Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh

Dovnload 0.66 Mb.

Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá'u'lláh



Pagina9/14
Datum05.12.2018
Grootte0.66 Mb.

Dovnload 0.66 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14

CXI. O strijdende volkeren en geslachten der aarde! Keert uw gelaat naar eenheid en laat de luister van haar licht u beschijnen. Komt bijeen en besluit, ter wille van God, al wat een bron van strijd onder u is, uit te roeien. Dan zal de pracht van 's werelds verheven Hemellicht de gehele aarde omvatten, en zullen haar burgers bewoners worden van één stad, en op één en dezelfde troon zetelen. Deze Verguisde heeft vanaf Zijn prille jeugd geen ander verlangen gekoesterd dan dit, en zal ook geen andere wens dan deze blijven koesteren. Er kan geen enkele twijfel over bestaan dat alle mensen ter wereld, tot welk ras of welke godsdienst zij ook behoren, hun bezieling putten uit één hemelse Bron en de onderdanen zijn van één God. Het verschil tussen de voorschriften waaronder zij leven moet worden toegeschreven aan de wisselende vereisten en behoeften van de tijd waarin deze werden geopenbaard. Deze werden uitgezonderd enkele voorschriften die voortvloeien uit 's mensen verdorvenheid - door God beschikt en zijn een afspiegeling van Zijn Wil en Plan. Verheft u en verbrijzelt, gewapend met de kracht van geloof, de goden van uw ijdele verbeelding die verdeeldheid onder u zaaien. Houdt u vast aan hetgeen u nader tot elkander brengt en u verenigt. Dit is waarlijk het meest verheven woord dat het Moederboek tot u heeft neergezonden en geopenbaard. Hiervan getuigt de Tong van Grootheid vanuit Zijn verblijfplaats van heerlijkheid.
CXII. Aanschouwt de rampen die vele jaren lang de aarde hebben geteisterd, en de verwarring die zich van haar volkeren heeft meester gemaakt. De aarde is òf door oorlog verwoest òf door plotselinge, onvoorziene rampen bezocht. Ofschoon de wereld omringd is door ellende en smart, heeft toch geen mens erbij stilgestaan wat daarvan de oorzaak of oorsprong kan zijn. Steeds wanneer de ware Raadgever een vermanend woord sprak, ziet, dan veroordeelden allen Hem als een aanstichter van onheil en verwierpen Zijn aanspraak. Hoe verbijsterend en beschamend is een dergelijk gedrag! Geen twee mensen zijn er te vinden waarvan gezegd kan worden dat zij uiterlijk en innerlijk een eenheid zijn. De bewijzen van tweedracht en haat zijn overal zichtbaar, hoewel allen werden geschapen voor harmonie en eenheid. Het Verheven Wezen zegt: O welbeminden! Het tabernakel van eenheid is opgericht; beschouwt elkander niet als vreemden. Gij zijt de vruchten van één boom en de bladeren van één tak. Wij koesteren de hoop dat het licht van gerechtigheid zal schijnen op de wereld en haar zal zuiveren van tirannie. Als de heersers en koningen der aarde - de zinnebeelden van de macht van God, verheven zij Zijn glorie - opstaan en besluiten zich te wijden aan alles wat de hoogste belangen van de gehele mensheid zal bevorderen, dan zal voorzeker gerechtigheid gaan heersen onder de mensenkinderen, en de pracht van haar licht de gehele aarde omgeven. Het Verheven Wezen zegt: Het bouwwerk van wereldstabiliteit en orde is gebouwd op de twee pilaren van beloning en straf, en deze zullen het blijven schragen.... Op een andere plaats heeft Hij geschreven: Neemt u in acht, o schare van heersers der wereld! Er is geen kracht op aarde die de overwinningskracht, de kracht van gerechtigheid en wijsheid kan evenaren.... Gezegend de koning die marcheert met het ontplooide vaandel van wijsheid voor zich uit, en de bataljons van gerechtigheid in de achterhoede. Hij, waarlijk, is het sieraad dat het voorhoofd van vrede en het aangezicht van veiligheid tooit. Er kan geen twijfel over bestaan dat, wanneer de dagster van gerechtigheid die door de wolken van tirannie is verduisterd haar licht zou werpen op de mensen, het aanschijn der aarde volledig zou worden veranderd.
CXIII. Meent gij, o minister van de Sháh van de Stad (Constantinopel), dat Ik de uiteindelijke bestemming van de Zaak van God in Mijn handen houd? Denkt gij dat Mijn gevangenschap, of de schande die Ik had te ondergaan, of zelfs Mijn dood en totale vernietiging, haar koers kan ombuigen? Wat gij u hebt verbeeld is jammerlijk. Gij behoort met recht tot hen die de ijdele voorstellingen welke hun hart verzint, nalopen. Geen God is er buiten Hem. Machtig is Hij Zijn Zaak te openbaren, Zijn getuigenis te verheerlijken, alles naar Zijn Wil in te stellen en het tot zo'n hoge plaats te verheffen dat noch uw eigen handen noch de handen van hen die zich van Hem hebben afgekeerd, het ooit kunnen aanraken of schade toebrengen.

Gelooft ge dat gij de macht bezit Zijn Wil te verijdelen, Hem te beletten Zijn vonnis te voltrekken of Hem er van af te houden Zijn heerschappij uit te oefenen? Neen, bij Hem Die de eeuwige Waarheid is! Niets, wat dan ook, in de gehele schepping, kan Zijn Plan tegenwerken. Werpt daarom de ijdele inbeelding die gij volgt, van u, want louter inbeelding kan nooit de plaats innemen van waarheid. Behoor tot hen die waarlijk berouw hebben en wederkeren tot God, de God Die u heeft geschapen, Die u heeft gevoed en u minister maakte onder hen die uw geloof belijden.

Weet bovendien, dat Hij op Zijn eigen bevel alles wat in de hemelen en alles wat op aarde is, heeft geschapen. Hoe kan dan het ding dat bij Zijn gebod is geschapen op Hem de overhand hebben? God is hoog verheven boven hetgeen gij u voorstelt over Hem, gij boosaardig volk! Als deze Zaak van God is, kan geen mens erover zegevieren; en als dit niet van God is, zullen er voorzeker voldoende godgeleerden onder u zijn, zij die hun verderfelijke begeerten volgen benevens degenen die tegen Hem in opstand kwamen om deze Zaak te overweldigen.

Hebt gij niet vernomen wat een man, een gelovige, uit het geslacht van Farao, in vroeger tijden heeft gezegd, en wat God heeft verhaald aan Zijn Apostel, die Hij heeft verkozen boven alle mensen, Zijn Boodschap heeft toevertrouwd en de bron heeft gemaakt van Zijn barmhartigheid voor allen die op aarde wonen? Hij zeide, en Hij, waarlijk, spreekt de waarheid: "Wilt gij een man doden omdat hij zegt, mijn Heer is God, wanneer hij reeds tot u gekomen is met bewijzen van zijn zending? Als hij een leugenaar zou zijn, zal op hem zijn leugen rusten, maar is hij een man van de waarheid, dan zal op zijn minst een deel van hetgeen waarmede hij dreigt op u neerkomen". Dit heeft God geopenbaard aan Zijn Welbeminde in Zijn onfeilbaar Boek.

En niettemin hebt gij gefaald uw oor te neigen naar Zijn gebod, hebt gij Zijn wet veronachtzaamd, Zijn raad, gelijk opgetekend in Zijn Boek, afgewezen en hebt behoord tot hen die ver zijn afgedwaald van Hem. Hoe velen zijn jaar in jaar uit door uw toedoen ter dood gebracht. Hoe talrijk zijn de onrechtvaardigheden die gij hebt bedreven - onrechtvaardigheden die het oog der schepping nog nooit heeft aanschouwd, en geen geschiedschrijver ooit heeft vermeld! Hoe talrijk de pasgeborenen en de zuigelingen die tot wees werden gemaakt, en vaders die hun zonen verloren door uw wreedheid, o gij onrechtplegers! Hoe dikwijls heeft een zuster gerouwd om haar broer en is weggekwijnd, en hoe dikwijls heeft een vrouw geweeklaagd over haar echtgenoot en enige steun!

Uw onrechtvaardigheid nam meer en meer toe, totdat gij Hem doodde die nooit Zijn oog heeft afgehouden van het gelaat van God, de Verhevenste, de Grootste. Hoe wenste Ik dat gij Hem ter dood had gebracht op de wijze waarop mensen gewend zijn elkaar te doden! Gij doodde Hem evenwel onder omstandigheden zoals geen mens ooit heeft aanschouwd. De hemelen weenden bitter over Hem en de zielen van hen die God nabij zijn, schreeuwden het uit vanwege Zijn kwelling. Was Hij niet een Telg uit het aloude Huis van uw Profeet? Had Zijn faam als rechtstreekse afstammeling van de Apostel zich niet wijd en zijd onder u verspreid? Waarom bracht gij Hem toe wat geen mens, hoever gij ook terugkijkt, een ander heeft toegebracht? Bij God! Het oog der schepping heeft nooit iets dergelijks als u aanschouwd. Gij doodde Hem die een Telg is uit het Huis van uw Profeet, en vermaakt u en maakt u vrolijk, gezeten op uw zetel van eer! Gij uit uw verwensingen tegen hen die voor u waren en die hebben bedreven hetgeen gij hebt bedreven, en gij blijft u steeds onbewust van uw gruweldaden!

Wees eerlijk in uw oordeel. Hebben zij die gij vervloekt, voor wie gij het kwade oproept, anders gehandeld dan u? Hebben zij niet de afstammeling van hun Profeet gedood, zoals gij de afstammeling van de uwe hebt gedood? Is uw gedrag niet gelijk aan hun gedrag? Waarom beweert gij dan anders te zijn dan zij, o gij tweedrachtzaaiers onder de mensen?

En toen gij Hem het leven ontnam, stond één Zijner volgelingen op om Zijn dood te wreken. Hij was een onbekende en het plan dat hij had opgevat werd door niemand opgemerkt. Tenslotte beging hij wat vooraf was beschikt. Het betaamt u derhalve op geen ander dan uzelf blaam te werpen voor de dingen die gij hebt begaan, zo gij slechts eerlijk zijt in uw oordeel. Wie is er op aarde die heeft gedaan hetgeen gij deed? Niemand, bij Hem Die de Heer aller werelden is!

Alle koningen en heersers der aarde eerbiedigen en vereren de afstammelingen van hun Profeten en heiligen, zoudt gij dit slechts begrijpen. Anderzijds zijt gij verantwoordelijk voor daden zoals geen mens ooit heeft begaan. Uw wandaden hebben ieder begrijpend hart doen verteren van smart. En toch bleeft gij verzonken in uw achteloosheid, en bleeft in gebreke de verdorvenheid van uw daden te beseffen.

Gij hebt volhard in uw eigenzinnigheid tot gij tegen Ons opstond, hoewel Wij niets hadden begaan om uw vijandschap te rechtvaardigen. Zijt gij niet bevreesd voor God Die u heeft geschapen en gevormd, en door Wien gij uw kracht hebt gekregen, en u heeft verbonden met hen die zich aan Hem hebben onderworpen (de Moslims)? Hoe lang zult gij in uw eigenzinnigheid volharden? Hoe lang nog zult gij weigeren u te bezinnen? Hoe lang nog eer gij uw onachtzaamheid van u afschudt en wordt wakker geschud uit uw achteloosheid? Hoe lang nog zult gij onwetend blijven van de waarheid?

Overdenk het in uw hart. Zijt gij er, ondanks uw gedrag en de dingen die gij teweeg hebt gebracht, in geslaagd het vuur van God te blussen of het licht van Zijn Openbaring te doven - een licht dat met zijn helderheid hen heeft omgeven die zijn ondergedompeld in de golvende oceanen van onsterfelijkheid, en de ziel heeft aangetrokken van hen die waarlijk in Zijn eenheid geloven en deze hooghouden? Weet gij niet dat de Hand van God boven uw handen is, dat Zijn onherroepelijk Bevel al uw listen en lagen ver te boven gaat, dat Hij oppermachtig is boven Zijn dienaren, dat Hij berekend is voor Zijn doel, dat Hij doet wat Hij wenst, dat Hem niet naar Zijn Wil zal worden gevraagd, dat Hij beschikt wat Hem behaagt, dat Hij de Krachtigste, de Almachtige is? Als gij gelooft dat dit de waarheid is, waarom houdt gij dan niet op moeilijkheden te veroorzaken en tevreden te zijn met uzelf?

Gij begaat iedere dag een nieuw onrecht, en behandelt Mij zoals ge Mij in voorbije tijden hebt behandeld, hoewel Ik nooit een poging deed Mij in uw zaken te mengen. Nimmer heb Ik Mij tegen u verzet noch ben Ik in opstand gekomen tegen uw wetten. Ziet, hoe gij Mij tenslotte gevangen hebt gezet in dit verre land! Weet evenwel voorzeker, dat al wat uw handen of de handen der ongelovigen teweeg hebben gebracht nooit, evenmin als in vroeger tijden, de Zaak Gods of Zijn wegen kunnen veranderen.

Slaat acht op Mijn waarschuwing, gij volk van Perzië! Als gij de hand aan Mij zoudt slaan, zal God zekerlijk iemand doen opstaan die de plaats zal innemen welke open kwam door Mijn dood, want zo is Gods handelwijze vanouds geweest, en in Gods wijze van handelen kunt gij geen verandering bespeuren. Tracht gij Gods licht dat op Zijn aarde schijnt te doven? God is afkerig van hetgeen gij begeert. Hij zal Zijn licht vervolmaken, ofschoon gij het diep in uw hart verfoeit.

Denk een ogenblik rustig na, o minister, en wees eerlijk in uw oordeel. Wat hebben Wij begaan dat u bij het najagen van uw begeerten zou kunnen rechtvaardigen Ons bij de ministers van de koning te belasteren, door de waarheid te verdraaien en uw lasteringen tegen Ons uit te spreken? Wij hebben u slechts ontmoet in het huis van uw vader in de tijd dat het martelaarschap van Imam Husayn werd herdacht. Bij die gelegenheden kreeg niemand de kans zijn inzichten en geloofsovertuiging in een gemeenschappelijk gesprek bekend te maken. Gij zult getuigen van de waarheid van Mijn woorden, indien gij waarheidlievend zijt. Ik heb geen andere bijeenkomsten bijgewoond waarin gij of een ander achter Mijn gedachten had kunnen komen. Hoe kon gij dan uw vonnis tegen Mij uitspreken, als gij Mijn getuigenis niet uit Mijn eigen mond hebt gehoord? Hebt gij niet gehoord wat God, verheven zij Zijn glorie, heeft gezegd: "Zeg niet tot eenieder die u groet: "gij zijt geen gelovige". "Stoot niet degenen af die in de ochtend en in de avond hun Heer aanroepen in het vurige verlangen Zijn gelaat te aanschouwen". Gij hebt waarlijk verzaakt hetgeen het Boek Gods heeft voorgeschreven, en toch acht gij u een gelovige!

Ondanks hetgeen gij hebt gedaan, koester Ik - en hiertoe is God Mijn getuige - geen wrok tegen u of enig ander mens, ofschoon gij en anderen Ons zoveel kwaad berokkenen als geen gelovige in de eenheid van God kan verduren. Mijn zaak heeft niemand anders dan God in handen, en Mijn vertrouwen is alleen in Hem. Weldra zullen uw dagen ten einde zijn, evenals de dagen van hen die zich met openlijke trots verheffen boven hun naaste. Spoedig zult gij allen verzameld zijn in de tegenwoordigheid van God, zal naar uw doen en laten worden gevraagd en zult gij worden beloond voor hetgeen uw handen hebben aangericht; rampzalig is de verblijfplaats der boosdoeners!

Bij God! Zoudt gij beseffen wat gij hebt gedaan, dan zoudt gij zekerlijk bitter wenen over uzelf, uw toevlucht zoeken bij God, en al de dagen van uw leven treuren en wegkwijnen, tot God u zal hebben vergeven, want Hij, waarlijk, is de Edelmoedigste, de Almilddadige. Tot het uur van uw dood zult gij echter volharden in uw achteloosheid, aangezien gij u met heel uw hart, uw ziel en geheel uw wezen hebt beziggehouden met de ijdelheden der wereld. Na uw overlijden zult gij ontdekken wat Wij u hebben onthuld en al uw daden opgetekend vinden in het Boek waarin de werken van allen die op aarde wonen, ook al is het gewicht ervan groter of kleiner dan een atoom, zijn neergeschreven. Neem daarom Mijn raad ter harte en luister met uw hart naar wat Ik zeg, wees niet onverschillig voor Mijn woorden, en behoor niet tot hen die Mijn waarheid verwerpen. Beroem u niet op de dingen die u gegeven zijn. Houd voor ogen hetgeen geopenbaard werd in het Boek Gods, de Helper-in-Nood, de Alglorierijke: "En toen zij hun aanzeggingen hadden vergeten, openden Wij voor hen de poorten van alle dingen, "evenals Wij voor u en uws gelijke de poorten van deze aarde en haar tooi hebben geopend. Wacht daarom op wat in het laatste deel van dit heilige vers is beloofd, want dit is een belofte van Hem Die de Almachtige, de Alwijze is - een belofte die waar zal blijken te zijn.

Ik ken niet de weg die gij hebt gekozen en betreedt, o schare die Mij kwaadgezind is! Wij roepen u op tot God, Wij herinneren u aan Zijn Dag, Wij verkondigen u de tijding van uw hereniging met Hem, Wij brengen u nader tot Zijn hof en zenden de tekenen van Zijn wondere wijsheid tot u neer en toch, ziet hoe gij Ons verwerpt, hoe gij Ons veroordeelt als een ongelovige door de leugens die gij spreekt, hoe gij listen beraamt tegen Ons. En wanneer Wij u openbaren wat God Ons heeft geschonken door Zijn milddadige gunst, zegt gij: "Het is slechts toverij". Dezelfde woorden werden gesproken door de generaties voor u en Zij waren zoals u nu bent, kondet gij het slechts begrijpen. Daardoor hebt gij uzelf beroofd van de milddadigheid van God en van Zijn genade, en zult deze nooit verkrijgen tot aan de dag dat God tussen Ons en u zal hebben geoordeeld en Hij, waarlijk, is de beste aller Rechters.

Onder u zijn er die hebben gezegd: "Hij is het die er aanspraak op maakt God te zijn". Bij God! Dit is grove laster. Ik ben slechts een dienaar van God die in Hem en Zijn tekenen, in Zijn Profeten en Zijn engelen gelooft. Mijn tong en Mijn hart en Mijn gehele wezen getuigen dat er geen God is buiten Hem, dat alle anderen op Zijn bevel zijn geschapen, en gevormd door de werking van Zijn Wil. Er is geen ander God dan Hij, de Schepper, de Opwekker uit de dood, de Bezieler, de Doder. Ik ben Degeen die de gunsten waarmee God Mij door Zijn milddadigheid heeft bevoorrecht wijd en zijd bekend maakte. Als dat Mijn overtreding zou zijn, dan ben Ik, waarlijk, de eerste aller overtreders. Mijn verwanten en Ik zijn in uw macht. Doe zoals gij verkiest en behoor niet tot hen die aarzelen, opdat Ik kan terugkeren tot God, Mijn Heer, en de plaats bereiken waar Ik niet langer uw gezicht kan aanschouwen. Dit is voorwaar Mijn innigste wens, Mijn vurigste verlangen. God is waarlijk voldoende op de hoogte van Mijn toestand en is opmerkzaam.

Stelt u zich voor, o minister, dat gij onder Gods ogen zoudt zijn! Als gij Hem niet ziet, dan waarlijk ziet Hij u duidelijk. Bezie en beoordeel Onze Zaak eerlijk. Wat hebben Wij bedreven dat voor u aanleiding was tegen Ons op te staan en Ons te belasteren bij de mensen, indien gij behoort tot hen die rechtvaardig zijn? Wij vertrokken uit Tihrán op bevel van de koning en verplaatsten Ons verblijf met zijn welnemen naar 'Iráq. Als Ik tegen hem een overtreding had begaan waarom liet hij Mij dan vrij? En als Ik onschuldig ware, waarom kwelt gij Ons dan met zoveel rampspoed als geen mens die uw geloof belijdt heeft ondergaan? Was enige daad Mijnerzijds, na Mijn aankomst in 'Iráq, van dien aard dat deze het gezag van de regering ondermijnt? Van wie kan worden gezegd dat hij iets laakbaars heeft ontdekt in Ons gedrag? Informeer zelf bij het volk van 'Iráq, opdat gij moogt behoren tot hen die de waarheid hebben gezien.

Elf jaar lang hebben Wij in dat land gewoond, tot de minister kwam die uw regering vertegenwoordigt, iemand wiens naam Onze Pen verfoeit te noemen, die zich overgaf aan de wijn, die zijn lusten botvierde, euveldaden bedreef en 'Iráq neerhaalde. Hiervan zullen de meeste inwoners van Baghdád getuigen, zoudt gij bij hen informeren en tot hen behoren die de waarheid zoeken. Hij was het die ten onrechte het bezit van zijn medemensen in beslag nam, die alle geboden van God verloochende en zich bezondigde aan alles wat God verboden had. Zijn begeerten volgend stond hij tenslotte tegen Ons op, en bewandelde de wegen der onrechtvaardigen. In zijn brief aan u klaagde hij Ons aan, en gij geloofde hem en volgde hem na zonder enig bewijs of betrouwbaar getuigenis van hem te vragen. Gij vroegt niet om uitleg, noch hebt gij getracht de zaak te onderzoeken of u ervan op de hoogte te stellen, opdat in uw ogen de waarheid zou kunnen worden onderscheiden van de leugen, en uw inzicht helder zou zijn. Vindt voor uzelf uit wat voor soort mens hij was door navraag te doen bij de ministers die toen in 'Iráq waren, evenals bij de gouverneur van de Stad (Baghdád) en de hoogste rechter ervan, opdat gij de waarheid moogt inzien en tot de goed ingelichten moogt behoren.

God is Ons tot getuige! Onder geen omstandigheden hebben Wij Ons tegen hem of anderen verzet. Wij hebben steeds de voorschriften Gods in acht genomen, en hebben nooit behoord tot degenen die de wanordelijkheden hebben veroorzaakt. Hiervan legt hij zelf getuigenis af. Zijn bedoeling was Ons aan te grijpen en Ons terug te sturen naar Perzië, zodat hij daarmee zijn naam en faam zou kunnen verhogen. Gij hebt dezelfde misdaad begaan, en met hetzelfde doel. Toch zijn beide soortgelijk in de ogen van God, de soevereine Heer van allen, de Alwetende.

Het is niet Onze bedoeling deze woorden tot u te richten om de last van Onze smart te verlichten of u te bewegen voor Ons tussenbeide te komen bij enig mens. Neen, bij Hem Die de Heer aller werelden is! Wij hebben de gehele aangelegenheid aan u uiteengezet, opdat gij u wellicht moogt realiseren wat gij hebt gedaan, ervan moogt afzien anderen de pijn toe te brengen die gij Ons hebt toegebracht, en moogt behoren tot hen die waarlijk berouw tonen jegens God Die u en alle dingen schiep, en in de toekomst met inzicht moogt handelen. Dit is beter voor u dan alles wat gij bezit, dan uw ministerschap waarvan de dagen zijn geteld.

Hoedt u dat gij geen onrecht oogluikend toelaat. Richt u vastberaden op rechtvaardigheid, verander niet de Zaak van God en behoor tot hen wier ogen zijn gericht op de dingen die in Zijn Boek zijn geopenbaard. Volg onder geen enkele voorwaarde de inblazingen van uw snode begeerten. Houdt u aan de wet van God uw Heer, de Weldadige, de Aloude der Dagen. Gij zult zekerlijk tot stof wederkeren, en vergaan zoals alle dingen waarin gij behagen schept. Dit is hetgeen de Tong van waarheid en heerlijkheid heeft gesproken.

Herinnert gij u niet Gods waarschuwing uit voorbije tijden, opdat gij moogt behoren tot hen die Zijn waarschuwing ter harte nemen? Hij heeft gezegd, en Hij waarlijk spreekt de waarheid: "Uit haar (de aarde) hebben Wij u geschapen en tot haar doen Wij u wederkeren, en uit haar zullen Wij u ten tweede male voortbrengen". Dit is hetgeen God heeft beschikt voor allen, hoog of laag, die op aarde wonen. Het is derhalve onbetamelijk voor hem die uit stof werd geschapen, tot stof zal wederkeren en er weer uit wordt voortgebracht, van trots te zwellen voor God en voor Zijn geliefden, hooghartig op hen neer te zien, en vervuld te zijn van minachtende laatdunkendheid. Ja, veeleer betaamt het u en uws gelijken om u te onderwerpen aan hen die de Manifestaties zijn van de eenheid Gods, zich nederig te schikken naar de gelovigen, die alles ter wille van God hebben verzaakt, zich hebben onthecht van de dingen die 's mensen aandacht in beslag nemen en hen hebben doen afdwalen van het pad van God, de Alglorierijke, de Algeprezene. Aldus zenden Wij tot u neer hetgeen hen die al hun hoop en vertrouwen op hun Heer hebben gesteld zal baten.



CXIV. Luister, o koning (Sultán 'Abdu'l-Azíz), naar de woorden van Hem die de waarheid spreekt, Hij die u niet vraagt Hem te vergoeden hetgeen God u verkoos te schenken, Hij die zonder te falen het rechte Pad bewandelt. Hij is degene die u oproept tot God, uw Heer, Die u de juiste koers aangeeft - de weg die leidt naar waarachtig geluk, opdat gij wellicht moogt behoren tot hen die het goed zal gaan.

Hoedt u, o koning, dat gij geen ministers rond u verzamelt die de begeerten volgen van hun verdorven geneigdheid, die achter zich hebben geworpen wat aan hun handen was toevertrouwd en het gestelde vertrouwen openlijk hebben beschaamd. Wees milddadig jegens anderen, gelijk God milddadig was jegens u en laat de belangen van uw volk niet over aan de genade van ministers als deze. Leg de vreze Gods niet naast u neer en behoor tot hen die rechtschapen handelen. Omgeef u met die ministers bij wie gij de geur van geloof en rechtvaardigheid kunt waarnemen, beraadt u met hen en kies al wat in uw ogen het beste is, en behoor tot hen die edelmoedig handelen.

Weet met zekerheid dat wie niet in God gelooft noch betrouwbaar noch waarheidlievend is. Dit inderdaad is de waarheid, de ontwijfelbare waarheid. Wie verraderlijk handelt jegens God zal ook verraderlijk handelen jegens zijn koning. Niets kan zulk een mens weerhouden van het kwade, niets kan hem beletten zijn naaste te bedriegen, niets kan hem nopen oprecht te zijn.

Waak ervoor dat gij de teugels van uw staatszaken niet in handen legt van anderen en uw vertrouwen niet stelt in ministers die dit vertrouwen onwaardig zijn, en behoor niet tot hen die achteloos leven. Schuw hen wier harten van u zijn afgekeerd, schenk hun niet uw vertrouwen, en vertrouw hun noch uw aangelegenheden toe noch die van hen die uw geloof belijden. Hoedt u dat gij de wolf niet toestaat de herder te worden over Gods kudde en lever het lot van Zijn geliefden niet over aan de genade der boosaardigen. Verwacht niet dat zij die de geboden van God schenden betrouwbaar of oprecht zullen zijn in het geloof dat zij belijden. Mijd hen en waak nauwlettend over uzelf, opdat hun lagen en listen u niet schaden. Keer u af van hen en vestig uw blik op God, uw Heer, de Alglorierijke, de Almilddadige. God zal voorzeker met hem zijn die zich geheel overgeeft aan Hem. God zal waarlijk hem die zijn volle vertrouwen in God stelt, beschermen tegen al wat hem kan schaden en zal hem behoeden voor de slechtheid van iedere snode samenzweerder.

Zo gij gehoor geeft aan Mijn woorden en Mijn raad opvolgt, zal God u tot zulk een hoge staat verheffen, dat de boze oogmerken van geen mens ter wereld u ooit kunnen raken of schaden. O koning, leef uit het diepst van uw hart en met geheel uw wezen de voorschriften Gods na, en bewandel niet de wegen van de onderdrukker. Grijp de teugels van de aangelegenheden van uw volk en houd deze stevig in de greep van uw macht, en onderzoek persoonlijk al hetgeen hen betreft. Laat u niets ontgaan, want daarin ligt het hoogste goed.

Betuig dank aan God dat Hij uit de gehele wereld u heeft verkozen en tot koning heeft gemaakt over hen die uw geloof belijden. Het betaamt u feitelijk de wonderbaarlijke gunsten waarmee God u heeft begenadigd op prijs te stellen, en Zijn naam voortdurend te verheerlijken. Gij kunt Hem het beste loven door Zijn geliefden te beminnen, en Zijn dienaren te beveiligen en te beschermen tegen het kwaad van de verraders, opdat geen mens hen nog langer kan onderdrukken. Gij moet bovendien opstaan om de wet Gods onder hen ten uitvoer te leggen, opdat gij moogt behoren tot hen die standvastig staan in Zijn wet.

Zoudt gij stromen van gerechtigheid over uw onderdanen doen vloeien, dan zou God u voorzeker bijstaan met de zichtbare en onzichtbare heerscharen, en u sterken in uw aangelegenheden. Geen God is er buiten Hem. Hem behoort de gehele schepping en de heerschappij hierover. Tot Hem keren de werken der gelovigen weder.

Verlaat u niet op uw rijkdommen. Stel uw volle vertrouwen in de genade van God, uw Heer. Laat Hij uw betrouwen zijn in al wat gij doet, en behoor tot hen die zich aan Zijn Wil onderwerpen. Laat Hij uw Helper zijn, en verrijk u met Zijn schatten, want bij Hem zijn de rijkdommen van de hemelen en de aarde. Hij schenkt ze aan wie Hij wil, en onthoudt ze aan wie Hij wil. Er is geen ander God dan Hij, de Albezitter, de Alomgeprezene. Allen zijn slechts behoeftigen aan de deur van Zijn barmhartigheid; allen staan hulpeloos voor de openbaring van Zijn soevereiniteit en smeken om Zijn gunsten.

Overschrijd niet de grenzen van gematigdheid en behandel hen die u dienen rechtvaardig. Geef hun naar hun behoeften en niet in die mate dat zij rijkdommen voor zichzelf kunnen vergaren, zich kunnen opsieren, hun woningen verfraaien en dingen aanschaffen die hun niet tot voordeel zijn, en zij tot de buitensporigen worden gerekend. Behandel hen met strikte rechtvaardigheid zodat niemand onder hen gebrek lijdt of in weelde baadt. Slechts dit is volkomen rechtvaardig.

Sta niet toe dat de laaghartige heerst en gebiedt over hen die edel en eerbiedwaardig zijn, en dat de grootmoedige is overgeleverd aan de genade van de verachtelijken en nietswaardigen, want dit is hetgeen Wij zagen bij Onze aankomst in de Stad (Constantinopel) en hiervan getuigen Wij. Wij zagen dat sommige inwoners een overvloedig fortuin bezaten en in buitensporige rijkdom leefden, terwijl anderen in bittere nood verkeerden en ellendige armoede leden. Dit betaamt uw soevereiniteit niet en is uw rang onwaardig.

Wil Mijn raad aanvaarden en span u in rechtvaardig te regeren onder de mensen, opdat God uw naam moge verheffen en de faam van uw rechtvaardigheid over de gehele wereld verspreiden. Hoedt u dat gij uw ministers niet verhoogt ten koste van uw onderdanen. Vrees de zuchten der armen en oprechten van hart die bij het aanbreken van iedere dag hun toestand bewenen, en wees een goedgunstig vorst voor hen. Zij, waarlijk, zijn uw rijkdom op aarde. Derhalve betaamt het u uw rijkdom te beschermen tegen de aanslagen van hen die u willen beroven. Onderzoek hun aangelegenheden, en vergewis u ieder jaar, ja, zelfs iedere maand van hun toestand, en behoor niet tot hen die hun plicht veronachtzamen.

Houd Gods nimmerfalende Waag voor ogen en weeg, gelijk één die in Zijn Tegenwoordigheid staat, uw handelingen iedere dag en ieder moment van uw leven op die Waag af. Geef u rekenschap van uw daden eer gij ter verantwoording wordt geroepen op de Dag dat geen mens de kracht zal hebben staande te blijven uit vrees voor God; de Dag waarop de harten der achtelozen zullen beven.

Het betaamt iedere koning even milddadig te zijn als de zon die de groei van alle wezens bevordert en een ieder geeft wat hem toekomt, terwijl de weldaden van de zon niet bij hemzelf berusten doch zijn beschikt door Hem Die de Krachtigste, de Almachtige is. De koning dient even mild en vrijgevig te zijn met zijn weldaden als de wolken, waarvan de uitstortingen van milddadigheid neerdalen op ieder land, op bevel van Hem Die de opperste Bestierder, de Alwetende is.

Zorg ervoor uw staatszaken niet geheel en al toe te vertrouwen aan een ander. Niemand kan uw functies beter vervullen dan gijzelf. Aldus verduidelijken Wij u Onze woorden van wijsheid, en zenden tot u neer hetgeen u in staat kan stellen van de linkerhand van onderdrukking over te gaan naar de rechterhand van rechtvaardigheid en de schitterende oceaan van Zijn gunsten te naderen. Dit is het pad dat de koningen voor u hebben betreden, zij die hun onderdanen recht deden wedervaren en de wegen van strikte rechtvaardigheid bewandelden.

Gij zijt Gods schaduw op aarde. Span u derhalve in om te handelen op een wijze die zulk een hoge en verheven rang betaamt. Zo gij van de dingen die Wij op u lieten neerdalen en u hebben onderricht afwijkt, zult gij voorzeker afbreuk doen aan dit grote en kostbare eerbewijs. Keer dan terug en klem u volledig vast aan God, zuiver uw hart van de wereld en al haar ijdelheden, en sta niet toe dat de liefde van een vreemde daar binnenkomt en woont. Niet vooraleer gij uw hart van ieder spoor van zulk een liefde hebt gezuiverd, kunnen de stralen van het licht van God erop schijnen, want aan niemand heeft God meer dan één hart gegeven. Dit, waarlijk, werd in Zijn aloude Boek bevolen en neergeschreven. En daar het hart van de mens, zoals door God gevormd, één en ondeelbaar is, betaamt het u ervoor te waken dat ook de genegenheden ervan één en ondeelbaar zijn. Klem u daarom met geheel uw hart vast aan Zijn liefde en onttrek het aan de liefde van een ieder buiten Hem, opdat Hij u moge bijstaan u te dompelen in de oceaan van Zijn eenheid, en u in staat stellen een waar verdediger te worden van Zijn eenzijn. God is Mijn getuige. Mijn enige doel met het openbaren van deze woorden is om u te zuiveren van de vergankelijkheden der aarde en u te helpen het rijk van eeuwige heerlijkheid binnen te gaan, opdat gij, met Gods verlof, moogt behoren tot hen die daarin verblijven en regeren.....

Ik zweer bij God, o koning! Ik wens niet Mijn beklag te doen over hen die Mij vervolgen. Ik bepleit Mijn droefenis en smart alleen voor God die Mij en hen heeft geschapen, Die Onze toestand goed kent en Die over alles waakt. Ik wens hen te waarschuwen voor de gevolgen van hun daden, zodat zij er wellicht van af zullen zien anderen te behandelen zoals zij Mij hebben behandeld, en zullen behoren tot hen die acht slaan op Mijn waarschuwing.

De beproevingen die Ons hebben getroffen, de diepe armoede waaronder Wij lijden, de verscheidene moeilijkheden waarmee Wij zijn omringd, zullen alle voorbijgaan, evenals de genoegens waarin zij behagen scheppen en de overvloed waarvan zij genieten. Dit is een waarheid die geen mens op aarde kan verwerpen. De dagen waarin Wij gedwongen zijn op aarde te verblijven zullen spoedig ten einde zijn, evenals de dagen waarin zij de zetels van eer bezetten. God zal voorzeker naar waarheid oordelen tussen Ons en hen, en Hij, waarlijk, is de uitmuntendste rechter.

Wij betuigen God Onze dank voor alles wat Ons overkomen is, en verdragen met geduld hetgeen Hij heeft beschikt in het verleden en zal beschikken in de toekomst. In Hem heb Ik Mijn vertrouwen gesteld, en in Zijn handen heb Ik Mijn Zaak gelegd. Hij zal voorzeker allen belonen die geduldig verdragen en in Hem hun vertrouwen stellen. Hem is de schepping en de heerschappij erover. Hij verheft wie Hij wil, en vernedert wie Hij wil. Hij zal niet worden gevraagd naar Zijn handelen. Hij waarlijk, is de Alglorierijke, de Almachtige.

Laat uw oor luisteren, o koning, naar de woorden die Wij tot u hebben gericht. Laat de onderdrukker afzien van tirannie, en scheid de bedrijvers van onrecht af van hen die uw geloof belijden. Bij de rechtvaardigheid Gods! De beproevingen die Wij hebben doorstaan zijn van dien aard, dat elke pen die hiervan verhaalt slechts door hevige smart overmand wordt. Geen hunner die waarlijk gelooft en de eenheid van God hooghoudt, kan de last van de opsommingen ervan dragen. Zo hevig was Ons lijden dat zelfs Onze vijanden hebben geweend om Ons en temeer ieder scherpziend mens. Aan al deze beproevingen waren Wij onderworpen, niettegenstaande Onze pogingen u te benaderen en de mensen te gebieden zich onder uw bescherming te stellen, opdat gij een vesting zoudt zijn voor hen die geloven in de eenheid Gods en deze hooghouden.

Was Ik, o koning, ooit ongehoorzaam tegen u? Heb Ik ooit één uwer wetten overtreden? Kan iemand van uw ministers die u in 'Iráq vertegenwoordigden enig bewijs aanvoeren dat Mijn ontrouw jegens u bevestigt? Neen, bij Hem Die de Heer aller werelden is! Geen seconde kwamen Wij tegen u of tegen één uwer ministers in opstand. Nooit, zo God het wil, zullen Wij tegen u opstaan, al zouden Wij aan zwaardere beproevingen worden blootgesteld dan ooit tevoren.

Des daags en des nachts, in de avond en in de ochtend, bidden Wij tot God om uwentwil, dat Hij u genadiglijk moge helpen Hem te gehoorzamen en Zijn gebod na te komen en dat Hij u moge beschermen tegen de scharen der kwaadwilligen. Doe daarom zoals gij verkiest en bejegen Ons gelijk uw rang past en uw soevereiniteit betaamt. Vergeet niet de wet van God bij al wat gij wenst te volbrengen - nu en in de dagen die komen. Zeg: Ere zij God, de Heer aller werelden!
CXV. De Pen van Openbaring, o Dhabíh, heeft in de meeste goddelijk-geopenbaarde Tafelen de volgende woorden opgetekend: Wij hebben alle geliefden Gods aangespoord ervoor te waken dat de zoom van Ons geheiligd kleed niet besmeurd wordt met het slijk van onwettige daden of bezoedeld met het stof van laakbare gedragingen. Wij hebben hen bovendien aangespoord hun blik gericht te houden op alles wat in Onze Tafelen is geopenbaard. Had hun innerlijk oor nauwkeurig gelet op Gods raadgevingen die schenen vanuit de Dageraad van de Pen van de Albarmhartige en naar Zijn Stem geluisterd, dan zouden nu reeds de meeste volkeren der aarde zijn getooid met het sieraad van Zijn leiding. Wat was voorbeschikt, is echter geschied.

Vanuit deze Grootste Gevangenis openbaart de Tong van de Aloude der Dagen wederom de woorden die op deze sneeuwwitte Rol zijn opgetekend: o gij, de geliefden van de ene ware God! Verlaat de nauwe schuilplaatsen van uw snode en verdorven begeerten, en begeeft u naar de onmetelijke uitgestrektheid van het rijk van God, en verblijft in de weiden van heiligheid en onthechting, opdat de geur van uw daden de gehele mensheid moge leiden naar de oceaan van Gods nimmertanende glorie. Onthoudt u ervan u in te laten met de aangelegenheden van deze wereld en alles wat daartoe behoort, of u te bemoeien met de activiteiten van hen die de zichtbare leiders zijn.

De ene ware God, verheven zij Zijn glorie, heeft de regering over de aarde aan de koningen geschonken. Niemand heeft het recht op enigerlei wijze te handelen in strijd met de geldende inzichten van hen die de gezagsdragers zijn. Datgene wat Hij voor Zichzelf heeft voorbehouden, is de stad van 's mensen hart; en in deze Dag zijn de geliefden van Hem Die de opperste Waarheid is, gelijk de sleutels ervan. God geve dat hun allen de gelegenheid wordt gegeven de poorten van deze steden te ontsluiten met de macht van de Grootste Naam. Dit wordt bedoeld met het helpen van de ene ware God - een onderwerp waarnaar de Pen van Hem die de dageraad deed aanbreken, heeft verwezen in al Zijn Boeken en Tafelen.

Eveneens betaamt het de geliefden van God verdraagzaam te zijn jegens hun medemensen, en zo geheiligd en onthecht te zijn van alle dingen en zulk een oprechtheid en openheid te tonen, dat alle volkeren der aarde hen zullen herkennen als de gevolmachtigden Gods onder de mensen. Overweeg tot welke verheven hoogten de uitdrukkelijke bevelen van de Almachtige zijn opgestegen, en hoe ellendig het woonoord is waarin deze zwakke zielen nu verblijven. Gezegend zijn zij die op de vleugels van zekerheid vliegen in de hemelen die de Pen van uw Heer, de Albarmhartige, heeft gespreid.

Aanschouw, o Dhabíh, de werken die God, de Opperste Waarheid heeft gewrocht. Zeg Hoe groot, hoe geweldig groot is de kracht van Zijn macht die alle werelden omvat! Verheven, onmetelijk verheven is Zijn onthechting boven het begrip der gehele schepping! Verheerlijkt, verheerlijkt zij Zijn zachtmoedigheid - een zachtmoedigheid die het hart doet smelten van hen die tot Gods nabijheid zijn geleid!

Ofschoon bezocht door talloze beproevingen die Wij door Onze vijanden hebben geleden, hebben Wij aan alle heersers op aarde verkondigd hetgeen God heeft gewild dat verkondigd werd, opdat alle natiën zullen weten dat geen enkele beproeving de Pen van de Aloude der Dagen kan verhinderen haar doel te bereiken. Zijn Pen beweegt met Gods verlof Die het afbrokkelende en vergane gebeente vormt.

Deze ontzagwekkende onderneming in aanmerking nemend, betaamt het hun die Hem liefhebben veeleer de lendenen van hun streven te omgorden, en hun gedachten te richten op alles wat de overwinning van de zaak Gods zal waarborgen dan gemene en verachtelijke daden te bedrijven. Zoudt gij slechts één ogenblik de zichtbare werken en handelingen van Hem Die de eeuwige Waarheid is, overdenken, dan zoudt gij op de grond neervallen en uitroepen: O Gij Die de Heer der Heren zijt! Ik getuig dat Gij de Heer der gehele schepping zijt en de Opvoeder van alle wezens, zichtbaar en onzichtbaar. Ik betuig dat Uw macht het gehele universum omvat, en dat noch de aardse scharen U ooit kunnen ontmoedigen noch de heerschappij van alle volkeren en natiën U ervan afhouden Uw plan te volvoeren. Ik beken dat Gij geen andere wens hebt dan de hernieuwing van de gehele wereld en de vestiging van de eenheid van haar volkeren, en de verlossing van al degenen die er wonen.

Denk een ogenblik diep na en overweeg hoe zij die de geliefden Gods zijn zich moeten gedragen, en tot welke hoogten zij moeten opwieken. Smeek te allen tijde uw Heer, de God van Barmhartigheid hen te helpen te doen wat Hij wil. Hij, waarlijk, is de Machtigste, de Alglorierijke, de Alwetende.

De gevangenschap die deze Verguisde is opgelegd, o Dhabíh, deerde Hem niet en kan Hem nooit deren, evenmin kan het verlies van al Zijn aardse bezit, Zijn verbanning of zelfs Zijn martelaarschap en uiterlijke vernedering Hem enigermate schaden. Hetgeen Hem wel kan deren, zijn de slechte daden die de geliefden Gods begaan, en die zij Hem Die de Opperste Waarheid is, toeschrijven. Dit is de beproeving waaronder Ik lijd, en hiervan getuigt Hijzelf Die macht heeft over alle dingen. Datgene wat Mij smartelijk treft zijn de aanspraken die het volk van de Bayán dagelijks doet gelden. Sommigen hebben hun trouw verklaard aan één van Mijn Takken (Zoons), terwijl anderen hun aanspraken onafhankelijk deden gelden en naar eigen begeerte handelden.

O Dhabíh! De Tong van Grootheid zegt: Bij Mijzelf die de waarheid spreekt! In deze machtigste Openbaring hebben alle Beschikkingen van het verleden hun hoogste en laatste vervulling bereikt. Al wie aanspraak maakt op een Openbaring na Hem is voorzeker een leugenachtige bedrieger. Wij smeken God dat Hij hem genadiglijk bij zal staan een dergelijke aanspraak te herroepen en af te wijzen. Mocht hij berouw hebben, dan zal God hem zonder twijfel vergiffenis schenken. Indien hij echter volhardt in zijn dwaling, dan zal God voorzeker iemand neerzenden die meedogenloos met hem zal afrekenen. Hij, waarlijk, is de Almachtige, de Almogende.

Zie hoe het volk van de Bayán volkomen heeft gefaald te erkennen dat het enige doel van al hetgeen Mijn vorige Manifestatie en Aankondiger van Mijn Schoonheid heeft geopenbaard Mijn Openbaring was en de verkondiging van Mijn Zaak. Nooit - en hiervan is Hij Die de Opperste Waarheid is Mij tot getuige - zou Hij, ware het niet om Mij, hebben uitgesproken hetgeen Hij uitsprak. Zie, hoe dit dwaze volk het Geloof van Hem Die de Albezitter, de Ongenaakbare is, heeft behandeld als een spel en als tijdverdrijf! Hun hart bedenkt iedere dag een nieuwe list, en hun verbeelding brengt hen ertoe een nieuwe wijkplaats te zoeken. Zou hetgeen zij zeggen waar zijn, hoe kan dan de stabiliteit van de Zaak van uw Heer worden gewaarborgd? Overweeg dit in uw hart en behoor tot hen die scherp zien, die bedachtzaam en nauwkeurig onderzoeken, die standvastig zijn in hun besluit en overtuigd in hun geloof. Uw zekerheid behoort zo groot te zijn dat, al zou de gehele mensheid aanspraken doen gelden die geen mens ooit heeft doen gelden of enig verstand zich ooit heeft ingedacht, gij hen volkomen zou negeren, u van hen zou ontdoen, en uw gelaat zou richten op Hem die de Belichaming is van de aanbidding aller werelden.

Bij de rechtvaardiging van Mijn eigen Zelf! Groots, onmetelijk groots is deze Zaak! Machtig, ondenkbaar machtig is deze Dag! Gezegend voorwaar is de mens die afstand deed van alle dingen, en zijn ogen heeft gevestigd op Hem Wiens gelaat licht heeft geworpen over allen die in de hemelen en allen die op aarde zijn.

Scherp moet uw blik zijn, o Dhabíh, en onvermurwbaar uw ziel en als koper uw voeten, als gij ongeschokt wilt blijven door de aanvallen van zelfzuchtige begeerten die in 's mensen gemoed fluisteren. Dit is het uitdrukkelijk bevel dat de Pen van de Grootste Naam, krachtens de Wil van de Aloude Koning heeft bewogen te openbaren. Bescherm het als uw oogappel en behoor tot de dankbaren. Span u dag en nacht in om de Zaak van Hem Die de Eeuwige Waarheid is, te dienen, en wees onthecht van alles buiten Hem. Bij Mijzelf! Al wat gij in deze Dag ziet, zal vergaan. Hoogstverheven zal uw rang zijn, indien gij standvastig blijft in de Zaak van uw Heer. Op Hem zijn uw bedrijvigheden gericht, en in Hem is de laatste rustplaats.
CXVI. O koningen van het Christendom! Hebt ge de uitspraak van Jezus, de Geest Gods, niet gehoord, waar Hij zegt: "Ik ga heen en kom tot u weder"? Waarom faalde gij dan toen Hij weder tot u kwam in de wolken des hemels, Hem nabij te komen opdat gij Zijn gelaat zou kunnen aanschouwen en behoren tot hen die Zijn Tegenwoordigheid hebben bereikt? Op een andere plaats zegt Hij: "Wanneer Hij, de Geest der Waarheid is gekomen, zal Hij u in alle waarheid leiden". En toch, ziet, toen Hij de waarheid bracht, hebt gij geweigerd u tot Hem te keren en bent doorgegaan u te verpozen met uw liefhebberijen en vermaak. Gij hebt Hem niet verwelkomd, noch Zijn Tegenwoordigheid gezocht, zodat gij de verzen Gods uit Zijn eigen mond kon horen en deel hebben aan de menigvuldige wijsheid van de Almachtige, de Alglorierijke, de Alwijze. Gij hebt ingevolge uw falen verhinderd dat de ademtocht van God over u heen ging, en uw ziel de zoetheid van de geur ervan onthouden. Gij gaat ermee voort door welgevallig rond te zwerven in het dal van uw verdorven begeerten. Gij en al wat gij bezit, gaat voorbij. Gij zult zekerlijk terugkeren tot God en ter verantwoording worden geroepen voor uw doen en laten in de tegenwoordigheid van Hem Die de gehele schepping zal verzamelen ....

Twintig jaren zijn verstreken, o koningen, gedurende welke Wij iedere dag het leed van een nieuwe rampspoed hebben geproefd. Geen van hen die Ons voor gingen, had te verduren wat Wij hebben verduurd. Hoe wenste Ik dat gij het slechts kon ontwaren! Zij die tegen Ons opstonden, hebben Ons ter dood gebracht, Ons bloed vergoten, Onze bezittingen geplunderd en Onze eer geschonden. Ofschoon gij op de hoogte waart van het merendeel van Onze kwellingen, hebt gij niettemin gefaald de hand van de aanvaller tegen te houden. Want behoort het niet tot uw onmiskenbare plicht de tirannie van de onderdrukker te beteugelen en uw onderdanen onpartijdig te bejegenen, opdat uw hoog ontwikkelde rechtvaardigheidszin ten volle moge worden getoond aan de gehele mensheid?

God heeft de teugels van de regering over het volk in uw handen gelegd, opdat gij rechtvaardig over hen zoudt heersen, de rechten der vertrapten beschermen en de boosdoeners bestraffen. Indien gij de plicht die God u heeft opgelegd in Zijn Boek veronachtzaamt, zullen uw namen worden gerekend tot degenen die onrechtvaardig zijn in Zijn ogen. Waarlijk, afschuwelijk zal uw dwaling zijn. Houdt gij vast aan de verzinsels van uw verbeelding en verwerpt gij de geboden van God, de Verhevenste, de Ongenaakbare, de Albedwinger, de Almachtige? Werpt vàn u hetgeen gij bezit en blijft trouw aan hetgeen God u heeft bevolen na te komen. Zoekt Zijn genade, want hij die dit zoekt, bewandelt Zijn rechte Pad.

Bedenkt in welk een toestand Wij Ons bevinden en aanschouwt het kwaad en het verdriet waarmede Wij werden bezocht. Veronachtzaamt Ons niet, al was het slechts een ogenblik, en oordeelt rechtvaardig tussen Ons en Onze vijanden. Dit zal voorzeker een onmiskenbaar voordeel voor u betekenen. Aldus verhalen Wij u Onze geschiedenis, en sommen de dingen op die Ons zijn overkomen, opdat gij het kwaad moogt wegnemen van Ons en Onze last verlichten. Laat hij die dit wil, Ons van Onze zorgen ontlasten, en wat hem aangaat die dit niet wil, Mijn Heer is voorzeker de uitmuntendste Helper.



Waarschuw de mensen, o Dienaar, en maak hen bekend met de dingen die Wij tot U neerzonden, en laat de vrees van geen mens U ontmoedigen, en behoor niet tot hen die weifelen. De dag nadert dat God Zijn Zaak zal hebben verheven en Zijn getuigenis zal hebben verheerlijkt in de ogen van allen die in de hemelen en allen die op aarde zijn. Stel onder alle omstandigheden Uw volledige vertrouwen op Uw Heer en houd Uw blik gevestigd op Hem, en keer U af van al degenen die Zijn waarheid verwerpen. Laat God, Uw Heer, Uw toereikende steun en helper zijn. Wij hebben Ons verbonden Uw overwinning op aarde te verzekeren en Onze Zaak boven alle mensen te verheffen, al zou er geen koning worden gevonden die zijn gelaat tot U zou keren.
CXVII. Het Verheven Wezen, in Zijn wens de eerste vereisten voor vrede en rust in de wereld, en voor de vooruitgang van haar volkeren te openbaren, schrijft: De tijd zal komen dat men algemeen de gebiedende noodzaak zal beseffen voor het houden van een grote en alle mensen omvattende vergadering. De koningen en heersers der aarde moeten deze bijwonen en, door deelneming aan de beraadslagingen, wegen en middelen beramen die de grondslag zullen leggen voor de grote Wereldvrede onder de mensen. Zulk een vrede eist dat de grote mogendheden, ter wille van de rust onder de volkeren op aarde, besluiten tot volledige overeenstemming te komen. Indien een koning de wapens opneemt tegen een andere, moeten allen eendrachtig opstaan en hem dit beletten. Als men dit doet, zullen de volkeren der wereld alleen bewapening nodig hebben om de veiligheid in hun gebied te bewaren en de binnenlandse orde te handhaven. Dit zal de vrede en rust van ieder volk, iedere regering en natie waarborgen. Wij hopen vurig dat de koningen en heersers der aarde - de spiegels van de genadige en almachtige naam van God - deze staat mogen bereiken en de mensheid voor de aanvallen van tirannie zullen behoeden.... De dag nadert waarop alle volkeren der wereld één wereldtaal en één schrift zullen hebben aangenomen. Wanneer dit bereikt is, zal iemand waarheen hij ook reist, het gevoel hebben zijn eigen huis binnen te gaan. Deze dingen zijn verplicht en absoluut essentieel. Het is de plicht van ieder mens met inzicht en begrip alles in het werk te stellen om hetgeen is neergeschreven werkelijk in daden om te zetten.... Hij is waarlijk mens die zich heden ten dage in dienst stelt van de gehele mensheid. Het Verheven Wezen zegt: Gezegend en gelukkig is degene die opstaat om de hoogste belangen van de volkeren en geslachten der aarde te bevorderen. Op een andere plaats heeft Hij verkondigd: Men beroeme zich er niet op zijn vaderland lief te hebben, maar stelle er een eer in de gehele wereld lief te hebben. De aarde is slechts één land, waarvan alle mensen de burgers zijn.
CXVIII. O koningen der aarde, legt de vreze Gods niet naast u neer, en hoedt u ervoor de grenzen die de Almachtige heeft gesteld, te overschrijden. Neemt de bevelen, u opgelegd in Zijn Boek, in acht, en waakt er zorgvuldig voor de grenzen ervan niet te overschrijden. Weest waakzaam dat gij niemand enig onrecht aandoet, ook al ware het slechts ter grootte van een mosterdzaadje. Bewandelt de weg der rechtvaardigheid, want dit is waarlijk de rechte weg.

Legt uw geschillen bij en vermindert uw bewapening, zodat de lasten van uw uitgaven worden verlicht, en uw hart en verstand tot rust komen. Legt de geschillen bij die u scheiden en gij zult niet langer bewapening nodig hebben, behalve voor de beveiliging van uw steden en grondgebieden. Vreest God en hoedt u ervoor de grenzen van gematigdheid te overschrijden en tot de buitensporigen te worden gerekend.

Wij bemerken dat gij uw uitgaven jaarlijks vergroot, en de lasten daarvan op uw onderdanen legt. Dit is waarlijk méér dan zij kunnen dragen en uiterst onrechtvaardig. Beslist rechtvaardig over de mensen en weest de zinnebeelden van gerechtigheid onder hen. Dit is, indien gij eerlijk oordeelt, hetgeen u betaamt en bij uw rang past.

Waakt ervoor geen mens, die een beroep op u doet en zich onder uw bescherming stelt, onrechtvaardig te bejegenen. Wandelt in de vreze Gods en behoort tot hen die een godvruchtig leven leiden. Verlaat u niet op uw macht, uw legers en uw rijkdommen. Stelt al uw hoop en vertrouwen in God Die u geschapen heeft, en zoekt Zijn hulp in al uw aangelegenheden. Hulp komt van Hem alleen. Hij helpt wie Hij wil met de heerscharen van de hemelen en van de aarde.

Weet dat de armen het pand van God zijn in uw midden. Denkt erom dat gij Zijn vertrouwen niet beschaamt, dat gij hen niet onrechtvaardig behandelt en dat gij niet de wegen der verraders bewandelt. Gij zult zekerlijk worden opgeroepen om u te verantwoorden voor Zijn vertrouwen, op de dag dat de Waag van Gerechtigheid zal worden ingesteld, de dag dat aan een ieder het hem toekomende zal worden gegeven, en het doen en laten van alle mensen, hetzij rijk hetzij arm, zal worden afgewogen.

Indien gij geen acht slaat op de raadgevingen die Wij in weergaloze en ondubbelzinnige taal in deze Tafel hebben geopenbaard, zal goddelijke kastijding u van alle kanten treffen en het vonnis van Zijn gerechtigheid over u worden uitgesproken. Op die dag zult gij niet de kracht bezitten Hem te weerstaan en uw eigen onmacht erkennen. Weest genadig voor uzelf en voor degenen onder u. Oordeelt tussen hen volgens de voorschriften, door God in Zijn heiligste en verhevenste Tafel gegeven - een Tafel waarin Hij aan ieder ding afzonderlijk een vaste maat heeft toegemeten waarin Hij duidelijk een verklaring van alle dingen heeft gegeven en die als zodanig een waarschuwing inhoudt aan hen die in Hem geloven.

Onderzoekt Onze Zaak, informeert naar hetgeen Ons is overkomen, en oordeelt rechtvaardig tussen Ons en Onze vijanden, en behoort tot hen die rechtvaardig handelen jegens hun naasten. Indien gij de hand van de onderdrukker niet tegenhoudt, indien gij in gebreke blijft de rechten van de vertrapten te waarborgen, welk recht hebt gij dan uzelf te verheffen boven de mensen? Waarop kunt gij dan met recht bogen? Zijn het uw voedsel en uw dranken waar gij u op beroemt, uw rijkdommen die gij opstapelt in uw schatkamers, de verscheidenheid en de waarde van de sieraden waarmee gij u tooit? Als ware glorie zou bestaan uit het bezit van dergelijke vergankelijke dingen, dan moet de aarde waarop gij loopt zich zonder twijfel hoger achten dan u, want zij voorziet u van al deze dingen en schenkt ze u op bevel van de Almachtige. In het binnenste der aarde bevindt zich, overeenkomstig hetgeen God heeft beschikt alles wat gij bezit. Aan haar ontleent gij, als een teken van Zijn genade, uw rijkdommen. Aanschouwt dan uw staat, waarop gij u beroemt! Kon gij het slechts ontwaren.

Neen, bij Hem Die het koninkrijk der gehele schepping in Zijn greep houdt! Op niets anders berust uw ware en blijvende glorie dan op uw hechte trouw aan de voorschriften Gods, in uw oprecht nakomen van Zijn wetten, in uw vastbesloten toezien op de bekrachtiging ervan en in het standvastig volgen van de juiste koers.


CXIX. O, gij heersers der aarde! Waarom hebt gij de straling van de Zon verduisterd en gezorgd dat hij ophield te schijnen? Luistert naar de raad die de Pen van de Allerhoogste u gaf, opdat zowel gij als de armen tot rust en vrede moogt komen. Wij smeken God de koningen der aarde bij te staan om de vrede op aarde te vestigen. Hij waarlijk doet wat Hij wil.

O koningen der aarde! Wij zien hoe gij uw uitgaven jaarlijks vergroot en uw onderdanen de last laat dragen. Dit, waarlijk, is volkomen en grovelijk onrechtvaardig. Vreest de zuchten en tranen van deze Verguisde en legt uw volkeren geen buitensporige lasten op. Berooft hen niet, teneinde paleizen voor uzelf te bouwen; neen, verkiest veeleer voor hen datgene wat gij voor uzelf verkiest. Aldus onthullen Wij u hetgeen u tot voordeel strekt; ontwaart gij het slechts. Uw volk is uw rijkdom. Waakt ervoor, dat uw bestuur de geboden van God niet schendt en gij uw beschermelingen niet overlevert aan de uitbuiter. Door hen regeert gij, van hun middelen bestaat gij, met hun hulp maakt gij veroveringen. Nochtans, met welk een minachting beziet gij hen! Hoe vreemd, hoe zonderling!

Nu gij de Allergrootste Vrede hebt afgewezen, houdt u aan de Kleine Vrede, zodat gij mogelijkerwijs uw eigen toestand en die van uw onderdanen enigermate kunt verbeteren.

O heersers der aarde! Legt uw geschillen bij, opdat gij niet meer bewapening behoeft dan noodzakelijk is ter beveiliging van uw gebieden. Hoedt u dat gij de raad van de Alwetende, de Getrouwe, niet veronachtzaamt.

Verenigt u, o koningen der aarde, want daardoor zal de storm van verdeeldheid onder u bedaren en zullen uw volkeren rust vinden, indien gij behoort tot hen die begrijpen. Mocht één uwer de wapenen tegen een ander opnemen, staat dan allen tegen hem op, want dit is niet anders dan onmiskenbare gerechtigheid.
CXX. O gij gekozen volksvertegenwoordigers in ieder land! Als gij behoort tot hen die zorgvuldig onderzoeken, beraadslaagt dan met elkaar en bekommert u slechts om hetgeen de mensheid ten goede komt en haar toestand verbetert. Beschouwt de wereld als het lichaam van de mens dat, hoewel gaaf en volmaakt bij zijn schepping, door verschillende oorzaken met ernstige ziekten en kwalen wordt bezocht. Geen dag vond het verlichting; integendeel, zijn ziekte werd steeds ernstiger, daar het onder behandeling van onkundige geneesheren kwam die de vrije teugel gaven aan hun persoonlijke begeerten en smartelijk dwaalden. En als wel eens door de zorg van een bekwaam geneesheer een deel van het lichaam genas, bleef de rest even ziek als tevoren. Aldus onderricht u de Alwetende, de Alwijze.

Wij zien de wereld in deze tijd overgeleverd aan de genade van heersers, zo dronken van trots, dat zij hun eigen profijt niet duidelijk kunnen zien, hoeveel te minder een zo verbijsterende en uitdagende Openbaring als deze erkennen. En steeds wanneer één van hen poogde de toestand ervan te verbeteren, was zijn beweegreden - openlijk of heimelijk - eigenbaat. De onwaardigheid van deze beweegreden beperkte zijn vermogen om te helen.

Wat de Heer heeft voorgeschreven als de voortreffelijkste remedie en het machtigste werktuig tot genezing van de gehele wereld is de vereniging van alle volkeren in één universele Zaak, één gemeenschappelijk Geloof. Dit kan op geen andere wijze worden bereikt dan door de kracht van een kundig, een almachtig en bezield Geneesheer. Waarlijk, dit is de waarheid en al het andere niets dan dwaling.

CXXI. Zeg: O gij die Mij benijdt en Mij tracht te kwetsen! Uw grimmige toom jegens Mij vernietige u! Ziet, de Dagster van glorie is opgekomen boven de horizon van Mijn openbaring en heeft met haar stralen de gehele mensheid omgeven. En toch, ziet hoe gij uzelf hebt buitengesloten van haar pracht en in volkomen achteloosheid zijt verzonken. Weest uzelf genadig, en wijst de aanspraak niet af van Hem wiens waarheid gij reeds hebt erkend, en behoort niet tot hen die zondigen.

Bij de rechtvaardigheid van de ene ware God! Als gij deze Openbaring verwerpt, zullen alle landen ter wereld u smalend uitlachen en bespotten, want u hebt voor hun ogen met de opzet de waarheid van uw zaak te rechtvaardigen, de bewijzen aangevoerd van God, de Opperste Beschermer, de Krachtigste, de Alglorierijke, de Alwetende. En toch, nauwelijks was Zijn volgende Openbaring, bekleed met de heerlijkheid van een onweerstaanbare soevereiniteit, tot u neergezonden, of gij wierp deze van u, o gij die wordt gerekend tot de achtelozen!

Wat! Gelooft gij in uw hart dat gij de macht bezit om de schittering van de Zon te doven of haar pracht te verduisteren? Neen, bij Mijn leven! Gij zult en kunt nooit uw doel bereiken, al zoudt gij alles wat in de hemelen en alles wat op aarde is te hulp roepen. Wandelt in de vreze Gods, en laat uw werken niet vergeefs zijn. Neigt uw oor naar Zijn woorden en behoort niet tot hen die als door een sluier van Hem zijn buitengesloten. Zeg: God is Mijn getuige! Ik heb in het geheel niets voor Mijzelf verlangd. Wat Ik verlang is de overwinning van God en de zegepraal van Zijn Zaak. Hij Zelf is voldoende getuige tussen u en Mij. Zoudt gij uw ogen zuiveren, dan zoudt gij geredelijk ontwaren dat Mijn daden getuigen van de waarheid van Mijn woorden, dat Mijn woorden een richtsnoer zijn voor Mijn daden.

Verblind zijn uw ogen! Hebt gij niet de grootheid van de macht van God en van Zijn heerschappij waargenomen? Hebt gij Zijn majesteit en heerlijkheid niet gezien? Wee u, gij boosaardig- en afgunstiggezinden! Luistert naar Mijn woorden en draalt niet, al ware het slechts een seconde. Aldus gebiedt u Hij die de Schoonheid is van de Albarmhartige, opdat gij u moogt onthechten van de dingen die gij bezit en opstijgen tot de hoogten van waaruit gij de gehele schepping, beschut onder de schaduw van Zijn Openbaring, kunt onderscheiden.

Zeg: Er is geen toevluchtsoord voor u, geen schuilplaats waarheen gij kunt vluchten, geen mens die u kan verdedigen of beschermen in deze Dag tegen de grimmige toorn Gods en tegen Zijn geweldige macht tenzij en totdat gij de bescherming zoekt van Zijn Openbaring. Dit, waarlijk, is Zijn Openbaring die aan u openbaar is gemaakt in de persoon van deze Jongeling. Verheerlijkt daarom zij God voor zo'n stralend, zo'n onschatbaar, zo'n wonderbaarlijk visioen.

Onthecht u van alles buiten Mij en keert uw gelaat naar Mijn gelaat, want dit is beter voor u dan de dingen die gij bezit. De Tong Gods getuigt van de waarheid van Mijn woorden door Mijn eigen Woord dat de waarheid spreekt en alle dingen omvat en begrijpt.

Zeg: Denkt gij dat uw trouw aan Zijn Zaak Hem ooit zal baten, of uw verwerping van de waarheid ervan Hem enigszins kan schaden? Neen, bij Mij Zelf, de Albeheerser, de Ongenaakbare, de Hoogste! Scheurt de sluiers van namen uiteen en blijft hun koninkrijk trouw. Bij Mijn Schoonheid! Hij Die de Vorst is van alle namen, is gekomen, Hij, op Wiens bevel iedere afzonderlijke naam is geschapen - vanaf het begin dat geen begin heeft, Hij Die voort zal gaan ze te scheppen naar Zijn behagen. Hij, waarlijk, is de Almogende, de Alwijze.

Hoedt u dat gij u niet ontdoet van het gewaad van Gods leiding. Drinkt volop uit de Beker welke de hemelse Jongelingen boven uw hoofd hebben geheven. Aldus gebiedt u Hij die u meer genadig is dan u voor u zelf bent, Hij die geen enkele beloning of dank vraagt van u. Zijn beloning komt van Hem Die, door de macht der waarheid, Hem heeft neergezonden tot u, en Hem bestemde en uitriep tot Zijn eigen Getuigenis voor de gehele schepping. Hij heeft Hem gemachtigd al Zijn tekenen te openbaren. Kijkt nogmaals goed, opdat gij de dingen moogt waarnemen waartoe de Tong van de Aloude der Dagen u heeft opgeroepen, opdat gij misschien zult behoren tot hen die de waarheid hebben begrepen. Hebt gij uw vaderen van weleer, of de geslachten die hen voorgingen - zelfs tot aan de eerste Adam - ooit horen vermelden, dat iemand die op de wolken van openbaring komt, bekleed is met duidelijke en alovertreffende soevereiniteit, met aan zijn rechterhand het Koninkrijk van God en aan zijn linkerhand alle macht en heerlijkheid van Zijn eeuwigdurend rijk - iemand die vooraf is gegaan door de heerscharen van God, de Almachtige, de Onweerstaanbare, de Krachtigste, en onophoudelijk verzen uit waarvan het verstand van de meest geleerde en meest wijze mens niet bij machte is de betekenis te doorgronden, niettemin de drager zou zijn van een boodschap die niet van God is? Weest dan scherpzinnig en spreekt de waarheid, de zuivere waarheid, als gij beweert eerlijk en grootmoedig te zijn.

Zeg: De verzen die Wij hebben geopenbaard zijn even talrijk als de verzen die in de voorafgaande openbaring tot de Báb werden neergezonden. Laat degene die de woorden welke de Geest van God heeft gesproken in twijfel trekt, het hof van Onze aanwezigheid opzoeken en Onze goddelijk geopenbaarde verzen horen en ooggetuige zijn van het duidelijke bewijs van Onze aanspraak.

Zeg: Bij de rechtvaardigheid van de Almachtige! De maat van de gunsten Gods is geheel gevuld, Zijn Woord is vervolmaakt, het licht van Zijn aangezicht is geopenbaard, Zijn soevereiniteit heeft de gehele schepping omvat, de heerlijkheid van Zijn openbaring is geopenbaard, en Zijn milddadigheden zijn neergedaald op de gehele mensheid.




1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14


Dovnload 0.66 Mb.