Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh

Dovnload 0.66 Mb.

Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh



Pagina5/14
Datum05.12.2018
Grootte0.66 Mb.

Dovnload 0.66 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

XLV. De Aloude Schoonheid heeft gedoogd in ketenen te worden geslagen, zodat de mensen bevrijd kunnen worden uit hun knechtschap en Hij heeft aanvaard als gevangene te worden opgesloten in deze machtigste Vesting, opdat de gehele wereld ware vrijheid moge verkrijgen. Hij heeft de lijdensbeker tot de bodem geledigd, opdat alle volkeren op aarde duurzame vrede mogen verkrijgen en van blijdschap vervuld zullen worden. Dit is door de barmhartigheid van uw Heer, de Meedogende, de Barmhartigste. Wij hebben vernedering aanvaard, o gelovigen in de Eenheid van God, opdat gij moogt worden verheven, en Wij hebben talloze kwellingen ondergaan, opdat gij voorspoed en welvaart moogt genieten. Ziet, hoe Hij die gekozen is om de gehele wereld nieuw te maken, gedwongen werd door hen die zich met God gelijk stelden, in de meest troosteloze stad te wonen!
XLVI. Ik treur niet over de last van Mijn gevangenschap. Evenmin ben ik bedroefd over Mijn vernedering, of de beproevingen die Ik onderga door Mijn vijanden. Bij Mijn leven! Ze zijn Mijn heerlijkheid een heerlijkheid waarmede God Zijn eigen Zelf heeft getooid. Wist gij dit slechts.

De schande die Ik moest verduren heeft de heerlijkheid, waarmede de gehele schepping werd bekleed, onthuld, en door de wreedheden die Ik heb verdragen, heeft de Dagster van Gerechtigheid zich geopenbaard, en haar luister over de mensen uitgestort.

Mijn droefheid gaat uit naar diegenen die zich hebben verwikkeld in hun verdorven hartstochten en beweren verbonden te zijn met het Geloof van God, de Genadige, de Algeprezene.

Het betaamt het volk van Bahá der wereld en al wat daarin is af te sterven, zo onthecht te zijn van alle aardse dingen dat de bewoners van het Paradijs de welriekende geur van heiligheid van hun gewaad kunnen inademen, opdat alle volkeren der aarde van hun gelaat de glans van de Albarmhartige mogen herkennen en door hen de tekenen en de bewijzen van God, de Almachtige, de Alwijze, alom worden verspreid. Degenen die de schone naam van de Zaak Gods hebben bezoedeld door de vleselijke dingen na te jagen - zij dwalen ontwijfelbaar.


XLVII. O Joden! Als het uw voornemen is Jezus, de Geest van God, wederom te kruisigen, doodt Mij dan, want Hij is weer in Mijn persoon aan u geopenbaard. Handelt met Mij zoals gij wilt, want Ik heb plechtig beloofd Mijn leven te geven in het pad van God. Ik zal geen mens vrezen, al zouden de machten van hemel en aarde zich tegen Mij verbinden. Volgelingen van het Evangelie! Als gij de wens koestert Muhammad, de Apostel van God, te doden, grijpt Mij en maakt een einde aan Mijn leven, want Ik ben Hem en Mijn wezen is Zijn wezen. Doet met Mij wat u wilt, want het diepste verlangen van Mijn hart is de tegenwoordigheid te bereiken van Mijn Meest Geliefde in Zijn Koninkrijk van Heerlijkheid. Dit is het goddelijke gebod, zo gij het wist. Volgelingen van Muhammad! Indien het uw wens is met pijlen de borst van Hem die Zijn Boek, de Bayán, tot u deed neerzenden te doorzeven, slaat dan de hand aan Mij en vervolgt Mij, want Ik ben Zijn Welbeminde, de openbaring van Zijn eigen Zelf, alhoewel Mijn naam niet Zijn naam is. Ik ben gekomen in de schaduw der wolken van heerlijkheid, en Ik ben door God met onoverwinnelijke soevereiniteit bekleed. Waarlijk, Hij is de Waarheid, de Kenner van het ongeziene. Waarlijk, Ik verwacht van u de behandeling welke gij Hem die voor Mij is gekomen hebt gegeven. Hiervan getuigen, waarlijk, alle dingen, indien gij behoort tot diegenen die luisteren. O volk van de Bayán! Indien gij besloten hebt het bloed te vergieten van Hem wiens komst de Báb heeft verkondigd, wiens komst Muhammad heeft voorzegd, en wiens openbaring Jezus Christus Zelf heeft aangekondigd, aanschouwt Mij, bereid en weerloos voor u staande. Handelt met Mij, zoals gij zelf wilt.
XLVIII. God is mij tot getuige! Ware het niet in strijd met hetgeen de Tafelen Gods hebben bevolen, dan zou Ik gaarne de handen hebben gekust van een ieder die poogde Mijn bloed te vergieten in het pad van de Welbeminde. Bovendien zou Ik hem een deel schenken van de aardse goederen die God Mij heeft veroorloofd te bezitten, alhoewel hij die deze daad beging de toorn van de Almachtige zou hebben opgewekt, zich Zijn vervloeking op de hals zou halen, en hebben verdiend te worden gefolterd in alle eeuwigheid Gods, de Albezittende, de Rechtvaardige, de Alwijze.

XLIX. Weet voorwaar dat steeds, wanneer deze Jongeling Zijn ogen op Zijn eigen zelf richt, Hij dit de meest onbeduidende van de gehele schepping vindt. Wanneer Hij, evenwel, de schitterende pracht beschouwt die Hij gemachtigd is te openbaren, zie, dan wordt dit zelf voor Hem herschapen in een soevereine Macht die het wezen aller zichtbare en onzichtbare dingen doordringt. Verheerlijkt zij Hij Die door de kracht der waarheid, de Openbaring van Zijn eigen Zelf heeft neergezonden en Hem Zijn boodschap voor de gehele mensheid heeft toevertrouwd.
L. Ontwaakt, O gij achtelozen, uit de sluimer van uw onachtzaamheid, opdat gij de uitstraling die Zijn heerlijkheid over de wereld heeft verspreid, moogt aanschouwen. Hoe dwaas zijn zij die morren over de vroegtijdige geboorte van Zijn licht. O gij die innerlijk blind zijt. Of het nu te vroeg is of te laat, de tekenen van Zijn stralende heerlijkheid zijn nu werkelijk zichtbaar. Het betaamt u, u ervan te vergewissen of zulk een licht al dan niet is verschenen. Het ligt noch in uw macht, noch in de mijne het tijdstip te bepalen waarop het moet worden geopenbaard. Gods ondoorgrondelijke Wijsheid heeft vooraf dit uur vastgesteld. Weest tevreden, O mensen, met datgene wat God voor u heeft gewenst en voor u heeft voorbeschikt…. O gij die Mij kwaad toewensen! De Dagster van eeuwige Leiding zij mijn getuige: Had het in mijn macht gelegen, dan zou ik er onder geen enkele omstandigheid in hebben toegestemd mij onder de mensen te onderscheiden, want de Naam die ik draag acht het verre beneden zich omgang te hebben met deze generatie, wier tong bezoedeld en wier hart vals is. En steeds wanneer ik verkoos te zwijgen en mij stil te houden, zie, dan wekte de stem van de Heilige Geest, staande aan mijn rechterhand, mij op, en de allerhoogste Geest verscheen voor mijn aangezicht, Gabriël beschutte mij en de Geest van Heerlijkheid roerde in mijn borst, gebood mij op te staan en mijn zwijgen te verbreken. Wanneer uw gehoor is gezuiverd en uw oren aandachtig luisteren, zult gij zekerlijk bemerken dat alle ledematen van mijn lichaam, ja zelfs alle atomen van mijn wezen, uitdrukkelijk getuigen van deze roep: "God, buiten Wie er geen ander God is, en Hij Wiens schoonheid nu is geopenbaard, is de weerspiegeling van Zijn heerlijkheid voor allen die in de hemel en op aarde zijn".
LI. O mensen! Ik zweer bij de ene ware God! Dit is de Oceaan waaruit alle zeeën zijn voortgekomen en waarmede al deze zeeën uiteindelijk zullen worden verenigd. Uit Hem zijn alle Zonnen voortgekomen en tot Hem zullen zij allen wederkeren. Door Zijn macht hebben de Bomen van goddelijke Openbaring hun vruchten voortgebracht, waarvan een ieder werd neergezonden in de vorm van een Profeet die een Boodschap met zich bracht voor Gods schepselen in elk der werelden, wier aantal God alleen in Zijn alomvattende Kennis kan tellen. Dit heeft Hij tot stand gebracht door middel van slechts één Letter van Zijn Woord, door Zijn Pen geopenbaard - een Pen die bewogen wordt door Zijn besturende Vinger - en Zijn Vinger zelf wordt geschraagd door de kracht van Gods Waarheid.
LII. Zeg, O mensen! Onttrekt u niet aan de genade van God en Zijn barmhartigheid. Al wie zich daaraan onttrekt, lijdt met recht een zwaar verlies. Wel dan, O mensen! Aanbidt gij het stof en keert gij u af van uw Heer, de Genadige, de Almilddadige? Vreest God en behoort niet tot hen die vergaan. Zeg: Het Boek Gods werd neergezonden in de gedaante van deze Jongeling. Geheiligd derhalve zij God, de meest voortreffelijke aller makers! Weest goed op uw hoede, O volkeren der wereld, dat gij niet vlucht voor Zijn aangezicht. Ja, haast u om Zijn tegenwoordigheid te bereiken en behoort tot hen die tot Hem zijn teruggekeerd. Bidt om vergiffenis, o mensen, vanwege het falen in uw plicht jegens God, en te hebben gezondigd tegen Zijn Zaak, en behoort niet tot de dwazen. Hij is het Die u geschapen heeft; Hij is het Die uw ziel heeft gevoed door middel van Zijn Zaak, en u in staat heeft gesteld Hem te erkennen die de Almachtige, de Verhevenste, de Alwetende is. Hij is het Die voor uw ogen de schatten van Zijn kennis heeft ontsluierd, en u deed opstijgen naar de hemel van zekerheid - de zekerheid van Zijn onweerstaanbaar, Zijn onweerlegbaar, en meest verheven Geloof. Hoedt u, dat gij uzelf niet de genade Gods ontneemt, dat gij uw werken niet te gronde richt en gij de waarheid niet verwerpt van deze meest duidelijke, deze verheven, deze schitterende en glorierijke Openbaring. Beoordeelt de Zaak van God, uw Schepper, eerlijk en aanschouwt hetgeen is neergezonden vanuit de Troon in den hoge, en overdenkt dit met een schuldeloos en geheiligd hart. Dan zal de waarheid dezer Zaak u even duidelijk zijn als de zon in zijn middagluister. Dan zult gij tot hen behoren die in Hem hebben geloofd.

Zeg: Het eerste en voornaamste bewijs dat Zijn waarheid bevestigt is Zijn eigen Zelf. Na dit bewijs komt Zijn Openbaring. Want voor een ieder die faalt, hetzij het ene of het andere te erkennen, heeft Hij de woorden vastgelegd welke Hij als bewijs van Zijn werkelijkheid en waarheid heeft geopenbaard. Dit is, waarlijk, een teken van Zijn liefdevolle barmhartigheid jegens de mensen. Hij heeft ieder mens begiftigd met het vermogen de tekenen Gods te erkennen. Hoe zou Hij anders Zijn getuigenis voor de mensen kunnen waarmaken, zo gij tot hen behoort die Zijn Zaak in hun hart overwegen. Hij zal nooit iemand onrechtvaardig behandelen en evenmin zal Hij een mens boven zijn kracht beproeven. Hij is, waarlijk, de Meedogende, de Albarmhartige.

Zeg: Zo groot is de heerlijkheid van de Zaak Gods dat zelfs de blinden het kunnen waarnemen, hoeveel te meer diegenen wier blik scherp en wier visie zuiver is. De blinden, alhoewel niet in staat het licht van de zon waar te nemen, kunnen niettemin zijn voortdurende warmte ervaren. De blinden van hart onder het volk van de Bayán - en hiertoe is God Mijn getuige - zijn evenwel niet bij machte, hoe lang de zon ook op hen moge schijnen, zijn stralen noch zijn heerlijkheid waar te nemen, of de warmte van zijn stralen te waarderen.

Zeg: O volk van de Bayán! Wij hebben u op aarde uitverkoren om Ons Zelf te kennen en te erkennen. Wij deden u de rechterzijde van het Paradijs naderen - de Plek van waaruit het onblusbare vuur in menigvuldige klanken uitroept: "Er is geen ander God buiten Mij, de Almogende, de Hoogste! " Neemt u in acht dat gij uzelf niet als door een sluier laat buitensluiten van deze Dagster welke schijnt boven de dageraad van de Wil van uw Heer, de Albarmhartige, en wier licht zowel de onaanzienlijke als de voorname mensen omgeeft. Zuivert uw blik, opdat gij zijn luister met uw eigen ogen moge aanschouwen, en verlaat u niet op de ogen van een ander, behalve uzelf, want God belast geen mens ooit boven zijn kracht. Aldus werd het neergezonden tot de Profeten en Boodschappers van weleer en opgetekend in alle Geschriften.

Spant u in, o mensen, toegelaten te worden tot deze onmetelijke Oneindigheid, waarvoor God begin noch einde heeft bepaald, waarin Zijn stem zich verhief en waarover de zoete geuren van heiligheid en heerlijkheid werden verspreid. Ontdoet u niet van het Gewaad van grootheid en laat niet toe dat uw hart verstoken blijft van het gedenken van uw Heer, of uw oren van het luisteren naar de lieflijke melodieën van Zijn wondere, Zijn verheven, Zijn allesbedwingende, Zijn heldere en meest welsprekende stem.
LIII. O Nasír, o Mijn dienaar! God, de eeuwige Waarheid is Mij tot getuige. De hemelse Jongeling heeft in deze Dag de glorierijke Kelk van Onsterfelijkheid geheven boven de hoofden der mensen, en staat verwachtingsvol op Zijn zetel, zich afvragend wie Zijn heerlijkheid zal erkennen, en welke arm zich zonder aarzelen zal uitstrekken om de Beker uit Zijn sneeuwwitte Hand te grijpen en te ledigen. Slechts enkelen hebben tot nu toe volop gedronken van deze weergaloze, deze zachtstromende genade van de Aloude Koning. Zij bewonen de verhevenste verblijven van het Paradijs en zijn hecht gevestigd op de zetels van gezag. Bij de rechtvaardigheid Gods! Noch de spiegels van Zijn heerlijkheid, noch de onthullers van Zijn namen, noch enig geschapen ding dat er ooit bestond of zal bestaan, kan hen ooit overtreffen, indien gij behoort tot hen die deze waarheid verstaan.

O Nasír! De voortreffelijkheid van deze Dag is onmetelijk verheven boven het bevattingsvermogen der mensen, hoe omvangrijk hun kennis en hoe diepgaand hun begrip ook is. Hoeveel te meer moet het de verbeeldingskracht te boven gaan van hen die van zijn licht zijn afgedwaald en van zijn luister zijn buitengesloten! Zoudt gij de dichte sluier die uw blik verblindt, vaneenscheuren, dan zoudt gij zulk een milddadigheid waarnemen waarmee niets kan worden vergeleken of geëvenaard vanaf het begin dat geen begin heeft tot het einde dat geen einde heeft. Welke taal zou Hij die de Spreekbuis is van God verkiezen te spreken, opdat zij die als door een sluier van Hem zijn buitengesloten Zijn heerlijkheid kunnen erkennen? De rechtschapenen - de bewoners van het Koninkrijk in den hoge - zullen volop drinken van de Wijn van Heiligheid in Mijn naam, de Alglorierijke. Niemand anders dan zij zullen zulke gunsten deelachtig zijn.


LIV. Bij de rechtvaardigheid van God, mijn Welbeminde! Ik heb nooit gestreefd naar werelds leiderschap. Mijn enig doel was om aan de mensen over te brengen hetgeen God, de Genadige, de Onvergelijkelijke Mij gebood over te brengen, zodat het hen vrij kan maken van alles wat tot deze wereld behoort en hen tot zulke hoogten kan voeren als noch de kwaadwilligen zich kunnen indenken noch de weerspanningen zich kunnen voorstellen.
LV. O, Land van Tá (Tihrán), roep u de eerste dagen in het geheugen, toen uw Heer u tot de zetel van Zijn troon maakte, en u omgaf met de pracht van Zijn heerlijkheid. Hoe enorm groot was het aantal geheiligde wezens, die symbolen van zekerheid die, in hun grote liefde voor u, hun leven en hun hele bezit prijsgaven om uwentwille! Vreugde zij met u en gelukzalig zij die in u verblijven. Ik getuig dat uit u zoals ieder onderscheidend hart weet, de levende ademtocht uitgaat van Hem die het Verlangen is van de wereld. In u is de Ongeziene onthuld en van u is uitgegaan wat verborgen lag voor de ogen der mensen. Wie zullen Wij gedenken uit de menigten van hen die u oprecht liefhebben, wier bloed binnen uw poorten is vergoten en wier stoffelijke resten nu onder uw aarde zijn verborgen? De zoete geuren Gods hebben onafgebroken over u gezweefd, en zullen eeuwigdurend blijven zweven over u. Onze Pen wordt ingegeven u te gedenken en de slachtoffers van tirannie - de mannen en vrouwen die onder uw stof rusten - te verheerlijken.

Onder hen is Onze eigen zuster, die Wij thans in Onze herinnering roepen als een teken van Onze trouw en een bewijs van Onze goedertierenheid jegens haar. Hoe beklagenswaardig was haar toestand! Met welk een overgave keerde zij terug tot haar God! Alleen Wij, in Onze alomvattende kennis, hebben dit geweten.

O Land van Tá! Door de genade Gods zijt gij nog steeds een middelpunt waar Zijn geliefden samenkomen. Gelukkig zijn zij; gelukkig iedere vluchteling die uw beschutting zoekt in zijn lijden op de weg van God, de Heer van deze wondere Dag! Gezegend zijn zij die de ene, ware God gedenken, die Zijn Naam verheerlijken en onverdroten trachten Zijn Zaak te dienen. Naar juist deze mensen hebben de heilige Boeken van weleer verwezen. De Aanvoerder der Gelovigen heeft hen hooglijk geprezen met te zeggen: "De gelukzaligheid die hen wacht, overtreft de gelukzaligheid die Wij nu genieten". Hij, waarlijk, sprak de waarheid en hiervan getuigen Wij nu. De luister van hun staat is echter vooralsnog niet onthuld. De Hand van goddelijke kracht zal zekerlijk de sluier oplichten en aan 's mensen oog onthullen hetgeen het oog van de wereld zal verblijden en verhelderen.

Betuig uw dank aan God, de Eeuwige Waarheid, verheven zij Zijn glorie, aangezien u zulk een wondere gunst is geworden en gij getooid zijt met het sieraad van Zijn lof. Waardeer de waarde van deze dagen en blijf trouw aan al wat passend is in deze Openbaring. Hij, waarlijk, is de Raadgever, de Meedogende, de Alwetende.


LVI. Laat niets u bedroeven, O Land van Tá16, want God heeft u verkozen om de bron te zijn van de vreugde van de gehele mensheid. Hij zal, indien het Zijn Wil is, uw troon zegenen met iemand die met rechtvaardigheid zal heersen, die de kudde Gods welke door de wolven is verstrooid, bijeen zal brengen. Zulk een heerser zal met vreugde en blijdschap zijn gelaat naar het volk van Bahá keren en het zijn gunsten verlenen. Hij wordt in Gods ogen werkelijk beschouwd als een juweel onder de mensen. Op hem ruste voor immer de heerlijkheid Gods en de heerlijkheid van allen die in het koninkrijk van Zijn openbaring verwijlen.

Verheug u met grote vreugde, want God heeft u gemaakt tot "de dageraad van Zijn licht", aangezien in u de Manifestatie van Zijn Heerlijkheid werd geboren. Verheug u over deze naam die u is gegeven - een naam waardoor de dagster van genade zijn glans heeft verspreid, waardoor hemel en aarde zijn verlicht.

Eerlang zal de toestand in uw stad veranderen en zullen de teugels van macht in handen van het volk komen. Waarlijk, uw Heer is de Alwetende. Zijn gezag omvat alle dingen. Wees vol vertrouwen in de genadige gunst van uw Heer. Het oog van Zijn goedertierenheid zal eeuwig op u zijn gericht. De dag nadert waarop uw onrust tot vrede en rust zal zijn omgevormd. Aldus is het verordend in het wondere Boek.
LVII. Wanneer gij vertrokken zijt uit de hof van Mijn aanwezigheid, o Muhammad, richt dan uw schreden naar Mijn Huis (Baghdád Huis), en bezoek het namens uw Heer. Wanneer gij de deur bereikt, ga er dan voor staan en zeg: Waarheen is de Aloude Schoonheid gegaan, o verhevenste Huis Gods, Hij, door wie God u tot leidstar heeft gemaakt van een wereld die U aanbidt en u uitriep het teken te zijn van het Hem gedenken voor allen die in de hemelen en voor allen die op aarde zijn? O! Hoe anders dan in vroeger dagen, toen gij, o Huis van God, Zijn voetbank werd, de dagen toen de zoete klanken van de Albarmhartige in onafgebroken melodieën uit u stroomden! Wat is er geworden van uw kleinood waarvan de heerlijkheid de gehele schepping heeft bestraald? Waar zijn de dagen gebleven waarin Hij, de Aloude Koning, u tot troon van Zijn heerlijkheid heeft gemaakt, de dagen waarin Hij u alleen had uitverkoren tot de lamp van verlossing tussen hemel en aarde, en u, in de morgenstond en in de avondstond, de zoete geuren van de Alglorierijke liet verspreiden?

Waar, o Huis van God, is de Zon van majesteit en kracht die u had omgeven met de glans van Zijn tegenwoordigheid? Waar is Hij, de Dageraad van de liefderijke barmhartigheid van uw Heer, de Onbeperkte, die Zijn zetel had gevestigd binnen uw muren? O, troon van God, wat heeft uw aanblik veranderd, en uw zuilen doen beven? Wat kon uw deur hebben gesloten voor de ogen van hen die u vurig zoeken? Wat heeft u zo troosteloos gemaakt? Is u misschien meegedeeld, dat de Beminde der wereld door het zwaard van Zijn vijanden wordt achtervolgd? De Heer zegene u en zegene uw trouw jegens Hem, aangezien gij Zijn metgezel zijt gebleven door al Zijn verdriet en Zijn lijden heen.

Ik getuig dat gij het toneel zijt van Zijn allesovertreffende heerlijkheid, Zijn heiligste woning. Van u is de Ademtocht van de Alglorierijke uitgegaan, een Ademtocht die over al het geschapene is heengestreken en het gemoed van de toegewijden die in de verblijven van het Paradijs wonen met vreugde heeft vervuld. De Schare in den hoge en zij die de Steden der Namen Gods bewonen, bewenen u, en weeklagen over de dingen die u zijn overkomen.

Gij zijt nog steeds het symbool van de namen en hoedanigheden van de Almachtige, het Punt waarnaar de ogen van de Heer van hemel en aarde zijn gericht. U is overkomen wat de Ark is overkomen waarin God de belofte van zekerheid doet wonen. Wel zal het hem gaan die de bedoeling van deze woorden begrijpt en het doel van Hem, Die de Heer der gehele schepping is, erkent.

Gelukkig zijn degenen die uit u de zoete geuren van de Barmhartige inademen, die uw verheerlijking erkennen, die uw heiligheid beschermen en die te allen tijde uw staat eerbiedigen. Wij smeken de Almachtige te geven dat de ogen van degenen die zich van u hebben afgekeerd en in gebreke bleven u naar waarde te schatten, mogen worden geopend, zodat zij u waarlijk zullen erkennen, Hem die door de macht der waarheid u hoog heeft verheven. Zij zijn met recht blind aangaande u, en zich van u volkomen niet bewust in deze dag. Uw Heer is, waarlijk, de Genadige, de Vergevende.

Ik getuig dat God door u het hart van Zijn dienaren op de proef heeft gesteld. Gezegend de mens die zijn schreden naar u richt en u bezoekt. Wee hem die uw recht ontkent, die zich afkeert van u, die uw naam onteert en uw heiligheid ontwijdt.

Treur niet, o Huis Gods, als de sluier van uw heiligheid zou worden vaneengescheurd door de ongelovigen. In de wereld der schepping heeft God u getooid met het kleinood van het Hem gedenken. Zulk een sieraad kan geen mens ooit ontwijden. Op u zullen de ogen van uw Heer, onder alle omstandigheden, gericht blijven. Hij, waarlijk, zal Zijn oor neigen naar het gebed van een ieder die u bezoekt, die rond u gaat en Hem in uw naam aanroept. Hij, waarlijk, is de Vergevende, de Albarmhartige.

Ik smeek U, o mijn God, bij dit Huis dat zulk een verandering heeft ondergaan in het gescheiden zijn van U, dat weeklaagt over het ver verwijderd zijn van U en weent over Uw beproeving, om mij en mijn ouders en mijn verwanten, en degenen onder mijn broeders die in U hebben geloofd, vergiffenis te schenken. Sta toe dat in al mijn noden wordt voldaan door Uw milddadigheid, o Gij Die de Koning van Namen zijt. Gij zijt de Milddadigste der milddadigen, de Heer aller werelden.


LVIII. Haal u weer voor de geest wat in het eerste jaar van Onze verbanning naar het Land van Mysterie (Adrianopel) geopenbaard is aan Mihdí, Onze dienaar. Hem hebben wij voorspeld hetgeen Ons Huis (in Baghdád) in de komende tijd moest overkomen, opdat hij niet zou treuren over de plunderingen en gewelddaden die er reeds tegen zijn bedreven. Waarlijk, de Heer, uw God kent al wat in de hemelen en al wat op aarde is.

Hem hebben Wij geschreven: Dit is niet de eerste vernedering die Mijn Huis heeft ondergaan. In vervlogen dagen heeft de onderdrukker het met smaad overladen. Waarlijk, het zal in de naaste toekomst dermate vernederd worden dat het de tranen zal doen vloeien uit ieder scherpziend oog. Aldus hebben Wij u dingen onthuld, verborgen achter de sluier en ondoorgrondelijk voor allen buiten God, de Almachtige, de Algeprezene. In de volheid der tijden zal de Heer het, door de macht der waarheid, verheerlijken ten aanschouwen van alle mensen. Hij zal maken dat het de Standaard wordt van Zijn Koninkrijk, het Heiligdom waaromheen de schare der gelovigen zal gaan. Aldus sprak de Heer, uw God, voordat de dag van weeklagen aanbreekt. Dit hebben Wij u onthuld in Onze heilige Tafel, opdat gij niet bedroefd zijt over hetgeen Ons Huis is overkomen door de aanvallen van de vijand. Alle lof zij God, de Alwetende, de Alwijze.


LIX. Ieder onbevooroordeeld waarnemer zal geredelijk toegeven dat, vanaf de dageraad van Zijn Openbaring, deze Verguisde steeds de gehele mensheid heeft genood zich te keren tot de Dageraad van Heerlijkheid, en omkoopbaarheid, haat, onderdrukking en verdorvenheid heeft verboden. En toch, aanschouwt wat de hand van de onderdrukker heeft bedreven. Geen pen heeft de vermetelheid zijn tirannie te beschrijven. Hoewel het doel van Hem Die de eeuwige Waarheid is is om alle mensen eeuwigdurend leven te schenken en hun zekerheid en vrede te waarborgen, getuigt nu hoe zij zijn opgestaan om het bloed van Zijn geliefden te vergieten, en over Hem het doodvonnis hebben uitgesproken.

De aanzetters tot deze onderdrukking zijn dezelfde personen die, ofschoon zij zo dwaas zijn, de naam hebben de wijsten onder de wijzen te zijn. Zo groot is hun blindheid dat zij, met grimmige strengheid, in deze versterkte, kwellende Gevangenis Hem hebben geworpen, voor de dienaren van Wiens Drempel de wereld is geschapen. De Almachtige echter heeft - ondanks hen en degenen die de waarheid van deze "Grote Aankondiging" hebben verworpen - dit Gevangenishuis herschapen in het Verhevenste Paradijs, de Hemel der Hemelen.

Wij weigerden geen stoffelijke weldaden die Onze kwellingen konden verlichten. Een ieder van Onze metgezellen zal evenwel getuigen dat Ons gewijde hof geheiligd is van dergelijke stoffelijke weldaden en er ver boven staat. Zolang Wij in deze Gevangenis waren opgesloten, hebben wij niettemin die dingen aanvaard waarvan de ongelovigen Ons trachtten te beroven. Zou iemand bereid worden gevonden om in Onze naam een gebouw uit zuiver goud of zilver op te richten of een huis, versierd met edelstenen van onschatbare waarde, dan zou zulk een wens zonder twijfel worden ingewilligd. Hij, waarlijk, doet wat Hij wil, en beveelt wat Hem behaagt. Bovendien is goedkeuring verleend aan een ieder die over de lengte en breedte van dit land statige, indrukwekkende bouwwerken wenst op te richten, en de rijke en gewijde landstreken die grenzen aan de Jordaan en omgeving, zou willen opdragen ter aanbidding en dienst aan de ene ware God, verheerlijkt zij Zijn glorie, opdat de voorspellingen die de Pen van de Allerhoogste heeft opgetekend in de heilige Geschriften mogen worden vervuld, en hetgeen God, de Heer aller werelden, ten doel stelde in deze verhevenste, heiligste, machtige en wondere Openbaring, zichtbaar zal worden.

Van oudsher hebben Wij de volgende woorden gesproken: Spreid uw rok uit, o Jeruzalem! Overdenkt dit in uw hart, o volk van Bahá, en betuigt dank aan uw Heer, de Uitlegger, de Kenbaarste.

Zouden de mysteriën die aan niemand buiten God bekend zijn, worden ontrafeld, dan zou de gehele mensheid getuige zijn van de bewijzen van een voortreffelijke en volmaakte gerechtigheid. Met een zekerheid die niemand kan betwijfelen, zouden alle mensen zich houden aan Zijn geboden en deze nauwgezet nakomen. Wij, waarlijk, hebben in Ons Boek een rijke en overvloedige beloning verordend voor een ieder die zich afkeert van ondeugd om een kuis en godvruchtig leven te leiden. Hij, in waarheid, is de Grote Gever, de Almilddadige.
LX. Mijn gevangenschap kan over Mij geen schande brengen. Bij Mijn leven, ja zelfs verleent ze Mij glorie. Wat Mij wel met schaamte kan vervullen is het gedrag van degenen onder Mijn volgelingen die beweren Mij lief te hebben doch in werkelijkheid de Boze volgen. Zij behoren waarlijk tot de verlorenen.

Toen de tijd die was vastgesteld voor deze Openbaring was voleindigd, en Hij die de Dagster is van de wereld in 'Iráq verscheen, gebood Hij Zijn volgelingen datgene in acht te nemen wat hen zou zuiveren van alle aardse smetten. Sommigen verkozen de begeerten van een verdorven neiging te volgen, terwijl anderen de weg van rechtschapenheid en waarheid bewandelden, en goed werden geleid.

Zeg: degene die zijn wereldse begeerten volgt of zijn hart zet op aardse dingen, wordt niet gerekend tot het volk van Bahá. Mijn ware volgeling is degene die, wanneer hij bij een vallei uit zuiver goud komt, er recht doorheen zal gaan als een overdrijvende wolk, zonder zich om te keren of stil te staan. Zulk een mens is voorzeker van Mij. Van zijn gewaad kan de Schare in den hoge de geur van heiligheid inademen. En zou hij de mooiste en bevalligste vrouw ontmoeten, dan zou geen spoor van begeerte naar haar schoonheid zijn hart in verleiding brengen. Zo iemand is met recht de schepping van smetteloze kuisheid. Aldus onderricht u de Pen van de Aloude der Dagen gelijk bevolen door uw Heer, de Almachtige, de Almilddadige.
LXI. De wereld bevindt zich in barensnood en haar onrust groeit van dag tot dag. Haar gezicht is naar eigenzinnigheid en ongeloof gekeerd. Haar toestand zal zo benard worden, dat het niet juist en passend zou zijn deze nu te onthullen. Haar verdorvenheid zal lang aanhouden. En wanneer het vastgestelde uur aanbreekt, zal plotseling datgene verschijnen wat de ledematen der mensheid zal doen beven. Dan, en slechts dan, zal het goddelijke Vaandel worden ontplooid en zal de Nachtegaal van het Paradijs zijn melodie zingen.
LXII. Roep u Mijn verdriet, Mijn zorgen en kommer, Mijn leed en beproevingen, de toestand van Mijn gevangenschap, de tranen die Ik heb gestort, de bitterheid van Mijn smart, en thans Mijn gevangenschap in dit verre land, voor de geest. God, o Mustafá, is Mijn getuige. Had men u kunnen vertellen wat de Aloude Schoonheid is overkomen, dan zoudt gij de wildernis in vluchten, en luide wenen. In uw smart zoudt gij uzelf voor het hoofd slaan, en het uitschreeuwen als iemand die door een adder wordt gebeten. Wees dankbaar jegens God, dat Wij hebben geweigerd u de geheimen te onthullen van de onnaspeurlijke bevelen die tot Ons zijn neergezonden uit de hemel van de Wil van uw Heer, de Krachtigste, de Almachtige.

Bij de rechtvaardigheid Gods! Iedere ochtend, wanneer Ik opstond van Mijn bed, ontdekte Ik de talloze beproevingen die zich in dichte drommen achter Mijn deur bevonden, en iedere nacht, als Ik Mij had neergelegd, zie! dan werd Mijn hart verscheurd van folterende pijn om wat het had geleden van de demonische wreedheid van zijn vijanden. Ieder stuk brood dat de Aloude Schoonheid breekt gaat samen met de aanval van een nieuwe beproeving, en iedere druppel die Hij drinkt is vermengd met de bitterheid van de meest rampzalige bezoeking. Bij iedere stap die Hij doet, wordt Hij voorafgegaan door een heir van onvoorziene rampspoeden, terwijl een legioen van hartverscheurend leed Hem op de voet volgt.

Van dien aard is Mijn benarde toestand, zoudt gij het slechts in uw hart overwegen. Laat uw ziel echter niet bedroefd zijn over hetgeen God deed neerdalen op Ons. Dompel uw wil in Zijn behagen, want Wij hebben nimmer ook maar iets anders gewenst behalve Zijn Wil en elk Zijner onherroepelijke bevelen welkom geheten. Laat uw hart geduldig zijn en wees niet ontmoedigd. Volg niet de wegen van hen die zo zeer verontrust zijn.
LXIII. O gij wiens gelaat naar Mij is gekeerd! Zodra uw ogen vanuit de verte Mijn geboortestad (Tihrán) aanschouwen, ga dan staan en zeg: O, Land van Tá, Ik ben vanuit de Gevangenis tot u gekomen met tijdingen van God, de Helper in nood, de Bij-Zich-Bestaande. Ik verkondig u de tedere barmhartigheid van uw Heer, o moeder van de wereld en bron van licht voor al haar volkeren, en groet u in de naam van Hem Die de eeuwige Waarheid, en de Kenner van ongeziene dingen is. Ik getuig dat Hij die de verborgen Naam is in u werd geopenbaard, en de ongeziene Schat te voorschijn kwam. Door u is het geheim aller dingen van het verleden en van de toekomst onthuld.

O, Land van Tá! Hij Die de Heer van Namen is, gedenkt u in Zijn glorierijke staat. Gij waart de Dageraad van de Zaak Gods, de bron van Zijn openbaring, de manifestatie van Zijn Grootste Naam - een Naam die de harten en zielen der mensen deed beven. Hoe enorm groot is het aantal mannen en vrouwen, de slachtoffers van tirannie, die binnen uw muren hun leven hebben gegeven in het pad Gods, of in uw aarde zijn begraven met zulk een wreedheid dat daardoor iedere geëerde dienaar van God hun ellendig einde beweent.


LXIV. Wij wensen het Verblijf van de hoogste gelukzaligheid (Tihrán) te gedenken, de heilige, schitterende stad waarin de geur van de Welbeminde is uitgestort, waarin Zijn tekenen wijd en zijd zijn verspreid, waarin de bewijzen van Zijn heerlijkheid zijn geopenbaard waarin Zijn vaandels zijn geplant, waarin Zijn tabernakel is opgericht, waarin elk Zijner wijze besluiten bekend is gemaakt.

Het is de stad waarin de zoete geuren van hereniging zich hebben verspreid, waardoor de oprechte geliefden Gods Hem naderbij kwamen en toegang verkregen tot het Verblijf van heiligheid en schoonheid. Gelukkig de reiziger die zijn schreden richt naar deze stad, die daarin wordt toegelaten en de wijn van hereniging met volle teugen drinkt door de uitstorting van genade van zijn Heer, de Genadige, de Alomgeprezene.

O, land van de hartewens, Ik ben tot u gekomen met tijdingen van God, en verkondig u Zijn genadige gunst en barmhartigheid, en groet en verheerlijk u in Zijn naam. Hij, in waarheid, is oneindig milddadig en goed. Gezegend de mens die het gelaat naar u wendt, die van u de geur ontwaart van de Tegenwoordigheid Gods, de Heer aller werelden. Zijn heerlijkheid ruste op u, en de glans van Zijn licht moge u omgeven, aangezien God u tot een paradijs heeft gemaakt voor Zijn dienaren, en heeft verkondigd dat gij het gezegende en heilige land zult zijn waarvan Hij Zelf melding maakte in de Boeken die Zijn Profeten en Boodschappers hebben geopenbaard.

Door u, o land van schitterende luister, is het vaandel "Er is geen ander God dan Hij" ontplooid, en de vlag "Waarlijk, Ik ben de Waarheid, de Kenner van het ongeziene" gehesen. Het betaamt een ieder die u bezoekt trots te zijn op u en op hen die u bewonen, die voortgesproten zijn uit Mijn Boom, die hiervan de bladeren zijn, die de tekenen zijn van Mijn heerlijkheid, die Mij volgen en Mij beminnen, en die met de grootste vastberadenheid hun gelaat hebben gekeerd in de richting van Mijn glorierijke plaats.


LXV. Gedenk Uw aankomst in de Stad (Constantinopel), toen de ministers van de sultan dachten dat Gij niet bekend waart met hun wetten en voorschriften, en geloofden dat Gij tot de onwetenden behoorde. Zeg: Ja, bij Mijn Heer! Ik ben onbekend met alles, behalve met hetgeen God behaagde Mij, in Zijn milddadige genade, te onderrichten. Hiervan getuigen Wij voorzeker en bekennen dit zonder aarzelen.

Zeg: Wanneer de wetten en voorschriften die gij aanhangt door uzelf zijn gemaakt, zullen Wij ze geenszins nakomen. Aldus is Mij voorgeschreven door Hem Die de Alwijze, de Albezieler is. Dit was Mijn handelwijze in het verleden en zo zal het blijven in de toekomst met de kracht van God en Zijn macht. Dit is, voorwaar, de ware en juiste weg. Werden ze door God verordineerd, toon dan uw bewijzen, indien gij behoort tot hen die de waarheid spreken. Zeg: Wij hebben alles wat zij U ten laste hebben gelegd en alles wat zij U hebben aangedaan, opgetekend in een Boek dat het werk van geen mens, hoe onbetekenend ook, onvermeld laat.

Zeg: O, ministers van staat, het betaamt u de voorschriften Gods na te komen en uw eigen wetten en voorschriften niet te achten, en te behoren tot hen die goed worden geleid. Dit is beter voor u dan alles wat gij bezit, wist gij het slechts. Indien gij de geboden van God overtreedt, zal geen tittel of jota van al uw werken aanvaardbaar zijn in Zijn ogen. Eerlang zult gij de gevolgen ontdekken van hetgeen gij in dit nutteloze leven hebt gedaan, en ervoor vergolden worden. Dit, waarlijk, is de waarheid, de ontwijfelbare waarheid.

Hoe groot is het aantal dergenen die in voorbije tijden de dingen bedreven die gij hebt bedreven en die, hoewel zij boven u stonden in rang, tenslotte tot stof zijn wedergekeerd en tot onvermijdelijke ondergang zijn gedoemd! Hoe wenste Ik dat gij de Zaak Gods in uw hart zou overwegen! Gij zult hun voetstappen drukken en genoodzaakt worden een verblijf binnen te gaan waar niemand te vinden is om u te beschermen of bij te staan. Gij zult, in waarheid, naar uw doen en laten worden gevraagd, ter verantwoording worden geroepen voor het verzaken van uw plicht jegens de Zaak Gods en het hooghartig afwijzen van Zijn geliefden die volkomen oprecht tot u kwamen.

Gij zijt het die zich gezamenlijk beraden hebt over hen, gij die er de voorkeur aan hebt gegeven de ingevingen van uw eigen begeerten te volgen en de geboden van God, de Helper in nood, de Almachtige, hebt verzaakt.

Zeg: Wat! Houdt gij u vast aan uw eigen bedenksels en verwerpt de voorschriften van God? Gij, waarlijk, hebt uzelf en anderen onrecht aangedaan. Hoe wenste ik dat gij het zoudt inzien! Zeg: Indien uw reglementen en beginselen op rechtvaardigheid zouden berusten, waarom volgt gij dan degenen die het eens zijn met uw verdorven neigingen en verwerpt die welke in strijd zijn met uw begeerten? Met welk recht maakt gij er dan aanspraak op een rechtvaardig oordeel te vellen onder de mensen? Zijn uw reglementen en beginselen van dien aard dat deze de vervolging van Hem die, op uw verzoek, voor u is verschenen, rechtvaardigen, evenals uw verwerping van Hem en het Hem dagelijks doen ondergaan van smartelijk onrecht? Heeft Hij u ooit, al was het maar één ogenblik, niet gehoorzaamd? Alle inwoners van 'Iráq en behalve zij, iedere aandachtige waarnemer zullen getuigen van de waarheid van Mijn woorden.

Weest rechtvaardig in uw oordeel, o gij ministers van staat! Wat hebben Wij bedreven dat Onze verbanning zou kunnen rechtvaardigen? Welke overtreding wettigt Onze verdrijving? Wij zijn het die u hebben opgezocht en toch, ziet hoe gij hebt geweigerd Ons te ontvangen! Bij God! Wat gij hebt begaan is een zwaar onrecht - een onrecht dat met geen enkel aards onrecht kan worden gemeten. Hiervoor is de Almachtige Zelf getuige .....

Weet, dat de wereld en haar ijdelheden en verfraaiingen zullen verdwijnen. Niets zal blijven bestaan, behalve Gods Koninkrijk dat toebehoort aan Hem alleen, de soevereine Heer van allen, de Helper-in-Nood, de Alglorierijke, de Almachtige. De dagen uws leven zullen voorbijglijden, en alle dingen waarmee gij u bezighoudt en waarop gij u beroemt, zullen vergaan, en gij zult voorzeker worden opgeroepen door een stoet van Zijn engelen om te verschijnen op de plek waar de ledematen van de gehele schepping zullen beven en iedere onderdrukker zal sidderen. Gij zult worden gevraagd naar de dingen die uw handen hebben bedreven in geheel uw ijdele leven, en zult worden beloond voor uw daden. Dit is de dag die u onvermijdelijk zal overvallen, het uur dat niemand terug kan zetten. Hiervan heeft de Tong van Hem die de waarheid spreekt en de Kenner is van alle dingen, getuigd.


LXVI. Vreest God, gij ingezetenen van de Stad (Constantinopel), en zaait niet het zaad van tweedracht onder de mensen. Bewandelt niet de wegen van de Boze. Bewandelt gij lieden de wegen van de ene ware God in de weinige resterende dagen uws leven. Uw dagen zullen voorbijgaan gelijk de dagen van hen die voor u waren. Tot stof zult gij wederkeren, evenals uw vaderen van weleer!

Weet dat Ik voor niemand bevreesd ben buiten God. Op Hem alleen heb Ik Mijn vertrouwen gesteld; niemand anders zal Ik trouw blijven dan Hem en verlang naar niets anders dan hetgeen Hij voor Mij wenst. Dit, voorwaar, is Mijn hartewens, wist gij het slechts. Ik heb Mijn lichaam en Mijn ziel ten offer opgedragen aan God, de Heer aller werelden. Al wie God heeft gekend zal niemand anders kennen dan Hem, en degene die God vreest, zal voor niemand bevreesd zijn buiten Hem, al zouden de machten der gehele aarde zich tegen hem opstellen. Ik spreek niet dan op Zijn bevel en volg slechts - door de kracht van God en Zijn macht - Zijn waarheid. Hij, waarlijk, zal de waarheidlievenden belonen.

Verhaal, o Dienaar, de dingen die Gij zag ten tijde van Uw aankomst in de Stad, opdat Uw getuigenis blijft bestaan onder de mensen en als een waarschuwing dient voor hen die geloven. Bij Onze aankomst in de Stad bevonden Wij dat de gezagsdragers en vroede vaderen als kinderen bij elkaar zaten en zich met klei vermaakten. Wij ontdekten niemand, volwassen genoeg om van Ons de waarheden te ontvangen die God Ons had onderricht, en evenmin rijp genoeg voor Onze wondere woorden van wijsheid. Ons innerlijk oog weende bitter over hen en hun overtredingen en hun volkomen loochening van datgene waarvoor zij waren geschapen. Dit hebben Wij waargenomen in die Stad, en hebben Wij uitgekozen om in Ons Boek neer te schrijven, opdat het moge dienen als een waarschuwing voor hen en voor de overige mensheid.

Zeg: Indien gij zoekers zijt naar dit leven en de ijdelheden ervan, dan had gij ze moeten zoeken zolang gij nog in de moederschoot waart, want toen naderde gij ze gestadig, zo gij het slechts kon bevatten. Anderzijds zijt gij u - sinds gij werd geboren en uw volwassenheid bereikte langzaam maar zeker gaan terugtrekken van de wereld en het stof gaan naderen. Waarom dan zulk een hebzucht in het ophopen van aardse schatten, wanneer uw dagen zijn geteld en uw kansen nagenoeg verloren zijn? O, achtelozen, wilt gij dan niet uw sluimer van u afschudden?

Neigt uw oor naar de raadgevingen die deze Dienaar u geeft omwille van God. Hij, waarlijk, vraagt geen beloning van u en heeft zich overgegeven aan hetgeen God voor Hem heeft beschikt, en heeft zich geheel onderworpen aan Gods Wil.

De dagen uws levens zijn weldra verlopen, o mensen, en uw einde nadert snel. Zet de dingen die gij hebt bedacht en waaraan gij u vasthoudt, van u af en houdt u stevig vast aan de voorschriften Gods, opdat gij wellicht datgene moogt geworden wat Hij voor u heeft bestemd, en behoort tot hen die een juiste koers volgen. Schept geen behagen in de dingen van de wereld en haar nutteloze versiersels en verwacht er evenmin iets van. Stelt uw vertrouwen in het gedenken van God, de Verhevenste, de Grootste. Eerlang zal Hij alles wat gij bezit teniet doen gaan. Laat Hij uw vreze zijn, vergeet niet Zijn verbond met u en behoort niet tot hen die als door een sluier zijn afgesloten van Hem.

Hoedt u dat gij niet zwelt van trots jegens God en Zijn geliefden minachtend afwijst. Onderwerpt u nederig aan de gelovigen - zij die in God en in Zijn tekenen geloven, wier harten getuigen van Zijn eenheid, wier tongen Zijn eenzijn verkondigen en die niet spreken dan met Zijn verlof. Aldus vermanen Wij u met rechtvaardigheid en waarschuwen u naar waarheid, opdat gij mogelijkerwijs zult ontwaken.

Legt op geen mens een last die gij niet zelf opgelegd wilt hebben en wenst niemand datgene toe wat gij niet voor uzelf zoudt wensen. Dit is Mijn eerste raad aan u, zoudt gij het slechts opvolgen.

Respecteert de geestelijken en de geleerden onder u, zij wier gedrag overeenstemt met hun beroep, die de grenzen die God heeft vastgelegd niet overschrijden, wier oordeel overeenkomt met Zijn opdrachten, gelijk geopenbaard in Zijn Boek. Weet dat zij de lampen van leiding zijn voor hen die in de hemelen en op aarde zijn. Zij die de geestelijken en geleerden welke onder hen wonen, geringschatten en negeren - deze mensen hebben waarlijk de gunst waarmee God hen heeft begunstigd, veranderd.

Zeg: Wacht tot God Zijn gunst jegens u zal veranderen. Niets, wat dan ook, ontgaat Hem. Hij kent de geheimen van de hemelen en de aarde. Zijn kennis omvat alle dingen. Verheugt u niet over hetgeen gij hebt gedaan of in de toekomst zult doen, en verblijdt u evenmin over de beproeving waarmee gij Ons hebt gekweld, want met dergelijke middelen kunt gij uw staat niet verhogen, zo gij uw werken met een scherp inzicht zoudt onderzoeken. Evenmin zult gij afbreuk kunnen doen aan de verhevenheid van Onze rang. Ja, God zal zelfs de beloning waarmee Hij Ons zal belonen, vergroten voor het oneindige geduld waarmee Wij de ondergane beproevingen hebben gedragen. Hij, waarlijk, zal de beloning van hen die geduldig verdragen, vergroten.

Weet, dat sinds onheuglijke tijden beproevingen en leed het lot zijn van de Uitverkorenen Gods en Zijn geliefden, en van diegenen Zijner dienaren die onthecht zijn aan alles buiten Hem, zij die noch door koopwaar noch door handel worden weerhouden de Almachtige te gedenken, zij die niet spreken totdat Hij heeft gesproken en handelen overeenkomstig Zijn gebod. Dit is de wijze waarop God werkt, en zo zal het blijven. Gezegend zij die standvastig volharden, die geduldig zijn onder rampen en ontberingen, die geheel niet klagen over hetgeen hun overkomt en die de weg van berusting gaan.....

De dag nadert dat God een volk zal doen opstaan dat Onze dagen in herinnering zal roepen, dat de geschiedenis van Onze beproevingen zal verhalen, dat herstel van Onze rechten zal eisen van hen die Ons zonder het geringste bewijs met duidelijke onrechtvaardigheid hebben behandeld. God, voorzeker, heerst over de levens van hen die Ons onrecht hebben aangedaan, en is zeer wel op de hoogte van hun daden. Hij zal hen zekerlijk aangrijpen voor hun zonden. Hij, waarlijk, is de meest geduchte wreker.

Aldus hebben Wij voor u de geschiedenis van de ene ware God omstandig vermeld, en de dingen die Hij vooraf beschikte, tot u gezonden, zodat gij Hem wellicht om vergeving zult vragen, tot Hem terug zult keren, waarachtig berouw zult hebben, gij uw wandaden zult realiseren, uw sluimer van u af zult schudden, zult ontwaken uit uw achteloosheid boete zult doen voor de dingen die u zijn ontgaan en behoren tot hen die goed doen. Laat hij die dat wil de waarheid van Mijn woorden erkennen, en wat hem aangaat die dit niet wil, laat hij zich afkeren. Mijn enige plicht is u te herinneren aan uw plichtsverzuim jegens de Zaak Gods, indien gij mogelijkerwijs behoort tot hen die acht slaan op Mijn waarschuwing. Luistert daarom naar Mijn woorden en keert u weder tot God en hebt berouw, opdat Hij, door Zijn genade, u genadig moge zijn, uw zonden zal uitwissen en uw overtredingen vergeven. De grootheid van Zijn barmhartigheid overtreft de heftigheid van Zijn gramschap, en Zijn genade omvat allen die hetzij in het verleden of in de toekomst het aanzijn is gegeven en bekleed zijn met het gewaad des levens.
LXVII. In deze Openbaring is verschenen, wat nooit eerder is verschenen. Wat de ongelovigen aangaat die getuige waren van hetgeen is geopenbaard, zij morren en zeggen: "Waarlijk, dit is een tovenaar die een leugen heeft verzonnen over God". Zij zijn waarlijk een verworpen volk.

O, Pen van de Aloude der Dagen, deel de natiën de dingen die in 'Iráq hebben plaatsgevonden nauwkeurig mede. Verhaal hun van de boodschapper die de gezamenlijke geestelijken van dat land hadden afgevaardigd om Ons te ontmoeten en die, toen hij Onze aanwezigheid bereikte, Ons over bepaalde wetenschappen vroeg, en die Wij krachtens de kennis die Wij van nature bezitten, beantwoordden. Uw Heer is, waarlijk, de Kenner van ongeziene dingen. "Wij getuigen", zei hij, "dat de kennis die Gij bezit van dien aard is dat geen mens hiermee kan wedijveren. Een dergelijke kennis is echter onvoldoende om de verheven rang die de mensen u toeschrijven, te rechtvaardigen. Zo Gij de waarheid spreekt, breng dan teweeg hetgeen de gezamenlijke krachten der volkeren op aarde niet bij machte zijn teweeg te brengen". Aldus was onherroepelijk beslist in de hof van de tegenwoordigheid van uw Heer, de Alglorierijke, de Liefderijke.

"Getuig! Wat ziet gij?" Hij was met stomheid geslagen. En toen hij weer tot zichzelf kwam, zei hij: "Ik geloof waarlijk in God, de Alglorierijke, de Alomgeprezene". "Ga naar de mensen toe, en zeg hun: 'Vraag alles wat gij maar wilt. Machtig is Hij te doen wat Hij wil. Volstrekt niets, hetzij van verleden of toekomst, kan Zijn Wil verhinderen'. Zeg: 'O gezamenlijke geestelijken! Kiest wat gij maar wenst, en vraagt uw Heer, de God van Barmhartigheid, het u te openbaren. Zo Hij uw wens vervult, krachtens Zijn soevereiniteit, gelooft dan in Hem en behoort niet tot hen die Zijn waarheid verwerpen"'. "De dageraad van begrip is nu aangebroken", zei hij, "en het getuigenis van de Albarmhartige is in vervulling gegaan". Hij stond op en keerde terug naar hen die hem hadden gezonden, op het bevel van God, de Alglorierijke, de Welbeminde.

Dagen gingen voorbij, en hij kwam niet naar Ons terug. Tenslotte kwam er een andere boodschapper die Ons meedeelde dat de mensen hadden opgegeven wat zij aanvankelijk voornemens waren. Zij zijn met recht een verachtelijk volk. Dit vond plaats in 'Iráq, en Ikzelf ben getuige van hetgeen Ik bekend maak. Dit gebeuren werd ruchtbaar gemaakt, maar toch werd er niemand gevonden die de betekenis ervan begreep. Aldus hebben Wij bepaald. Hoe wenste Ik dat gij dit wist!

Bij Mijzelf! Al wie in voorbije tijden Ons vroeg de tekenen Gods te tonen, heeft zodra Wij hem deze onthulden, de waarheid Gods afgewezen. De mensen zijn evenwel grotendeels achteloos gebleven. Zij wier ogen zijn verlicht met het licht van begrip, zullen de zoete geuren van de Albarmhartige waarnemen en zullen Zijn waarheid omhelzen. Zij zijn degenen die waarlijk oprecht zijn.
LXVIII. O gij die de vrucht zijt van Mijn Boom en het blad ervan! Op u ruste Mijn heerlijkheid en Mijn barmhartigheid. Laat uw hart niet bedroefd zijn over hetgeen u is overkomen. Zoudt gij de bladzijden van het Boek des Levens nauwkeurig onderzoeken, dan zoudt gij voorzeker datgene ontdekken wat uw verdriet zou verdrijven en uw zieleangst zou doen verdwijnen.

Weet, o vrucht van Mijn Boom, dat de geboden van de soevereine Bestierder, met betrekking tot noodlot en voorbeschikking, van tweeërlei aard zijn. Beide moeten worden gehoorzaamd en aanvaard. Het ene is onherroepelijk, het andere, - in menselijke bewoordingen - is een dreiging. Aan het eerste moeten allen zich onvoorwaardelijk onderwerpen, aangezien het volkomen vaststaat. God is evenwel bij machte het te veranderen of te herroepen. Daar het kwaad dat uit zo'n verandering kan voortkomen groter zal zijn dan wanneer het gebod onveranderd was gebleven, daarom moeten allen gewillig berusten in hetgeen God heeft gewild en er zich vol vertrouwen aan onderwerpen.

Het dreigende noodlot is echter van dien aard dat gebed en smeekbede dit kan afwenden.

God geve dat gij die de vrucht zijt van Mijn Boom en zij die zijn verbonden met u, beschermd mogen zijn tegen de kwade gevolgen ervan.

Zeg: o God, mijn God! Gij hebt aan mijn handen een pand van U toevertrouwd en hebt het thans naar Uw Wil en welbehagen tot U teruggeroepen. Het staat niet aan mij, Uw dienares, om te zeggen: vanwaar komt dit tot mij of waarom is dit geschied, daar Gij verheerlijkt zijt in al Uw daden en Uw gebod gehoorzaamd moet worden. Uw dienstmaagd, o mijn Heer, heeft haar hoop gevestigd op Uw genade en milddadigheid. Vergun haar dat zij verkrijge hetgeen haar U zal doen naderen en haar in elk Uwer werelden zal baten. Gij zijt de Vergevende, de Almilddadige. Er is geen ander God dan Gij, de Bestierder, de Eeuwige.

Verleen Uw zegeningen, o Heer mijn God, aan hen die volop hebben gedronken van de wijn van Uw liefde voor de ogen der mensen en, ondanks Uw vijanden, Uw eenheid hebben erkend, van Uw eenzijn hebben getuigd en hun geloof beleden in datgene wat de ledematen van de onderdrukkers onder Uw schepselen deed beven en de hoogmoedigen der wereld deed sidderen. Ik getuig dat Uw Soevereiniteit nimmer voorbij kan gaan en Uw Wil nooit zal veranderen. Beschik voor hen die hun gelaat naar U hebben gekeerd, en voor Uw dienstmaagden die zich aan Uw Koord hebben vastgehouden, datgene wat de Oceaan van Uw milddadigheid en de Hemel van Uw genade betaamt.

Gij zijt Degeen, o God, Die Zichzelf bekend heeft gemaakt als de Heer van Rijkdom en allen die Hem dienen, gekenschetst als arm en behoeftig. Evenals Gij hebt geschreven: "O, gij die geloven! Gij zijt slechts behoeftigen die God van node hebben; maar God is de Albezitter, de Alomgeprezene". Laat mij niet verstoken blijven van de luister van Uw rijkdommen, nu ik mijn armoede heb ingezien en Uw rijkdom heb erkend. Gij zijt, waarlijk, de hoogste Beschermer, de Alwetende, de Alwijze.
LXIX. Roep u het gedrag in herinnering van Ashraf's moeder, wier zoon zijn leven gaf in het Land van Zá (Zanján). Hij bevindt zich voorzeker in het verblijf van waarheid, in de tegenwoordigheid van Eén Die de Krachtigste, de Almachtige is.

Toen de ongelovigen ten onrechte besloten hem ter dood te brengen, lieten zij zijn moeder oppakken, zodat zij hem misschien kon vermanen en hem bewegen zijn geloof te herroepen om in de voetstappen te treden van hen die de waarheid van God, de Heer aller werelden, hebben verloochend.

Nauwelijks zag zij het gelaat van haar zoon of zij sprak woorden tot hem die het hart van de geliefden Gods en daarenboven de Schare in den hoge het gekweld deed uitschreeuwen van diepe smart. Waarlijk, uw Heer weet wat Ik zeg. Hij Zelf getuigt van Mijn woorden.

En zij richtte zich tot hem en sprak: "Mijn zoon, mijn eigen zoon! Verzuim niet uzelf te offeren in het pad van uw Heer. Wees op uw hoede dat gij niet uw geloof verraadt in Hem voor Wiens aanschijn allen die in de hemelen en allen die op aarde zijn zich in aanbidding hebben neergebogen. Ga recht op uw doel af, o mijn zoon, en volhard in het pad van de Heer, uw God. Haast u de tegenwoordigheid te bereiken van Hem Die de Welbeminde aller werelden is".

Op haar rusten Mijn zegeningen en Mijn genade en Mijn lof en Mijn luister. Ikzelf zal het verlies van haar zoon goedmaken - een zoon die nu verblijft in het tabernakel van Mijn majesteit en heerlijkheid, en wiens gelaat straalt met een licht dat met zijn luister de maagden des Hemels in hun hemelse vertrekken omgeeft, en daarenboven de bewoners van Mijn Paradijs en de inwoners van de Steden van Heiligheid. Zou enig oog aandachtig naar zijn gelaat opzien, dan zou het uitroepen: "Zie, deze is geen ander dan een nobele engel!"


1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14


Dovnload 0.66 Mb.