Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Bouwen voor de God die naar mij heeft omgezien

Dovnload 22.23 Kb.

Bouwen voor de God die naar mij heeft omgezien



Datum28.10.2017
Grootte22.23 Kb.

Dovnload 22.23 Kb.

Preek
Jakob dus. Op reis. Alleen. Om alle avontuurlijke en romantische beelden die je daarbij zou kunnen hebben even uit je hoofd te zetten, denk even aan dat plaatje dat in de afgelopen week via twitter de wereld rondging van vluchtelinge uit Syrië die met haar kind het strand op, ergens in Griekenland terwijl om haar heen toeristen liggen te zonnen. Behoorlijk confronterend. Die reis, van die vrouw. Gevaarlijk, op de vlucht. Niet zeker weten waar je bent en of je zult aankomen of niet. Dat.
Zoiets heeft Jakob meegemaakt. Maar het was eigenlijk nog erger. Jakob gaat uit huis, op kamers bij zijn oom Laban. Maar de eigenlijke reden waarom Jakob wel weg moet, is dat zijn broer Ezau hem wil vermoorden. En dat komt omdat Jakob hem, en zijn vader Isaäk heeft bedrogen. Daar gaat hij dan. Een onzekere toekomst tegemoet. Een puinhoop achterlatend. Zijn vader en moeder zal hij nooit meer zien. En nu ligt hij, ver weg van de bescherming van zijn familie, zijn stam, te slapen in de buitenlucht. Later, als hij weer eens in Betel is, zal hij de situatie zelf als volgt samenvatten: ‘Laten we naar Betel gaan: daar wil ik een altaar bouwen voor de God die naar mij heeft omgezien toen ik diep in de ellende zat en die mij op mijn hele reis terzijde heeft gestaan.” Vers 10 noemt Paddan Aram Charan, dat betekent ook: terug bij af (Abraham kwam immers uit Charan).
Dan gebeurt er iets bijzonders. Op een dag, als de zon al is ondergegaan en Jakob ligt te slapen in de buitenlucht, krijgt hij een droom. Terwijl Jakob daar diep in de ellende ligt te slapen, neemt God een bijzonder initiatief. Dat moeten wij goed bedenken, want ergens zijn wij, zodra we de bijbel opendoen er op bedacht dat het verhaal wel over God zal gaan. Maar voor Jakob was dat zeker niet vanzelfsprekend. Tot nu toe hebben we niet uit de verhalen uit de bijbel kunnen opmaken dat Jakob nu zo bijzonder veel met God had. De enige keer dat we hem de naam van God horen noemen was terwijl hij zijn vader stond te bedriegen: ‘“Hoe heb je zo snel iets kunnen vinden, mijn zoon!” zei Isaak. En hij antwoordde [slide 2]: “Doordat de HEER, uw God, alles zo gunstig voor me liet verlopen.”’ Dat is vloeken. De HEER? God? Jakob ziet dat vooral als iets van Isaak, die hem ondanks de profetie bij de geboorte van de jongens, nooit echt had zien staan. Voor Isaak was het altijd biefstuk met Ezau.
In ieder geval, wat Jakob betreft betekende het afscheid van zijn familie ook het afscheid van de God van zijn familie. Dat blijkt ook uit vers 16, waar Jakob oprecht verbaasd is om deze God, de God van zijn familie, hier te ontmoeten. [leeg scherm]
Ik kan me nog goed herinneren hoe ik op kamers ging. Ik ging vrij jong en had er zin in. Maar toch voelde ik de eerste weken behoorlijk heimwee. Niet dat ik dat ooit zou toegeven aan iemand. Maar toch.

En in die eerste tijd gebeurde er iets dat ik sindsdien veel vaker zie gebeuren bij (jonge) mensen. Je wordt zelfstandig, er komt ruimte tussen jou en je familie, de plek waar je vandaan komt, en dat zorgt er ook voor dat je je ineens veel kritischer kunt verhouden tot waar je vandaan komt. Hoe was die relatie eigenlijk, met je vader of moeder, en hun relatie met elkaar? En hoe heeft dat jou beïnvloed? Hetzelfde geldt voor het geloof en de kerk van je ouders waar ze je jarenlang mee naartoe namen. Hoe zelfstandiger je wordt, hoe meer ook dat het geloof van je ouders wordt. Je zult, nu je op jezelf woont, gaandeweg zelf moeten beslissen hoe jij erin staat, moeten ontdekken wie God is voor jou. Wat je nu eigenlijk gelooft. En of je nog gelooft.


Voor Jakob was het wel duidelijk, denk ik. Hoewel het voor hem, in zijn tijd, uiteraard geen optie was om atheïst te worden of zoiets, was de God van Isaak niet die van hem.
Tegen die achtergrond is het niet alleen bijzonder dát God zich hier aan Jakob bekendmaakt, maar ook hoe Hij dat doet [slide 3]:
Ik ben de HEER, de God van je voorvader Abraham en de God van Isaak.’
Jakob heeft hier in ieder geval drie dingen uit kunnen opmaken. Het eerste, daar had ik het net al over, is dat de God die Jakob nu zelf ontmoet niet de privé-god van Jakob is, maar de God die zich al eerder had bekend gemaakt aan Abraham en Isaak. Abraham had God trouwens al eens eerder in de buurt van Betel aangeroepen. De God die Jakob tot nu toe geassocieerd had met de spruitjeslucht van de tent van Rebekka blijkt ook hier te zijn. En dus veel groter dan Jakob dacht! Daarom is hij ook zo onder de indruk: ‘wat een ontzagwekkende plaats is dit!’ roept Jakob uit. Jakob ontmoet dus dezelfde God – de God van zijn voorouders – op een totaal nieuwe manier. Dat is eigenlijk het mooist als je dat in het zelfstandig worden kunt ontdekken: dat God veel groter is dan wat je ouders ervan gemaakt hebben of aan jou hebben over kunnen dragen.
Het andere, nieuwe, is dat God hier op een subtiele manier duidelijk maakt dat hij op de hoogte is van de gevoeligheden uit de familie van Jakob. Hij stelt zichzelf voor als de God van ‘je voorvader Abraham’ maar niet als de ‘God van je vader Isaak’. Snap je?
Maar het mooiste vind ik nog dat God hier de God is die geen verwijten maakt. Als je iets wilt meenemen vanmorgen, dan dat. Moet je voorstellen: Jakob laat een gigantische puinhoop achter. Een puinhoop waar hij weliswaar niet in z’n eentje voor verantwoordelijk was, maar toch duidelijk zijn rol in heeft gespeeld.

En het eerste dat we dan horen van God is … geen terechtwijzing maar een zegen. Royaal, liefdevol. En zonder spoor van verwijzing naar Jakobs bedrog, zonder verwijten volgt er dan een herhaling van de zegen die God eens Abraham gaf:


Het land waarop je nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven. 14 Je zult zo veel nakomelingen krijgen als er stof op de aarde is; je gebied zal zich uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden. Alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jij en je nakomelingen. 15 Ikzelf sta je terzijde, ik zal je overal beschermen, waar je ook heen gaat, en ik zal je naar dit land terugbrengen; ik zal je niet alleen laten tot ik gedaan heb wat ik je heb beloofd.’ [leeg scherm]
Het enige is, Jakob reageert wat zuinigjes. Natuurlijk, eerst is hij zwaar onder de indruk. En later belooft hij een tiende deel van zijn bezittingen aan God. Maar daar tussenin, moet je eens luisteren, doet Jakob een gelofte [slide 4]:

Als God mij terzijde staat en mij op deze reis beschermt, als hij mij brood te eten geeft en kleren aan mijn lichaam, 21 en als ik veilig terugkom bij mijn verwanten, dan zal de HEER mijn God zijn.

Terwijl God van zijn kant helemaal over de brug komt, zonder terughouden, zonder reserves met een herhaling van de zegen van Abraham, houdt Jakob het simpel, bij wat hij nu, op dat moment nodig heeft: bescherming, brood, kleding, een veilige terugkomst, dan, en alleen dan zal de HEER (deze God, de God van Abraham en Isaak) ook zijn God zijn.

Het lijkt alsof al die grote woorden zo over het hoofd van Jakob heen vliegen. Hij kan op dat moment alleen nog zien wat hij nodig heeft. Naar analogie met de Pyramide van Maslov: mooie droom, God. Maar geef me eerst maar eens een boterham, een paar stevige schoenen en zorg ervoor dat ik onderweg geen ongelukken krijg. Dan zien we wel verder.

[leeg scherm] Dat is, zou je kunnen zeggen, aan de ene kant een beetje jammer. Vooral als je het vervolg van de geschiedenis kent. Over Jakob die bulkend van het vermogen, met vrouwen knechten en kinderen terugkeert.

Maar het is ook wel weer mooi. Want Jakob wist dat allemaal nog niet. Wat hij had was zijn wandelstok, een gigantisch familieconflict en dubbele herinneringen aan de tenten van Isaäk en Rebekka. Wie God echt is? Jakob staat hier pas aan het begin om dat te ontdekken. En God geeft hem hier die ruimte.

Natuurlijk is God niet Degene met wie je moet onderhandelen. Of de God die het geluk heeft dat er mensen zijn die hem dienen zolang hij hen voorziet van hun natje en hun droogje. Hij zou veel verder gaan. Véél verder.

Maar deze, gigantisch grote God, is niet te groot Jakob hier zijn weg te laten gaan met Hem. Dat vind ik zo mooi van die verhalen uit de bijbel. God geeft mensen de ruimte om te ontdekken wie Hij is. Het geduld. Jakob is, hoe oud, als hij droomt bij Betel? 40 misschien, ouder denk ik. Dan werkt hij nog 20 jaar bij Laban, voordat God weer begint te spreken. 60, 70 als hij de Jabbok oversteekt. En dan begint het pas. Ik bedoel maar. In de tussentijd geldt: ga maar, waag het maar. Probeer het maar. Zou God zich later niet ook zo bekendmaken aan Mozes: DE HEER: Ik-ben-die-Ik-ben-en-ik-zal-er-zijn. Je zou het ook eerbiedig zo kunnen zeggen: we zullen wel zien, ga maar.

Jakob wordt wakker. En er is een nieuw begin gemaakt. Voorzichtig, maar toch. Vandaag is het zondag. Toch ook bedoeld om een nieuw begin te zijn van weer een nieuwe week, zeker volgende week als we het Avondmaal vieren – en als we het allemaal bij elkaar nemen, wat krijgen we dan?

Voor de kinderen: als je naar de sterren kijkt, weet dan dat God er altijd is. En dat je bij een grote familie hoort, waar God voor zorgt. Kom je van ver, uit een ander land misschien zelfs, op begin je aan een nieuw avontuur dit seizoen in Delft: weet dat God ook hier is, ja overal!

Breng je zelf kinderen groot en vraag je je af wat je ze moet vertellen over God, worstel je zelf met manieren waarop jouw ouders God vroeger klein maakten, of ben je nog ouder en heb je wel het een en ander meegemaakt, misschien was het geloof vooral iets van vroeger maar wil je de draad weer oppakken? God is nooit ver weg. Hij steekt zijn hand naar je uit. Om te ontdekken wie Hij is. Voor het eerst of opnieuw. Hij is groter dan wij samen kunnen bedenken. Genadiger. Verrassender.

[amen]


Liturgie

Opening van de dienst


Psalm 150 (NLB 150a)
Schuldbelijdenis
Genadeverkondiging
Gezang 160
Kindermoment
Gezang 149
Gebed voor de opening van het Woord
Bijbellezing: Genesis 28,10-22
Verkondiging
Lied: Thy hand o God has guided
Voorbeden

Gezang 176b (Wij kiezen voor de vrijheid) 


Collecten  
Zegenlied: NLB 416

Zegen


Infoblad NL

Vandaag begint een korte serie zomerdiensten over Jakob. We volgen deze stamvader van Israël op zijn lange reis langs Betel, Charan en Pniel. Onderweg wordt Jakob uitgedaagd om het te wagen met God, terwijl hij ook zichzelf leert kennen. Vanochtend lezen we over de droom van Jakob bij Betel.



  • [leeg scherm]

  • Dovnload 22.23 Kb.