Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Bijvoeglijk naamwoorden

Dovnload 168.84 Kb.

Bijvoeglijk naamwoorden



Datum14.03.2017
Grootte168.84 Kb.

Dovnload 168.84 Kb.



BRIEFAANTEKENINGEN

 

 




Hoe kijk je een brief goed na?

 

Eerst alle WERKWOORDEN markeren :



  • goede persoonsvorm gebruikt?

  • juiste tijd (vt / subj.)?

  • onregelmatig ww?

 

 

Daarna alle BIJVOEGLIJK NAAMWOORDEN markeren (andere kleur):



  • goed aangepast aan znw.?

  • is het misschien een bijwoord??

 

 

Let op regel A + LIJDEND VOORWERP als dit een persoon is.



 

 

Juist gebruik van LIJDEND VOORWERP/MEEWERKEND VOORWERP (me, te …etc)



 

 

Let op POR” en “PARA”



Let op de juiste LIDWOORDEN.

 

 



Schrijf woorden GOED OVER UIT JE WOORDENBOEK

 

 



Controleer DATUM en AANHEF.

 

 



  

 

 

 

 



INDEX:
HET BEGIN: Pag.


  1. Datum & Aanhef: 6

  2. Hoe het gaat? 6

  3. Bedankt voor je brief 6

  4. Begin een nieuwe zin altijd met een hoofdletter 6

  5. Vraag- en uitroeptekens 6

  6. “y en o” 6


WERKWOORDEN:
7. Vertaling van komen. 6

8. Kijken naar; luisteren naar ; wachten op 6



  1. Encontrar 6

  2. Preguntar 7

  3. Quedar 7

  4. Denken 7

  5. Als je in het Nederl. de VVT gebruikt 7

  6. Er was ; er waren 7

  7. krijgen 7

  8. Entrar en 7

  9. Verboden zijn ; toegestaan zijn 7

  10. Zich interesseren voor 7

  11. vragen 7

  12. missen 8

  13. Zich inschrijven 8

  14. Brengen 8

  15. ww. Met een meew. vw 8

  16. Vertalen is soms erg eenvoudig 8

  17. Moeten en Hoeven 8

  18. Moeten heeft meestal een extra ww. nodig 9

  19. Sluiten 9

  20. Let goed op de voorzetsels 9

  21. iets leren 9



TIJDSBEPALINGEN


  1. als/wanneer/of 9

  2. Wat heb ik .... lang niet! 9

  3. Niet meer 9

  4. Hace una semana 9

  5. Ergens (al) een tijd zijn 10

  6. direkt 10

  7. Daarna… & Na... & Vroeger & Voor... 10

  8. De volgende dag /week 10

  9. Binnen een week... 10

  10. Op zondag & ’s zondags 10

  11. In de zomer ( winter etc...) 10


ZELFSTANDIGNAAMWOORDEN + BIJVOEGLIJKNAAMWOORDEN





  1. Zuid Spanje = el sur de España 10

  2. Mensen = gente 10

  3. Landen 10

  4. Bijv.nw. op - dor / -tor 11

  5. Let op deze woorden uit het Grieks 11

  6. Woorden op –ista 11

  7. Amigo & Novio 11

  8. Middelbare school & ander voc. 11

  9. grande 11

  10. lang & kort 11

  11. el / un día 11

  12. Beter ; slechter; ouder; groter; jonger... 11

  13. Kerstavond & Oudjaarsavond 11

  14. Een verhaal 11

  15. La familia & la gente 12

  16. Estar + bijv 12

  17. Woorden op – ión / -dad / -tad /-tud  12

  18. “otro”en “medio” 12

  19. la foto / - la moto . 12

  20. Alle... 12

  21. Kijk goed in je WOORDENBOEK !!! 12

VOORZETSELS + BIJWOORDEN





  1. De vertaling van (alleen) “te” 13

  2. Verschil tussen POR en PARA: 13

  3. Het BIJWOORD 13

  4. Voorzetsels en pers.vnw 13

  5. Vertaling van “zo” : 14

  6. Vertaling van “bij jou (thuis)’ / “bij je ouders (thuis) 14

  7. Snel ( spoedig) schrijven 14

  8. "Gustar mucho” 14


UITDRUKKINGEN EN DINGEN WAAR JE EXTRA OP MOET LETTEN: 


  1. Iets van iemand stelen! 14

  2. Benieuwd zijn naar iets 14

  3. Het spijt me (dat). 14

  4. Cumplir años en meer voc. 14

  5. GUSTAR 15

  6. Bij iemand langsgaan 15

  7. De uitdrukking “Wat een …..!!!” 15

  8. Als je een zin begint met “Omdat…/ Daar…/ Aangezien…” 15

  9. Onderwerp en wederk. vnw. moet kloppen 15

  10. ¿Por qué? & Porque 15

  11. Vertaling van “Sorry dat ik... etc 15

  12. Zinnen als “Ik kom (wil) naar jou toe (in de zomer)” 15

  13. “Ik ben er zeker van dat...” 15

  14. “Ergens tegen / voor zijn”   16

  15. ontkenning in de zin 16

  16. Let op de woordvolgorde 16

  17. Alles & Allen 16

  18. Vertaling van “wat”: 16

  19. Hoe vertaal je “in de krant (brief, bord etc) staat?” 16

  20. Let op het bezittelijk vnw 16

  21. Bezitt. vnw. niet gebruiken als 16

  22. ¿Cúanto...? 17

  23. OOK & OOK NIET (EVENMIN) 17

  24. pero & sino 17



  1. BELANGRIJK ! 17

    1. Zijn en volt.deelwoord 18

    2. Worden 18

    3. Hoofd- en bijzinnen 18

    4. Gebruik pretérito & Imperfecto 18

 

 

 



 

***


 

 

 



 

 

 



 

 

 



 

 

 



 

 

 



 

 

 



 

 

 



 

 


HET BEGIN:


1 Datum: Baarn, 22 de abril de 2006

Aanhef: Querido/a Pedro / Ana :

2 Hoe het gaat? Met ESTAR.

¿Cómo estás?=Hoe gaat het met je?

Estoy bien=Met mij gaat het goed.

Dus géén ‘con’ erbij!
3.  Bedankt voor je brief = gracias por tu carta

Ik wil je bedanken voor de brief die ik heb ontvangen... = quiero agradecerte la carta que recibí....


4. Begin een nieuwe zin altijd met een hoofdletter en niet met woorden als:

“y…/ porque…/ pero…/o….” Dit zijn voegwoorden!


5. Vraag- en uitroeptekens kunnen vooraan of midden in de zin voorkomen. Een afsluitend vraag- of uitroepteken staat altijd aan het einde van de zin.

Vb: Pedro, ¿cómo estás?


6. Als “y “ gevolgd wordt door een woord dat begint met “i “ of “hi “ = e :

Carmen y Isabel wordt  Carmen e Isabel

Holanda y Inglaterra wordt  Holanda e Inglaterra

Padres y hijos wordt  Padres e hijos

 

Las “o “ gevolgd wordt door een woord dat begint met “o “ of “ho= u :



Paz o Oscar wordt > Paz u Oscar

Inglaterra o Holanda wordt > Inglaterra u Holanda.

 

WERKWOORDEN:
7. Vertaling van KOMEN: Als je vanuit de spreker gezien GAAT dan moet je IR gebruiken: Morgen kom ik naar Zaragoza > Mañana voy a Zaragoza

(als iem. je roept) Ja, ik kom al = Ya voy!

8. Kijken naar= mirar

luisteren naar = escuchar

wachten op / hopen op = esperar
Je vertaalt de voorzetsels niet, maar wel a als er een lijdvw. volgt dat een persoon is : Bv. : espero el tren / espero a Juan

miro el libro / miro a Inéz

9. Encontrar(ue) in vele variaties: encontrar = vinden

encontrarse = zich bevinden

encontrarse con u. p. = iemand ontmoeten

10. Preguntar por algo / u.p. = vragen naar iets / iemand...

11. Quedar (con): afspreken

Quedarse = blijven (van personen). Nos quedamos en Italia. (Wij blijven in Italië)

12. Denken aan = pensar(ie) en...

Vb: Pienso en el examen (Ik denk aan het examen)/ Pensamos en nuestros hijos (wij denken aan onze kinderen) / En qué piensas? (Waar denk je aan? )

13. Let op !! Als je in het Nederl. de VVT gebruikt , kan je die ook letterlijk zo gebruiken in het Spaans !

Vb: Ik vroeg of ze het gezien had = Le pregunté si lo había visto

Hij zei dat jullie gelogen hadden = Dijo que habíais mentido

14. Er was ; er waren = había (meestal imperfecto/ altijd enkelv ! )

Dit zal je vaak gebruiken !!

15. “krijgen” is vaak moeilijk te vertalen ! Hier een hulpmiddel:

Als je iets tastbaars krijgt, gooi dan de zin om :

Vb: Ik krijg veel cadeautjes = me dan muchos regales (ze geven mij veel cadeautjes…)

Gisteren kreeg ik een bon= ayer me pusieron una multa (Gisteren gaven ze mij een bon.)

Maar: Ik kreeg hoofdpijn = Me entró dolor de cabeza

16. Entrar EN.
Entrar en la cocina (de keuken binnen gaan) / entrar en la casa (het huis binnen gaan) etc.

 
17. Verboden zijn = estar prohibido / toegestaan zijn = estar permitido

18. Zich interesseren voor = interesarse por.

19. Let op “vragen”:

1) vragen ( om iets tastbaars te krijgen) ; verzoeken = pedir

2) vragen ( om informatie te krijgen) = preguntar

Maar: informatie vragen = pedir informes !

 


20. Vertaling van “missen”:




  • iemand (emotioneel) missen = echar de menos a u.p.

vb: Te echo de menos = ik mis jou

Echamos de menos a Isabel = wij missen Isabel


  • de trein missen = perder(ie) el tren




  • Twee boeken missen (niet hebben) = faltar ( zin omgooien!)

vb: Me faltan 2 libros = ik mis nog 2 boeken

En la fiesta falta Ana = Ana ontbreekt op het feest

21. Zich inschrijven = apuntarse (bv. voor militaire dienst)

matricularse ( cursus, opleiding)

inscribirse

 
22. Brengen = traer (Engels: to bring ) > naar spreker toe brengen

llevar (Engels: to take) > van de spreker af brengen

23. Let goed op het meew. vw ! Sommige ww. hebben een meew. Vw (er moet standaard ook een lijd.vw bij.) :




-zeggen (aan iem.) > le digo algo

-vertellen ( “ “ ) > les cuento algo

-laten zien ( “ “ ) > le muestro , enseño algo

-iets leren ( “ “ ) > les enseño algo

-iets wisselen (voor iem.) > le cambio el billete

-vragen ( aan iem.) > les pregunto (pido) …..

Etc...


24. Vertalen is soms erg eenvoudig !

- Ik ging naar buiten = salí.

- Ik ging naar binnen = entré.

 
25. Moeten : tener (ie) que…

deber… (meer een soort morele verplichting)

hace falta… (het is nodig/moeten)

hay que… (geldt voor alle personen!) (Het is nodig/moeten/men moet...)
Hoeven : vaak te vertalen met hace falta !

vb : no hace falta estudiar tanto. (“te”niet vertalen ) (Je hoeft niet zoveel te studeren)


26. Moeten heeft meestal een extra ww. nodig ( waar je dat in het Ned. niet hoeft te gebruiken):

Vb: Ik moet naar school = tengo que ir al instituto.

Wij moesten naar de dokter = tuvimos que ir al médico

27. Sluiten = cerrar(ie)

Op slot doen (deur) = cerrar con llave ( sleutel)

Op slot doen (bv. fiets) = poner el candado a una bici. (hangslot)

28. Let goed op de voorzetsels , bijv :



IR + a ( geeft beweging aan !)

Estar + en ( geeft geen beweging aan, het is er dan al !)
29. iets leren (onderwijzen) aan iemand = enseñar

  zelf iets leren (ik leer Frans) = aprender (Aprendo francés)



TIJDSBEPALINGEN:
30. ALS/WANNEER/OF
Engels : Spaans:
if ( als / of ) > Si….

when (als/ wanneer) > Cuando….

or (of) > O

Dit gaat altijd op !

31. “Wat heb ik jou lang niet gezien!”= ¡Cuánto tiempo sin verte!

“Wat heb ik jou lang niet geschreven!” = ¡Cuánto tiempo sin escribirte!

“Wat hebben wij elkaar lang niet gesproken!”= ¡Cuánto tiempo sin hablarnos!

32. Niet meer = Ya no fumo (ik rook niet meer)

Ya no eres mi amigo (je bent mijn vriend niet meer)
Iets niet meer doen (nalaten, gestopt zijn ) = dejar de

vb: He dejado de fumar ( ik ben opgehouden/gestopt met roken)

Por qué no dejas de gritar?(Waarom hou je niet op met schreeuwen?)
Niet (nog) meer = No quieres más fruta? / No, gracias. No quiero más fruta.

33. Hace una semana / un mes/ una hora (etc) = een week / maand / uur geleden



Desde hace una semana / un mes (etc) = sinds een week/ maand ...

34. “Ergens (al) een tijd zijn “ is te vertalen met “llevar”


Vb: Cuántos días llevas en el hospital? Hoeveel dagen lig je al in het ziekenhuis?

Llevamos 2 años en Holanda. Wij zijn al 2 jaar in Nederland.


Variatie hierop : “Iets al een tijdje doen” > llevar + gerundio !!

Vb : Llevo 4 años estudiando español

35. Als “direkt” = “meteen , dadelijk” = en seguida ; ahora mismo.
36. Daarna = después… (geen “de”) > Vamos a cenar y después al cine.

(Wij gaan eten en daarna naar de bios.)



Na... = después de > Después de la cena vamos al cine

(Na het eten gaan we naar de bios)



Vroeger....= antes > Antes cenabais a las 9, ahora a las 10

(Vroeger aten jullie om 9 uur, nu om 10 uur)



Voor...(tijd)= antes de > Antes de la cena vamos al bar.

(Voor het eten gaan we naar de kroeg.)

37. De volgende dag /week etc = al día siguiente /a la semana siguiente etc

(ook als je in het verleden spreekt, bv. de dag daarop)

De eerstkomende/ volgende week = la semana que viene

( als je vanuit het heden naar de toekomst verwijst)

38. Binnen een week = dentro de una semana

Over een week = en una semana

Over 2 weken = en quince días (en dos semanas)

Twee dagen lang/ Gedurende 2 dagen = Durante dos días.


39. Op zondag = el domingo ’s zondags = los domingos

Op ’n middag = una tarde ‘s middags = por la tarde (maar:)

3 uur ’s middag= A las tres de la tarde
Op de eerste dag= El primer día etc

Maandagochtend = El lunes por la mañana

40. In de zomer ( winter etc...) = en verano ( géén lidw !)

Maar: in de zomer van 1998 = en el verano de 1998 (bepaalde zomer)




ZELFSTANDIGNAAMWOORDEN + BIJVOEGLIJKNAAMWOORDEN

41. Zuid Spanje = el sur de España

42. DE MENSEN = LA GENTE ( enk. en vrouwelijk) :

Let dus op het Bijv.nw. en op Werkw.

 

 

43. Landen met hoofdletter / alles wat ervan wordt afgeleid met kleine letter :



Vb: España > español ( = Spanjaard/ Spaans)
44. Bijv.nw. op - dor / -tor krijgen wel een vrouwelijke a :

VB: una persona trabajadora = een hardwerkend persoon.


 

45. Let op deze woorden uit het Grieks: el problema (het probleem)/ el dilema (het dilemma) / el tema (het thema)…(manl.)


46. Woorden op –ista kunnen manl. of vrouwel. zijn. Ligt aan het lidwoord!

vb. el / la turista (de ml. / vr. toerist)

el / la periodista (de journalist), el / la ciclista (de fietser/wielrenner) etc...

47. Amigo = vriend Novio = (vaste ) vriend, geliefde

48. Middelbare school = El instituto

Vakken = Las asignaturas

keuzevak = La asignatura optativa

examen doen = examinarse

iets leren = aprender ; estudiar (als je er echt voor gaat zitten).

49. Let op “grande” : dit verliest de “de” vóór ieder zelfst. nw in enkelv !!! En de betekenis verandert van groot naar groots (geweldig).

Un gran coche (een grootse auto)

una gran casa (een groots huis)
maar: Un coche grande / una casa grande / coches grandes….

50. Vertaling van “lang” = largo = lang (lengtemaat)

mucho tiempo ( lange tijd)

Hoe lang…? = Cuánto tiempo…?

Vertaling van “kort” = corto (lengtemaat)

poco tiempo ( korte tijd)

51. Let op : el / un día : un día bonito

buenos días

52. Beter = mejor / slechter = peor

Ouder ; groter = mayor / jonger; kleiner = menor (niet: más mejor etc !)

53. Kerstavond = La Nochebuena / Op Kerstavond= En Nochebuena

Oudjaarsavond = Nochevieja / Op Oudejaarsavond= En Nochevieja

Nieuwjaarsdag = Añonuevo / Op Nieuwjaarsdag = En Añonuevo

54. Een verhaal = - una historia , un relato

Een sprookje = - Un cuento

 55. La familia ( familie; gezin) en la gente ( de mensen) :enkelv. en vrouwel.

Vb: Mi familia está en París. = Mijn familie is in Parijs.

La gente del norte trabaja mucho y es simpática. = De mensen uit het noorden werken veel en zijn aardig.


 

56. Estar + bijv.nw (als dit een verandering ,toestand aangeeft)


Bv: estar muerto (dood zijn) estar herido (gewond zijn)

Estar cubierto (bedekt zijn) estar enojado (boos zijn)

estar enfermo (ziek zijn) estar lleno (vol zijn)

estar sucio (vies zijn)

 

LET OP: SER BUENO(dus ser + bijv.nw) = goed zijn, vaak gaat het om feiten:

Las verduras son buenas para la salud – Groente is goed voor de gezondheid

ESTAR BIEN (estar + bijwoord)! = vaak meer met de betekenis van ‘het is oké”. Los libros de Harry Potter están bien = De boeken van HP zijn goed/oké.
ESTAR BUENO/A/OS/AS = lekker zijn/ een lekker ding zijn (qua personen).
La comida está buena = het eten is lekker

Balkenende NO está bueno = Balkenende is GEEN lekker ding ;-)


57. Woorden op – ión / -dad / -tad /-tud… zijn vrouwelijk !

 
58. Voor “otro” (nog een) en “medio” (een halve) gebruik je geen “un(a)”.

Vb: - media botella de vino – een halve fles wijn

- quiero otro vino. –Ik wil nog een wijnjte.

 
59. Denk aan de volg. woorden :

- la foto / - la moto .

60. Alle deuren = todas las puertas (dus meerdere deuren)

Alle kinderen = todos los chicos

Alle mensen = toda la gente (gente is vrouwel. en enk !)

Maar : De hele deur = toda la puerta ( één deur, in z’n geheel)

De hele school =todo el colegio

61. Kijk goed in je WOORDENBOEK !!!



  • Schrijf de woorden correct op, kijk dat na.

  • Kijk ook wat voor soort woord je bedoelt : znw. / bijv.nw / bijw. etc

  • Kom je niet uit een constructie, bedenk dan iets heel anders.

  • Kijk vooral verder dan het eerste woord!!

VOORZETSELS + BIJWOORDEN

62. De vertaling van “te” voor een ww. wordt vaak niet vertaald.


VB: Het is leuk te zeggen dat…= es divertido decir que…

Het is nuttig dit goed te leren = es útil estudiarlo bien

Ik besloot te bellen…= Decidí llamar…
Maar: als je “om te” móet vertalen ( om kan je dan niet weglaten!) = para + inf.

Un huevo es para comer.

 

63. Verschil tussen POR en PARA:


POR ( te vergl. met par in het Frans) :


  • door (via) … : vamos por el bosque (We gaan door het bos)

  • bij betaling/ in ruil voor … : te doy 2 euros por el libro/ pagar por… (Ik geef

2 euro voor het boek/ betalen voor)

  • (emotioneel) iets voor iem. doen : lo hago por ti... (Ik doe het voor jou)

  • door (gedaan door een persoon) : Fui agarrado por Juan (Ik werd vastgegrepen

door Juan).

  • Bij uitdrukkingen (zie woordenboek!): gracias por tu carta ! (dank je voor je

brief)
PARA (te vgl. met Fr. pour):


  •   voor / met doel.. : este libro es para Pepa. (dit boek is voor

Pepa)

  •   om te + inf. : un libro es para leer (Een boek is om te lezen)

  •   met bestemming/richting : el tren para Madrid está a la derecha (de trein

richting Madrid bevindt zich rechts.)

 
 


64. Een BIJWOORD hoort meestal bij een WERKW.

Maak (als dit mag) het bijv nw. vrouwelijk en plak er MENTE achter:

Bv: rápido > rápidamente difícil > difícilmente

Let op : BIEN en MAL zijn BIJW. !! (bueno en malo zijn bijv.nw)

Een BIJW. nw verandert NOOIT.lo zijn bijv.nw)

zijn BIJW>!!KW.

por ti...

 


65. Let op : voorzetsels + pers. vnw. = (a / de/ por / para etc )



ti

él, ella, Ud

Uitzondering : met mij = conmigo nosotros

Met jou= contigo vosotros ellos (ellas), Uds

66. Vertaling van “zo” : zo = así ( op deze manier)

de esta manera ( op deze manier)

zo = tan ( zó laat = tan tarde / zó duur = tan caro)

67. Vertaling van bij jou (thuis) = en tu casa

bij je ouders (thuis) = en casa de tus padres

68. Snel ( spoedig) schrijven = escribir pronto

69. "Gustar mucho” : (mucho is een bijw. en dus niet veranderen !!)



UITDRUKKINGEN EN DINGEN WAAR JE EXTRA OP MOET LETTEN: 
 

70. Iets van iemand stelen!


Spaans: iets aan iemand ontfutselen (met meew.vw)

Let op! Je gooit deze constructie om en er komt een meew. vw bij !




vb: Hij steelt haar tas. > Hij ontneemt (aan ) haar de tas > Le roba el bolso (a ella)

Ze hebben mijn camera gestolen > Ze hebben (aan) mij de c. ontnomen >

Me han robado la cámara

 
71. Benieuwd zijn naar iets … Vaak moet je hier een ww. bij verzinnen.
Vb:

- Estoy curioso por saber cómo estás (Ik ben benieuwd hoe het met je gaat)

- Estamos curiosos por saber tu opinión (Wij zijn benieuwd naar je mening)

72. Het spijt me. = Lo siento. (einde zin !!!)

Het spijt me dat...(volgt zin!) = Siento que…(+ Subj!)…

 
73. Cumplir años = jarig zijn

Cumplo 32 años = ik word 32 jaar

El cumpleaños = de verjaardag

Tener 32 años = 32 jaar zijn

 

 



74. GUSTAR (OMGOOIEN!)
Let goed op uitdrukk. als : Ik vind het leuk, mooi, lekker enz.

Het lijkt me leuk , mooi, lekker enz.
Het (onderw !) bevalt aan mijn. = Me gusta ( niet “lo” me gusta !)

Het ( onderw .!) lijkt ons leuk = Nos gusta ( niet “lo” nos gusta !)


Vb: Ik hou van wijn = Wijn bevalt (aan) mij = El vino me gusta

Ik hou van aardappels = Aardappels bevallen (aan) mij = Me gustan las patatas.

 

75. Bij iemand langsgaan = pasar por ( + iets toevoegen)


Vb: Ik ga bij je langs (thuis) = Paso por tu casa

Ik ga bij langs het ziekenhuis = Paso por el hospital

 

 

76. De uitdrukking “Wat een …..!” = “¡Vaya……!”/ ¡Qué....!



“Wat een auto!” = “¡Vaya coche!” / “¡Qué coche!”

“Wat een verhaal!” = “¡Vaya historia!”/ “¡Qué historia!”

 

 

77. Als je een zin begint met “Omdat…/ Daar…/ Aangezien…” gebruik je in het Spaans “Como….” (géén accent)



Vb : Como no estoy en casa , no te puedo ver. (Aangezien ik niet thuis ben kan ik je niet zien/ontmoeten)

78. Let op : (Onderwerp en wederk. vnw. moet kloppen!)


- Tengo que quedarme ( of ; me tengo que quedar)= Ik moet bljven

- Tienes que quedarte = Jij moet blijven

- Tenemos que vestirnos = Wij moeten ons aankleden.

 
79. ¿Por qué?= Waarom? Porque = want , omdat....

 

 

80. Vertaling van “Sorry dat ik... etc = Perdóname por no contestarte…



Perdóname por no haberte saludado…
“Sorry voor mijn reactie...”= Perdóname esta reacción.

 

 



81. Zinnen als “Ik kom (wil) naar jou toe (in de zomer)” moet je een beetje omschrijven. Bv : - Quiero visitarte este verano = Ik wil je deze zomer bezoeken

- Quisiera pasar por tu casa….. = Ik wil bij je langs gaan.


Maar nóóit zo: Quiero ir a te .

 
82. “Ik ben er zeker van dat...” = Estoy seguro/a de que….

“Ik ben er bang voor dat...” = Tengo miedo de que….( + Subj)…
 83. “Ergens tegen zijn” = Estar en contra de...

“Ergens voor zijn” = Estar a favor de...

 

 

84. Als een Spanjaard begint met een ontkenning in de zin houdt hij dat vol!



Dit doe je niet in het Nederlands.

Vb:


- Ik kan nooit iets moois vinden = Nunca puedo encontrar nada bonito

- Er is hier nooit iets interessants = Aquí no hay nunca nada interesante

 

85. Let op de woordvolgorde : No lo he visto (hardop oefenen!)



No te vemos

 

  



86. Alles = todo (lo entiendo todo = Ik begripj alles/ lo compramos todo= Wij kopen alles )

Allen = todos(as) (invitamos a todos = Wij nodigen allen uit) Dit slaat op personen.

Ook is er de mogelijkheid : todas las personas / toda la gente (alle mensen)

Iedereen = todo el mundo.

 

87. Vertaling van “wat”: 1. Wat ..? (vrag. vnw !) = Qué…?



2. Wat… (hetgeen/ dat wat…) = Lo que… (Frans “ce que…”)
Vb. bij 1) ¿Qué me dices? = Wat zeg je tegen mij?

2) Lo que me dices es verdad = Wat (hetgeen) je mij zegt is waar.

 

88. Hoe vertaal je “in de krant (brief, bord etc) staat?” =



En el periódico ponen que... (zetten ze...)

Se pone que (zet men...)

 
89. Let op het bezittelijk vnw :

-Mijn vriendin = mi amiga / een vriendin van mij = una amiga mía

-Jouw boeken = tus libros / die boeken van jou = estos libros tuyos
( Kijk de gram. regel hierover na in je basisboek !!!)

 

 



90. Bezitt. vnw. niet gebruiken als het logisch is dat jij de eigenaar bent, en ook niet bij lichaamsdelen en kledingstukken.
Zie de voorbeelden:

- Me duele la cabeza = Ik heb hoofdpijn / te cortas el dedo. = Jij snijdt in je vinger.

- Te quitas la camisa = Je doet je overhemd uit / me pongo el vestido = Ik doe de jurk aan.

 

91. ¿Cúanto...? (Hoeveel) kan veranderen :


¿Cúantos libros? = Hoeveel boeken? / ¿ Cuántas maletas? = Hoeveel koffers? etc...

(dus cuánto + znw. past zich aan ) Maar let op : ¿Cuánto cuesta(n)…?

 

 


  1. OOK & OOK NIET (EVENMIN)

Ook =también

Ook niet/evenmin = Tampoco.



  1. pero & sino

Ik ben vandaag moe maar ik ga veel studeren = Hoy estoy cansado pero voy a estudiar mucho.

Die jurk is niet blauw maar rood = El vestido no es azul sino rojo.
Bij “Niet zus... maar zo... “ gebruik je geen pero , maar SINO!

94. BELANGRIJK !

A. Let op zinnen die er hetzelfde uitzienbijv. met zijn en volt. deelw.”

1. Jan is teruggekomen.

2. Jan is geslagen.
Zin 1 en 2 zijn NIET dezlfde soort zinnen : Bij zin 1 heeft Jan (onderw.) het ook zelf gedaan / bij zin 2. ondergaat hij de handeling, iemand anders heeft het bij hem gedaan ! Dit is grammaticaal heel anders.
-Bij zin 1 : hier is “teruggekomen” een zuiver volt. dw. en mag niet veranderen,de constructie doe je ook gewoon met HABER + V. DW. > “Juan ha vuelto”.
-Bij zin 2 : Juan (onderw.) ondergaat de handeling, iemand anders doet hem dit aan. Je hebt nu een volt.dw. dat eigenlijk de functie heeft van een BIJV.NW !Gooi bij dit type zinnen de constructie om !!!! Dat is de meest simpele manier.
“Jan is geslagen” wordt > “men heeft Jan geslagen” of “ze hebben Jan geslagen”.

Het wordt dan : “se ha pegado a Juan” of “han pegado a Juan”.



Nog enkele voorbeelden:


Jorge is verdwenen = J. ha desaparecido

Ana is gebleven = A. se ha quedado

Ana is gearresteerd = Se ha detenido a Ana (ondergaat de handeling)

Pepe is gisteren gebeld = Ayer se llamó a Pepe (ondergaat de handeling)

 
Je kan dit ook nog op een andere manier doen, zoals de Engelsen :

“have (has) been ………” > ha sido llamado/a “. (zie 92B)

De eerste manier ( zin omgooien ) zoals boven gegeven is eenvoudiger.


  1. De vertaling van WORDEN als hulp.ww. is ook erg lastig. Maak het jezelf niet te moeilijk en ga ook als volgt te werk: CONSTR. OMGOOIEN !

VB: Ik word geslagen = men slaat mij / ze slaan mij.

Paco werd gearresteerd = men arresteerde P / ze arresteerden P.
Zie je dat dit veel lijkt op punt 92A?

Vb: Ik word geroepen > ze roepen mij me llaman

Ik werd geroepen > ze riepen mij me llamaron.

 
Je kan dit ook nog op andere manieren doen : met het ww. SER

vb: Antonia fue llamada = A. werd geroepen.

Ook hier is de eerste bovengenoemde manier simpeler. GEBRUIK DIE !!!

 


  1. Let op deze hoofd- en bijzinnen:

1. Ik hoop dat ik je gauw zie (Ned: ik hoop je gauw te zien)

2. Ik hoop dat jullie snel komen.

 

-Als , zoals in zin 1, de onderwerpen van de hoofd- en bijzin hetzelfde zijn gebruikt een Spanjaard bij voorkeur een heel werkw. in de bijzin:


“Espero verte pronto” (ik hoop je gauw te zien)

“Esperas ganar mucho dinero” ( jij hoopt dat je later veel geld verdient /

jij hoopt later veel geld te verdienen)
-Als , zoals in zin 2, de onderwerpen verschillend zijn moet je een gewone bijzin maken , waarin heel vaak de Subj. voorkomt “Espero que vengáis pronto” (Ik hoop dat jullie gauw komen)



  1. Gebruik Pretérito en Imperfecto:




Pretérito

Imperfecto

    1. Tijdstip in het verleden

    2. korte afgebakende werkwoorden (vaak actie)

    3. Opeenvolgende handelingen (en toen...en toen...en toen...)

4. Bij beginhandelingen

1. Beschrijving

2. Handeling die lang duurt

3. Gewoonte


***


 

 

 




  • ZELFSTANDIGNAAMWOORDEN + BIJVOEGLIJKNAAMWOORDEN
  • VOORZETSELS + BIJWOORDEN

  • Dovnload 168.84 Kb.