Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh

Dovnload 0.66 Mb.

Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh



Pagina14/14
Datum05.12.2018
Grootte0.66 Mb.

Dovnload 0.66 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14
    Navigeren deze pagina:

CLVI. Hij Die de Eeuwige Waarheid is, heeft vanuit de Dageraad van Glorie Zijn ogen gericht op het volk van Bahá en spreekt de volgende woorden tot hen: "Legt u toe op de bevordering van het welzijn en de rust der mensenkinderen. Richt uw gedachten en uw wil op de opvoeding van de volkeren en geslachten der aarde, zodat door de macht van de Grootste Naam de tweedracht die hen verdeelt uit hun midden moge verdwijnen, en de gehele mensheid de handhavers van één Orde en de bewoners van één Stad zullen worden. Verlicht en heiligt uw hart; laat het niet worden ontwijd door de doornen van haat of de distels van kwaadwilligheid. Gij woont in één wereld en zijt geschapen door de werking van één Wil. Gezegend is hij die met alle mensen omgaat in een geest van uiterste welwillendheid en liefde."
CLVII. Zij die hun land hebben verlaten met het doel Onze Zaak te onderrichten - hen zal de Geest des Geloofs sterken met zijn kracht. Een schare van Onze uitverkoren engelen zal hen begeleiden, gelijk bevolen door Hem Die de Almachtige, de Alwijze is. Hoe groot is de gelukzaligheid welke hem wacht die de eer ten deel is gevallen de Almachtige te dienen! Bij Mijn leven! Geen daad, hoe groot ook, kan de vergelijking ermee doorstaan, met uitzondering van de daden die beschikt zijn door God, de Almogende, de Machtigste. Zulk een dienst is met recht de voortreffelijkste aller daden en het sieraad van iedere voortreffelijke handeling. Aldus is beschikt door Hem Die de soevereine Openbaarder, de Aloude der Dagen is.

Al wie opstaat om Onze Zaak te onderrichten, moet zich onthechten van alle aardse dingen en te allen tijde de overwinning van Ons Geloof als zijn hoogste doel beschouwen. Dit is, waarlijk, bevolen in de Welbewaarde Tafel. En wanneer hij besluit zijn huis te verlaten terwille van de Zaak van zijn Heer, laat hij dan zijn gehele vertrouwen stellen op God als de beste leeftocht op zijn reis, en zich tooien met de mantel der deugd. Aldus is bevolen door God, de Almachtige, de Algeprezene.

Als hij wordt aangestoken met het vuur van Zijn liefde, als hij afstand doet van al het geschapene, dan zullen de woorden die hij spreekt, hen die hem horen in vuur en vlam zetten. Waarlijk, uw Heer is de Alwetende, de Albezielde. Gelukkig de mens die Onze stem heeft gehoord en Onze roep heeft beantwoord. Hij, waarlijk, behoort tot hen die in Onze nabijheid werden gebracht.
CLVIII. God heeft een ieder de plicht opgelegd Zijn Zaak te onderrichten. Al wie opstaat om zich van deze plicht te kwijten moet zich, aleer hij Zijn Boodschap verkondigt, tooien met het sieraad van een rechtschapen en lofwaardig karakter, zodat zijn woorden het hart zullen aantrekken van hen die ontvankelijk zijn voor zijn oproep. Zonder dit kan hij nooit verwachten dat hij zijn toehoorders zal beïnvloeden.
CLIX. Ziet hoe kleingeestig de mensen zijn. Zij vragen om hetgeen hen schaadt, en verwerpen hetgeen hun baat. Zij behoren werkelijk tot hen die ver zijn afgedwaald. Wij zien dat sommigen vrijheid wensen en zich daarop beroemen. Zulke mensen verkeren in de diepste onwetendheid.

Vrijheid moet uiteindelijk leiden tot opstand, en niemand kan de vlammen daarvan doven. Aldus waarschuwt u Hij Die de Oordelaar, de Alwetende is. Weet dat het dier de belichaming en het symbool van vrijheid is. Hetgeen de mens betaamt is onderwerping aan die beperkingen die hem beschermen tegen zijn eigen onwetendheid, en die hem behoeden voor het kwaad van de onruststoker. Vrijheid maakt dat de mens de grenzen van welvoeglijkheid overschrijdt en de waardigheid van zijn staat schendt. Hij wordt erdoor verlaagd tot het peil van uiterste ontaarding en verdorvenheid.

Beschouwt de mensen als een kudde schapen die een herder nodig heeft voor haar bescherming. Dit is voorzeker de waarheid, de onbetwistbare waarheid. Wij keuren vrijheid onder bepaalde omstandigheden goed, en onthouden er in andere gevallen Onze goedkeuring aan. Wij zijn waarlijk de Alwetende.

Zeg: Ware vrijheid ligt in onderwerping van de mens aan Mijn geboden, hoe weinig gij dit ook beseft. Zouden de mensen datgene in acht nemen wat Wij tot hen hebben gezonden uit de Hemel van Openbaring, dan zouden zij voorzeker volmaakte vrijheid deelachtig worden. Gelukkig is de mens die het Plan van God ziet in al wat Hij heeft geopenbaard vanuit de Hemel van Zijn Wil die al het geschapene doordringt. Zeg: De vrijheid die u baat is slechts te vinden in volkomen dienstbaarheid aan God, de Eeuwige Waarheid. Al wie die zoetheid heeft geproefd, zal haar voor alle heerschappij in de hemel en op aarde niet willen opgeven.


CLX. Hij is werkelijk een waar gelovige in de Eenheid van God, die in deze Dag Hem ziet als Eén Die onmetelijk ver verheven is boven alle vergelijkingen en beeltenissen waarmede de mensen Hem hebben vergeleken. Degene die deze vergelijkingen en beeltenissen voor God Zelf houdt, begaat een afschuwelijke vergissing.

Overdenk de verhouding tussen de handwerksman en zijn handwerk, tussen de schilder en zijn schilderij. Kan men ooit beweren dat het werk hunner handen gelijk is aan henzelf? Bij Hem Die de Heer is van de Troon in den hoge en op aarde! Hun werk kan in geen ander licht worden bezien dan als een bewijs dat duidt op de uitnemendheid en voortreffelijkheid van de maker ervan.

O Shaykh, o gij die uw wil overgaf aan God! Met zelfovergave en met eeuwigdurende vereniging met God wordt bedoeld dat de mensen hun wil geheel en al doen opgaan in de Wil van God en hun verlangens als volkomen niets beschouwen naast Zijn Doel. Al wat de Schepper Zijn schepselen beveelt na te komen, moeten zij naarstig en met de grootste vreugde en geestdrift volbrengen. Zij moeten op generlei wijze toelaten dat hun verbeelding hun helder oordeel verduistert en evenmin moeten zij hun eigen waandenkbeelden beschouwen als de stem van de Eeuwige. In het Vastengebed hebben Wij geopenbaard: "Zou Uw Wil uitvaardigen dat uit Uw mond deze, tot hen gerichte, woorden voortkomen: 'O mensen, komt de vasten na ter wille van Mijn Schoonheid, en stelt geen grenzen aan de duur ervan', dan zweer Ik bij de majesteit van Uw heerlijkheid, dat een ieder hunner het trouw na zal komen, zich zal onthouden van al hetgeen Uw wet schendt en hiermee voort zal gaan, totdat zij hun ziel aan U overgeven". Hierin ligt de volledige overgave van 's mensen wil aan de Wil van God besloten. Overdenk dit, opdat gij de wateren van eeuwigdurend leven die stromen door de woorden van de Heer der gehele mensheid in u moogt opnemen, en getuigen dat de ene ware God onmetelijk is verheven boven Zijn schepselen. Hij waarlijk is de Onvergelijkelijke, de Immerverblijvende, de Alwetende, de Alwijze. De staat van volkomen zelfovergave gaat iedere andere staat te boven en zal er altijd boven verheven blijven.

Het betaamt u, u te wijden aan de Wil van God. Al hetgeen in Zijn Tafelen is geopenbaard, is slechts een afspiegeling van Zijn Wil. Uw toewijding moet zo volledig zijn dat ieder spoor van wereldse begeerte uit uw hart is gewist. Dit is de betekenis van ware eenheid.

Smeekt God, u in staat te stellen standvastig te blijven op deze weg en u te helpen om de volkeren der wereld te leiden naar Hem, de duidelijke en soevereine Heerser die Zich in een nieuw gewaad heeft geopenbaard en een goddelijke en zeer bepaalde Boodschap brengt. Dit is de kern van geloof en zekerheid. Mensen die de afgod aanbidden die hun verbeelding schiep en hem de innerlijke Werkelijkheid noemen, worden in waarheid tot de heidenen gerekend. Hiervan getuigt de Algenadige in Zijn Tafelen. Hij, waarlijk, is de Alwetende, de Alwijze.
CLXI. Omgordt de lendenen van uw streven, opdat gij wellicht uw naaste kunt leiden naar de wet van God, de Algenadige. Waarlijk, zulk een daad overtreft in de ogen van God, de Albezittende, de Allerhoogste, alle andere daden. Gij moet zo standvastig zijn in de Zaak Gods dat niets werelds bij machte is u van uw plicht af te houden. Zelfs als de aardse machten zich tegen u verbinden en alle mensen met u redetwisten, moet gij onwrikbaar blijven.

Wees onbelemmerd gelijk de wind wanneer gij de Boodschap uitdraagt van Hem die de Dageraad van goddelijke leiding deed aanbreken. Bedenk hoe de wind, trouw aan hetgeen God beschikt, over alle gebieden der aarde - bewoond of onbewoond - waait. Het beeld van woestenij kan hem niet verontrusten, noch de bewijzen van bloei hem verheugen. Hij waait in iedere richting volgens het gebod van zijn Schepper. Zo moet een ieder zijn die beweert een minnaar van de ene ware God te zijn. Het betaamt hem zijn blik te richten op de grondbeginselen van Zijn Geloof en met ijver te werken voor de verspreiding ervan. Geheel en al ter wille van God moet hij Zijn Boodschap uitdragen en evenals de wind elke weerklank aanvaarden die zijn woorden bij zijn toehoorders opwekken. Wie aanvaardt en gelooft, zal zijn loon ontvangen en wie zich afkeert, zal slechts zichzelf straffen.

Aan de vooravond van Ons vertrek uit 'Iráq hebben Wij de gelovigen gewaarschuwd dat hen de komst van de Vogels der Duisternis te wachten staat. Er kan geen enkele twijfel over bestaan dat in bepaalde landen de Raaf zal krassen zoals dit in de afgelopen jaren werd gehoord. Wat er ook moge gebeuren, zoek uw toevlucht bij de ene ware God, opdat Hij u zal beschermen tegen de listen van de bedrieger.

Voorwaar, Ik zeg u dat in deze machtigste Openbaring alle Beschikkingen van het verleden hun hoogste, uiteindelijke vervulling hebben bereikt. Aldus raadt u uw Heer, de Alwetende, de Alwijze. Ere zij God, de Heer aller werelden.

De Albarmhartige heeft de mens het gezichtsvermogen geschonken en hem begiftigd met gehoor. Sommigen hebben hem beschreven als behorend tot de "lagere wereld", terwijl hij in werkelijkheid tot de "hogere wereld" moet worden gerekend. De mogelijkheden die inherent zijn in de staat van de mens, de volle omvang van zijn bestemming op aarde, de aangeboren voortreffelijkheid van zijn werkelijkheid moeten alle tot uitdrukking komen in deze beloofde Dag van God.

De Pen van de Allerhoogste gedenkt te allen tijde en onder alle omstandigheden, met vreugde en tederheid Zijn geliefden, en raadt hen Zijn weg te volgen. Wel gaat het hem die door de wisselvalligheden dezer wereld niet wordt weerhouden de Dageraad van de Eenheid van God te erkennen, die met onwankelbare vastberadenheid, en uit naam van de Bij-Zich-Bestaande, volop heeft gedronken van de verzegelde wijn van Zijn Openbaring. Zulk een mens zal tot de bewoners van het Paradijs gerekend worden in het Boek van God, de Heer aller werelden.


CLXII. Alle lof zij God Die de wereld heeft getooid met een sieraad en haar heeft gesierd met een kleed waarvan geen aardse macht het kan beroven, hoe machtig haar regimenten, hoe enorm groot haar rijkdommen en hoe diepgaand haar invloed ook moge zijn. Zeg: De essentie van alle macht behoort aan God, het hoogste en uiteindelijke Doel der gehele schepping. De bron van alle majesteit behoort aan God, het Voorwerp van de aanbidding van alles wat in de hemelen en alles wat op aarde is. De krachten die hun oorsprong hebben in deze wereld van stof zijn in wezen het overwegen niet waard.

Zeg: De bronnen die het leven van deze vogels in stand houden zijn niet van deze wereld. De oorsprong ervan gaat ieder menselijk begrip ver te boven. Wie kan het licht doven dat de sneeuwblanke Hand van God heeft ontstoken? Waar kan degeen gevonden worden die het vermogen heeft het vuur te blussen dat is aangestoken door de macht van uw Heer, de Almogende, de Onweerstaanbare, de Almachtige? Het is de Hand van Gods macht die de vlammen van tweedracht heeft uitgeblust. Machtig is Hij te doen wat Hem behaagt. Hij zegt: Weest; en het is. Zeg: De hevige stormen en wervelwinden der wereld en haar volkeren kunnen nooit het fundament doen wankelen waarop de rotsvaste standvastigheid van Mijn uitverkorenen is gegrondvest. Genadige God! Wat kon deze mensen ertoe hebben aangezet de geliefden van Hem Die de eeuwige Waarheid is, te knechten en gevangen te zetten?... De dag nadert echter dat de gelovigen de Dagster van gerechtigheid in haar volle luister zullen zien schijnen vanuit de Dageraad van glorie. Aldus onderricht u de Heer van alle bestaan vanuit deze plaats, Zijn afschuwelijke Gevangenis.


CLXIII. Leden van het mensenras! Houdt u vast aan het Koord dat geen mens kan doorsnijden. Dit zal u voorzeker al de dagen van uw leven baten, want de kracht ervan is van God, de Heer aller werelden. Blijft trouw aan rechtvaardigheid en eerlijkheid en keert u af van de fluisteringen der dwazen, zij die vervreemd zijn van God, die hun hoofd hebben getooid met het versiersel der geleerden, en Hem die de Bron van wijsheid is ter dood hebben veroordeeld. Mijn naam heeft hen tot een hoge staat verheven, en toch, nauwelijks onthulde Ik Mij voor hun ogen of zij spraken met onmiskenbare onrechtvaardigheid Mijn doodvonnis uit. Aldus heeft Onze Pen de waarheid geopenbaard, en niettemin zijn de mensen in achteloosheid verzonken.

Een ieder die vasthoudt aan gerechtigheid, kan onder geen enkele omstandigheid de grenzen der gematigdheid overschrijden. Hij ontwaart in alles de waarheid door de leiding van Hem Die de Alziende is. De beschaving waar zich de geleerde vertegenwoordigers van kunsten en wetenschappen zo dikwijls op beroemen zal, wanneer men voorbijgaat aan de grenzen van gematigdheid, de mensen veel kwaad berokkenen. Aldus waarschuwt u Hij Die de Alwetende is. Tot het uiterste doorgevoerd zal beschaving een even grote bron van kwaad blijken te zijn als van geluk, wanneer ze binnen de grenzen van gematigdheid wordt gehouden. Denkt hierover na, o mensen, en behoort niet tot hen die verbijsterd ronddolen in de wildernis van dwaling. De dag nadert dat de vlam ervan de steden zal verslinden en de Tong van Grootheid zal verkondigen: "Het Koninkrijk is aan God, de Almachtige, de Alomgeprezene!"

Alle andere dingen zijn onderworpen aan dit zelfde beginsel van gematigdheid. Betuigt dank aan uw Heer Die u gedenkt in deze wondere Tafel. Alle lof zij God, de Heer van de glorierijke troon.

Zou enig mens in zijn hart overwegen hetgeen de Pen van de Allerhoogste heeft geopenbaard en de zoetheid ervan proeven, dan zou hij zich ten stelligste volkomen bevrijd weten van zijn eigen begeerten, en geheel en al onderworpen aan de Wil van de Almachtige. Gelukkig is de mens die zo'n hoge staat heeft bereikt en zich niet van zo'n milddadige genade heeft beroofd.

In deze Dag kunnen Wij het gedrag van de vreesachtige die tracht zijn geloof te verbergen niet goedkeuren, en evenmin de houding rechtvaardigen van de verklaarde gelovige die luidruchtig verklaart dit Geloof aan te hangen. Beiden moeten de regels der wijsheid in acht nemen, en zich naarstig beijveren de voornaamste belangen van het Geloof te dienen.

Laat iedereen het gedrag van deze Verguisde beschouwen en er over nadenken. Vanaf de dageraad van de Openbaring tot aan de huidige dag hebben Wij geweigerd Ons te verbergen voor Onze vijanden of Ons te onttrekken aan het gezelschap van Onze vrienden. Hoewel omringd door oneindig veel leed en tegenspoed hebben Wij met groot vertrouwen de volkeren der aarde opgeroepen tot de Dageraad van Heerlijkheid. De Pen van de Allerhoogste is er in dit verband afkerig van om de ellende die Deze heeft geleden, op te sommen. Door het bekend maken ervan zouden de begenadigden onder de gelovigen - zij die de eenheid van God werkelijk hooghouden en Zijn Zaak geheel zijn toegewijd zonder twijfel worden gedompeld in verdriet. Hij waarlijk spreekt de waarheid en is de Alhorende, de Alwetende. Wij hebben Ons leven grotendeels te midden van Onze vijanden doorgebracht. Ziet hoe Wij heden in een slangennest leven.

Dit Heilige Land is in alle heilige Geschriften vermeld en verheerlijkt. De Profeten van God en Zijn Uitverkorenen zijn daar verschenen. Dit is de wildernis waarin alle Boodschappers van God wandelden en van waaruit hun roep: "Hier ben ik, hier ben ik, o mijn God" werd aangeheven. Dit is het beloofde Land waarin Hij die de Openbaring Gods is, was voorbeschikt te worden geopenbaard. Dit is het Dal van Gods onnaspeurlijk bevel, de sneeuwwitte Plek, het Land van nimmertanende pracht. Alles wat er in deze Dag is geschied is voorzegd in de geschriften van weleer. Deze zelfde geschriften veroordelen echter eenstemmig de mensen die dit land bewonen. Er was een tijd dat zij werden gebrandmerkt als het "addergebroed". Aanschouwt hoe nu deze Verguisde, terwijl Hij omringd is door "addergebroed" luide roept en alle mensen opwekt tot Hem Die 's werelds hoogste Verlangen, het Hoogtepunt en de Dageraad van Heerlijkheid is. Gelukkig is de mens die geluisterd heeft naar de stem van Hem die de Heer is van het Koninkrijk van Uiting, en wee de achtelozen die ver zijn afgedwaald van Zijn waarheid.
CLXIV. Weet dat ieder oor dat hoort - mits zuiver en onbezoedeld te allen tijde vanuit iedere richting naar de stem moet luisteren die deze heilige woorden spreekt: "Waarlijk, wij komen van God en tot Hem zullen wij wederkeren". De mysteries aangaande 's mensen lichamelijke dood en zijn wederkeer zijn niet onthuld en blijven nog onbekend. Bij de rechtvaardigheid Gods! Zouden deze geopenbaard worden, dan zou dit zoveel angst en droefenis oproepen dat sommigen om zouden komen, terwijl anderen zo vol blijdschap zouden zijn dat zij zich dood wensten en vol verlangen de ene ware God - verheven zij Zijn heerlijkheid - smeken hun einde te bespoedigen.

De dood reikt aan ieder overtuigde gelovige de kelk die het ware leven is. Hij schenkt blijdschap en is de vreugdebode. Hij verleent de gave van het eeuwige leven.



Wat hen betreft die geproefd hebben van de vrucht van 's mensen aardse bestaan - hetgeen de erkenning betekent van de ene ware God, verheven zij Zijn heerlijkheid - hun leven in het hiernamaals is van dien aard dat Wij niet in staat zijn dit te beschrijven. De kennis hiervan is bij God alleen, de Heer aller werelden.
CLXV. Al wie aanspraak maakt op een Openbaring rechtstreeks van God alvorens duizend jaar ten volle zijn verstreken, is voorzeker een leugenaar en een bedrieger. Wij smeken God dat Hij hem genadiglijk moge bijstaan zulk een aanspraak te herroepen en er afstand van te doen. Mocht hij berouw hebben, dan zal God hem ongetwijfeld vergeven. Indien hij echter in zijn dwaling volhardt, zal God voorzeker iemand zenden om onverbiddelijk met hem af te rekenen. Waarlijk, God straft vreselijk! Al wie dit vers anders uitlegt dan naar zijn duidelijke betekenis, is verstoken van de Geest Gods en van Zijn barmhartigheid die al het geschapene omvat. Vreest God en volgt niet uw nutteloze fantasieën. Neen, volgt liever het gebod van uw Heer, de Almachtige, de Alwijze.

Noten

1 Vergelijk: Exodus 19-20, 22, 23.
2 Vergelijk: Exodus 3-4, 17.
3 Geschrift van de Báb: Commentaar op de Súrah van Jozef (Qur'án XII).
4 Qur'án 5:67
5 Qur'án 48:10
6 Bron in het paradijs.
7 Idem
8 Qur'án 6:103
9 Qur'án 2:253
10 Qur'án 2:285
11 Qur'án 54:50
12 Qur'án 2:253
13 Qur'án 8:17
14 Qur'án 48:10
15 Qur'án 33:40
16 Tihrán
17 Qur'án 41:53
18 Qur'án 51:21
19 Qur'án 59:19
20 Qur'án 11:27
21 Qur'án 26:227
22 Qur'án 20:106
23 Qur'án 20:69
24 Qur'án 20:69

1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14


  • Dovnload 0.66 Mb.