Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Bijlage a omgevingsanalyse

Dovnload 4.17 Mb.

Bijlage a omgevingsanalyse



Pagina1/23
Datum25.04.2019
Grootte4.17 Mb.

Dovnload 4.17 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   23


Bijlage A

Omgevingsanalyse


      1. Bevolkingssituatie in Antwerpen

        1. Aantal inwoners

        2. Bevolkingsprognos

        3. Kansarmoede in de stad Antwerpen

        4. Sterftecijfer en levensverwachtin




      1. Gezondheidssituatie in Antwerpen

Biologische en erfelijke factoren.

Fysieke en sociale omgeving

Milieu en gezondheid in stad Antwerpen

Leefstijl en gezondheidsgedrag

Gezondheidszorg

Perceptie van de gezondheidszorg


In de omgevingsanalyse wordt eerst de Antwerpse bevolkingssituatie beschreven om daarna stil te staan bij een aantal gegevens inzake de gezondheidssituatie in Antwerpen.
Volgende richtlijnen werden gehanteerd om te beslissen cijfergegevens in tabel- of grafiekvorm in de tekst op te nemen:

  • als cijfergegevens de Antwerpse situatie betreffen;

  • als er een duidelijke vergelijking mogelijk gemaakt kan worden tussen Antwerpen en andere steden of regio’s;

  • als cijfergegevens sterk geslachts-, leeftijds- of nationaliteit- of socio-economisch gebonden zijn en (met interpretatievoorzichtigheid) te extrapoleren naar stad Antwerpen.

Ook al worden er geregeld cijfergegevens weergegeven die de situatie beschrijven op provinciaal of regionaal niveau, de omgevingsanalyse blijft Antwerps. Cijfers van een hoger geografisch niveau worden om een bepaalde trend weergegeven, om risicogroepen te detecteren en om eventueel een extrapolatie te maken.


De beperkte ontsluiting van gegevens rond gezondheid laat ons vandaag niet toe een volledig beeld van de Antwerpse gezondheidssituatie te tonen. Toch willen we met de interpretatie van gegevens in onderstaande omgevingsanalyse reeds een beeld schetsen. Een aantal cijfers beschrijven specifieke trends in Antwerpen en geven aan waaraan het beleid aandacht zou kunnen schenken. In het Gezondheidsbeleidsplan wordt de uitwerking van een volwaardige gezondheidsmonitor als opdracht ingeschreven. Deze monitor moet de aanzet zijn tot een eerste systematische gegevensverzameling van gezondheidsgerelateerde cijfergegevens op wijkniveau en als toetsingsinstrument kunnen fungeren.
1.1.1. Bevolkingssituatie in Antwerpen
Hieronder wordt Antwerpse bevolking en haar vooruitzichten beschreven. Voor deze vooruitzichten doen we een beroep op prognoses die de studiedienst stadsobservatie (SSO) (is het vroeger Databank Sociale Planning) heeft opgemaakt. Om te merken wat er opvalt, vergelijken we de Antwerpse bevolkingssamenstelling met die van Vlaanderen. We beschrijven de algemene cijfers, maar we bespreken ook cijfers per leeftijdsgroep, nationaliteit en socio-economische situatie wanneer er opvallende verschillen vast te stellen zijn. Dit laatste is relevant, gezien socio-economische verschillen in behoorlijke mate gezondheidsverschillen verklaren. Ook sterftecijfers en levensverwachting als specifieke, gezondheidsgerelateerde bevolkingsgegevens worden in dit hoofdstuk beschreven.
Als grootstad vervult Antwerpen een belangrijke centrumfunctie. Er vinden grote mensenstromen plaats doordat vele burgers er wel vertoeven maar niet verblijven: omwille van werk en ontspanning. Het precieze aantal inwoners is niet gekend, want illegalen en in Antwerpen verblijvende maar elders gedomicilieerde burgers zijn niet opgenomen in de bevolkingscijfers.
Wat typisch is aan de grootstad is het aandeel ouderen in de bevolking: we merken een relatief hoog aantal 60+ers ten opzichte van het aantal 18 tot 60-jarigen. De stad wordt ook gekenmerkt door een hoge werkloosheid. Slechts 35% van de totale Antwerpse bevolking ontvangt een inkomen uit arbeid.
1.1.1.1. Aantal inwoners
In januari 2006 telde Antwerpen 461 269 inwoners, ingeschreven in het bevolkings- en vreemdelingenregister. Na een dieptepunt in 2001 begon de Antwerpse bevolking terug te stijgen, al zitten we met het bevolkingsaantal van 2006 nog niet op het niveau van begin jaren ’90.
De stad Antwerpen heeft een hoger aandeel 60+ers (24,5% tegenover 22,5% in Vlaanderen) en 80+ers (5,3% tegenover 4,0% in Vlaanderen) dan Vlaanderen.
Het aandeel 60+ers is het hoogst in de stadsrand, net buiten de Antwerpse ring (district Deurne, de wijken Linkeroever, Luchtbal en Lambrechtshoeken in Merksem, Berchem buiten de ring en het noordelijke deel van Wilrijk).
De hoogste concentraties jongeren onder 18 jaar bevinden zich in Berendrecht Zandvliet Lillo, de districten Ekeren en Merksem, de wijk Kiel, de 19e eeuwse gordel en de ruime omgeving van het Stadspark.
In vergelijking met Vlaanderen telt Antwerpen een groter aandeel niet-Belgen (12,5% tegenover 4,8% in Vlaanderen) en niet- EU’ers (7,8% tegenover 1,7% in Vlaanderen) in zijn populatie. Het betreft vooral Marokkanen, Turken en Nederlanders. Het aantal allochtonen - dat zijn naast de inwoners met een vreemde nationaliteit ook degenen die na hun geboorte of binnenkomst in het land de Belgische nationaliteit verwierven - bedraagt bijna 110 000 personen, dit is 24% van de Antwerpse bevolking. Allochtonen concentreren zich vooral binnen de ring: Antwerpen Noord (Stuivenberg en Atheneumbuurt), de stationsbuurt en Borgerhout intramuros zijn met percentages over 40% de uitschieters.
1.1.1.2. Bevolkingsprognose
Belangrijk voor een gezondheidsbeleidsplan is de evolutie van de bevolking in de toekomst. Bevolkingsprognoses kunnen een beeld geven hoe de bevolking mogelijk kan evolueren, maar zijn geenszins exacte voorspellingen. De bevolkingsprognoses die SSO opmaakte zijn berekend volgens 4 scenario’s. Voor de drie verschillende bevolkingsgroepen – m.n. Belgen, EU’ers en niet-EU’ers - wordt er telkens van een andere bevolkingsaangroei of –afname vertrokken. De recentste trends inzake migraties, vruchtbaarheid en levensverwachting worden als parameter gebruikt en hun eindwaarden telkens wat aangepast. We beschrijven hier slechts de algemene trends.
In alle scenario’s blijft de bevolking aangroeien tot 2018. Alleen in een scenario waarbij de Belgische inwoners een negatief saldo kennen en de niet-EU’ers een migratiesaldo van 0 zou er nadien opnieuw sprake zijn van een daling van de totale bevolking. In het meest plausibele scenario – waarbij er bij de Belgen een verminderde stadsvlucht plaatsvindt, de instroom van niet-EU’ers vermindert en de instroom van EU-burgers toeneemt – berekende SSO een toename van de bevolking tot ongeveer 465 000 in 2013, tot ongeveer 475 000 in 2018 en tot meer dan 480 000 in 2023.
Steeds meer mensen worden gezond oud. Voorspeld wordt dat de levensverwachting nog zal stijgen. Onderzoek geeft aan dat de groep van 85-plussers tegen het jaar 2010 (2013) een toename zal kennen van 30%. Er wordt verwacht dat de aangroei van 60-plussers minder groot zal zijn. Volgens de prognoses van SSO neemt het aantal 60+ers in alle scenario’s de eerste 10 jaar zelfs af, om daarna terug toe te nemen tot boven het huidige niveau van 112 000 (tot zelfs 119 000 in 2023). De voorspelde veroudering manifesteert zich sterker in Antwerpen dan in de rest van Vlaanderen. De bevolkingssamenstelling is echter ook zeer wijkgebonden: vooral in de randdistricten en Linkeroever neemt de vergrijzing toe.
Voor het aandeel jongeren in de bevolking is er een duidelijke breuklijn tussen de scenario’s die als gezamenlijk kenmerk hebben dat de niet-EU’ers een positief migratiesaldo kennen en de scenario’s die uitgaan van een status quo bij de niet- EU’ers. Het aantal en aandeel jongeren hangt volgens de prognose dus af van het migratiegedrag van de niet-EU’ers. Het meest plausibele scenario voorspelt een toename van ruim 130 000 in 2008 tot ongeveer 145 000 in 2023.
Bij de prognoses van de SSO werd gebruik gemaakt van nationaliteit als variabele voor etniciteit. Daarom moeten de prognoses voor de verschillende nationaliteitsgroepen met de nodige omzichtigheid bekeken worden: de nationaliteitswijzigingen werden namelijk niet meegenomen in de berekeningen, wat een vertekend beeld geeft.
In alle scenario’s is er sprake van een toename van de EU’ers en in nog grotere mate van de niet-EU’ers. Ook al vermindert de instroom sterk.
1.1.1.3. Kansarmoede in de stad Antwerpen
Uit vele studies is gebleken dat de socio-economische status (SES) een sterk bepalende factor is t.a.v. de gezondheid van het individu. Het is echter geenszins eenvoudig te beschikken over de vereiste cijfergegevens om de socio-economische status te bepalen. Klassiek wordt de SES weergegeven door drie factoren: inkomen, opleidingsniveau en beroepssituatie. We beschikken echter niet over gegevens die op individueel niveau deze drie indicatoren met elkaar verbindt.
Om toch een voorstelling op wijkniveau te kunnen maken beschrijven we de graad van kansarmoede. Hiervoor vallen we terug op een analyse van SSO. Zij bepaalden een kansarmoede-index op basis van vier factoren: werkloosheidsdruk, aandeel OCMW-steuntrekkers, mediaan belastbaar inkomen en aandeel pasgeboren kinderen in een kansarm gezin. Deze kansarmoede-index biedt een alternatief voor de index van Kind & Gezin, dat zich beperkt tot gezinnen met pasgeboren kinderen. De factor werkloosheidsdruk vormt het equivalent van beroepssituatie maar dan niet op individueel maar op buurtniveau. De factor mediaan belastbaar inkomen vormt het equivalent van het individueel belastbaar (gezins)inkomen. Voor de derde factor van de SES, het opleidingsniveau werd er bij de kansarmoede-index van SSO echter geen andere, gelijkwaardige factor opgenomen. Nochtans vinden we deze kansarmoede-index een relevant instrument om de risicowijken mee aan te duiden.
De meeste arme buurten bevinden zich in Antwerpen-Noord (postzone 2060). Ook de wijken Kiel, Luchtbal, Borgerhout intramuros en Linkeroever (met name Europark) hebben buurten met een hoge kansarmoede-score.
Het aantal personen dat van een vervangingsinkomen leeft, is hoog in vergelijking met de rest van Vlaanderen. Ook het aantal OCMW-steuntrekkers ligt relatief hoog (1,24 % in 2005) in vergelijking met het Vlaamse gemiddelde (0,6%). Generatiearmoede blijft hardnekkig aanwezig in Antwerpen. 14% van de kinderen wordt geboren in een kansarm gezin.
1.1.1.4 Sterftecijfer en levensverwachting.
Sterftecijfers
Het absolute aantal overlijdens in stad Antwerpen is de laatste jaren toegenomen. Maar dat geldt ook voor de totale populatie. Het brutosterftecijfer (aantal overlijdens per 1.000 inwoners) in 2002 bedroeg 12,24. Bij de mannen bedraagt dit cijfer 12,16 (tegenover 9,83 in Vlaanderen) en bij de vrouwen 12,31 (tegenover 9,42 in Vlaanderen).
De vergrijzing van de bevolking is echter een gegeven dat de bruto sterftecijfers sterk kan beïnvloeden. Door de cijfers te standaardiseren voor leeftijd (dit is de sterfte berekenen zoals die zou zijn indien de leeftijdsverdeling van de bevolking jaar na jaar dezelfde zou blijven) bekomen we het direct gestandaardiseerde sterftecijfer. Dan merken we wel een opvallend verschil tussen mannen en vrouwen. De verklaring hiervoor is dat de sterftekansen voor mannen en vrouwen verschillen op gelijke leeftijden. Mannen hebben op dezelfde leeftijd een grotere sterftekans dan vrouwen. Alleen in de levensfase van 1 tot 10 jaar hebben vrouwen een even grote sterftekans als mannen.
Wanneer we stad Antwerpen vergelijken met Vlaanderen, dan merken we enkele opvallende verschillen.
De sterfteratio in 2002 bij de 65+ers in Antwerpen bedroeg 98,13 (tegenover 91,14 in Vlaanderen). Bij de kinderen is het beeld genuanceerd. Sterften tijdens het eerste levensjaar liggen gevoelig hoger in Antwerpen (31 op 10.000 kinderen) dan in Vlaanderen (5 op 10.000 kinderen). In de leeftijdscategorie 1 tot 5 jaar liggen de aantallen gelijk (19 op 10.000 kinderen). Voor de totale groep van min 15-jarigen scoort Antwerpen gevoelig slechter dan Vlaanderen (19 op 10.000 in Antwerpen tegenover 9 op 10.000 in Vlaanderen). In de leeftijdscategorie van 15 t.e.m. 24-jarigen scoort Antwerpen 5 op 10.000; Vlaanderen behaalt in deze leeftijdscategorie 3 op 10.000 sterften.

Voor het Vlaamse gewest was er voor de periode 2005 – 2006 een lichte daling van het totaal aantal sterfgevallen. Voor Antwerpen was dit echter niet merkbaar: voor de mannen viel de verwachte sterfratio samen met de werkelijke ratio; voor de vrouwen viel de realiteit negatiever uit dan de verwachtingen (4 862 werkelijke sterfgevallen tegenover 4 682 verwachte sterfgevallen).


Binnen de Antwerpse populatie merken we opvallende verschillen tussen Belgen en vreemdelingen. Terwijl Belgen een sterfteratio hadden van 25,7 bedraagt het cijfer voor andere EU-burgers 11,4 en voor niet-EU’ers 7,1. Dit verschil is te wijten aan de erg verschillende leeftijdsopbouw van de nationaliteitsgroepen. Bij standaardisering van de cijfers voor leeftijd verdwijnen die verschillen.
Levensverwachting
Gegevens over sterftecijfers gekruist met leeftijd maken het mogelijk om de levensverwachting te berekenen. We beschikken echter niet over cijfers op Antwerps wijkniveau. Als we verwachten dat socio-economische verschillen voor een deel verschillen in de gezondheid verklaren, dan valt het ook te verwachten dat de levensverwachting behoorlijk kan verschillen van wijk tot wijk.
Het zou nuttig zijn te beschikken over de sterfteratio’s en levensverwachting per wijk. Een uitgebreide gegevensverwerking met gegevens van de dienst bevolking is nodig, bij voorkeur met vermelding van de sterfte-oorzaken. We opteren ervoor deze indicatoren mee op te nemen in de Gezondheidsmonitor.
1.1.2. Gezondheidssituatie in Antwerpen
We bekijken nu een aantal specifieke gezondheidsindicatoren. We plaatsen deze indicatoren in de indeling in vier factoren die een invloed op gezondheid hebben (determinanten van gezondheid):

  • biologische en erfelijke factoren;

  • fysieke en (psycho-)sociale factoren;

  • leefstijl en gezondheidsgedrag;

  • gezondheidszorg.

Bij de beschrijving van de afzonderlijke indicatoren gaan we telkens volgens hetzelfde stramien te werk, tenzij de beschrijving te summier is zodat een dergelijke indeling overbodig is. Hierbij wordt de volgende driedeling gehanteerd:



  • een beschrijving van het algemene beeld in Antwerpen (als cijfergegevens op Antwerps niveau beschikbaar zijn);

  • een differentiatie in de beschrijving / interpretatie van cijfergegevens (als de cijfergegevens dit toelaten) naar geografisch niveau of naar doelgroepen;

  • indien cijfergegevens niet konden ontsloten worden op stedelijk niveau of ook niet op een kleiner geografisch niveau, dan wordt ook aangegeven of het zinvol, wenselijk is om dit in de toekomst te betrachten en welke knelpunten hierbij ondervonden worden.

Na de beschrijving van de indicatoren bij elk van de vier gezondheidsbeïnvloedende factoren geven we telkens een conclusie over de wijken en doelgroepen die opvallende trends vertonen. Zo behouden we beter overzicht over de noden van de doelgroepen en wijken.


We merken nog op dat de beschrijving van de Antwerpse gezondheidssituatie eenvoudiger is voor wat betreft de biologische factoren en de fysieke en sociale omgeving als beïnvloedende factor dan voor wat betreft andere factoren. Leefstijl en gezondheidsgedrag van burgers die de individuele gezondheid mee bepalen zijn moeilijker exact te beschrijven (geen gegevens beschikbaar op lokaal niveau). Wat betreft de factor ‘gezondheidszorg’ beperken we ons tot de beschrijving van het aanbod aan eerstelijns-gezondheidszorg-voorzieningen. Hierbij bekijken we de spreiding en trachten we een zicht te krijgen op de vraag op het gebruik van het zorgaanbod.
Ingeval we (nog) niet kunnen beschikken over cijfergegevens m.b.t. bepaalde indicatoren, dan geven we aan welke acties nodig zijn om die in de toekomst te ontsluiten ten behoeve van het gezondheidsbeleid. Veelal verwijzen we hierbij naar de speerpuntactie ‘uitbouw van een gezondheidsmonitor’, waarbinnen de opdracht bestaat om die bepaalde indicatoren te ontsluiten. Hierbij geven we eventueel ook aan op welk geografisch niveau die ontsluiting best zou gebeuren om zinvolle beschrijvingen te kunnen doen. Dat gegevens vaak niet op wijkniveau kunnen worden voorgesteld hoeft overigens echter niet problematisch te zijn. Zelfs cijfers op Vlaams niveau geven vaak een richting aan. Zeker voor wat betreft – zoals reeds vermeld – leefstijl en gezondheidsgedrag.
Als leidraad voor de bepaling van zinvolle indicatoren gebruikten we de ‘Resultaten en toelichting van de gezondheidsenquête in de provincie Antwerpen’, waarin advies gegeven wordt aan de lokale besturen inzake het gebruik van indicatoren ter ondersteuning van gezondheidsinterventies. We onderzochten ook de indicatoren die in de Rotterdamse gezondheidsenquête worden opgenomen. Deze laatste bron is evenzeer relevant, gezien de grootstedelijke structuur en vergelijkbare bevolkingssamenstelling.
Biologische er erfelijke factoren
Hieronder beschrijven we een aantal indicatoren die de individuele gezondheid beïnvloeden vanuit hoofdzakelijk biologische of erfelijke oorzaak: doodsoorzaken (indeling naar vnl. biologische en erfelijke oorzaken), zelfdoding, kanker, infectieziekten (alleen tbc), seksuele gezondheid (HIV), chronische aandoeningen/ziekten en de frequentie van aandoeningen/ziekten.
Zelfdodingcijfers zijn opgenomen bij de doodsoorzaken. Ze zitten vervat in de laatste categorie van oorzaken. Doodsoorzaken, met name ‘Aanvullende classificatie van uitwendige oorzaken van letsel en vergiftiging’. We beschrijven de zelfdodingcijfers daarom hier net achter de beschrijving van de doodsoorzaken in het algemeen.
Doodsoorzaken in Antwerpen
Algemeen

Als eerste indicator om de gezondheid van de Antwerpenaren te beschrijven, gebruiken we de doodsoorzaken, ingedeeld in 15 verschillende clusters. Deze clustering is gebaseerd op een indeling van de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie). De cijfergegevens moeten ons een antwoord geven over in hoeverre er in Antwerpen t.o.v. van Vlaanderen typische doodsoorzaken te vinden zijn. De cijfers betreffen het jaar 2002.


Voor alle Antwerpenaren samen zijn er geen significante verschillen vast te stellen ten aanzien van Vlaanderen. Dit is enigszins anders wanneer we bepaalde doelgroepen in Antwerpen vergelijken met diezelfde groepen in Vlaanderen.
Doelgroepen
Geslacht__Aantal_zelfdodingen__Zelfdodingen/__10_000_inwoners'>Geslacht

Wanneer men sterfte-oorzaken in verschillende populaties wil vergelijken, moet rekening worden gehouden met de verschillen in leeftijdsopbouw in die populaties. Na neutralisering van de variabele leeftijd leren de cijfers ons dat Antwerpen voor mannen hoger scoort voor inwendige ziekten algemeen, cerebrovasculaire aandoeningen (beroerten), hart- en vaatziekten, de categorie overige hartziekten en infecties en parasitaire aandoeningen. Significant laag scoort Antwerpen bij mannen voor vervoersongevallen, hematologische en stollingsziekten, diabetes en pneumoconiose (stoflong) en asbestos.


Voor vrouwen zien we in Antwerpen significant hogere waarden voor doodgeboorte, perinatale sterfte, kanker algemeen en kanker van de trachea, bronchus en long in het bijzonder, infecties en parasitaire aandoeningen en chronisch obstructief longlijden. Lage waarden zien we dan weer voor diabetes, hart- en vaatziekten, ziekten van arteries, arteriolen en cappillairen, endocriene, nutritionele en metabole aandoeningen, hypertensieve ziekten, ischemische hartziekten en ziekten van huid en subcutis.
Leeftijd

Zowel in Vlaanderen als in Antwerpen zijn de sterften bij ouderen (65+ers) voornamelijk te wijten aan ziekten van het hart- en vaatstelsel, kanker en ziekten van het ademhalingsstelsel.


Bij de doodsoorzaken van de kinderen onder 15 jaar merken we in Antwerpen een hogere proportie kinderen dat sterft aan congenitale afwijkingen of aandoeningen met oorsprong in de perinatale periode. Bij de 15 tot 24-jarigen merken we een hogere proportie nieuwvormingen en een lagere proportie sterften door uitwendige letsels.
Nationaliteit

De statistieken m.b.t. doodsoorzaken leren ons dat niet-EU’ers eerder sterven aan infectieziekten, congenitale afwijkingen en aandoeningen met oorsprong in de perinatale periode en aan uitwendige letsels. EU’ers en Belgen hebben ten aanzien van elkaar ongeveer hetzelfde profiel. Veel heeft vermoedelijk te maken met het verschil in leeftijdsstructuur tussen de verschillende groepen.


Ontsluiting op doelgroep- en districtsniveau

Meer specifieke cijfergegevens zouden een hulpmiddel kunnen betekenen naar de bepaling van bestede middelen aan preventie. Binnen de werkgroep Gezondheidsmonitor wordt bekeken in hoeverre een verfijning van de cijfers nuttig kan zijn en geschikt voor opname in de Gezondheidsmonitor. Op wijkniveau zou de kans op scheeftrekkingen omwille van de kleine populaties groot kunnen worden. Het districtsniveau is mogelijk voldoende groot om de toevalsfactor in de cijfers te elimineren. Via de FOD Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur zijn gegevens zeker beschikbaar op stedelijk niveau, alsook het aantal hospitalisaties omwille van de 15 zelfde fysieke oorzaken.


Zelfdodingcijfers
Algemeen

Zelfdoding is één van de indicatoren die wijzen op het bestaan van geestelijk onwelzijn. In 2003 vonden in stad Antwerpen 81 sterften plaats met als oorzaak “zelfdoding”. Dit betekent dat op 10.000 inwoners ongeveer 18 mensen zelfdoding pleegden.


Doelgroepen

Het zijn vooral mannen die zelfdoding pleegden.


Tabel 1: Aantal zelfdodingen als doodsoorzaak in stad Antwerpen

Geslacht

Aantal zelfdodingen

Zelfdodingen/

10 000 inwoners

Man

66

29,9

Vrouw

15

6,5

Totaal

81

17,9

Bron: Vlaamse Gemeenschap, dep. WVC 2003. Bewerkingen door Databank Sociale Planning
Ontsluiting op doelgroep- en districtsniveau

Naast zelfdodingcijfers zou het zinvol zijn om de indicatoren in de Gezondheidsmonitor uit te breiden met enkele bijkomende indicatoren die iets vertellen over het geestelijke welzijn van de Antwerpenaren. Naar analogie met de fysieke oorzaken zouden we het aantal hospitalisaties omwille van geestelijke aandoeningen kunnen opnemen en ook het aantal meldingen bij de Ecg’s (Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg) en Teleonthaal.


Kanker
Algemeen

De kankerregistratie van de Vlaamse Gemeenschap vertelt ons dat in 2003 1 416 nieuwe kankers werden geregistreerd.


Doelgroepen

Geslacht

De mannen scoren hierbij hoger dan de vrouwen.


Tabel 2: Aantal geregistreerde kankers (per 10.000 inwoners) in stad Antwerpen

Geslacht

Aantal

Aantal/10 000

inwoners

Man

776

35,2

Vrouw

640

27,6

Totaal

1 416

31,3

Bron: Vlaamse Gemeenschap Dep. WVC 2003. Bewerkingen door Databank Sociale Planning
Bij mannen heeft longkanker een belangrijk aandeel bij de geregistreerde kankers: het betreft 34% van de mannelijke kankers. Longkanker neemt ook een belangrijke plaats in bij kankers bij vrouwen, het komt in absolute aantallen en in percentage van de totaal geregistreerde kankers bij vrouwen minder voor (14,8%). Volgens het Vlaamse Agentschap Zorg en Gezondheid is de meest voorkomende kanker bij vrouwen borstkanker: het betreft 19,4% van alle geregistreerde kankers bij vrouwen in de leeftijdscategorie 40 – 44 jaar. Dit percentage daalt tot 11% in de leeftijdscategorie 65 - 69.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   23

  • 1.1.1. Bevolkingssituatie in Antwerpen
  • 1.1.1.1. Aantal inwoners
  • 1.1.1.2. Bevolkingsprognose
  • 1.1.1.3. Kansarmoede in de stad Antwerpen
  • 1.1.1.4 Sterftecijfer en levensverwachting.
  • 1.1.2. Gezondheidssituatie in Antwerpen
  • Biologische er erfelijke factoren
  • Doodsoorzaken in Antwerpen
  • Geslacht Aantal zelfdodingen Zelfdodingen/ 10 000 inwoners
  • Geslacht Aantal Aantal/10 000 inwoners

  • Dovnload 4.17 Mb.