Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh

Dovnload 0.66 Mb.

Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh



Pagina10/14
Datum05.12.2018
Grootte0.66 Mb.

Dovnload 0.66 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14

Deel V: De persoonlijke plichten en de geestelijke betekenis van het leven



CXXII. De mens is de verheven Talisman. Gebrek aan een juiste opvoeding heeft hem evenwel ontnomen wat hij van nature bezit. Door een woord, voortkomende uit de mond van God, werd hij in het leven geroepen; door nog een woord werd hij gevoerd naar de erkenning van de Bron van zijn geestelijke ontwikkeling en door weer een ander woord werden zijn staat en bestemming gewaarborgd. Het Opperwezen zegt: Beschouwt de mens als een mijn, rijk aan edelstenen van onschatbare waarde. Alleen opvoeding kan de schatten ervan aan het licht doen komen, en de mensheid in staat stellen daarvan profijt te trekken. Als iemand diep zou nadenken over hetgeen de Geschriften, neergezonden uit de hemel van Gods heilige Wil, hebben geopenbaard, dan zal hij geredelijk erkennen dat het doel hiervan is dat alle mensen moeten worden beschouwd als één ziel, zodat het zegel met de woorden: "Het Koninkrijk is aan God" kan worden gedrukt op ieder hart, en het licht van goddelijke milddadigheid, van genade en van barmhartigheid de gehele mensheid zal omgeven. De ene ware God, verheerlijkt zij Zijn glorie, wenst niets voor Zichzelf. De trouw der mensheid baat Hem niet, noch kan haar verdorvenheid Hem schaden. De Vogel van het Rijk van Uiting laat voortdurend de roep horen: "Alle dingen heb Ik bestemd voor uw eigen bestwil, terwille van uzelf". Als de geleerde en wereldwijze mensen van deze tijd zouden toestaan dat de mensheid de geur van kameraadschap en liefde inademde, dan zou ieder begrijpend hart de betekenis van ware vrijheid beseffen en het geheim ontdekken van ongestoorde vrede en volmaakte geestelijke rust. Zou de wereld deze staat deelachtig worden en verhelderd worden met het licht ervan, dan kon waarlijk van haar worden gezegd: "Gij zult in haar geen diepten of opwaarts glooiende heuvels zien."22
CXXIII. De generaties die vóór u waren, waarheen zijn zij gevloden? En zij die gedurende hun leven door de schoonsten en lieflijksten in het land werden omringd, waar zijn zij nu? Neemt aan hen een voorbeeld, o mensen, en behoort niet tot hen die zijn afgedwaald.

Weldra zullen anderen de hand leggen op uw bezit en uw woningen binnengaan. Neigt uw oor naar Mijn woorden en laat u niet tot de dwazen rekenen.

Voor een ieder van u is het de hoogste plicht voor zichzelf datgene te kiezen waarop geen ander inbreuk kan maken en wat niemand zich wederrechtelijk kan toeëigenen. Dit is nu - en hiervoor is de Almachtige Mijn getuige - de liefde Gods, mocht gij het slechts gewaarworden.

Bouwt voor uzelf woningen die regen noch vloed ooit kunnen vernietigen, woningen die u zullen beschutten tegen de wisselvalligheden van dit leven. Dit is het gebod van Hem die door de wereld is verguisd en verloochend.


CXXIV. Hoe wonderbaar is de eenheid van de levende, de eeuwige God - een eenheid welke boven alle begrenzingen verheven is en het begrip van al het geschapene te boven gaat! Hij heeft eeuwiglijk in Zijn ontoegankelijk verblijf van heiligheid en heerlijkheid gewoond en zal tot in eeuwigheid op de hoogten van Zijn onafhankelijke soevereiniteit en grootheid tronen. Hoe verheven is Zijn onaantastbaar Wezen, hoe volkomen onafhankelijk van de kennis van al het geschapene. Hoe onmetelijk verheven zal Hij boven de lofprijzing van alle bewoners van hemel en aarde blijven!

Uit de verheven bron en uit het wezen van Zijn gunst en milddadigheid heeft Hij ieder geschapen ding een teken van Zijn kennis toevertrouwd, opdat aan geen van Zijn schepselen zijn aandeel onthouden worde om naar vermogen en rang deze kennis weer te geven. Dit teken is de spiegel van Zijn schoonheid in de wereld der schepping. Hoe groter de inspanning is om deze sublieme en edele spiegel te verfijnen, des te zuiverder zal hij de heerlijkheid der namen en eigenschappen van God weergeven en de wonderen van Zijn tekenen en kennis openbaren. Al het geschapene zal in staat worden gesteld (zo groot is deze weerspiegelende kracht) de mogelijkheden van zijn voorbeschikte staat te openbaren, zijn ontvankelijkheid en zijn begrenzingen te erkennen en van de waarheid te getuigen: "Hij, waarlijk, is God; er is geen God buiten Hem" ....

Er kan geen enkele twijfel over bestaan dat, ten gevolge van de inspanningen die ieder mens bewust aanwendt en de uitwerking van zijn eigen geestelijke vermogens, deze spiegel zozeer kan worden gereinigd van het droesem van aardse smetten en gezuiverd van duivelse hersenschimmen dat deze in staat is nader te komen tot de weiden van eeuwige heiligheid en de hoven te bereiken van immerdurende kameraadschap. Overeenkomstig het beginsel echter dat voor ieder ding een tijd is bepaald en voor iedere vrucht een jaargetijde is beschikt kunnen de verborgen krachten van zo'n milddadigheid het beste vrijkomen en de lentepracht van zulk een gave slechts worden geopenbaard in de Dagen van God. Alhoewel elke dag is begiftigd met het voorbeschikte deel van Gods wondere genade, hebben de Dagen die rechtstreeks verbonden zijn met de Manifestatie van God, een uniek kenmerk en nemen een plaats in die geen verstand ooit kan bevatten. Zo groot is de deugd waarvan deze Dagen zijn doortrokken dat, zouden de harten van allen die in de hemelen en op aarde verblijven in die dagen van eeuwige vreugde, van aangezicht tot aangezicht worden gebracht met die Dagster van onvergankelijke heerlijkheid en afgestemd worden op Zijn Wil, dan zou elk hart bemerken te zijn verheven boven al het aardse, stralend met Zijn licht, en geheiligd door Zijn genade. Allen begroeten deze genade welke door geen zegen, hoe groot ook, kan worden overtroffen, en allen bewijzen eer aan zulk een goedertierenheid als het oog der schepping nooit heeft aanschouwd! Verheven is Hij boven hetgeen zij Hem toeschrijven of van Hem verhalen!

Dit is de reden waarom in die dagen ieder mens het zijne zal doen voor zijn naaste. Het is reeds ruimschoots aangetoond dat in die, door God aangewezen, Dag het merendeel van hen die Zijn heilige hof hebben gezocht en bereikt, zulk een kennis en wijsheid ontsluieren dat het geringste ervan geen enkel mens, behalve deze heilige en gewijde zielen, heeft begrepen of ooit zal begrijpen, hoe lang hij ook werd onderricht of heeft gestudeerd. Het is ingevolge dit vermogen dat in de dagen van de Manifestatie van de Dagster der Waarheid de geliefden van God zijn verheven boven en onafhankelijk van alle menselijke geleerdheid. Ja, uit hun hart en uit de bronnen van hun ingeboren vermogens is aanhoudend het diepste wezen van menselijke kennis en wijsheid gestroomd.


CXXV. O, Mijn broeder! Wanneer een waar zoeker besluit zijn voet te zetten op de weg van onderzoek die leidt naar de kennis van de Aloude der Dagen, dan moet hij voor alles zijn hart dat de zetel is van de openbaring der diepste mysteriën Gods, zuiveren van het duistermakende stof van alle verworven kennis, en van de ingevingen der belichamingen van duivelse verbeelding. Hij moet zijn gemoed dat het heiligdom is van de blijvende liefde van de Geliefde van iedere smet ontdoen en zijn ziel heiligen van al hetgeen tot water en leem behoort, en van alle vage en kortstondige gehechtheden. Hij moet zijn hart zo louteren dat geen spoor van liefde of haat erin achterblijft, opdat deze liefde hem niet blindelings tot dwaling doet neigen of deze haat hem wegvoert van de waarheid. Evenals gij er in deze Dag getuige van zijt hoe de meeste mensen, als gevolg van zulk een liefde of haat, verstoken blijven van het onsterfelijke Gelaat, ver afgedwaald zijn van de Belichamingen der goddelijke mysteriën, en zonder herder ronddolen in de wildernis van vergetelheid en dwaling.

Die zoeker moet te allen tijde zijn vertrouwen stellen in God, zich afkeren van de volkeren der aarde, zich losmaken van de stoffelijke wereld en Hem aanhangen die de Heer der Heren is. Hij moet nooit trachten zich boven een ander te verheffen, moet ieder spoor van trots en ijdelheid uitwissen van de tafel van zijn hart, geduld en berusting oefenen, zwijgen in acht nemen en zich onthouden van ijdel gepraat. Want de tong is een smeulend vuur en overdadig spreken een dodelijk gif. Het stoffelijke vuur verteert het lichaam, terwijl het vuur van de tong hart en ziel verslindt. De kracht van het eerste duurt slechts kort, terwijl de uitwerking van het laatste een eeuw duurt.

Die zoeker moet eveneens kwaadspreken als een ernstige dwaling beschouwen en zich hiervan afzijdig houden, aangezien kwaadspreken het licht van het hart en het leven van de ziel uitblust. Hij moet zich met weinig tevreden stellen en vrij zijn van alle buitensporige verlangens. Hij moet het gezelschap van hen die zich van de wereld afkeren op prijs stellen en het als een groot voorrecht beschouwen opschepperige en wereldse mensen te mijden. Bij het aanbreken van iedere dag moet hij zich in gebed tot God keren en met geheel zijn ziel volharden in het zoeken naar zijn Geliefde. Hij moet iedere eigenzinnige gedachte verteren met de vlam van de liefdevolle vermelding van Zijn naam en met de snelheid van het licht aan alles buiten Hem voorbijgaan. Hij moet de misdeelden te hulp komen en de hulpbehoevenden nimmer zijn gunst onthouden. Hij moet goed zijn voor dieren, hoeveel te meer voor zijn medemens die met het vermogen van spraak is begiftigd. Hij moet niet aarzelen zijn leven te offeren voor zijn Geliefde, noch toestaan dat de kritiek der mensen hem van de Waarheid doet afkeren. Hij moet voor anderen niet wensen wat hij niet voor zichzelf wenst, noch beloven wat hij niet nakomt. Met zijn gehele hart moet de zoeker de omgang met boosdoeners vermijden en bidden voor de vergeving van hun zonden. Hij moet de zondaar vergiffenis schenken en nimmer diens lage staat verachten, want niemand weet hoe hij zelf zal eindigen. Hoe vaak bereikt een zondaar in zijn stervensuur de kern van geloof en nam hij, volop drinkend van de onsterfelijke drank, zijn vlucht naar de Schare in den hoge. En hoe vaak is een godvruchtig gelovige in het uur van het opstijgen van zijn ziel dermate veranderd, dat hij in het diepste vuur viel!

Ons doel met het openbaren van deze overtuigende en gewichtige uitspraken is, de zoeker op het hart te drukken alles buiten God als vergankelijk te beschouwen en alles buiten Hem die het Voorwerp is van alle aanbidding, als volkomen nietswaardig.

Dit alles behoort tot de eigenschappen van de verhevenen en vormt het kenmerk van de geestelijk gezinden. Zij werden reeds vermeld in verband met de vereisten voor de reizigers die het Pad van Volstrekte Kennis bewandelen. Wanneer de onthechte en oprechte zoeker aan deze essentiële voorwaarden heeft voldaan, dan en slechts dan, kan hij een waar zoeker worden genoemd. Telkens als hij voldaan heeft aan de voorwaarden die vervat zijn in het vers: "Zij die zich beijveren om Onzentwille"23 zal hij de zegen genieten die hem wordt geschonken met de woorden: "Wij zullen hen zekerlijk in Onze wegen leiden."24

Alleen wanneer de lamp van het zoeken, van vurig streven, van hunkerend verlangen, van hartstochtelijke toewijding, van brandende liefde, van extase en vervoering is ontstoken in het hart van de zoeker en de bries van Zijn goedertierenheid zijn ziel heeft beroerd, zal het duister van dwaling worden verdreven, zullen de nevelen van twijfel en argwaan optrekken, en zal het licht van kennis en zekerheid zijn wezen omhullen. Op dat uur zal de mystieke Heraut die de vreugdevolle tijding van de Geest brengt, luisterrijk als de ochtendstond, stralend te voorschijn komen uit de Stad Gods en, door het bazuingeschal van kennis, hart, ziel en geest uit de sluimer van onachtzaamheid doen ontwaken. Dan zullen de menigvuldige gunsten en de uitstorting van genade van de heilige en eeuwige Geest zo'n nieuw leven aan de zoeker schenken, dat hij zich begiftigd ziet met een nieuw oog, een nieuw oor, een nieuw hart en een nieuw verstand. Hij zal de duidelijke tekenen van het heelal overdenken en de verborgen mysteriën van de ziel doorgronden. Schouwende met het oog van God zal hij in ieder atoom een deur ontwaren die hem naar de plaatsen van volstrekte zekerheid voert. Hij zal in alle dingen de mysteriën van goddelijke openbaring en de bewijzen van een eeuwigdurende manifestatie ontdekken.

Ik zweer bij God! Zou hij die het pad van leiding betreedt en de hoogten van rechtschapenheid tracht te bestijgen, deze glorierijke en allerhoogste plaats bereiken, dan zal hij op een afstand van duizend mijlen de geur van God inademen en hij zal de prachtige morgenstond van goddelijke leiding zien rijzen boven de dageraad aller dingen. Ieder ding, hoe klein ook, zal voor hem een openbaring zijn die hem leidt naar zijn Geliefde, het Doel van zijn zoeken. Zo groot zal het doorzicht zijn van deze zoeker, dat hij waarheid van leugen zal onderscheiden evenals hij de zon onderscheidt van de schaduw. Indien in de verste hoeken van het oosten de zoete geuren van God op de wind worden aangedreven, dan zal hij voorzeker hun welriekendheid herkennen en inademen, zelfs al zou hij in het uiterste westen wonen. Hij zal eveneens duidelijk al de tekenen Gods - Zijn wonderbaarlijke uitingen, Zijn grote werken en machtige daden - onderscheiden van de handelingen, woorden en wegen der mensen, evenals de juwelier die het kleinood onderkent van de steen, of de mens die de lente onderscheidt van de herfst en hitte van koude. Wanneer de menselijke ziel is gereinigd van alle wereldse en belemmerende gehechtheden, zal deze zeker de adem van de Geliefde over onmetelijke afstanden waarnemen en, door zijn geur geleid, de Stad van Zekerheid bereiken en binnengaan.

Daar binnen zal hij de wonderen van Zijn aloude wijsheid bespeuren en alle verborgen leringen waarnemen uit de ritselende bladeren van de Boom die in de Stad bloeit. Met zijn innerlijk en zijn uiterlijk oor zal hij de hymnen van glorie en lof vanuit het stof horen opstijgen naar de Heer der Heren, en met zijn innerlijk oog zal hij de geheimen van "wederkeer" en "wederopleving" ontdekken.

Hoe onbeschrijflijk glorieus zijn de tekenen, de bewijzen, de openbaringen en luister welke Hij, Die de Koning van namen en attributen is, heeft bestemd voor die Stad! Het bereiken van deze Stad lest dorst zonder water en ontsteekt de liefde voor God zonder vuur. In iedere grashalm worden de mysteriën van een ondoorgrondelijke wijsheid als in een heiligdom bewaard, en op iedere rozenstruik zingen ontelbare nachtegalen in zalige vervoering hun lied. Prachtige tulpen ontvouwen het mysterie van de Brandende Braamstruik en hun zoete aroma van heiligheid ademt de geur van de Messiaanse Geest. Deze Stad schenkt rijkdom zonder goud en onsterfelijkheid zonder dood. In ieder blad zijn onuitsprekelijke vreugden vergaard en in ieder vertrek liggen talloze mysteriën verborgen.

Zij die zich onversaagd inspannen op zoek naar God zullen, wanneer zij eenmaal afstand hebben gedaan van alles buiten Hem, zo hecht verbonden zijn aan die Stad, dat één ogenblik van scheiding hiervan voor hen ondenkbaar zou zijn. Zij zullen luisteren naar onfeilbare bewijzen van de Hyacint van die schare en de zekerste getuigenissen ontvangen van de schoonheid van haar Roos en van de melodie van haar Nachtegaal. Eens in ongeveer duizend jaar zal deze Stad worden vernieuwd en opnieuw getooid.....

Die stad is geen andere dan het Woord Gods, geopenbaard in ieder tijdperk en iedere beschikking. In de dagen van Mozes was het de Pentateuch; in de dagen van Jezus het Evangelie; in de dagen van Muhammad, de Boodschapper van God, de Qur'án; in deze dag de Bayán; en in de Beschikking van Hem dien God zal openbaren, Zijn eigen Boek, - het Boek waar alle Boeken van vroegere Beschikkingen beslist naar verwijzen, het Boek dat van al deze Boeken het meest verheven is.
CXXVI. Naar welke plaats Wij ook mochten worden verbannen en hoe groot ook de beproeving die Wij hebben te doorstaan, toch moeten zij die het volk Gods zijn, vastbesloten en met volledig vertrouwen hun ogen gericht houden op de Dageraad van Heerlijkheid en zich bezighouden met al hetgeen kan leiden tot de verbetering der wereld en de opvoeding van haar volkeren. Alles wat Ons in het verleden is overkomen, heeft de belangen van Onze Openbaring bevorderd en haar faam luister bijgezet; en alles wat Ons in de toekomst mag overkomen, zal eenzelfde resultaat hebben. Blijft tot in het diepst van uw hart trouw aan de Zaak Gods, een Zaak die is neergezonden door Hem Die de Beschikker, de Alwijze is. Wij hebben met de grootste voorkomendheid en barmhartigheid alle volkeren en natiën opgeroepen en hun de weg gewezen naar hetgeen hun waarlijk tot voordeel zal strekken.

De Dagster der Waarheid die in haar middagpracht schijnt, is Ons tot getuige! Zij die het volk Gods zijn, hebben als enig streven de wereld te vernieuwen, haar leven te adelen en haar volkeren tot nieuw leven te brengen. Waarheidsliefde en welwillendheid hebben te allen tijde de betrekkingen tussen alle mensen gekenmerkt. Hun uiterlijk gedrag is slechts een afspiegeling van hun innerlijk leven, en hun innerlijk leven een spiegel van hun uiterlijk gedrag. Geen enkele sluier verbergt of verduistert de waarheden waarop hun Geloof werd gegrondvest. Voor de ogen van alle mensen zijn deze waarheden blootgelegd en kunnen onmiskenbaar worden onderkend. Hun daden bevestigen de waarheid van deze woorden.

Ieder scherpziend oog kan in deze Dag het ochtendgloren van Gods Openbaring waarnemen, en ieder oplettend oor kan de Stem herkennen die uit de Brandende Braamstruik werd gehoord. Zo krachtig zijn de stromende wateren van goddelijke barmhartigheid, dat Hij die de Dageraad is van de tekenen Gods en de Openbaarder van de bewijzen van Zijn heerlijkheid, openlijk en zonder terughoudendheid omgaat en zich onderhoudt met de volkeren en geslachten der aarde. Hoe talrijk zijn zij die met een van haat vervuld hart Onze aanwezigheid hebben gezocht en haar als trouwe en liefdevolle vrienden verlieten! De poorten van genade staan voor alle mensen wijd open. In Onze uiterlijke omgang met hen hebben Wij de rechtschapene en de zondaar gelijk behandeld, opdat de boosdoener wellicht de grenzeloze oceaan van Gods vergiffenis moge bereiken. Onze naam "de Verheler" heeft zulk een licht over de mensen uitgestort, dat de weerspannige zich verbeeldt tot de godvruchtigen te worden gerekend. Geen mens die Ons zoekt zullen Wij ooit teleurstellen en evenmin zal hij die zijn gelaat keert naar Ons de toegang tot Ons hof worden ontzegd ....

O vrienden! Helpt de ene ware God, verheven zij Zijn glorie, met uitnemende daden, en met een dusdanig gedrag en karakter dat dit aanvaardbaar is in Zijn ogen. Degene die in deze Dag een helper van God tracht te zijn, laat hem zijn ogen sluiten voor al wat hij bezit en ze openen voor de dingen van God. Laat hem ophouden zich bezig te houden met hetgeen hem voordeel brengt, en zich datgene ten doel stellen, wat de onweerstaanbare naam van de Almachtige zal verheffen. Hij moet zijn hart zuiveren van alle boze hartstochten en verdorven begeerten, want de vreze Gods is het wapen dat hem kan doen zegevieren, en het voornaamste werktuig waardoor hij zijn doel kan bereiken. De vreze Gods is het schild dat Zijn Zaak beschermt, het schild dat Zijn volk in staat stelt de overwinning te behalen. Het is een maatstaf die door geen mens kan worden verlaagd, een kracht die zijn weerga niet heeft. Met behulp hiervan, en met het welnemen van Hem die de Heer der Heerscharen is, zijn zij die God zijn genaderd in staat geweest de vesting van 's mensen hart te bedwingen en te veroveren.


CXXVII. O mensen, als het uw wens is God te kennen en de grootheid van Zijn macht te ontdekken, kijkt dan naar Mij met Mijn ogen en niet met de ogen van iemand buiten Mij. Gij zult anders nooit bij machte zijn Mij te herkennen al zoudt gij Mijn Zaak overpeinzen zolang Mijn Koninkrijk voortduurt en nadenken over al het geschapene in alle eeuwigheid van God, de Soevereine Heer van allen, de Almachtige, de Immerblijvende, de Alwijze. Aldus hebben Wij de waarheid van Onze Openbaring duidelijk gemaakt, opdat de mensen mogen ontwaken uit hun achteloosheid en behoren tot hen die begrijpen.

Ziet de lage staat van deze mensen die heel goed weten dat Ik Mijzelf en Mijn verwanten heb geofferd in het Pad van God en voor het behoud van hun geloof in Hem; die er zich zeer wel van bewust zijn hoe Mijn vijanden Mij hebben ingesloten in de dagen dat de harten der mensen vreesden en beefden, de dagen waarin zij zich verborgen voor de ogen der geliefden Gods en voor Zijn vijanden, en zich bezighielden met het verzekeren van hun eigen veiligheid en vrede.

Tenslotte zijn Wij er in geslaagd de Zaak van God te openbaren en verhieven deze tot zo'n hoge rang dat alle mensen - behalve degenen die in hun hart deze Jongeling kwaadwillig gezind waren en zich gelijkstelden met de Almachtige - de soevereiniteit van God en Zijn machtige heerschappij erkenden. En toch, niettegenstaande deze Openbaring wier invloed al het geschapene heeft doortrokken, en ondanks de glans van dit Licht waarvan geen hunner zijns gelijke ooit heeft aanschouwd, ziet hoe het volk van de Bayán Mij heeft verloochend en Mij heeft bestreden. Sommigen hebben zich afgekeerd van het Pad Gods, hebben het gezag van Hem in wie zij hebben geloofd, verworpen en onbeschaamd gehandeld jegens God, de Krachtigste, de Oppermachtige Beschermer, de Verhevenste, de Grootste. Anderen hebben geaarzeld en stonden stil op Zijn Pad en beschouwden de Zaak van de Schepper in haar grondwaarheid ongeldig, tenzij bekrachtigd door de instemming van hem die geschapen werd door de werking van Mijn Wil. Aldus liepen hun werken op niets uit, en toch hebben zij dit niet eens bemerkt. Onder hen is hij die trachtte God te meten met de maat van zichzelf, en hij werd zozeer misleid door de namen van God dat hij tegen Mij opstond, Mij veroordeelde als één die de doodstraf verdiende, en Mij de vergrijpen ten laste legde waaraan hij zelf schuldig was.

Weshalve bepleit Ik Mijn smart en Mijn verdriet voor Hem Die Mij heeft geschapen en Mij Zijn Boodschap heeft toevertrouwd. Hem betuig Ik dank en lof voor de dingen die Hij heeft beschikt, voor Mijn eenzaamheid en voor de kwellingen die Ik onderga door de handen van deze mensen die zo ver van Hem zijn afgedwaald. Ik heb de tegenspoed die Mij trof geduldig gedragen en zal dit blijven doen en Ik zal al Mijn hoop en vertrouwen stellen in God. Hem wil Ik smeken met de woorden: Leid Uw dienaren, o Mijn Heer, naar de hof van Uw gunst en milddadigheid, en laat hen niet verstoken zijn van de wonderen van Uw genade en van Uw menigvuldige zegeningen. Want zij weten niet wat Gij voor hen hebt beschikt krachtens Uw barmhartigheid die de gehele schepping omvat. O Heer, zij zijn uiterlijk zwak en hulpeloos en innerlijk zijn zij slechts wezen. Gij zijt de Almilddadige, de Weldadige, de Verhevenste, de Grootste. Doe niet, o Mijn God, uw felle verbolgenheid op hen neerkomen, en laat hen wachten op de tijd dat de wonderen van Uw barmhartigheid zullen zijn geopenbaard, opdat zij mogen terugkeren tot U en U vergiffenis vragen voor de dingen die zij tegen U hebben begaan. Waarlijk, Gij zijt de Vergevende, de Albarmhartige.



CXXVIII. Zeg: Betaamt het een mens, terwijl hij beweert een volgeling te zijn van zijn Heer, de Albarmhartige, hij niettemin in zijn hart juist de daden van de Boze doet? Neen, het past hem slecht, en hiervan is Hij die de Schoonheid is van de Alglorierijke Mij tot getuige. Kon gij het slechts bevatten!

Wist uit uw hart de liefde voor wereldse dingen, van uw tong iedere herinnering behalve het Hem gedenken en reinigt uw gehele wezen van al hetgeen u zou kunnen weerhouden Zijn gelaat te aanschouwen of u zou verleiden de inblazingen van uw slechte en verdorven neigingen te volgen. Laat God uw vreze zijn, o mensen, en behoort tot hen die de weg van rechtschapenheid gaan.

Zeg: O mensen, zou uw gedrag in tegenspraak zijn met uw belijdenis, hoe denkt gij dan in staat te zijn u te onderscheiden van hen die, hoewel zij hun geloof in de Heer, hun God, belijden, weigerden Hem te aanvaarden en Zijn waarheid verwierpen, zodra Hij tot hen kwam in de wolk van heiligheid? Bevrijdt u van alle gehechtheid aan deze wereld en haar ijdelheden. Hoedt u dat gij ze niet nadert, aangezien ze u inblazen de weg te gaan van uw eigen wellusten en hebzuchtige begeerten, en u beletten het rechte en glorierijke Pad te betreden.

Weet gij dat met "de wereld" bedoeld wordt het u niet bewust zijn van Hem Die uw Maker is, en het vervuld zijn van alles buiten Hem. Anderzijds betekent "het leven dat komen gaat" de dingen die u veilig naderbij doen komen tot God, de Alglorierijke, de Onvergelijkelijke. Wat u in deze Dag ervan weerhoudt God lief te hebben, is niets anders dan de wereld. Ontvliedt haar, opdat gij moogt worden gerekend tot de gelukzaligen. Als iemand zich met wereldse sieraden en kleding wil tooien of wil genieten van al het goede der aarde, kan hem dit niet schaden, zolang hij niet toelaat dat er iets tussen hem en God komt, want God heeft al het goede, hetzij geschapen in de hemelen of op de aarde, voor diegenen van Zijn dienaren beschikt die waarlijk in Hem geloven. Eet, o mensen, van de goede dingen die God u heeft geschonken en onthoudt u niet van Zijn wondere gaven. Dankt en looft Hem, en behoort tot hen die waarlijk dankbaar zijn.

O gij die uw huis hebt ontvloden en de tegenwoordigheid Gods hebt gezocht! Verkondigt aan de mensen de Boodschap van uw Heer, opdat het hen moge weerhouden de inblazingen van hun kwade en verdorven begeerten te volgen, en brengt hen tot het gedenken van God, de Verhevenste, de Grootste. Zeg: Vreest God, o mensen, en weerhoudt u ervan iemands bloed te vergieten. Bestrijdt niet uw naaste, en behoort tot hen die goed doen. Hoedt u dat gij geen wanorde sticht op aarde, nadat ze goed is geordend en volgt niet in de voetstappen van hen die zijn afgedwaald.

Al wie opstaat onder u om de Zaak van zijn Heer te onderrichten, laat hem vóór alles zichzelf onderrichten, opdat zijn woorden de harten van hen die hem horen, mogen aantrekken. Tenzij hij zichzelf onderricht, zullen de woorden die hij spreekt, het hart van de zoeker niet beïnvloeden. Waakt ervoor, o mensen, dat gij niet behoort tot hen die anderen goede raad geven, maar vergeten zelf deze raad op te volgen. De woorden van dergelijke mensen en achter de woorden de werkelijkheid aller dingen, en achter deze werkelijkheid de engelen die God nabij zijn, zullen hem van onwaarheid beschuldigen.

Zou zo iemand er ooit in slagen invloed uit te oefenen op enig mens, dan moet dit succes niet hem worden toegeschreven, doch veeleer aan de invloed van de woorden van God, gelijk bevolen door Hem Die de Almachtige, de Alwijze is. In de ogen van God wordt hij beschouwd als een lamp die licht geeft, en toch voortdurend doende is zichzelf te verbruiken.

Zeg: O mensen, begaat niet hetgeen u te schande zal maken of de Zaak van God zal onteren in de ogen der mensen, en behoort niet tot de onruststokers. Vermijdt de dingen die uw verstand veroordeelt. Schuwt elke vorm van ondeugd, want dergelijke dingen zijn verboden in het Boek dat niemand aanraakt, behalve zij die God van ieder spoor van schuld heeft gereinigd en gerekend tot de gelouterden.

Weest eerlijk jegens uzelf en jegens anderen, opdat door uw daden, de bewijzen van gerechtigheid mogen worden onthuld onder Onze trouwe dienaren. Hoedt u dat gij u het bezit van uw naaste niet toeëigent. Bewijst uzelf dat u zijn vertrouwen volledig waardig bent en dat hij u vertrouwt, en onthoudt de armen niet de gaven welke de genade Gods u heeft geschonken. Hij, waarlijk, zal de menslievenden belonen en hen dubbelvoudig vergoeden voor hetgeen zij hebben gegeven. Geen God is er buiten Hem. De gehele schepping en haar heerschappij zijn aan Hem. Hij schenkt Zijn gaven aan wie Hij wil en Hij onthoudt ze aan wie Hij wil. Hij is de Grote Gever, de Edelmoedigste, de Weldadige.

Zeg: Onderricht de Zaak van God, o volk van Bahá, want God heeft een ieder de plicht opgelegd Zijn Boodschap te verkondigen, en Hij beschouwt dit als de verdienstelijkste aller daden. Zulk een daad is alleen aanvaardbaar, wanneer degene die de Zaak onderricht reeds een standvastig gelovige is in God, de Hoogste Beschermer, de Genadige, de Almachtige. Hij heeft bovendien beschikt dat Zijn Zaak onderricht moet worden door de kracht van 's mensen woorden en niet door zijn toevlucht te nemen tot geweld. Aldus luidt Zijn gebod zoals neergezonden uit het Koninkrijk van Hem Die de Verhevenste, de Alwijze is. Hoedt u dat gij met niemand strijdt, ja spant u zelfs in hem op vriendelijke wijze en met overtuigingskracht bewust te maken van de waarheid. Als uw toehoorder reageert, zal hem dit ten voordeel strekken, zo niet, keert u dan van hem af en wendt uw gelaat tot Gods gewijde hof, de zetel van luisterrijke heiligheid.

Redetwist met niemand over de dingen van deze wereld en haar aangelegenheden, want God heeft dit alles overgelaten aan degenen die hun zinnen daarop hebben gezet. Uit de gehele wereld heeft Hij voor Zichzelf de harten der mensen gekozen - harten die de scharen van openbaring en van woorden kunnen onderwerpen. Aldus is beschikt door de Vingers van Bahá op de Tafel van Gods onherroepelijk gebod, op bevel van Hem Die de Hoogste Bestierder, de Alwetende is.

1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14


Dovnload 0.66 Mb.