealiseerde huurwoning;

d. sloop van huurwoningen: € 15 000 per gesloopte huurwoning;

e. kleinschalige verbouw van huurwoningen: € 10 000 per verbouwde huurwoning en

f. samenvoeging van huurwoningen teneinde een of meer huurwoningen te verkrijgen: € 15 000 per huurwoning waarmee het aantal huurwoningen door die samenvoeging is verminderd.

2. De heffingsvermindering is:

a. met betrekking tot gerealiseerde investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en e, uitsluitend van toepassing in de deelgemeenten Charlois, Feijenoord en IJsselmonde van de gemeente Rotterdam, en

b. met betrekking tot gerealiseerde investeringen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen d en f, uitsluitend van toepassing in de in onderdeel a genoemde deelgemeenten en in de gemeenten Appingedam, Beek, Bellingwedde, Brunssum, De Marne, Delfzijl, Eemsmond, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Hulst, Kerkrade, Landgraaf, Loppersum, Maastricht, Meerssen, Menterwolde, Nuth, Oldambt, Onderbanken, Pekela, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Sluis, Stadskanaal, Stein, Terneuzen, Vaals, Valkenburg aan de Geul, Veendam, Vlagtwedde en Voerendaal.

3. Gerealiseerde investeringen worden voor de toepassing van de heffingsvermindering slechts in aanmerking genomen indien de investeringskosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 3° en 5°, per huurwoning ten minste € 25 000 bedragen, en voor de activiteiten, bedoeld onder 1°, 2°, 4° en 6° van dat onderdeel, per huurwoning ten minste € 37 500 bedragen.

4. Indien naar het oordeel van Onze Minister op enig tijdstip onvoldoende evenwicht bestaat of komt te bestaan tussen de heffingsverminderingen en het daarvoor in de rijksbegroting opgenomen bedrag, kunnen bij ministeriële regeling met ingang van 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober van enig jaar de in het eerste lid en derde lid genoemde bedragen worden verhoogd, verlaagd, dan wel op nihil worden gesteld. De nieuwe bedragen gelden voor voorlopige investeringsverklaringen waarvan de voorgenomen investering is aangemeld na het tijdstip waarop de ministeriële regeling in werking treedt.

5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het toepassingsbereik van de verschillende onderdelen van het eerste lid. Bij ministeriële regeling kan de begrenzing van de deelgemeenten, genoemd in het tweede lid, onderdeel a, nader worden aangeduid.
Artikel 1.12
1. Een voorgenomen investering wordt uiterlijk op 31 december 2017 langs elektronische weg aangemeld bij Onze Minister.

2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de inhoud van de aanmelding en welke gegevens daarbij worden verstrekt.

3. Onze Minister geeft met betrekking tot de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een voorlopige investeringsverklaring af indien:

a. de voorgenomen investering voldoet aan het daarover bij of krachtens deze wet bepaalde en

b. niet aannemelijk is dat ter verkrijging van die verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanmelding een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste en volledige gegevens of bescheiden bekend zouden zijn geweest.

4. De voorlopige investeringsverklaring vervalt indien:

a. een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1º, 2º of 3º, niet binnen vijf jaar nadat deze overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens het eerste en tweede lid is aangemeld, als investering is aangemeld, of

b. een voorgenomen investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 4º, 5º of 6º, niet binnen drie jaar nadat deze overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens het eerste en tweede lid is aangemeld, als investering is aangemeld.

5. Onze Minister kan een voorlopige investeringsverklaring intrekken indien:

a. de voorgenomen investering niet voldoet aan het daarover bij of krachtens deze wet bepaalde of

b. aannemelijk is dat ter verkrijging van die verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanmelding een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste en volledige gegevens of bescheiden bekend zouden zijn geweest.

6. De voorlopige investeringsverklaring is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.


Artikel 1.13
1. Een gerealiseerde investering wordt langs elektronische weg aangemeld door de belastingplichtige bij Onze Minister. Artikel 1.12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. Onze Minister geeft met betrekking tot de aanmelding, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een definitieve investeringsverklaring af indien:

a. met betrekking tot de daarin opgenomen gerealiseerde investering een voorlopige investeringsverklaring is afgegeven en deze niet is vervallen of ingetrokken;

b. de gerealiseerde investering voldoet aan het daarover bij of krachtens deze wet bepaalde;

c. niet aannemelijk is dat ter verkrijging van die verklaring gegevens of bescheiden zijn verstrekt die zodanig onjuist of onvolledig zijn dat op de aanmelding een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste en volledige gegevens of bescheiden bekend zouden zijn geweest en

d. in geval sprake is van een gerealiseerde investering als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 2º of 5º: voor dezelfde huurwoning niet eerder een definitieve investeringsverklaring met betrekking tot een zodanige gerealiseerde investering is afgegeven.

3. Het in een definitieve investeringsverklaring opgenomen bedrag aan heffingsvermindering is niet hoger dan het bedrag dat ten aanzien van de voorgenomen investering is opgenomen in de voorlopige investeringsverklaring.

4. Artikel 1.12, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.


Afdeling 7. Diensten van algemeen economisch belang
Artikel 1.14
1. Als diensten van algemeen economisch belang zijn aan de belastingplichtige opgedragen de activiteiten, bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 6°, juncto artikel 1.11, tweede lid.

2. De belastingplichtige komt uitsluitend compensatie toe voor de activiteiten, genoemd in het eerste lid. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven omtrent de compensatie.

3. De opdracht, bedoeld in het eerste lid, heeft een werkingsduur van vier jaar.

4. Artikel 25d van de Mededingingswet is niet van toepassing op de belastingplichtige.

5. De administratie, de jaarrekeningen en de jaarverslagen van de belastingplichtige worden met inachtneming van artikel 25b, eerste lid, van de Mededingingswet ingericht. Bij ministeriële regeling worden nadere voorschriften gegeven omtrent de inrichting van de administratie, bedoeld in de eerste volzin.
Afdeling 8. Dwang- en strafbepalingen
Artikel 1.15
1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de artikelen 1.12 en 1.13 bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

2. De Algemene wet inzake rijksbelastingen, met uitzondering van de artikelen 63 en 67, is niet van toepassing met betrekking tot de uitvoering van het bepaalde in de artikelen 1.12 en 1.13. Voor de toepassing van de artikelen 63 en 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen betreffende de uitvoering van de artikelen 1.12 en 1.13 door Onze Minister of de door hem aangewezen ambtenaren, treedt Onze Minister in de plaats van Onze Minister van Financiën.

3. De in de artikelen 47, 47a, 47b, tweede lid, 48 tot en met 51 en 53, eerste en vierde lid, tot en met 56 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen jegens de inspecteur opgelegde verplichtingen gelden mede jegens de door Onze Minister met betrekking tot de toepassing van de artikelen 1.12 en 1.13 door op grond van het eerste lid aangewezen ambtenaren.

4. De artikelen 68, 69 en 72 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zijn van overeenkomstige toepassing op het bepaalde in het derde lid.



HOOFDSTUK 2. WIJZIGINGEN IN HOOFDSTUK 1
Artikel 2.1
Met ingang van 1 januari 2015 wordt in artikel 1.7 ”0,381%” vervangen door: 0,449%.
Artikel 2.2
Met ingang van 1 januari 2016 wordt in artikel 1.7 ”0,449%” vervangen door: 0,491%.
Artikel 2.3
Met ingang van 1 januari 2017 wordt in artikel 1.7 ”0,491%” vervangen door: 0,536%.

HOOFDSTUK 3. WIJZIGINGEN IN DE WET INKOMSTENBELASTING 2001
Artikel 3.1
De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 3.119a wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid, onderdeel b, wordt “kosten van verbetering, of onderhoud van de woning of ter afkoop van de rechten van erfpacht opstal of beklemming” vervangen door: kosten van verbetering of onderhoud van de woning of ter afkoop van de rechten van erfpacht, opstal of beklemming.
2. In het derde lid wordt in de aanhef “bedoeld in onderdeel a” vervangen door “bedoeld in het tweede lid, onderdeel a” en wordt “het bedrag van de verbetering” vervangen door “het bedrag van de kosten van verbetering”. Voorts wordt in de aanhef “bedoeld in onderdeel b” vervangen door “bedoeld in het tweede lid, onderdeel b” en wordt onder 1o “voorafgaande” telkens vervangen door “voorafgaand”. Ten slotte wordt de aanduiding van de onderdelen 1o en 2o vervangen door de aanduiding “a.”, onderscheidenlijk de aanduiding “b.”.
3. Na het vierde lid wordt, onder vernummering van het vijfde lid tot zesde lid, een lid ingevoegd, luidende:

5. Op een schuld aan een aannemer of projectontwikkelaar die is ontstaan door het sluiten van een koop- of aannemingsovereenkomst, zijn de voorwaarden van het eerste lid, onderdelen b, c en d, niet van toepassing tot het moment van aflossen van die schuld dan wel, indien dat eerder is, het moment van levering van de onroerende zaak. Artikel 3.119c, derde lid, vindt geen toepassing voor zover de in dat lid bedoelde schuld die laatstelijk heeft bestaan een schuld als bedoeld in de eerste volzin betrof.


4. In het zesde lid (nieuw), onderdelen a en b, wordt “de schulden die zijn aangegaan” vervangen door “schulden die zijn aangegaan”. Voorts wordt aan het zesde lid, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

e. schulden waarvan de maximale looptijd van 360 maanden is verstreken.


5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

7. Voor de toepassing van het zesde lid, onderdeel e, wordt de verstreken looptijd van een schuld vermeerderd met de verstreken looptijd van eerdere schulden van de belastingplichtige die behoorden tot de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 10bis.1, eerste lid, of die behoorden tot de eigenwoningschuld in de periode van 2001 tot en met 2012. Voor de schulden, bedoeld in de eerste volzin, wordt als verstreken looptijd beschouwd het voor die schulden voor de aftrek van rente geldende deel van de periode van 30 jaar dat is verstreken, naar beneden afgerond op hele kalendermaanden. Artikel 3.119c, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.


B
Artikel 3.119aa wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “een eigenwoningreserve” vervangen door: de eigenwoningreserve.
2. In het tweede lid wordt “Een eigenwoningreserve neemt af” vervangen door: De eigenwoningreserve neemt af.
3. Het vierde lid, tweede volzin, komt te luiden:

Als verwerving of vervreemding wordt niet aangemerkt die krachtens boedelmenging door voltrekking van een huwelijk, krachtens wijziging van huwelijkse voorwaarden of krachtens erfrecht tussen partners.


4. Na het vijfde lid wordt, onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid, een lid ingevoegd, luidende:

6. De eigenwoningreserve wordt aan elk van de partners toegerekend naar rato van hun gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap. Bij het overlijden van een belastingplichtige die een partner heeft, gaat de eigenwoningreserve van de overledene over op de langstlevende partner.


C
Artikel 3.119c wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “n: de totale looptijd van de schuld in maanden, gerekend vanaf het moment van aangaan van de schuld tot de maand waarin de schuld geheel moet zijn afgelost, doch ten hoogste 360 maanden” vervangen door: n: de maximale looptijd van 360 maanden.
2. Het derde lid komt te luiden:

3. Voor zover een of meerdere schulden die behoorden tot de eigenwoningschuld laatstelijk hebben bestaan en voor een bedrag overeenstemmend met of lager dan de laatste omvang van die schuld, onderscheidenlijk schulden, een of meer nieuwe schulden als bedoeld in artikel 3.119a, eerste lid, worden aangegaan, wordt de formule in het eerste lid per schuld als volgt toegepast:

a. onder B0 wordt verstaan: de laatste omvang van de voorgaande schuld, dan wel indien het bedrag van de nieuwe schuld lager is, dit lagere bedrag;

b. onder im wordt verstaan: de maandelijkse rentevoet op het moment van aangaan van de nieuwe schuld;

c. onder x wordt verstaan: het aantal verstreken gehele kalendermaanden van de looptijd vanaf het moment direct voorafgaand aan het aangaan van de nieuwe schuld, en

d. onder n wordt verstaan: de nog resterende maximale looptijd van de oorspronkelijke maximale looptijd van 360 maanden van de voorgaande schuld in maanden op het laatste moment dat deze schuld bestond.


3. Na het derde lid worden, onder vernummering van het vierde tot en met zevende lid tot zesde tot en met negende lid, twee leden ingevoegd, luidende:

4. Het derde lid vindt geen toepassing voor zover de in dat lid bedoelde schuld of schulden die laatstelijk hebben bestaan:

a. behoorden tot de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 10bis.1, eerste lid, of

b. in de jaren 2001 tot en met 2012 behoorden tot de eigenwoningschuld.

5. Indien bij de toepassing van het derde lid meerdere schulden laatstelijk hebben bestaan waarvan de resterende maximale looptijd verschilt en voor een bedrag lager dan de gezamenlijke omvang van die schulden een of meerdere nieuwe schulden als bedoeld in artikel 3.119a, eerste lid, worden aangegaan, wordt voor de toepassing van het derde lid van die meerdere schulden die laatstelijk hebben bestaan eerst de schuld met de kortste resterende maximale looptijd in aanmerking genomen.
4. Het zesde lid (nieuw) komt te luiden:

6. Voor zover de nieuwe eigenwoningschuld, verminderd met de eigenwoningschuld waarop de aflossingsstand, bedoeld in artikel 3.119d, is toegepast, de laatste omvang van de voorgaande eigenwoningschuld, uiterlijk op het moment direct voorafgaand aan het aangaan van de nieuwe schuld of schulden, overtreft, geldt voor de nieuwe schuld, onderscheidenlijk schulden, de formule van het eerste lid, waarbij onder n wordt verstaan: de maximale looptijd van 360 maanden.


5. Het achtste lid (nieuw) komt te luiden:

8. Voor zover krachtens boedelmenging door voltrekking van een huwelijk, krachtens wijziging van huwelijkse voorwaarden of krachtens erfrecht een tot de eigenwoningschuld behorende schuld van een van de partners overgaat op de andere partner gaat ook het aflossingsschema over op die andere partner.


D
Artikel 3.119d wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “de eigenwoningschuld onderscheidenlijk” vervangen door: de eigenwoningschuld, onderscheidenlijk.
2. In het tweede lid wordt “de eigenwoningschuld onderscheidenlijk” vervangen door “de eigenwoningschuld, onderscheidenlijk” en wordt “eigenwoningschuld als volgt” vervangen door: eigenwoningschuld, als volgt.
3. In het derde lid wordt “vervalt, dan wel de beschikking aflossingsstand vervalt,” vervangen door “en de beschikking aflossingsstand vervallen” en wordt “afname” telkens vervangen door: gedeeltelijke toepassing.
4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

4. De aflossingsstand komt aan elk van de partners toe naar rato van hun gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap. Bij het overlijden van een van de partners gaat de aflossingsstand van de overledene over op de langstlevende partner.


E
Artikel 3.119e wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “artikel 3.119c, vijfde lid, onderdeel a” vervangen door: artikel 3.119c, zevende lid, onderdeel a.
2. In het vierde lid wordt “leiden” vervangen door: leidt.
3. In het zesde lid wordt “artikel 3.119c, vijfde lid, onderdelen b tot en met d” vervangen door: artikel 3.119c, zevende lid, onderdelen b tot en met d.
F
In artikel 3.119f, derde lid, wordt “artikel 3.119a, eerste en tweede lid” vervangen door “artikel 3.119a, tweede lid, onderdelen a en c voor zover de in dat onderdeel c bedoelde kosten betrekking hebben op de verwerving, en derde lid” en wordt “artikel 3.119aa, vijfde lid” vervangen door “artikel 3.119a, vierde lid”. Voorts wordt “artikel 3.119a, tweede lid, onderdeel b” vervangen door “artikel 3.119a, tweede lid, onderdelen b en c voor zover de in dat onderdeel c bedoelde kosten betrekking hebben op de verbetering, het onderhoud of de afkoop van de rechten van erfpacht, opstal of beklemming van de woning, en derde lid” en vervalt de vijfde volzin.
G
Aan artikel 3.119g, tweede lid, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Indien de wijziging zich voordoet in het kalenderjaar van aangaan van de schuld geldt, in afwijking van de eerste volzin, de termijn, genoemd in het eerste lid.
H
In artikel 3.120, vijfde lid, wordt “voldane renten” vervangen door: voldane renten van schulden en kosten van geldleningen.
I
Artikel 10bis.1 komt te luiden:
  1   2   3

  • HOOFDSTUK 1. VERHUURDERHEFFING OVER 2014 EN VOLGENDE JAREN Afdeling 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1
  • Afdeling 2. Belastingplicht Artikel 1.4
  • Afdeling 3. Grondslag Artikel 1.5 De verhuurderheffing wordt geheven naar het belastbare bedrag. Artikel 1.6
  • Afdeling 4. Tarief Artikel 1.7 De verhuurderheffing bedraagt 0,381% van het belastbare bedrag. Afdeling 5. Wijze van heffing Artikel 1.8
  • Afdeling 6. Heffingsvermindering Artikel 1.10
  • Afdeling 8. Dwang- en strafbepalingen Artikel 1.15
  • HOOFDSTUK 2. WIJZIGINGEN IN HOOFDSTUK 1 Artikel 2.1 Met ingang van 1 januari 2015 wordt in artikel 1.7 ”0,381%” vervangen door: 0,449%. Artikel 2.2

  • Dovnload 187.29 Kb.