Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Canticum mariae: magnificat

Dovnload 216.13 Kb.

Canticum mariae: magnificat



Datum28.10.2017
Grootte216.13 Kb.

Dovnload 216.13 Kb.


CANTICUM MARIAE: MAGNIFICAT
1. Magnificat anima mea Dominum
2. Et exsultavit spiritus meus in Deo salutari meo.
3. Quia respexit humilitatem ancillæ suæ: ecce enim ex hoc beatam me dicent omnes generationes.
4. Quia fecit mihi magna qui potens est, et sanctum nomen eius.
5. Et misericordia eius a progenie in progenies timentibus eum.
6. Fecit potentiam in bracchio suo, dispersit superbos mente cordis sui.
7. Deposuit potentes de sede et exaltavit humiles.
8. Esurientes implevit bonis et divites dimisit inanes,
9. Suscepit Israel puerum suum recordatus misericordiæ suæ,

10.Sicut locutus est ad patres nostros, Abraham et semini eius in sæcula.

11. Gloria Patri, et Filio, et Spiritui Sancto

12. Sicut erat in principio, et nunc, et semper, et in saecula saeculorum. Amen
1. Groot maakt mijn ziel de Heer,
2. en mijn geest heeft zich verheugd om God mijn Redder.
3. Want Hij aanschouwde de nederigheid van zijn dienares: ja zie, van nu af aan spreken alle geslachten mij zalig.
4. Want grote dingen heeft Hij mij gedaan die machtig is, en heilig is Zijn naam.
5. En Zijn barmhartigheid is van nageslacht tot nageslacht, voor hen die Hem vrezen.
6. Hij heeft kracht getoond in Zijn arm, en hoogmoedigen in de gedachte van hun hart verstrooid.
7. Hij stootte machtigen van hun zetel, en nederigen heeft Hij verheven.
8. Hongerigen heeft Hij met gaven vervuld, en rijken heeft Hij leeg weggezonden.
9. Hij is Israël zijn dienaar te hulp geschoten, zijn barmhartigheid gedenkend,

10.Zoals Hij gesproken heeft tot onze vaderen, Abraham en zijn zaad in eeuwigheid.

11. Eer aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest,

12. Zoals het was in het begin, nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen.



Deutsches Magnificat (vertaling: Martin Luther)
1. Meine Seele erhebt den Herrn,
2. und mein Geist freuet sich Gottes, meines Heilands;
3. denn er hat die Niedrigkeit seiner Magd angesehen. Siehe, von nun an werden mich selig preisen alle Kindeskinder;
4. denn er hat große Dinge an mir getan, der da mächtig ist und des Namen heilig ist.
5. Und seine Barmherzigkeit währet immer für und für bei denen, die ihn fürchten.
6. Er übet Gewalt mit seinem Arm und zerstreut, die hoffärtig sind in ihres Herzens Sinn.
7. Er stößt die Gewaltigen vom Stuhl und erhebt die Niedrigen.
8. Die Hungrigen füllt er mit Gütern und lässt die Reichen leer.
9. Er denkt der Barmherzigkeit und hilft seinem Diener Israel auf,
10. wie er geredet hat unsern Vätern, Abraham und seinem Samen ewiglich.

11. Ehre sei dem Vater und dem Sohn und auch dem heilgen Geiste,

12. Wie es war im Anfang, jetzt und immerdar, und von Ewigkeit zu Ewigkeit. Amen.
Het Magnificat is een van de drie Bijbelse cantica of liederen uit Lukas 1, 46-55. Het heeft in de liturgie een vaste plaats aan het slot van de vespers (de avonddienst). De andere Nieuwtestamentische cantica zijn het Canticum Simeonis (Nunc dimittis, Lukas 2, 29-32, een vast onderdeel van de completen, waarmee de dag besloten wordt) en het Canticum Zachariae (Benedictus Dominus Deus Israel, Lukas 1, 68-79), gezongen tijdens de lauden (de ochtenddienst na de metten). Het Nunc dimittis zijn de woorden van de oude Simeon tijdens de opdracht in de tempel. Het Benedictus Dominus is het loflied van Zacharias bij de geboorte van zijn zoon Johannes de Doper. Zijn zwangere vrouw Elisabeth ontmoet de eveneens zwangere Maria, die God looft in het Magnificat.

Zoals bij de psalmen wordt in de vespers het Magnificat afgesloten met de kleine doxologie (Gloria Patri et Filio…).



Gregoriaans

Het Magnificat wordt gezongen op een formule die iets rijker is dan de reciterende psalmtoon. Er zijn meerdere formules die aangepast zijn aan de wisselende antifoon die voor en na het Magnificat wordt uitgevoerd. De antifoon is een kort gezang, een soort refrein voor, na en/of tussen de verzen van een psalm of gelijkaardige gereciteerde teksten. Er zijn acht eenvoudige zangformules en acht meer feestelijke (toni solemnes), elk van deze overeenkomstig een van de acht modi. De modi zijn de gebruikelijke gregoriaanse toonladders, elk met een eigen ambitus – d.i. de uitgestrektheid van de melodie - en finalis of eindtoon (re, mi, fa en sol).



Polyfonie tot ca. 1600

Naast het ordinarium van de mis is het Magnificat de meest frequent getoonzette liturgische tekst tussen ca. 1450 en ca. 1600. Deze populariteit is het gevolg van de liturgische praktijk, namelijk de vaste plaats van het Magnificat in de vespers. Vaak werden cycli van acht Magnificats gecomponeerd om te voldoen aan de eis van de acht modi (cf. het gregoriaans).

Belangrijke componisten van Magnificats zijn:

-15de eeuw tot ca. 1520: John Dunstable, Robert Fayrfax, Guillaume Dufay, Thomas Stoltzer, Johannes Martini, Jean Mouton, Pierre de la Rue, Alexander Agricola, Josquin Desprez, William Cornysh.

- 16de eeuw na ca. 1520 : Costanzo Festa, Ludwig Senfl, Nikolaas Gombert, Pierre de Manchicourt, Elzéar Genet Carpentras, Adriaan Willaert, Cristobal de Morales (zijn Magnifcats bleven uitzonderlijk populair, nog in de 18de eeuw werden ze gekopieerd door Jan Dismas Zelenka, componist aan het hof van de keurvorst in Dresden), Francisco Guerrero, Tomas Luis da Victoria, en vooral Palestrina (meer dan 30) en Orlandus Lassus (ca. 100) – in Portugal tot in de 17de eeuw: Manuel Cardoso (Lissabon, 1613).
Drie factoren hebben de vorm en de stijl van het Magnificat bepaald:

1. De invloed van de in een bepaalde periode courante schrijfwijze in de vocale muziek, waar het Magnificat bij aansluit. In het Magnificat volgen de componisten de stijlevolutie van de religieuze muziek (in de 15de eeuw relatief eenvoudige zettingen, in de 16de eeuw complexer – meer contrapuntisch en imitatief – aansluitend bij het eigentijdse motet).

2. De stijl wordt ook bepaald door de liturgische praktijken in een bepaald gebied en een bepaalde periode (bv. in Italië was lange tijd een eenvoudige polyfone voordracht gebruikelijk, bekend als falsobordone – in Duitsland, bv. bij Lassus in München, is het Magnificat vergelijkbaar met een ‘geleerd’ motet).

3. De belangrijkste factor is de invloed van de liturgische melodieformule, die tot ver in de barok vaak de basis vormt voor de polyfone zettingen. De liturgische functie van het Magnificat bepaalt ook de dominante vorm, namelijk als alternatim. Dit betekent dat verzen in het gregoriaans afwisselen met verzen in polyfonie (meestal de pare verzen, zodat de polyfonie begint met het tweede vers Et exsultavit spiritus meus). In die polyfonie wordt dan meestal de gregoriaanse formule op een of andere wijze geïntegreerd, bijvoorbeeld in brede notenwaarden in de tenorpartij, of licht geornamenteerd, maar ook als uitgangspunt voor imitaties in de andere stemmen. Ook canons en andere contrapuntische technieken komen voor. Ter afwisseling varieert soms de bezetting in binnenverzen (bv. twee- of driestemmig in een vierstemmig Magnificat). In de doxologie wordt als climax het aantal stemmen soms uitgebreid.

Sommige Magnificats zijn volledig polyfoon (onder meer een aantal van Morales en Victoria). In deze werken wordt alleen het eerste woord Magnificat in het gregoriaans geïntoneerd.

Bijzonder zijn de zogenaamde parodie-Magnificats, een specialiteit van Lassus. Deze refereren niet aan de gregoriaanse formule, maar ze zijn gebaseerd op een polyfoon model (een Latijns motet of een Italiaans madrigaal), wat vooral in de polyfone mis gebruikelijk was.


Barokperiode (ca. 1600-1750)
De voornaamste vernieuwingen in de vroegbarok, die aansluiten bij de algemene trends, zijn:

1. De utbreiding van de bezetting met zelfstandige instrumentale partijen (basso continuo, concerterende stijl).

2. De toename van expliciete tekstexpressie, zowel illustratief als emotioneel, waartoe een aantal woorden in het Magnificat aanleiding geven.

3. Het Magnificat wordt een uitgebreide compositie, zoals de cantate, in verschillende delen (vaak per vers), in een wisselende instrumentale (strijkers, blazers) en vocale (koor, een of meer solisten) bezetting.

Voorbeelden:

- Twee Magnificats van Claudio Monteverdi, opgenomen in de Mariavespers van 1610 (in een grotere en in een kleinere bezetting, naargelang de beschikbaarheid van zangers en instrumentalisten). Het zijn uitstekende synthesen tussen oud en nieuw: met overname van gregoriaanse melodieformules (zowel in het koor als in solodelen, ook met toevoeging van basso continuo, soms met de melodie geornamenteerd) enerzijds en puur instrumentale intermezzi en instrumentale ondersteuning in de vocale fragmenten anderzijds.

- Een mooi voorbeeld van een Magnificat uit de vroegbarok in monodische stijl is het Magnificat van Johann Hermann Schein (voor sopraan, tenor en basso continuo), verschenen in Opella nova, ander Theil geistlicher Konzerten (Leipzig, 1626).

- De typisch Venetiaanse meerkorige Magnificats van Giovanni Gabrieli (zeven voorbeelden, voor 8 tot 33 stemmen) en de monumentale Romeinse werken van Orazio Benevoli met stemmen en instrumenten (voor 8 tot 24 stemmen).

- In Duitsland componeerde Heinrich Schütz een Latijns (SWV 468), maar ook een Deutsches Magnificat: Meine Seele erhebt den Herrn (BWV 494), in de vertaling van Luther, dubbelkorig (achtstemmig, met basso continuo en instrumenten ad libitum). Het werk verscheen in Schütz’ laatste bundel gepubliceerd in 1671, één jaar voor zijn overlijden, bekend als Schwanengesang (hij was toen 86 jaar).

- Uit de laat-barok zijn o.m. te citeren: Magnificats van Alessandro Scarlatti, Johann Kuhnau, Jan Dismas Zelenka (ZWV 107 en ZWV 108), Johann David Heinichen, Georg Philipp Telemann, Antonio Vivaldi (meerdere, o.m. RV 610 en RV 611), Johann Sebastian Bach (BWV 243a en 243 - twee versies: de eerste uit 1723 met interpolaties van koraalliederen, bestemd voor Kerstmis, de tweede, aangepaste versie, zonder de koralen, dateert uit de jaren 1732-35) en Carl Philipp Emmanuel Bach (zijn vroegste groot vocaal werk, uit 1749).


Klassieke periode (ca. 1750-1800)
Magnificats in de klassieke periode zijn doorgaans beknopter, soms in één beweging (‘symfonisch’, zoals een deel van een symfonie of een sonate), geregeld met herhaling van meerdere verzen op dezelfde muziek. Vaak gaat de aandacht niet (meer) naar verregaande tekstexpressie, in tegenstelling tot de barok.

Voorbeelden: Johann Christian Bach (Milaan, 1758), Wolfgang Amadeus Mozart (Dixit en Magnificat, KV 193/186g, 1774 – in de Vesperae solennes, KV 339, 1780).

Uit de 19de eeuw is er weinig te vermelden (Franz Schubert, 1815; Felix Mendelssohn, 1822; Anton Bruckner, 1852). Sommige componisten uit de 20ste eeuw toonden opnieuw enige interesse voor het Magnificat, zo onder meer Kristof Penderecki (1974) en Arvo Pärt (1989).

Ignace Bossuyt



ignace.bossuyt@arts.kuleuven.be



  • Polyfonie tot ca. 1600
  • Barokperiode (ca. 1600-1750)
  • Klassieke periode (ca. 1750-1800)

  • Dovnload 216.13 Kb.