Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh

Dovnload 0.66 Mb.

Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh



Pagina1/14
Datum05.12.2018
Grootte0.66 Mb.

Dovnload 0.66 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh Bahá'u'lláh


Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh

Oorspronkelijke titel: Gleanings from the Writings of Bahá'u'lláh


vertaald uit het Perzisch en Arabisch in het Engels door

Shoghi Effendi, Behoeder van het Bahá'í Geloof.


Nederlandse vertaling onder toezicht van de Nationale Geestelijke Raad van de bahá'ís van Nederland. Deze electronische uitgave is gelijk aan de gedrukte versie uit 1979.

De errata, verschenen in april 1998 zijn in deze uitgave verwerkt.


ISBN 90-70765-10-1

© 1979, 1998 Bahá'í Uitgeverij Nederland, Den Haag.
Laatst gewijzigd: 11-12-2007
Alle rechten voorbehouden, copyright volgens de Conventie van Bern

Voor deze editie is de paragraaf-indeling van de Engelstalige uitgave aangehouden



INHOUD




Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh 1

Deel II: De manifestatie van God; zijn betekenis in het vertegenwoordigen van de hoedanigheden van God. 20

Deel III: De ziel en haar onsterfelijkheid 55

Deel IV: De geestelijke aspecten van de wereldorde en de allergrootste vrede 79

Deel V: De persoonlijke plichten en de geestelijke betekenis van het leven 102


Deel I: De dag van God: De komst van zulk een openbaring werd in alle heilige geschriften aangekondigd.....
I. Geloofd en verheerlijkt zijt Gij, o Heer, mijn God! Hoe kan ik van U gewagen, verzekerd als ik ben dat geen tong, hoe diep ook zijn wijsheid, Uw naam op passende wijze kan verheerlijken en evenmin kan de vogel van het menselijk hart, hoe groot ook zijn verlangen, ooit hopen tot in de hemel Uwer majesteit en kennis op te stijgen.

Als ik U beschrijf, o mijn God, als Degene die de Aldoorziende is, zie ik mij gedwongen te erkennen dat Zij die de hoogste Belichaming van waarneming zijn, krachtens Uw bevel zijn geschapen. En als ik U verheerlijk als Degeen die de Alwijze is, word ik eveneens genoodzaakt in te zien dat de Bronnen der wijsheid zelve zijn verwekt door de werking van Uw Wil. En als ik U verkondig als de Onvergelijkelijke, bespeur ik weldra dat Zij die de geheimste kern van Eenheid zijn, door U werden neergezonden en slechts de getuigenis zijn van het werk Uwer handen. En als ik U begroet als de Kenner aller dingen, moet ik bekennen dat Zij die de Kern van kennis zijn slechts de in leven geroepen werktuigen zijn van Uw Doel.

Verheven, onmetelijk verheven, zijt Gij boven het streven van de sterfelijke mens om Uw mysterie te ontrafelen, Uw heerlijkheid te beschrijven, of zelfs ook maar de aard van Uw Wezen aan te duiden. Want wat ook de resultaten van zulk een streven mogen zijn, nooit kan men verwachten de grenzen te overschrijden die Uw schepselen zijn opgelegd, aangezien deze pogingen hun oorsprong vinden in Uw gebod en geboren zijn uit Uw schepping. De meest verheven gevoelens die de heiligste van alle heiligen tot uitdrukking kan brengen in het loven van U, en de diepste wijsheid die de meest geleerde der mensen kan verwoorden bij het pogen Uw aard te begrijpen, zij allen bewegen zich rond het Middelpunt dat geheel aan Uw soevereiniteit is onderworpen, Uw Schoonheid aanbidt en wordt gedreven door de beweging van Uw Pen.

Neen, o mijn God, verhoed dat ik woorden zou hebben gesproken die noodzakelijkerwijs laten doorschemeren dat er enig rechtstreeks verband zou bestaan tussen de Pen Uwer Openbaring en de kern van het geschapene.

Ver, ver staan Zij die met U verbonden zijn boven de opvatting van een dergelijke betrekking tot U. Alle vergelijkingen en gelijkenissen blijven in gebreke om de Boom Uwer Openbaring recht te doen wedervaren, en tot het begrijpen van de Manifestatie van Uzelf is iedere weg gesloten. Ver, ver zij het van Uw glorie wat de sterfelijke mens van U kan bevestigen of U kan toeschrijven, of de lof waarmede hij u kan verheerlijken! Welke plicht Gij Uw dienaren ook hebt opgedragen om Uw majesteit en glorie tot in de hoogste mate te prijzen, dan is dit slechts een teken van Uw genade jegens hen, opdat zij in staat mogen worden gesteld zich te verheffen tot de staat die verleend is aan hun innerlijk wezen, de staat van zichzelf te kennen.

Niemand buiten U is ooit in staat geweest Uw mysterie te peilen of Uw grootheid op passende wijze te prijzen. Onnaspeurlijk en hoog verheven boven de lof der mensen zult Gij steeds blijven. Er is geen ander God dan Gij, de Ongenaakbare, de Almachtige, de Alwetende, de Heilige der Heiligen.



II. Het begin aller dingen is de kennis van God, en het einde aller dingen is nauwgezette naleving van al hetgeen is neergezonden uit de hoogste hemel van de goddelijke Wil, welke alles wat in de hemelen en alles wat op aarde is, doordringt.
III. De Openbaring die, sedert onheuglijke tijden, werd toegejuicht als het Doel en de Belofte van alle Profeten van God, en de dierbaarste wens van Zijn Boodschappers, is nu, krachtens de doordringende Wil van de Almachtige en op Zijn onweerstaanbaar bevel, aan de mensen geopenbaard. De komst van zulk een Openbaring werd in alle heilige Geschriften aangekondigd. Ziet hoe, ondanks zulk een aankondiging, de mensheid van haar pad is afgedwaald en zich van haar heerlijkheid heeft afgesloten.

Zeg: O gij geliefden van de Ene ware God! Streeft er naar, dat gij Hem waarlijk moogt erkennen en verstaan, en Zijn voorschriften moogt naleven, zoals het betaamt. Dit is een Openbaring, waarin, zo een mens om der wille hiervan één druppel bloed zou vergieten, zijn beloning myriaden oceanen zal zijn. Hoedt u, o vrienden, dat gij zulk een onschatbaar voorrecht niet verbeurt of de alles te boven gaande rang ervan veronachtzaamt. Overdenkt het grote aantal levens die werden, en nog steeds worden opgeofferd in een wereld, die misleid wordt door louter schijn, ingegeven door de ijdele inbeeldingen van haar volkeren. Betuigt uw dank aan God, aangezien gij het Verlangen van uw hart hebt verkregen en verenigd werd met Hem, die de Beloofde aller volkeren is. Waakt met de hulp van de ene ware God - verheven zij Zijn heerlijkheid - over de zuiverheid van de staat die gij hebt bereikt en blijft trouw aan hetgeen Zijn Zaak zal bevorderen. Hij waarlijk, legt u op wat juist is en bevorderlijk voor 's mensen staat. Verheerlijkt zij de Albarmhartige, de Openbaarder van deze wondere Tafel.


IV. Dit is de Dag waarin Gods verhevenste gunsten over de mensen zijn uitgestort; de Dag waarin Zijn machtigste genade al het geschapene heeft doordrongen. Het is de plicht van alle volkeren ter wereld hun geschillen bij te leggen en in volmaakte eenheid en vrede onder de schaduw van de Boom van Zijn zorg en goedertierenheid te verblijven. Het betaamt hun zich te houden aan al hetgeen in deze Dag zal strekken tot de verheffing van hun staat en de bevordering van hun hoogste belang. Gelukkig degene die de alglorierijke Pen verkoos te gedenken en gezegend degenen wier namen Wij krachtens Ons ondoorgrondelijk besluit geliefden te verzwijgen.

Smeekt de ene ware God toe te staan dat alle mensen genadiglijk worden geholpen om te volbrengen hetgeen in Onze ogen aanvaardbaar is. Spoedig zal de huidige orde worden opgerold en een nieuwe in haar plaats worden uitgespreid. Waarlijk, uw Heer spreekt de waarheid en is de Kenner van ongeziene dingen.


V. Dit is de Dag waarin de Oceaan van Gods genade aan de mensen is geopenbaard, de Dag waarin de Dagster van Zijn goedertierenheid haar glans over hen uitspreidt, de Dag waarin de wolken van Zijn overvloedige genade de gehele mensheid overschaduwen. Het is nu de tijd om de terneergeslagenen te verblijden en te verkwikken met de bezielende bries van liefde en kameraadschap en met de levende wateren van vriendschap en menslievendheid.

Zij die de geliefden Gods zijn, moeten in welke plaats zij ook samenkomen en wie zij ook ontmoeten, in hun houding jegens God en in de wijze waarop zij Zijn lof en heerlijkheid verkondigen, zulk een nederigheid en onderwerping aan de dag leggen dat ieder stofdeeltje onder hun voeten getuigt van de ernst van hun toewijding. De door deze heilige zielen gehouden gesprekken moeten met zulk een kracht zijn geladen, dat die stofdeeltjes door de invloed ervan worden aangegrepen. Zij moeten zich op zulk een wijze gedragen dat de grond waarop zij lopen, nooit woorden tot hen zal kunnen richten als deze: "Ik ben boven u te verkiezen, want ziet hoe geduldig ik de last draag die de landman mij oplegt. Ik ben het werktuig dat voortdurend aan alle wezens de zegeningen doorgeeft, welke Hij die de Bron van alle genade is, mij heeft toevertrouwd. Ziet hoe nederig ik ben ondanks de mij verleende eer en de ontelbare bewijzen van mijn rijkdom - een rijkdom die in de behoeften van de gehele schepping voorziet - en aanschouwt met welk een volkomen onderwerping ik mij door de voeten van de mensen laat vertreden...."

Betoont elkander verdraagzaamheid, welwillendheid en liefde. Mocht iemand onder u niet bij machte zijn een bepaalde waarheid te vatten en zich inspannen om deze te begrijpen, legt dan in uw gesprek met hem een geest van uiterste vriendelijkheid en welwillendheid aan de dag. Helpt hem de waarheid te zien en te erkennen zonder uzelf in het minst superieur of in het bezit van grotere gaven te achten.

Het is de hoogste plicht van de mens in deze Dag dat deel van de stroom van genade te verwerven, dat God voor hem uitstort. Laat daarom niemand acht slaan op de grootte van zijn ontvankelijkheid. Het deel van sommigen kan in de palm van een hand gaan, het deel van anderen een beker vullen en dat van weer anderen zelfs een litermaat.

In deze Dag moet ieder oog zoeken naar hetgeen de Zaak Gods het beste zal bevorderen. Hij, Die de Eeuwige Waarheid is, zij Mij tot getuige! In deze Dag kan niets groter schade aan deze Zaak toebrengen dan tweedracht en strijd, twist, vervreemding en traagheid onder de geliefden van God. Ontvliedt deze dingen door de kracht van God en Zijn soevereine hulp en streeft er naar het hart der mensen te verenigen in Zijn naam, de Eenmaker, de Alwetende, de Alwijze.

Smeekt de ene ware God te geven, dat gij het aroma moogt smaken van de daden op Zijn pad verricht, en deel moogt hebben aan de zoetheid van die deemoed en onderwerping om Zijnentwille betoond. Vergeet uzelve en richt uw blik op uw naaste. Richt uw krachten op al hetgeen de opvoeding der mensen zal bevorderen. Niets is of kan ooit verborgen blijven voor God. Als gij Zijn pad volgt, zullen Zijn ontelbare en onvergankelijke zegeningen over u worden uitgestort. Dit is de lichtende Tafel, waarvan de verzen vloeiden uit de bewegende Pen van Hem Die de Heer aller werelden is. Overweegt het in uw hart en behoort tot hen die zich houden aan de voorschriften ervan.


VI. Aanschouwt hoe de verschillende volkeren en geslachten der aarde gewacht hebben op de komst van de Beloofde. Nauwelijks had Hij die de Zon der Waarheid is, zich geopenbaard, of ziet, allen keerden zich van Hem af, behalve diegenen die het God behaagde te leiden. In deze Dag durven Wij niet de sluier op te lichten, welke de verheven staat die elke ware gelovige kan bereiken, verhult; want door de vreugde die een dergelijke onthulling teweeg zou brengen, zouden wellicht sommigen bezwijmen en sterven.

Hij die het Hart en Middelpunt is van de Bayán heeft geschreven: "De kiem die in zichzelf de mogelijkheden bergt van de komende Openbaring, is begiftigd met een macht die de gezamenlijke krachten van allen die Mij volgen te boven gaat". En wederom zegt Hij: "Van alle lof die Ik Hem die na Mij zal komen, heb betuigd is de grootste, Mijn geschreven bekentenis, dat geen van Mijn woorden Hem toereikend kunnen beschrijven; en evenmin kan enige verwijzing naar Hem in Mijn Boek, de Bayán, Zijn Zaak recht doen wedervaren".

Al wie de diepten van de oceanen die in deze verheven woorden verborgen liggen, heeft gepeild en hun betekenis heeft doorgrond, van hem kan worden gezegd, dat hij een glimp heeft ontdekt van de onuitsprekelijke glorie, waarmede deze machtige, deze verhevene en allerheiligste Openbaring werd begiftigd. Gezien de verhevenheid van een zo machtige Openbaring, kan men zich goed indenken, met welk een eer de trouwe volgelingen moeten zijn bekleed. Bij de rechtvaardigheid van de ene ware God! De adem van deze mensen alleen al is zoeter dan alle schatten der aarde. Gelukkig is de mens die dit heeft bereikt, en wee de achtelozen.
VII. Waarlijk Ik zeg u, dit is de Dag waarin de mensheid het Aangezicht kan aanschouwen en de stem kan horen van de Beloofde. De roep van God is aangeheven en het licht van Zijn aanschijn verlicht de mensen. Het betaamt ieder mens om elk spoor van ijdele woorden van de tafel van zijn hart uit te wissen en, open en onbevooroordeeld, de blik te richten op de tekenen van Zijn Openbaring, de bewijzen van Zijn Zending en de zinnebeelden van Zijn heerlijkheid.

Groots is waarlijk deze Dag! De zinspelingen die in alle heilige Geschriften hierop zijn gemaakt als de Dag van God, getuigen van de grootheid ervan. De ziel van iedere Profeet Gods, van iedere goddelijke Boodschapper, heeft naar deze wonderbare Dag gesmacht. De verscheidene volkeren op aarde hebben allen eveneens vurig verlangd deze te beleven. Nauwelijks was echter de Dagster van Zijn Openbaring aan de hemel van Gods Wil zichtbaar, of allen, behalve zij die het de Almachtige behaagde te leiden, bevonden Wij met stomheid geslagen en sloegen er verder geen acht op.

O gij die Mij indachtig zijt! De dichtste sluier heeft de volkeren der aarde van Zijn heerlijkheid afgesloten en hen belet Zijn roep te horen. God geve dat het licht van eenheid de gehele aarde moge omgeven en dat het zegel "Het Koninkrijk is Gods" gestempeld moge worden op het voorhoofd van alle volkeren.
VIII. Bij de gerechtigheid Gods! Dit zijn de dagen waarin God de harten van de gehele schare Zijner Boodschappers en Profeten heeft beproefd en daarenboven hen, die Zijn gewijd en onschendbaar Heiligdom bewaken, de bewoners van het Hemelse Paviljoen en zij die in het Tabernakel van Heerlijkheid verblijven. Hoe zwaar moeten derhalve de beproevingen zijn waaraan zij die zich met God gelijk stellen, onderworpen zullen worden.
IX. O Husayn! Overweeg het verlangen waarmede bepaalde volkeren en nadien hebben uitgezien naar de terugkeer van de Imam Husayn wiens komst - na het verschijnen van de Qá'im - in vroeger tijden was voorzegd door Gods uitverkorenen, verheerlijkt zij Zijn glorie. Deze heiligen hebben bovendien aangekondigd dat, wanneer Hij die de Dageraad van Gods veelvuldige genade is, Zich openbaart, alle Profeten en Boodschappers met inbegrip van de Qá'im, zich zullen scharen onder de schaduw van het heilige Vaandel, welke de Beloofde zal heffen. Dit uur is nu gekomen. De wereld is verlicht met de stralende glorie van Zijn aanschijn. En toch, ziet hoe verre de volkeren van Zijn pad zijn afgedwaald! Niemand heeft in Hem geloofd, behalve zij die door de macht van de Heer van Namen de afgoden van hun nutteloze inbeelding en verdorven begeerten hebben verbrijzeld en de stad van zekerheid zijn binnengetreden. Het zegel van de uitgelezen Wijn Zijner Openbaring werd in deze Dag en in Zijn Naam, de Toereikende, verbroken. Haar genade wordt nu over de mensen uitgestort. Vult uw beker en drinkt in Zijn Naam, de Heiligste, de Alomgeprezene.
X. De tijd voorbeschikt aan de volkeren en geslachten der aarde is nu gekomen. De beloften Gods, zoals opgetekend in de heilige geschriften, zijn alle vervuld. Van Zion is de Wet van God uitgegaan en Jeruzalem, de heuvels en het land daaromheen, zijn vervuld van de heerlijkheid van Zijn Openbaring. Gelukkig is de mens die in zijn hart overweegt hetgeen geopenbaard is in de Boeken van God, de Helper-in-Nood, de Bij-Zich-Bestaande. Mediteert hierover, o gij geliefden Gods, en laat uw oor aandachtig luisteren naar Zijn Woord, opdat u zich door Zijn genade en barmhartigheid moogt verzadigen aan de kristalheldere wateren der standvastigheid en even onbeweegbaar en onwrikbaar als een berg moogt worden in Zijn Zaak.

In Jesaja staat geschreven: ''Ga in de rotskloven en verberg u in de grond voor de verschrikking des Heren en voor de luister van Zijn majesteit". Ieder mens die over dit vers mediteert moet zeker de grootheid van deze Zaak erkennen en niet twijfelen aan het verheven karakter van deze Dag - de Dag van God Zelf. Dit vers wordt gevolgd door deze woorden: "En de Here alleen is te dien dage verheven". Dit is de Dag welke de Pen van de Allerhoogste in alle heilige geschriften heeft verheerlijkt. Elk vers hierin verheerlijkt de glorie van Zijn heilige Naam en ieder Boek getuigt uitsluitend van de verhevenheid van dit meest verheven thema. Zouden Wij alles vermelden wat is geopenbaard in de hemelse Boeken en heilige geschriften omtrent deze Openbaring, dan zou deze Tafel veel te omvangrijk worden. In deze Dag is het de plicht van ieder mens geheel zijn vertrouwen te stellen op de menigvuldige genadegiften van God en op te staan om met de grootste wijsheid de waarheden van Zijn Zaak te verspreiden. Dan en slechts dan zal de gehele aarde door het morgenlicht Zijner Openbaring worden omgeven.


XI. Alle glorie zij deze Dag, de Dag waarin de geuren van barmhartigheid over al het geschapene zijn verspreid, een Dag, zo gezegend dat voorbije tijdperken en eeuwen nooit kunnen hopen deze te evenaren, een Dag waarin het aangezicht van de Aloude der Dagen naar Zijn heilige zetel is gekeerd. Daarop hoorde men de stemmen van al het geschapene en daarenboven die van de Schare in den hoge luide roepen: "Haast u, o Karmel, want zie het licht van het aangezicht Gods, de Heerser van het Koninkrijk van Namen en de Maker der Hemelen, is over u opgegaan".

In vreugdevolle vervoering verhief zij luide haar stem en riep aldus uit: "Moge mijn leven voor U worden geofferd, aangezien Gij Uw blik op mij hebt gevestigd, mij Uw milddadigheid hebt geschonken en Uw schreden naar mij hebt gericht. Het van U gescheiden zijn, o Gij Bron van eeuwig leven, heeft mij nagenoeg verteerd en het veraf-zijn van Uw tegenwoordigheid heeft mijn ziel opgebrand. Alle lof zij U dat Gij mij in staat hebt gesteld naar Uw roep te luisteren, dat Gij mij met Uw voetstappen hebt geëerd, en dat Gij mijn ziel hebt opgewekt met de levengevende geur van Uw Dag en de aangrijpende stem van Uw Pen, welke Gij hebt bestemd tot Uw bazuingeschal onder Uw volk. En toen het uur sloeg waarop Uw onweerstaanbaar Geloof geopenbaard moest worden, hebt Gij een ademtocht van Uw geest in Uw Pen geblazen en ziet, de gehele schepping schudde op haar grondvesten, waardoor die geheimen voor de mensheid werden ontsluierd, welke verborgen lagen in de schatkamers van Hem Die de Bezitter is van al het geschapene".

Nauwelijks had haar stem de meest verheven Plek bereikt of Wij gaven ten antwoord: "Betuig dank aan Uw heer, o Karmel. Het vuur van het gescheiden zijn van Mij was u snel aan het verzengen, toen de oceaan van Mijn tegenwoordigheid voor uw gelaat aangolfde, en uw ogen en die van de gehele schepping vreugde bracht, en alle zichtbare en onzichtbare dingen met verrukking vervulde. Verheug u, want God heeft in deze Dag Zijn troon op u gevestigd, heeft u tot het ochtendgloren Zijner tekenen gemaakt en tot de dageraad van de bewijzen Zijner Openbaring. Wel ga het hem die zich rond u beweegt, die de openbaring van uw heerlijkheid verkondigt en verhaalt van hetgeen de milddadigheid van de Heer, uw God, over u heeft uitgestort. Grijp de Kelk der Onsterfelijkheid in naam van uw Heer, de Alglorierijke en betuig dank aan Hem, aangezien Hij als teken van Zijn barmhartigheid jegens u, uw droefheid in blijdschap en uw leed in zalige vreugde heeft veranderd. Waarlijk, Hij bemint de plek die tot de zetel van Zijn troon is gemaakt, waar Hij Zijn voetstappen heeft gezet, die door Zijn tegenwoordigheid is geëerd, vanwaar Hij Zijn roep aanhief en waarop Hij Zijn tranen stortte.

"Roep luide tot Zion, o Karmel, en verkondig de vreugdevolle tijding: Hij die voor het sterfelijk oog verborgen was, is gekomen! Zijn allesoverwinnende soevereiniteit is duidelijk; Zijn allesomvattende pracht is onthuld. Hoedt u er voor dat gij niet aarzelt of draalt. Spoedt u voort en schrijdt rondom de stad Gods die uit de hemel is neergedaald, de hemelse Kaaba, waaromheen de uitverkorenen Gods, de zuiveren van harte en de schare der verhevenste engelen zich in aanbidding hebben bewogen. O, hoe verlang Ik ernaar de blijde boodschap van deze Openbaring op elke plek der aarde te verkondigen en naar iedere stad te brengen - een Openbaring tot welke het hart van Sinaï1 werd aangetrokken en in naam waarvan de Brandende Braamstruik2 roept: "Aan God, de Heer der Heren, behoren de koninkrijken van hemel en aarde". Waarlijk, dit is de Dag waarin zowel het land als de zee zich over deze aankondiging verblijden, de Dag waarvoor de dingen bewaard zijn die God door een aan alle vergankelijk verstand en hart te boven gaande milddadigheid bestemd heeft voor openbaring. Eerlang zal God Zijn Ark op u doen varen en zal Hij het volk van Bahá bekend maken, waarvan melding wordt gemaakt in het Boek van Namen".3

Geheiligd zij de Heer der gehele mensheid, bij het noemen van Wiens naam alle atomen der aarde tot trilling werden gebracht en de Tong van Grootheid werd bewogen te onthullen hetgeen in Zijn kennis en in de schatkamer van Zijn macht diep verborgen lag. Hij is waarlijk de Heerser over al wat in de hemel en op aarde is, door de kracht van Zijn naam, de Machtige, de Almogende, de Meest Verhevene.
XII. O mensen, bereidt u voor, in afwachting van de dagen van goddelijke gerechtigheid, want het beloofde uur is nu gekomen. Hoedt u er voor de betekenis ervan mis te vatten en tot de afgedwaalden te worden gerekend.
XIII. Ga het verleden na. Hoevelen, hoog en laag, hebben te allen tijde vol verlangen gewacht op de komst van de Manifestaties van God in de geheiligde personen van Zijn Uitverkorenen. Hoe dikwijls hebben zij Zijn komst verwacht, hoe veelvuldig hebben zij gebeden dat de koelte van goddelijke barmhartigheid mocht waaien, en de beloofde Schoonheid van achter de sluier van verborgenheid tevoorschijn mocht komen en kenbaar worden gemaakt aan de gehele wereld. En telkens wanneer de poorten van genade opengingen, de wolken van goddelijke barmhartigheid op de mensheid neerregenden en het licht van de Ongeziene boven de horizon van hemelse macht scheen, verloochenden zij Hem allen en wendden zich af van Zijn aangezicht - het aangezicht van God Zelf.....

Overweeg, wat de beweegreden voor zulke daden kon zijn geweest! Wat kon zo'n gedrag jegens de Openbaarders van de schoonheid van de Alglorierijke hebben aangespoord? Alles wat in voorbije tijden de oorzaak is geweest van de verloochening en tegenstand van de mensen, heeft nu geleid tot de verdorvenheid van de mensen van deze tijd. Vol te houden dat het getuigenis van de Voorzienigheid onvolledig was, en dat dit daarom de oorzaak van de verloochening der mensen is geweest, is slechts openlijke godslastering. Hoe ver zij het van de genade van de Almilddadige en van Zijn liefdevolle voorzienigheid en tedere barmhartigheid om uit alle mensen één ziel te bestemmen voor de leiding van Zijn schepselen, en enerzijds Hem de volle maat van Zijn goddelijke getuigenis te onthouden, en anderzijds Zijn volk een zware vergelding op te leggen, omdat zij zich hebben afgekeerd van Zijn Uitverkorene! Neen, de veelvuldige milddadigheid van de Heer aller schepselen heeft te allen tijde, door de Manifestaties van Zijn goddelijk Wezen, de aarde en allen die daarop wonen, omvat. Geen moment is aan de mensheid Zijn genade onthouden, noch heeft de stroom van Zijn goedertierenheid opgehouden over hen neer te dalen. Bijgevolg kan zo'n gedrag alleen worden toegeschreven aan de kleingeestigheid van die zielen die de vallei van aanmatiging en hoogmoed bewandelen, verdoold zijn in de wildernissen van verafzijn, de wegen van hun nutteloze verbeelding gaan en de voorschriften van hun godsdienstleiders opvolgen. Het is hun voornamelijk te doen om louter tegenstand; hun enige wens is de waarheid niet te willen kennen. Voor iedere scherpziende opmerker is het vanzelfsprekend en duidelijk dat, indien deze mensen ten tijde van de Manifestaties van de Zon van Waarheid hun ogen, oren en hart hadden geheiligd van al wat zij hadden gezien, gehoord en gevoeld, zij beslist niet verstoken zouden zijn geweest van het aanschouwen van de schoonheid van God, noch ver zijn afgedwaald van de verblijven van heerlijkheid. Maar, na de getuigenis van God te hebben gewogen naar de maatstaf van hun eigen kennis, verkregen uit de leringen van hun godsdienstleiders, en deze in strijd met hun beperkt begrip te hebben bevonden, stonden zij op om dergelijke onbetamelijke handelingen te plegen.....


Overdenk Mozes. Gewapend met de staf van hemelse heerschappij, getooid met de blanke hand van goddelijke kennis, en komend uit de Paran van Gods liefde, hanteerde Hij de slang van macht en eeuwigdurende majesteit en bescheen de wereld vanuit de Sinaï van licht. Hij riep alle volkeren en geslachten der aarde op tot het Koninkrijk van eeuwigheid en noodde hen deel te hebben aan de vrucht van de boom van waar geloof. U bent voorzeker op de hoogte van de heftige tegenstand van Farao en zijn volk, en van de stenen van nutteloze verbeelding die de handen der ongelovigen naar die gezegende Boom wierpen. Zozeer, dat Farao en zijn volk tenslotte alles in het werk stelden om met de wateren van bedrog en verloochening het vuur van die heilige Boom te blussen, met voorbijzien van het feit, dat geen aards water de vlam van goddelijke wijsheid kan blussen noch sterfelijke rukwinden de lamp van eeuwige heerschappij kunnen doven. Neen, veeleer kan zulk water de vlam nog feller doen branden en de rukwinden het behoud van de lamp slechts veilig stellen, indien gij zoudt waarnemen met het oog des onderscheids en wandelen op de weg van Gods heilige wil en welbehagen…

En toen de dagen van Mozes ten einde waren en het licht van Jezus, schijnend vanuit de dageraad van de Geest, de wereld omvatte, stonden alle volken van Israël tegen Hem op. Zij riepen luid dat Hij, Wiens komst de Bijbel voorspeld had, beslist de wetten van Mozes moest verkondigen en vervullen, terwijl deze jeugdige Nazarener die aanspraak maakte op de rang van de goddelijke Messias, de wet van de echtscheiding en de wet van de Sabbathdag - de gewichtigste van alle wetten van Mozes - had opgeheven. Hoe stond het bovendien met de tekenen van de Manifestatie die nog komen zal? Dit volk van Israël verwacht zelfs tot op de huidige dag nog de Manifestatie die de Bijbel heeft voorspeld. Hoevele Manifestaties van Heiligheid, hoevele Openbaarders van het eeuwige licht zijn er sedert de tijd van Mozes verschenen en toch verwacht Israël, gewikkeld in de dichtste sluiers van duivelse fantasie en bedrieglijke inbeeldingen, nog steeds dat de afgod van eigen maaksel zal verschijnen met door hemzelf bedachte wondertekenen! Daarom heeft God hen hard aangepakt voor hun zonden, de geest van geloof in hen gedoofd en hen gefolterd met de vlammen van het diepste vuur. En dit om geen andere reden, dan dat Israël weigerde de betekenis te beseffen van de woorden die in de Bijbel zijn onthuld aangaande de tekenen van de komende Openbaring. Daar het nimmer de werkelijke betekenis daarvan begreep en oppervlakkig gezien zulke gebeurtenissen nooit plaats vonden, bleef het ervan verstoken de schoonheid van Jezus te herkennen en het aangezicht Gods te aanschouwen. En nog wachten zij op Zijn komst! Sinds onheuglijke tijden en zelfs tot op deze dag, hebben alle geslachten en volken der aarde zich vastgeklampt aan zulke fantastische en onbetamelijke gedachten en zich zodoende beroofd van de heldere wateren, die stromen uit de bronnen van zuiverheid en heiligheid....

Voor hen die begiftigd zijn met begrip is het overduidelijk dat, toen het vuur van Jezus de sluiers van joodse bekrompenheid verteerde en Zijn gezag duidelijk werd en ten dele in werking trad, Hij, de Onthuller van de ongeziene Schoonheid, op een dag Zijn discipelen toesprekend, zinspeelde op Zijn heengaan en daardoor in hun hart het vuur van groot verlies deed ontvlammen. "Ik ga heen en kom tot u". En op een andere plaats zei Hij: "Ik ga heen en een ander zal komen Die u alles zal vertellen wat Ik u niet heb verteld en alles waar maken wat Ik heb gezegd". Zoudt gij met goddelijk inzicht over de Manifestaties van de Eenheid van God nadenken, dan hebben beide uitspraken slechts één betekenis.

Ieder scherpzinnig opmerker zal erkennen dat in de Beschikking van de Qur'án, zowel het Boek als de Zaak van Jezus werden bevestigd. Wat betreft de namen, verklaarde Muhammad zelf: "Ik ben Jezus". Hij erkende de waarheid van de tekenen, profetieën en woorden van Jezus en getuigde dat zij alle van God waren. In dit opzicht verschilden noch de persoon van Jezus noch Zijn woorden van die van Muhammad en Zijn heilig Boek, aangezien beiden de Zaak Gods voorstonden, Zijn lof verkondigden en Zijn geboden openbaarden. Zo verklaarde Jezus Zelf: "Ik ga heen en kom tot u". Neem bijvoorbeeld de zon. Als zij vandaag zegt: "Ik ben de zon van gisteren", dan zou zij de waarheid spreken. En zou zij, denkend aan het tijdverloop, er aanspraak op maken een andere zon te zijn, dan zou zij ook de waarheid spreken. Indien eveneens gezegd zou worden dat alle dagen gelijk zijn, is ook dit volkomen juist. En wanneer ten opzichte van hun bijzondere namen en bestemmingen gezegd wordt dat zij verschillen, is ook dat waar. Want ofschoon zij gelijk zijn, kent men toch aan iedere dag een aparte bestemming, een specifiek kenmerk, een eigen karakter toe. Stel dienovereenkomstig het onderscheid, de verscheidenheid en de eenheid voor, die eigen zijn aan de verschillende Manifestaties van heiligheid, opdat gij de zinspelingen zult begrijpen die de Schepper van alle namen en hoedanigheden heeft gemaakt op de mysteries van verscheidenheid en eenheid, en gij dan het antwoord zult vinden op uw vraag waarom die immerdurende Schoonheid Zich op verschillende tijden met verschillende namen en titels heeft genoemd....

Toen de Ongeziene, de Eeuwige, de goddelijke Kern, de Dagster van Muhammad deed opgaan boven de horizon van kennis, was één der tegenwerpingen die de joodse godgeleerden tegen Hem inbrachten, dat er na Mozes geen Profeet door God gezonden zou worden. Voorwaar, er is in de Geschriften melding gemaakt van een Ziel Die geopenbaard moest worden, en het Geloof en de belangen van het volk van Mozes zal bevorderen, zodat de Wet van de mozaïsche Beschikking de gehele aarde kan omvatten. Zo heeft de Koning van eeuwige glorie in Zijn Boek verwezen naar de woorden, geuit door hen die zwerven in de vallei van afzondering en dwaling: "De Hand van God is geketend", zeggen de Joden. "Hun eigen handen zullen gekluisterd worden! En om wat zij hebben gezegd, zijn zij vervloekt. Ja, zelfs Zijn beide handen zijn uitgestrekt!"4 "De hand van God is boven hun handen!"5 Hoewel de uitleggers van de Qur'án op verschillende manieren de omstandigheden hebben verteld waaronder dit vers werd geopenbaard, zoudt gij toch moeten trachten de bedoeling ervan te begrijpen. Hij zei: Hoe onwaar is dat wat de Joden zich hebben ingebeeld! Hoe kan de hand van Hem Die in waarheid de Koning is, Die maakte dat het aangezicht van Mozes kenbaar werd gemaakt, en Hem het gewaad van Profeet schonk - hoe kan de hand van zo Eén vastgeketend zijn? Hoe kan men denken, dat Hij niet bij machte zou zijn om na Mozes nog een Boodschapper te doen opstaan? Let op de ongerijmdheid van hun gezegde; hoe ver is dit afgedwaald van het pad van kennis en begrip! Zie, hoe ook in deze tijd al deze mensen zich hebben beziggehouden met dergelijke dwaze ongerijmdheden. Meer dan duizend jaar hebben zij dit vers opgezegd en zonder het te weten de Joden beschuldigd, er zich in het geheel niet van bewust zijnde dat zij zelf, zowel heimelijk als openlijk de gevoelens en het geloof van het Joodse volk vertolkten. Gij zijt u zeker bewust van hun ijdele bewering dat alle Openbaring beëindigd is, dat de poorten van goddelijke genade gesloten zijn, dat er uit de dageraden van eeuwige heiligheid geen zon meer zal opgaan, dat de Oceaan van eeuwigdurende milddadigheid voorgoed tot rust is gekomen, en dat uit het Heiligdom van aloude glorie de Boodschappers van God niet meer worden geopenbaard. Zo gering is het inzicht van deze kleinzielige, verachtelijke mensen. Deze mensen hebben zich verbeeld dat de stroom van Gods alomvattende genade en overvloedige barmhartigheid, waarvan geen verstand zich kan indenken dat deze zal ophouden, tot stilstand is gebracht. Van alle kanten zijn zij opgestaan, hebben zich met dwingelandij omgord en de uiterste pogingen in het werk gesteld om met de bittere wateren hunner ijdele verbeelding de vlam van Gods brandende Braamstruik te blussen, vergetend dat de ballon van kracht, binnen zijn eigen machtige bolwerk, de Lamp van God zal beschermen....

Zie, hoe de soevereiniteit van Muhammad, de Boodschapper van God, nu duidelijk zichtbaar is onder de mensen. U bent er zich wel van bewust wat Zijn Geloof is overkomen in de eerste dagen van Zijn Beschikking. Wat een bitter lijden deed de hand van de ongelovige en de dwalende, de godgeleerden van die tijd en hun bondgenoten, deze geestelijke Kern, dit allerzuiverste en heiligste Wezen ondergaan! Hoe overvloedig de doornen en stekels die zij op Zijn pad hebben gestrooid! Het is duidelijk dat dit armzalige geslacht in zijn goddeloze en duivelse verbeelding iedere krenking van dit onsterfelijke Wezen beschouwde als een middel tot het verkrijgen van een blijvende gelukzaligheid; aangezien de erkende godgeleerden van die tijd, zoals 'Abdu'lláh-i-Ubayy, Abú'Ámir, de hermiet, Ka'b-Ibn-i-Ashraf en Nadr-Íbn-i-Hárith, Hem allen behandelden als een bedrieger en verklaarden dat Hij een krankzinnige en lasteraar was. Zulke pijnlijke beschuldigingen brachten zij tegen Hem in dat, bij het opsommen ervan, God niet toelaat de inkt te doen vloeien, Onze pen te bewegen en de bladzijde verbiedt ze te bevatten. Deze boosaardige beschuldigingen spoorden het volk aan om op te staan en Hem te kwellen. En hoe wreed is die kwelling, als de godgeleerden van die tijd de voornaamste aanstichters zijn, als zij Hem bij hun volgelingen aanklagen, Hem uit hun midden verjagen en verklaren dat Hij een ongelovige is! Is deze Dienaar niet hetzelfde overkomen en zijn allen daar geen getuige van geweest?

Om deze reden riep Muhammad uit: "Geen Profeet van God is zoveel kwaad aangedaan als Mij is aangedaan". En in de Qur'án zijn alle lasteringen en verwijten opgetekend die tegen Hem werden geuit, evenals alle smarten die Hij heeft geleden. Raadpleeg ze, opdat gij wellicht moogt worden ingelicht omtrent hetgeen Zijn Openbaring is overkomen. Zo smartelijk was Zijn lot dat allen een tijdlang ophielden omgang te hebben met Hem en Zijn metgezellen. Al wie zich met Hem verbond werd het slachtoffer van de meedogenloze wreedheid van Zijn vijanden....

Ga na hoe heel anders het heden ten dage is! Zie hoe talrijk de heersers zijn die de knie buigen voor Zijn naam! Hoe talrijk de staten en koninkrijken die de beschutting hebben gezocht van Zijn schaduw, die Zijn Geloof aanhangen en zich daarop beroemen! Van de kansel stijgen heden ten dage de woorden van lof op die, in uiterste nederigheid, Zijn gezegende naam verheerlijken; en vanaf de toppen der minaretten weergalmt de roep die de schare van Zijn volk oproept Hem te aanbidden. Zelfs die koningen der aarde, die geweigerd hebben Zijn Geloof te omhelzen en het kleed van ongeloof af te leggen, bekennen en erkennen niettemin de grootheid en overweldigende majesteit van die Dagster van goedertierenheid. Zo groot is Zijn aardse soevereiniteit, waarvan gij de bewijzen aan alle kanten waarneemt. Deze soevereiniteit moet worden geopenbaard en bevestigd, of tijdens het leven van iedere Manifestatie van God of na Zijn hemelvaart naar Zijn ware woning in de rijken in den hoge.....

Het is duidelijk dat de veranderingen, in iedere Beschikking teweeggebracht, de donkere wolken vormen die hangen tussen het oog van menselijk begrip en het goddelijk Licht dat schijnt vanuit de dageraad van de goddelijke Essentie. Bedenk, hoe de mensen generaties lang blindelings hun vaderen hebben nagebootst, en zijn opgevoed volgens de gebruiken en gewoonten als zijn vastgelegd door de voorschriften van hun Geloof. Zouden deze mensen bijgevolg plotseling ontdekken dat een Man, die in hun midden leefde en, wat betreft iedere menselijke beperking, hun gelijke was, zich verhief om ieder, door hun Geloof opgelegd, beginsel af te schaffen - beginselen waarmee zij eeuwenlang zijn getraind, en iedere tegenstander en ontkenner ervan zijn gaan beschouwen als ongelovig, zedeloos en zondig - dan zouden zij zeker verblind zijn en verhinderd Zijn waarheid te erkennen. Zulke dingen zijn als "wolken," die de ogen versluieren van hen, wier innerlijk wezen niet de Salsabil6 van onthechting heeft geproefd noch heeft gedronken uit de Kawthar7 van de kennis van God. Wanneer zulke mensen met deze gebeurtenissen bekend worden gemaakt, worden zij zo verblind, dat zij, zonder de minste bedenking, de Manifestatie van God voor een ongelovige verklaren en Hem ter dood veroordelen. U moet ervan hebben gehoord dat zulke dingen door alle tijden heen plaats vonden en u neemt ze nu in deze dagen waar.

Het betaamt ons derhalve om ons uiterste best te doen, opdat, met Gods onzichtbare bijstand, deze donkere sluiers, deze wolken van uit de Hemel gezonden beproevingen, ons niet beletten de schoonheid van Zijn stralend Aanschijn te aanschouwen en dat wij Hem alleen door Zijn eigen Zelf mogen herkennen.


XIV. De goddelijke Lentetijd is gekomen, O Verhevenste Pen, want het Hoogtij van de Albarmhartige komt snel naderbij. Maakt u op en verheerlijkt de naam van God voor de gehele schepping en verkondigt Zijn lof op zulk een wijze dat al het geschapene zal worden herboren en vernieuwd. Spreekt en houdt U niet stil. De dagster van gelukzaligheid schijnt boven de horizont van Onze naam, de Gelukzalige, aangezien het koninkrijk van de naam van God is getooid met het versiersel van de naam van uw Heer, de Schepper der hemelen. Staat op voor de volkeren der aarde en wapent u met de kracht van deze Grootste Naam, en behoort niet tot hen die dralen.

Het komt Mij voor dat gij weifelde en niet voortging met Mijn Tafel. Kan het zijn dat de aanblik van het goddelijk Aanschijn u heeft verbijsterd, of dat de ijdele praat van de weerspannigen u met smart heeft vervuld en u met lamheid heeft geslagen? Hoedt u dat niets u weerhoudt de grootheid van deze Dag te verheerlijken - de Dag waarop de Vinger van majesteit en macht het zegel heeft verbroken van de Wijn van Hereniging, en allen die in de hemelen en allen die op aarde zijn, heeft geroepen. Draalt gij liever wanneer de bries die de Dag van God aankondigt reeds over u heen heeft geademd, of behoort gij tot hen die als door een sluier van Hem zijn gescheiden?

Door geen enkele sluier heb ik mij laten afsluiten, o Heer van alle namen en Schepper der hemelen, van de erkenning der heerlijkheden van Uw Dag - de Dag die het lichtbaken is voor de gehele wereld, en het teken van de Aloude der Dagen voor allen die haar bewonen. Mijn stilzwijgen is veroorzaakt door de sluiers die de ogen Uwer schepselen voor u blind hebben gemaakt, en sprakeloosheid komt door de belemmeringen die Uw volk in de weg staan Uw waarheid te erkennen. Gij weet wat in mij is, maar ik weet niet wat in U is. Gij zijt de Alwetende, de Albezielde. Bij Uw naam welke alle namen overtreft! Indien Uw allesbeheersende en bevel mij ooit zou bereiken, zou het mij de kracht geven de zielen van alle mensen te doen herleven door Uw meest verheven Woord, dat ik Uw Tong van macht in Uw Koninkrijk van Heerlijkheid heb horen uitspreken. Het zou mij in staat stellen de openbaring van Uw stralend Aanschijn te verkondigen, waardoor hetgeen voor het oog der mensen was verborgen, werd geopenbaard in Uw Naam, de Scherpziende, de soevereine Beschermer, de Bij-Zich-Bestaande.

Kunt gij in deze Dag iemand anders ontdekken dan Mij. O Pen? Wat is er geworden van de schepping en haar verschijnselen? Wat is er geschied met de namen en hun koninkrijk? Werwaarts is al het geschapene, gezien of ongezien, gegaan? Wat is er gebeurd met de verborgen geheimen van het heelal en zijn openbaringen? Ziet, de gehele schepping is voorbij gegaan! Er is niets over dan Mijn Aangezicht, de Immerverblijvende, de Luisterrijke, de Alglorierijke.

Dit is de Dag waarop niets anders kan worden waargenomen dan de pracht van het Licht dat van het Aanschijn van Uw Heer, de Genadige, de Milddadigste, afstraalt. Waarlijk, Wij hebben ieder mens doen ophouden te bestaan krachtens Onze onweerstaanbare en allesonderwerpende soevereiniteit. Daarna hebben Wij een nieuwe schepping in het leven geroepen als een teken van Onze genade jegens de mensen. Ik ben waarlijk de Almilddadige, de Aloude der Dagen.

Dit is de Dag waarop de ongeziene wereld uitroept: "Groot is uw zegening, o aarde, want gij werd gemaakt tot voetbank van uw God, en uitverkoren tot de zetel van Zijn machtige troon". Het rijk van heerlijkheid roept uit: "God geve dat mijn leven voor u geofferd moge worden, want Hij die de Geliefde van de Albarmhartige is, heeft Zijn soevereiniteit op u gevestigd door de kracht van Zijn Naam die aan alle dingen werd beloofd, of deze van het verleden of van de toekomst zijn. Dit is de Dag waarop ieder welriekend ding zijn aroma heeft verkregen van de geur van Mijn gewaad - een gewaad dat zijn geur over de gehele schepping heeft verspreid. Dit is de Dag waarop de snelvliedende wateren van eeuwig leven zijn voortgestroomd uit de Wil van de Albarmhartige. Spoedt u met hart en ziel en drinkt met volle teugen, o Schare van de rijken in den hoge!

Zeg: Hij is de Manifestatie van Hem Die de Onkenbare is, de Onzichtbare van de Onzichtbaren, kondet gij het slechts bevatten. Hij is Degeen, die het verborgen en kostbare Juweel voor u heeft onthuld, zocht gij er slechts naar. Hij is de ene Geliefde van alle dingen, zij het van het verleden of van de toekomst. God geve dat gij uw liefde en hoop op Hem moogt vestigen.

Wij hebben de stem van Uw smeking gehoord, O Pen, en vergeven u uw stilzwijgen. Wat heeft u zo hevig verbijsterd?

De roes van Uw tegenwoordigheid, O Welbeminde aller werelden, heeft mij bevangen en mij geheel vervuld.

Sta op en verkondig aan de gehele schepping de boodschap dat Hij, Die de Albarmhartige is, Zijn schreden heeft gericht naar de Ridván en daar is binnengetreden. Leid dan de mensen naar de tuin van verrukking, welke God tot Troon van Zijn Paradijs heeft gemaakt. Wij hebben u uitverkoren om Onze machtigste Bazuin te zijn, waarvan het geschal de herleving van de gehele mensheid zal aankondigen.

Zeg: Dit is het Paradijs op welks gebladerte de wijn van uiting de getuigenis heeft gestempeld: "Hij, die verborgen was voor de ogen der mensen, is geopenbaard, bekleed met soevereiniteit en macht!" Dit is het Paradijs, waarvan het geritsel der bladeren verkondigt: "O gij die de hemelen en de aarde bewonen! Daar is verschenen wat nog nimmer tevoren is verschenen. Hij Die sinds mensenheugenis Zijn Gelaat voor het oog der schepping had verborgen is thans gekomen". Uit de fluisterende bries die door de takken waait, komt de roep: "Hij, Die de soevereine Heer is over allen, werd geopenbaard. Het Koninkrijk is aan God", terwijl uit de stromende wateren het gemurmeld kan worden gehoord: "Alle ogen zijn verblijd, want Hij Dien niemand heeft aanschouwd, Wiens geheim niemand heeft ontdekt, heeft de sluier van heerlijkheid opgelicht, en het aangezicht van Schoonheid onthuld".

Binnen dit Paradijs en vanuit de hoogten van de verhevenste vertrekken daarvan hebben de Maagden des Hemels luide geroepen en gejuicht: verblijdt u, gij bewoners van de rijken in den hoge, want de vingers van Hem Die de Aloude der Dagen is, luiden in de naam van de Alglorierijke de Grootste Klok binnenin het hart der hemelen. De handen van milddadigheid hebben de kelken van eeuwig leven rondgedragen. Komt naderbij en drinkt met volle teugen. Drinkt met gezonde smaak, O gij die de ware incarnatie van verlangen, gij die de belichaming zijt van heftig begeren!"

Dit is de Dag waarop Hij die de Onthuller is van de Namen Gods uit het Tabernakel van heerlijkheid is getreden en aan allen die in de hemelen en aan allen die op aarde zijn heeft verkondigd: "Zet de kelken van het Paradijs en alle levengevende wateren die zij bevatten, terzijde, want ziet, het volk van Bahá is het gelukzalig verblijf van goddelijke Tegenwoordigheid binnengetreden en heeft de wijn van hereniging gedronken uit de kelk van de schoonheid van hun Heer, de Albezittende, de Allerhoogste".

Vergeet de wereld der schepping, O Pen, en wendt u naar het Aanschijn van uw Heer, de Heer aller namen. Tooi dan de wereld met het ornament van de gunsten van uw Heer, de Koning van eeuwigdurende dagen. Want Wij bespeuren de geur van de Dag, waarop Hij Die het Verlangen aller volkeren is, de pracht van het licht van Zijn onovertroffen namen heeft geworpen op de koninkrijken van het ongeziene en het geziene, en hen met de gloed van de hemellichten van Zijn meest genadige gunsten heeft omhuld - gunsten die niemand kan schatten dan Hij Die de almachtige Beschermer is van de gehele schepping.

Zie slechts naar de schepselen Gods met het oog van genegenheid en erbarmen, want van Onze liefdevolle voorzienigheid is al het geschapene doortrokken en Onze genade heeft de hemel en de aarde omsloten. Dit is de Dag waarop de ware dienaren van God de levengevende wateren van hereniging deelachtig worden, de Dag waarop degenen die Hem nabij zijn in staat zijn uit de zachtstromende rivier van onsterfelijkheid te drinken, en zij die in Zijn Eenheid geloven van de wijn van Zijn tegenwoordigheid, doordat zij Hem herkennen, Die het hoogste en laatste Doel is van allen in Wie de Tong van Majesteit en Heerlijkheid de roep doet horen: "Mij is het Koninkrijk. Ik Zelf ben, rechtens, daarvan de Heerser".

Lok de harten der mensen aan door middel van de roep van Hem, de enige Geliefde. Zeg: Dit is de Stem van God, zo gij slechts zoudt luisteren. Dit is de Dageraad van de Openbaring van God; wist gij het slechts. Dit is het Dageraadsoord van de Zaak Gods, erkende gij het slechts. Dit is de Bron van de geboden Gods, beoordeelde gij het slechts rechtvaardig. Dit is het geopenbaarde en verborgen Geheim, o hoe wenste Ik dat gij het bespeurde. O volkeren der wereld! Werpt van u de dingen die gij bezit, in Mijn naam die alle andere namen te boven gaat, en dompelt u in deze Oceaan, in welker diepten de parelen van wijsheid en van woorden verborgen liggen, een oceaan die golft in Mijn naam, de Albarmhartige. Aldus onderricht Hij bij Wie het Moederboek berust.

De Meest Geliefde is gekomen. In Zijn rechterhand houdt Hij de verzegelde Wijn van Zijn naam. Gelukkig is de mens die zich tot Hem keert, met volle teugen drinkt en uitroept: "Geprezen zijt Gij, Onthuller van de tekenen Gods!" Bij de rechtvaardigheid van de Almachtige! Ieder verborgen ding is onthuld door de macht der waarheid. Alle gunsten van God zijn neergezonden als een teken van Zijn genade. De wateren van eeuwig leven zijn in overvloed aan de mensen aangeboden. Iedere drinkbeker afzonderlijk is door de hand van de Welbeminde rondgedragen. Komt nader en draalt niet, ook niet al ware het slechts een ogenblik.

Gezegend zijn zij die op de vleugelen van onthechting omhoog zijn gewiekt en de staat hebben bereikt die, zoals God beschikte, de gehele schepping overschaduwt, die zich noch door de holle denkbeelden der geleerden, noch door de menigte der wereldse scharen lieten afhouden van Zijn Zaak. Wie onder u, o mensen, wil de wereld verzaken en God, de Heer aller namen, naderen? Waar vindt men hem die door de macht van Mijn naam, die al het geschapene te boven gaat, de dingen die de mensen bezitten van zich zal werpen en zich met alle macht wil vastklemmen aan hetgeen God, de Kenner van het geziene en ongeziene, hem heeft geboden na te komen? Aldus werd Zijn milddadigheid tot de mensen neergezonden, Zijn getuigenis vervuld en schitterde Zijn bewijs boven de Horizont van barmhartigheid. Groot is de beloning die verkregen zal worden door hem die heeft geloofd en uitgeroepen: "Geloofd zijt Gij, O Geliefde aller werelden! Verheerlijkt zij Uw Naam, O Gij, het Verlangen van ieder begrijpend hart! '

Verblijdt u met de grootste vreugde O volk van Bahá, wanneer u de Dag van overweldigend geluk in de herinnering terugroept, de Dag waarop de Tong van de Aloude der Dagen heeft gesproken, toen Hij uit Zijn Huis vertrok en Zich begaf naar de Plek van waaruit Hij over de gehele schepping de pracht van Zijn naam, de Albarmhartige, heeft uitgestort. God is Ons tot getuige. Zouden Wij de verborgen geheimen van die Dag onthullen, dan zouden allen die de hemelen en de aarde bewonen, wegkwijnen en sterven, behalve zij die zullen worden gespaard door God, de Almachtige, de Alwijze.

Zodanig is de bedwelmende uitwerking van de woorden van God op Hem Die de Onthuller is van Zijn ontwijfelbare bewijzen, dat Zijn Pen niet langer kan bewegen. Met deze woorden beëindigt Hij Zijn Tafel: "Er is geen God buiten Mij, de Verhevenste, de Krachtigste, de Voortreffelijkste, de Alwetende".


XV. De Pen van Openbaring roept uit: "In deze Dag is het Koninkrijk aan God!" De Tong van Kracht maakt bekend: "In deze Dag is alle soevereiniteit geheel en al bij God!" De Feniks van de rijken in den hoge roept vanuit de onsterfelijke Tak: "De glorie aller grootheid behoort God, de Onvergelijkelijke, de Algebiedende!" De mystieke Duif verkondigt vanuit zijn goddelijke prieel in het eeuwige Paradijs: "De bron van alle milddadigheid vindt in deze Dag haar oorsprong in God, de Ene, de Vergevende!" De Vogel van de Troon zingt zijn melodie in zijn schuilplaats van heiligheid: "Het hoogste gezag kan in deze Dag aan geen ander worden toegeschreven dan aan God, aan Hem Die Zijns gelijke of weerga niet heeft, Die de Almachtige is, de Albeheerser!" In alles weerklinkt het diepste wezen aller dingen van de getuigenis: "Alle vergeving komt in deze Dag van God, van Hem met Wien niemand te vergelijken is en Die geen deelgenoten heeft, de soevereine Beschermer aller mensen en de Verheler van hun zonden!" De Quintessens van Heerlijkheid heeft zijn stem boven Mijn hoofd verheven en roept vanuit zulk een grote hoogte als geen pen of tong ook maar enigszins kan beschrijven: "God is mij tot getuige! Hij, de Aloude der onvergankelijke dagen is gekomen, omgord met majesteit en macht. Er is geen ander God dan Hij, de Alglorierijke, de Almachtige, de Allerhoogste, de Alwijze, de Aldoordringende, de Alziende, de Albezielde, de soevereine Beschermer, de Bron van eeuwig Licht!"

O Mijn dienaar die het welbehagen van God heeft gezocht en Zijn liefde trouw is gebleven in deze Dag, toen allen behalve enkelen die met inzicht waren begiftigd, zich van Hem hebben losgerukt! Moge God, door Zijn genade, het u vergelden met een overvloedige, onvergankelijke en eeuwigdurende beloning, aangezien gij Hem hebt gezocht in de Dag toen de ogen verblind waren. Weet dat als Wij slechts enkele druppels van de stortvloed die op Gods bevel en door de afgunstigen en kwaadwilligen over Ons neerdaalden, zouden onthullen, dan zoudt gij wenen met groot geween en dag en nacht Onze benarde toestand bejammeren. O, hoe wenste Ik dat er een scherpzinnig en rechtvaardig mens kon worden gevonden die de wonderen van iedere Openbaring zou erkennen en de verheven kracht daarvan verkondigen. Hoe wenste Ik dat zulk een mens zou opstaan om geheel ter wille van God, zowel binnenskamers als in het openbaar, de mensen te vermanen, opdat zij zich wellicht zullen beijveren om deze Verguisde te helpen, die de kwaadstichters zo zwaar hebben getroffen.

Mij dunkt dat Ik de Stem van de Heilige Geest achter Mij hoor roepen zeggende: Breng verandering in Uw onderwerp en wijzig Uw toon, opdat niet het hart van hem die zijn blik op Uw gelaat heeft gevestigd, bedroefd worde. Zeg: Ik heb met Gods genade en Zijn macht in het verleden niemand om hulp gesmeekt, evenmin zal Ik in de toekomst de hulp van wie dan ook zoeken. Hij is het Die Mij geholpen heeft door de kracht der waarheid, gedurende de dagen van Mijn ballingschap in 'Iráq. Hij is het Die Mij overschaduwde met Zijn bescherming in de tijd dat de geslachten der aarde Mij bestreden. Hij is het Die Mij in staat stelde uit de stad te vertrekken, bekleed met zulk een majesteit die niemand, behalve de loochenaar en de kwaadwillige, kan nalaten te erkennen.

Zeg: Mijn leger is Mijn betrouwen op God; Mijn volk is de kracht van Mijn vertrouwen in Hem. Mijn liefde is Mijn vaandel en Mijn metgezel is het God gedenken, de soevereine Heer van allen, de Krachtigste, de Alglorierijke, de Onbeperkte.

Sta op, o reiziger op de weg van de Liefde Gods en helpt gij Zijn Zaak. O volk, verkwanselt deze Jongeling niet voor de ijdelheden dezer wereld of voor de verrukkingen des hemels. Bij de gerechtigheid van de ene ware God! Eén haar van Hem overtreft alles wat in de hemelen en alles wat op aarde is. Hoedt u, o mensen, opdat gij niet in de verleiding komt Hem te verlaten in ruil voor het goud en zilver dat gij bezit. Laat Zijn liefde een schatkamer voor uw ziel zijn op de Dag wanneer niets buiten Hem u zal baten, de Dag waarop iedere zuil zal beven, wanneer de mensen van ontzetting zullen huiveren, wanneer alle ogen in vreze omhoog zullen staren. Zeg: O volk! Vreest God en wendt u niet minachtend af van Zijn openbaring. Werpt u met het gelaat ter aarde voor God en zingt Zijn lof bij dag en bij nacht.

Laat uw ziel gloeien met de vlam van dit onsterfelijk Vuur dat diep in het hart der wereld brandt, op zulk een wijze dat alle wateren van het heelal machteloos zullen zijn de gloed ervan af te koelen. Maak dan gewag van uw Heer, opdat mogelijk de achtelozen onder Onze dienaren door uw woorden vermaand zullen worden en het hart der rechtschapenen zal worden verblijd.


XVI. Zeg: O mensen! Dit is een weergaloze Dag. Weergaloos moet eveneens de tong zijn die de lof van het Verlangen van alle volkeren verheerlijkt en weergaloos de daad die ernaar streeft in Zijn oog aanvaardbaar te zijn. Het gehele mensengeslacht heeft naar deze Dag verlangd, opdat het kan vervullen hetgeen zijn staat betaamt en zijn bestemming waardig is. Gezegend de mens die niet door wereldse zaken wordt weerhouden, Hem te erkennen die de Heer aller dingen is.

Zo ongevoelig is het hart van de mens geworden dat noch de verwoesting der stad, noch het uiteenvallen van de berg tot stof, noch zelfs de splijting der aarde zijn gevoelloosheid kan afschudden. De aanduidingen in de heilige Boeken zijn onthuld, de daarin vermelde tekenen geopenbaard, terwijl de profetische roep voortdurend wordt aangeheven. En toch zijn allen, behalve zij die het God behaagde te leiden, verzonken in de roes van hun achteloosheid!

Ziet hoe de wereld iedere dag door een nieuwe ramp wordt geteisterd. De ellende in de wereld neemt voortdurend toe. Vanaf het ogenblik dat de Súriy-i-Ra'is (Tafel aan de Ra'is) werd geopenbaard tot de huidige dag kwam noch de wereld, noch het hart van haar volkeren tot rust. Nu eens door wedijver en geschillen beroerd, dan weer door oorlogen geschokt, is de wereld het slachtoffer geworden van ingewortelde ziekten. Haar ziekte nadert het stadium van volslagen hopeloosheid, aangezien het de ware Geneesheer belet wordt het geneesmiddel toe te dienen, terwijl kwakzalvers met eerbied worden bejegend en volle vrijheid van handelen krijgen.... Het stof van oproer heeft het hart der mensen verduisterd en hun ogen verblind. Eerlang zullen zij de gevolgen ontwaren van hetgeen hun handen hebben aangericht in de Dag Gods. Aldus waarschuwt Hij die de Albezielde is, in opdracht van Hem Die de Almogende is, de Almachtige.
XVII. Bij Hem, die de Grote Aankondiging is! De Albarmhartige is gekomen, bekleed met ontwijfelbare soevereiniteit. De Waag is ingesteld en allen die op aarde wonen zijn bijeengebracht. De Klaroen heeft weerklonken en zie, alle ogen staren in vreze omhoog en het hart van allen in de hemel en op aarde beeft, behalve van degenen die door de adem van de verzen Gods zijn bezield en die zich van alles hebben onthecht.

Dit is de Dag waarop de aarde haar nieuwstijding zal verkondigen. De bedrijvers van ongerechtigheid zijn haar last, bemerkte gij het slechts. De maan van ijdele fantasieën is gespleten en de hemel heeft een tastbare rook afgegeven. Wij zien de mensen terneergeslagen en van ontzag vervuld in grote vreze voor uw Heer, de Almachtige, de Almogende. De Roeper heeft luide geroepen en de mensen zijn weggerukt, zo groot is de furie van Zijn gramschap. De mensen ter linkerhand zuchten en steunen. De mensen ter rechterhand vertoeven in edele woningen; zij drinken met diepe teugen van de Wijn die het ware leven is uit de handen van de Albarmhartige en zij zijn, waarlijk, de gelukzaligen.

De aarde heeft gebeefd, de bergen zijn voorbijgegaan en de engelen zijn in rijen voor Ons verschenen. De meeste mensen zijn buiten zinnen in hun roes en hun gelaat is door woede getekend. Aldus hebben Wij de bedrijvers van ongerechtigheid verzameld. Wij zien hen naar hun afgod snellen. Zeg: Niemand zal in deze Dag aan Gods gebod ontkomen. Dit is waarlijk een smartelijke Dag. Wij wijzen hun degenen aan die hen op dwaalwegen hebben gebracht. Zij zien hen, maar toch herkennen zij hen niet. Hun ogen zijn beneveld, zij behoren werkelijk tot de blinden. Hun bewijzen zijn de lasteringen die zij uiten; hun lasteringen worden veroordeeld door God, de Helper-in-nood, de Bij-Zich-Bestaande. De Boze heeft hun hart tot kwaad aangezet en zij worden bezocht door een kwelling die niemand kan afwenden. Zij haasten zich naar de goddelozen, met zich meevoerend de naamlijst der bedrijvers van ongerechtigheid. Zo zijn hun daden.

Zeg: De hemelen zijn samengevouwen en de aarde ligt gekluisterd in Zijn greep, de boosdoeners worden aan hun voorlok vastgehouden en nog steeds begrijpen zij niet. Zij drinken van het besmette water en weten het niet. Zeg: De kreet is aangeheven en de mensen zijn uit hun graf naar buiten getreden, en verrijzend keken zij om zich heen. Sommigen hebben zich gehaast om de hof van de God van Barmhartigheid te bereiken, anderen zijn op het gezicht gevallen in het hellevuur, terwijl weer anderen geheel verbijsterd waren. De verzen Gods zijn geopenbaard en toch hebben zij zich ervan afgekeerd. Zijn bewijs is bekend gemaakt en toch hebben zij er geen besef van. En wanneer zij dan het aangezicht van de Albarmhartige aanschouwen, versombert hun gelaat terwijl zij zich blijven vermaken. Zij spoeden zich naar het Vuur der hel en zien het aan voor licht. Wat zij zich zo gaarne inbeelden is verre van God! Zeg: Of gij u verheugt, of dat gij barst van woede, de hemel is opengespleten en God is nedergedaald, bekleed met stralende soevereiniteit. Al het geschapene hoort men uitroepen: "Het Koninkrijk is aan God, de Almachtige, de Alwetende, de Alwijze".

Weet bovendien, dat Wij als gevolg van de daden der ongelovigen in een rampzalige Gevangenis zijn geworpen, omringd door de legers der tirannie. De blijdschap die de Jongeling heeft gesmaakt is evenwel zo groot, dat geen aardse vreugde daarmede kan worden vergeleken. Bij God! Het onheil dat Hem door de handen van de onderdrukker wordt toegebracht kan Zijn hart nooit bedroeven en evenmin kan de overmacht van hen die Zijn waarheid hebben verworpen, Hem treurig maken.

Zeg: Rampspoeden zijn een horizont van Mijn Openbaring. De dagster der genade schijnt daarboven en geeft een licht dat noch door de wolken van 's mensen ijdele inbeelding, noch door de holle denkbeelden van de aanvaller kan worden verduisterd.

Volgt gij de voetsporen van uw Heer, en gedenkt Zijn dienaren zoals Hij u gedenkt, zonder u te laten afschrikken door het getier der achtelozen of het zwaard van de vijand.... Verspreidt wijd en zijd de zoete geuren van uw Heer en weifelt niet, ware het slechts een ogenblik, in de dienst van Zijn Zaak. De dag komt nader waarop de overwinning van uw Heer, de Immervergevende, de Almilddadige, zal worden verkondigd.
XVIII. Zeg: Wij lieten de rivieren van goddelijke leiding uit Onze troon stromen, opdat de tere kruiden der wijsheid en begrip uit de aarde van uw hart zullen opkomen. Wilt gij niet dankbaar zijn? Zij die het beneden zich achten hun Heer te aanbidden, zullen tot hen behoren die worden verstoten. En hoe vaak ook Onze verzen voor hen worden opgelezen, toch volharden zij in hun trotse minachting en grove schending van Zijn wet, en zij weten het niet. Wat hun aangaat die niet in Hem geloven, zij zullen in de schaduw van een zwarte rookwolk staan. "Het Uur" overvalt hen, terwijl zij zich verlustigen. Zij zijn bij hun voorlok gegrepen en toch weten zij het niet.

Dat wat komen moet is plotseling gekomen; aanschouwt hoe zij hiervan wegvluchten! Het onvermijdelijke is geschied; getuigt hoe zij het achter zich hebben geworpen! Dit is de Dag waarop een ieder van zichzelf zal vluchten, dus hoeveel temeer van zijn medemensen, kon gij het slechts begrijpen. Zeg: Bij God! De Klaroenstoot heeft weerklonken en ziet, de mensheid bezwijmde ten aanschouwen van Ons! De Heraut riep luide en de Ontbieder verhief zijn stem, zeggende: "Het Koninkrijk is aan God, de Krachtigste, de Helper-in-Nood, de Bij-Zich-Bestaande".

Dit is de Dag waarop alle ogen in paniek omhoog zullen staren, de Dag waarop het hart van alle bewoners der aarde zal beven, behalve zij wie het uw Heer, de Alwetende, de Alwijze behaagt te verlossen. Aller gelaat werd somber, behalve van hen die de God van Barmhartigheid genadiglijk een stralend hart verleende. Beneveld zijn de ogen van die mensen die openlijk hebben geweigerd het aangezicht van God, de Alglorierijke, de Algeprezene, te aanschouwen.

Zeg: Hebt gij de Qur'án niet doorvorst? Leest hem, opdat gij wellicht de Waarheid moge vinden, want dit Boek is waarlijk het rechte Pad. Dit is de weg tot God voor allen die in de hemelen en allen die op aarde zijn. Als gij de Qur'án hebt veronachtzaamd, dan kunt u de Bayán niet als verre van u beschouwen. Ziet, het ligt open voor uw ogen. Leest de venen ervan, opdat gij u ervan onthoudt datgene te bedrijven wat de Boodschappers van God doet treuren en weeklagen.

Spoedt u uit uw graven. Hoe lang nog wilt gij slapen? De tweede klaroenstoot heeft weerklonken. Naar wie ziet gij op? Dit is uw Heer, de God van Barmhartigheid. Getuigt hoe gij Zijn tekenen verloochent! De aarde heeft gebeefd met grote beving en haar lasten afgeworpen. Wilt gij het niet toegeven? Zeg: Wilt gij niet inzien dat de bergen als vlokken wol zijn geworden en hoe de mensen diep verontrust zijn over de ontzaglijke majesteit van Gods Zaak? Getuigt hoe hun huizen ledige bouwvallen zijn en zij zelf een diep gezonken schare.

Dit is de Dag waarop de Albarmhartige is neergedaald op de wolken van kennis, bekleed met duidelijk waarneembare soevereiniteit. De daden der mensen zijn Hem welbekend. Hij is het, Wiens heerlijkheid niemand kan misverstaan, begreept gij het slechts. De hemel van iedere godsdienst is opengescheurd, de aarde van menselijk begrip gekloofd en men ziet de engelen Gods neerdalen. Zeg: Dit is de Dag der onthulling van gebreken. Waar vlucht gij heen? De bergen zijn voorbijgegaan, de hemelen samengevouwen en de gehele aarde wordt in Zijn greep gehouden, kon gij het slechts begrijpen. Wie kan u beschermen? Niemand, bij Hem Die Albarmhartig is! Niemand buiten God, de Almachtige, de Alglorierijke, de Weldadige. Iedere vrouw die een last in haar schoot had, heeft haar last afgeworpen. In deze Dag zien Wij de mensen in een roes, de Dag waarin mensen en engelen zijn bijeengekomen.

Zeg: Bestaat er enige twijfel over God? Aanschouwt hoe Hij uit de hemel van Zijn genade is nedergedaald, omgord met macht en bekleed met soevereiniteit. Bestaat er enige twijfel over Zijn tekenen? Opent uw ogen en overweegt Zijn duidelijk bewijs. Het Paradijs is aan uw rechterhand en is u nabij gebracht, terwijl de Hel in vlammen is gezet. Ziet haar verterend vuur. Haast u het Paradijs binnen te gaan als een teken van Onze genade voor u en drinkt de Wijn die het ware leven is uit de handen van de Albarmhartige.

Drinkt met weldadig genot, o volk van Bahá. Gij behoort met recht tot hen die het wel zal gaan. Dit is hetgeen wat zij die God nabij zijn, hebben bereikt. Dit is het stromende water dat u in de Qur'án en later in de Bayán, werd beloofd als beloning van uw Heer, de God van Barmhartigheid. Gezegend zijn zij die met volle teugen drinken.

O Mijn dienaar die uw gelaat naar Mij heeft gekeerd! Breng Gode dank voor het tot u neder zenden van deze Tafel in deze Gevangenis, opdat gij de mensen indachtig moogt maken aan de dagen van uw Heer, de Alglorierijke, de Alwetende. Aldus hebben Wij door de wateren van deze wijsheid en uiting, de fundamenten van uw geloof voor u gelegd. Dit is, waarlijk, het water waarop de Troon van uw Heer is opgericht. "Zijn Troon stond op de wateren". Overweeg dit in uw hart, opdat gij de betekenis moogt begrijpen. Zeg: Geprezen zij God, de Heer aller werelden.


  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14


Dovnload 0.66 Mb.