Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Bijgewerkt t/m nr. 5 (NvV d d. 4 december 2013)

Dovnload 187.29 Kb.

Bijgewerkt t/m nr. 5 (NvV d d. 4 december 2013)



Pagina2/3
Datum05.12.2018
Grootte187.29 Kb.

Dovnload 187.29 Kb.
1   2   3

Artikel 10bis.1 Bestaande eigenwoningschuld
1. Onder bestaande eigenwoningschuld van de belastingplichtige wordt verstaan: de eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 3.119a, eerste lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, van de belastingplichtige op 31 december 2012.

2. Onder de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan de tot de eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 3.119a, eerste lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, behorende schuld die:

a. de belastingplichtige, die op 31 december 2012 niet een zodanige eigenwoningschuld had, in 2012 had op het moment direct voorafgaand aan de vervreemding van een eigen woning, voor zover de belastingplichtige in 2013 weer een zodanige eigenwoningschuld heeft;

b. in 2013 ontstaat ten gevolge van een op 31 december 2012 bestaande onherroepelijke, schriftelijke overeenkomst van de belastingplichtige tot verwerving van een eigen woning;

c. in 2013 ontstaat ten gevolge van een op 31 december 2012 bestaande onherroepelijke, schriftelijke overeenkomst van de belastingplichtige tot het verrichten van onderhoud aan of tot verbetering van de woning, voor zover het onderhoud of de verbetering in 2013 voltooid is;

d. de belastingplichtige, die op 31 december 2012 niet een zodanige eigenwoningschuld had, op enig moment vóór 31 december 2012 direct voorafgaand aan de vervreemding van een eigen woning had, indien die vervreemding het gevolg is van verhuur van de voormalige eigen woning, voor zover de belastingplichtige vóór 1 januari 2021 ter zake van diezelfde woning weer een zodanige eigenwoningschuld heeft;

e. de belastingplichtige na 31 december 2012 heeft in verband met een woning die op 31 december 2012 een woning was als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, tot ten hoogste de omvang van de schuld die op 31 december 2012 in verband met die woning bestond, of

f. de belastingplichtige in 2013, 2014, 2015 of 2016 als starterslening aangaat bij de Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten.

3. Indien na 31 december 2012 op de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in het eerste lid, van de belastingplichtige wordt afgelost, wordt het bedrag van die bestaande eigenwoningschuld verminderd met die aflossing. Onder aflossing wordt voor de toepassing van dit lid niet verstaan het in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk aflossen van een tot de bestaande eigenwoningschuld behorende schuld voor zover tot ten hoogste het afgeloste bedrag uiterlijk in het daaropvolgende kalenderjaar opnieuw een schuld in verband met een eigen woning bestaat (oversluiten).

4. Indien ten aanzien van de belastingplichtige op enig moment na 31 december 2012 twee woningen gelijktijdig als eigen woning worden aangemerkt, wordt de schuld in verband met de tweede eigen woning mede aangemerkt als bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in het eerste lid, voor zover de schuld ten behoeve van die tweede eigen woning de bestaande eigenwoningschuld in verband met de eerste eigen woning niet overtreft.

5. Indien ten aanzien van de belastingplichtige op of na 31 december 2012 twee woningen gelijktijdig als eigen woning worden aangemerkt en vervolgens een van die woningen niet langer als eigen woning wordt aangemerkt, wordt de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in het eerste lid, van de belastingplichtige verminderd met de tot de eigenwoningschuld behorende schuld die de belastingplichtige had in verband met de woning die niet langer als eigen woning wordt aangemerkt.

6. Voor zover krachtens boedelmenging door voltrekking van een huwelijk, krachtens wijziging van huwelijkse voorwaarden of krachtens erfrecht een bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in het eerste lid van een van de partners overgaat op de andere partner, is deze schuld tot uiterlijk het tijdstip waarop de 30-jaarstermijn bij de eerstgenoemde partner zou verstrijken, bij die andere partner een bestaande eigenwoningschuld. Indien op een bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in het eerste lid is afgelost, en vervolgens boedelmenging door voltrekking van een huwelijk of wijziging van huwelijkse voorwaarden heeft plaatsgevonden, wordt, voor zover binnen de termijn, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, bij de partners opnieuw een schuld bestaat in verband met een eigen woning, deze schuld, in afwijking in zoverre van het derde lid, tot ten hoogste het afgeloste bedrag naar rato van de gerechtigdheid tot de huwelijksgemeenschap bij hen aangemerkt als bestaande eigenwoningschuld. Indien, op een bestaande eigenwoningschuld als bedoeld in het eerste lid is afgelost, en een van de partners overlijdt, wordt, voor zover de langstlevende partner binnen de termijn, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, opnieuw een schuld aangaat in verband met een eigen woning, deze schuld, in afwijking in zoverre van het derde lid, tot ten hoogste het afgeloste bedrag aangemerkt als bestaande eigenwoningschuld.

7. Voor de toepassing van dit hoofdstuk zijn de artikelen 3.111, 3.119a, tweede lid, en 3.119aa, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

8. Het derde lid, tweede volzin, is niet van toepassing op een starterslening als bedoeld in het tweede lid, onderdeel f. Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat wordt verstaan onder een starterslening als bedoeld in het tweede lid, onderdeel f.


J
Artikel 10bis.2 komt te luiden:
Artikel 10bis.2 Kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning
1. Een kapitaalverzekering eigen woning, een spaarrekening eigen woning of een beleggingsrecht eigen woning is een op 31 december 2012 bestaande kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 3.116, tweede lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, een op 31 december 2012 bestaande spaarrekening eigen woning als bedoeld in artikel 3.116a, tweede lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, onderscheidenlijk een op 31 december 2012 bestaand beleggingsrecht eigen woning als bedoeld in artikel 3.116a, derde lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, indien het ter zake van het betreffende product overeengekomen gegarandeerde kapitaal op 31 december 2012, of bij het ontbreken daarvan, het op grond van de betreffende overeenkomst, zoals die luidde op 31 december 2012, te betalen bedrag, nadien niet is verhoogd en de looptijd na 31 december 2012 niet is verlengd.

2. Onder een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 3.116, tweede lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, die:

a. de belastingplichtige, die op 31 december 2012 niet een zodanige kapitaalverzekering eigen woning had, in 2012 had op het moment direct voorafgaand aan de vervreemding van een eigen woning, voor zover de belastingplichtige in 2013 weer een zodanige kapitaalverzekering eigen woning heeft, waarvan het ter zake overeengekomen gegarandeerde kapitaal, of bij het ontbreken daarvan, het op grond van de betreffende overeenkomst te betalen bedrag, niet hoger is dan dat op het moment direct voorafgaand aan de vervreemding van de eigen woning;

b. in 2013 wordt overeengekomen ten gevolge van een op 31 december 2012 bestaande onherroepelijke, schriftelijke overeenkomst van de belastingplichtige tot verwerving van een eigen woning;

c. in 2013 wordt overeengekomen ten gevolge van een op 31 december 2012 bestaande onherroepelijke, schriftelijke overeenkomst van de belastingplichtige tot het verrichten van onderhoud aan of tot verbetering van de woning, voor zover het onderhoud of de verbetering in 2013 voltooid is, of

d. de belastingplichtige, die op 31 december 2012 niet een zodanige kapitaalverzekering eigen woning had, op enig moment vóór 31 december 2012 direct voorafgaand aan de vervreemding van een eigen woning had, indien die vervreemding het gevolg is van verhuur van de voormalige eigen woning of van het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtige te zijn en diezelfde kapitaalverzekering vóór 1 januari 2021 ter zake van diezelfde woning weer is aan te merken als zodanige kapitaalverzekering eigen woning.

3. Indien een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in het eerste lid geacht wordt tot uitkering te zijn gekomen en diezelfde kapitaalverzekering uiterlijk het daaropvolgende kalenderjaar weer voldoet aan de voorwaarden voor een kapitaalverzekering eigen woning, wordt de laatstgenoemde verzekering geacht een kapitaalverzekering eigen woning te zijn.

4. Bij toepassing van het derde lid vindt de aldaar opgenomen beperking in de tijd tot uiterlijk het daaropvolgende kalenderjaar geen toepassing indien de uitkering, bedoeld in het derde lid, het gevolg is van het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn of van verhuur van de voormalige eigen woning en de belastingplichtige de voormalige eigen woning weer bewoont waardoor die woning weer een eigen woning is.

5. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel d, het derde lid en het vierde lid wordt de aangegroeide rente in de periode dat de kapitaalverzekering geen kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 3.116, tweede lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, is, in de betreffende periode aangemerkt als premie.
K
Na artikel 10bis.2 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 10bis.2a Verlenging termijn kapitaalverzekering eigen woning
1. Onder een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 10bis.2, eerste lid, wordt mede verstaan een op 31 maart 2013 bestaande kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 3.116, tweede lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, mits het ter zake van die verzekering overeengekomen gegarandeerde kapitaal, of bij het ontbreken daarvan, het op grond van de betreffende overeenkomst te bereiken doelvermogen niet hoger is dan de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 10bis.1, eerste lid, op het moment van aangaan van de kapitaalverzekering.

2. Onder een kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 10bis.2, eerste lid, wordt mede verstaan een op 31 december 2013 bestaande kapitaalverzekering eigen woning als bedoeld in artikel 3.116, tweede lid, zoals dat luidde op 31 december 2012, mits het ter zake van die verzekering overeengekomen gegarandeerde kapitaal, of bij het ontbreken daarvan, het op grond van de betreffende overeenkomst te bereiken doelvermogen niet hoger is dan de bestaande eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 10bis.1, eerste lid, op het moment van aangaan van de kapitaalverzekering en de verzekeraar, financiële instelling, tussenpersoon of bemiddelaar uiterlijk op 31 maart 2013 ter zake van het verlengen van de looptijd, het aangaan of het verhogen van de kapitaalverzekering van de belastingplichtige:

a. een schriftelijk verzoek heeft ontvangen;

b. een mondeling verzoek heeft ontvangen en de belastingplichtige uiterlijk op 31 maart 2013 een schriftelijke ontvangstbevestiging van dat verzoek heeft ontvangen;

c. een mondeling verzoek heeft ontvangen en de belastingplichtige uiterlijk op 31 maart 2013 een schriftelijke afwijzing van dat verzoek heeft ontvangen;

d. de aanvaarding heeft ontvangen in reactie op een daartoe strekkend aanbod.

3. Indien de belastingplichtige een bestaande eigenwoningschuld heeft als bedoeld in artikel 10bis.1 en daarnaast een kapitaalverzekering heeft die slechts als gevolg van het in de overeenkomst ontbreken van de bepaling dat de begunstigde de uitkering zal aanwenden ter aflossing van de eigenwoningschuld, niet kwalificeert als kapitaalverzekering eigen woning en de belastingplichtige de genoemde bepaling voor 1 april 2013 alsnog opneemt in de overeenkomst, kwalificeert de genoemde kapitaalverzekering vanaf dat moment als kapitaalverzekering eigen woning, mits het ter zake van de kapitaalverzekering overeengekomen gegarandeerde kapitaal op 31 december 2012, of bij het ontbreken daarvan, het op grond van de betreffende overeenkomst, zoals die luidde op 31 december 2012, te betalen bedrag, nadien niet is verhoogd en de looptijd na 31 december 2012 niet is verlengd.
Artikel 10bis.2b Overeenkomstige toepassing
Artikel 10bis.2, tweede tot en met vijfde lid, en artikel 10bis.2a zijn van overeenkomstige toepassing op de spaarrekening eigen woning en op het beleggingsrecht eigen woning. Daarbij wordt gelezen voor:

a. de premie: het naar de rekening, onderscheidenlijk naar de beheerder, overgemaakte bedrag;

b. tot uitkering komen: deblokkeren.
L
In artikel 10bis.4, achtste lid, wordt “31 december 2012” vervangen door: 31 maart 2013.
M
In artikel 10bis.6 wordt na het vijfde lid, onder vernummering van het zesde tot en met achtste lid tot zevende tot en met negende lid, een lid ingevoegd, luidende:

6. Bij toepassing van het vijfde lid vindt de aldaar genoemde termijn van drie jaren geen toepassing indien het niet langer voldoen aan de voorwaarden het gevolg is van het anders dan door overlijden ophouden binnenlands belastingplichtig te zijn of van verhuur van de voormalige eigen woning. Indien de binnenlandse belastingplicht is beëindigd of de verhuur is aangevangen voor 1 januari 2013, geldt de in het vijfde lid genoemde termijn van drie jaren niet, mits de belastingplichtige voor 1 januari 2021 de voormalige eigen woning weer bewoont waardoor die woning weer een eigen woning is.


N
In artikel 10bis.7 wordt “het zevende en achtste lid van dat artikel” vervangen door: het achtste en negende lid van dat artikel.
O
In artikel 10bis.9, eerste lid, wordt “als bedoeld in artikel 10bis.1, eerste lid” vervangen door: , bedoeld in artikel 10bis.1, eerste lid.
P
Artikel 10bis.10 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt “als bedoeld in artikel 10bis.1, eerste lid” vervangen door: , bedoeld in artikel 10bis.1, eerste lid.
2. In het tweede lid wordt “in afwijking in zoverre van het tweede lid” vervangen door: in afwijking in zoverre van het eerste lid.
Q
Artikel 10bis.11 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het opschrift wordt “kapitaalverzekering, spaarrekening of beleggingsrecht eigen woning” vervangen door: kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning.
2. Na het tweede lid wordt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid, een lid ingevoegd, luidende:

3. Bij toepassing van het tweede lid vindt de aldaar genoemde termijn van drie jaren geen toepassing indien artikel 10bis.6, zesde lid, van toepassing is.


Artikel 3.2
De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:
A
De artikelen 2.10 en 2.10a worden als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding ”1.” geplaatst.
2. In de in het eerste lid opgenomen tabel wordt het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 540.
3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Indien bij het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in artikel 3.120 in aftrek zijn gebracht, bedraagt de belasting op het belastbare inkomen uit werk en woning het op basis van het eerste lid bepaalde bedrag vermeerderd met 0,5% van het bedrag waarmee de som van het belastbare inkomen uit werk en woning en de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot een eigen woning, het in de eerste kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel laatstvermelde bedrag te boven gaat, doch ten hoogste met 0,5% van de in aftrek gebrachte kosten met betrekking tot een eigen woning.


B
Artikel 3.154 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vierde lid wordt “vóór toepassing van de heffingskorting” vervangen door: vóór toepassing van artikel 2.10, tweede lid, artikel 2.10a, tweede lid, en de heffingskorting.
2. In het vijfde lid wordt “zonder rekening te houden met de heffingskorting” vervangen door: zonder rekening te houden met artikel 2.10, tweede lid, artikel 2.10a, tweede lid, en de heffingskorting.
C
In artikel 6.19, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, wordt “artikel 2.10a” vervangen door: artikel 2.10a, eerste lid.
D
In artikel 8.1, eerste lid, onderdeel a, wordt “artikel 2.10” vervangen door: artikel 2.10, eerste lid,.
E
In artikel 8.10, tweede lid, wordt “artikel 2.10” vervangen door: artikel 2.10, eerste lid,.
F
In artikel 10.1, tweede lid, wordt “artikel 2.10” vervangen door: artikel 2.10, eerste lid.
Artikel 3.3
De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 10bis.1 wordt na het derde lid, onder vernummering van het vierde tot en met achtste lid tot vijfde tot en met negende lid, een lid ingevoegd, luidende:

4. Indien na een verrekening op grond van artikel 3:265d van de Wet op het financieel toezicht van een spaarrekening eigen woning met een eigenwoningschuld, uiterlijk het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verrekening heeft plaatsgevonden opnieuw een schuld wordt aangegaan, wordt deze opnieuw aangegane schuld tot het beloop van die verrekening geacht te zijn aangegaan in verband met een eigen woning. De eerste volzin vindt alleen toepassing voor zover in samenhang met de opnieuw aangegane schuld weer een spaarrekening eigen woning wordt geopend als bedoeld in artikel 10bis.2, zesde lid.


B
Aan artikel 10bis.2 wordt een lid toegevoegd, luidende:

6. In geval van verrekening op grond van artikel 3:265d van de Wet op het financieel toezicht van een spaarrekening eigen woning met een eigenwoningschuld wordt, indien uiterlijk het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verrekening heeft plaatsgevonden een vervangende spaarrekening wordt aangegaan, deze nieuwe spaarrekening tot het beloop van die verrekening aangemerkt als voortzetting van de voorgaande spaarrekening eigen woning, mits in samenhang met die spaarrekening weer een schuld wordt aangegaan als bedoeld in artikel 10bis.1, vierde lid.


C
Artikel 10bis.7 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt “artikel 10bis.6, zevende en achtste lid” vervangen door: artikel 10bis.6, achtste en negende lid.
2. Het tweede lid alsmede de aanduiding “1.” voor het eerste lid vervallen.
D
Aan artikel 10bis.9 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Indien na verrekening op grond van artikel 3:265d van de Wet op het financieel toezicht van een spaarrekening eigen woning met een eigenwoningschuld uiterlijk het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de verrekening heeft plaatsgehad opnieuw een schuld is aangegaan als bedoeld in artikel 10bis.1, vierde lid, wordt in de tussenliggende periode voor de toepassing van artikel 3.119aa tot het beloop van de verrekening geacht geen sprake te zijn van een vervreemding.


Artikel 3.4
De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2015 als volgt gewijzigd:
A
In de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel wordt het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 540.
B
Na artikel 10.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 10.2a Jaarlijkse aanpassing correctie tarief aftrekbare kosten eigen woning
1. Bij het begin van het kalenderjaar wordt het in artikel 2.10, tweede lid, en artikel 2.10a, tweede lid, vermelde percentage bij ministeriële regeling vervangen door een ander percentage. Dit percentage wordt berekend door het te vervangen percentage te verhogen met 0,5%-punt en vervolgens te verminderen of te vermeerderen met eenzelfde aantal procentpunten als het aantal procentpunten waarmee het in de laatste kolom van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel als vierde vermelde percentage bij het begin van het kalenderjaar is verlaagd, onderscheidenlijk verhoogd.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt het in artikel 2.10, tweede lid, en artikel 2.10a, tweede lid, vermelde percentage ten hoogste gesteld op het verschil tussen de in de laatste kolom van de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel als vierde en derde vermelde percentages. Het in artikel 2.10, tweede lid, en artikel 2.10a, tweede lid, vermelde percentage wordt niet op een negatief percentage gesteld.


Artikel 3.5
In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2016 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 540.
Artikel 3.6
In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2017 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 540.
Artikel 3.7
In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2018 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 580 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede, derde en vierde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.
Artikel 3.8
In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2019 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 580 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede, derde en vierde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.
Artikel 3.9
In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2020 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 580 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede, derde en vierde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.
Artikel 3.10
In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2021 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 580 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede, derde en vierde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.
Artikel 3.11
In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2022 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 575 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede, derde en vierde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.
Artikel 3.12
In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2023 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 575 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede, derde en vierde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.
Artikel 3.13
In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2024 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 575 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede, derde en vierde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.
Artikel 3.14
In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2025 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 575 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede, derde en vierde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.
Artikel 3.15
In de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2026 in de in artikel 2.10, eerste lid, opgenomen tabel en in de in artikel 2.10a, eerste lid, opgenomen tabel het in de eerste en tweede kolom laatstvermelde bedrag verhoogd met € 570 en worden de in de laatste kolom van die tabel als tweede, derde en vierde vermelde percentages verlaagd met 0,05%-punt.
1   2   3

  • Artikel 10bis.2 Kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning of beleggingsrecht eigen woning
  • Artikel 10bis.2a Verlenging termijn kapitaalverzekering eigen woning
  • Artikel 10bis.2b Overeenkomstige toepassing
  • Artikel 10.2a Jaarlijkse aanpassing correctie tarief aftrekbare kosten eigen woning

  • Dovnload 187.29 Kb.