Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Carmen 75 (p. 35)

Dovnload 75.47 Kb.

Carmen 75 (p. 35)



Datum13.11.2017
Grootte75.47 Kb.

Dovnload 75.47 Kb.

Carmen 75 (p.35)
r.1: huc: tot zo ver

r.1: deducere: neerhalen, degraderen

r.1: mens tua mea culpa: gekruist hyperbaton

r.1: tua culpa: abl. v. oorzaak / abl. hv.

r.2: officium: toewijding

r.2: perdere: kapotmaken

r.3: ut: gevolgzin

r.3: si + fias: conj. praes.: potentialis

r.4 : omnia ≈ alle slechte dingen

VERTALING


Mijn geest is tot zo ver neergehaald door jouw schuld, Lesbia, en maakt zelf zichzelf zo kapot door zijn toewijding, dat hij jou niet graag meer kan zien, zelfs al zou je zeer goed worden, noch kan ze ophouden je te begeren, zelfs al zou je alle dingen doen.

Carmen 85 (p.37)
r.1: faciam: conj: IV
Bespreking

In dit gedicht zitten allemaal werkwoorden met tegengestelde betekenis:

odi  amo

faciam  fieri

nescio  sentio

 excrucior


VERTALING


Ik haat en ik bemin. Waarom ik dat doe, vraag je misschien? Ik weet het niet, maar ik voel het gebeuren en word erdoor gefolterd.

Carmen 51 (p.13)
Sapphische strofe: ingewikkeld metrum

 niet kunnen scanderen

 overgenomen van Sappho
r.1: deo: dat  par

r.1-2: ille … ille: anafoor: benadrukt jaloezie  hij

r.2: si fas est: hybris: je mag jezelf niet aan de goden gelijkstellen

r.3: identidem: steeds maar weer

r.3: te: acc  adversus

acc: lv  spectat

 audit

r.5: dulce: bijwoordelijke acc



r.5: dulce ridentem: sterk enjambement

r.5: ridentem misero: anithese

r.5: misero quod: inversie

r.5: misero: bijstelling  mihi

r.5-6: misero … mihi: hyperbaton

r.5-6: omnes … sensus: hyperbaton

r.6: mhi: dat. v. nadeel

r.7: est super = superest: tmesis

r.7: mi = mihi: dat. v. nadeel

r.7-8: nihil … vocis: hyperbaton: niets: hij is volledig ondersteboven

r.8: vocis: gen. v. geheel

r.9: tenuis: zacht

r.9-12: asyndeton: het gebeurt allemaal tegelijk

r.10: sonitu suo: abl. v. oorzaak

r.10: sonitu suopte: onomatopee voor suizen

r.10: lumina: metonymie

r.12: gemina nocte: hypallage

 abl. hv

r.12: lumina nocte: antithese

r.13: otium: polyptoton: benadrukt dat hij eens iets anders moet doen

r.15: polysyndeton

P.15

Catullus heeft dit verhaal vertaalt en er een ander einde aan geschreven:



  • Hij kende de 4de strofe niet

  • 4de strofe verandert

  • Aemulatio

VERTALING

Hij lijkt mij gelijk te zijn aan een god, hij lijkt mij de goden te overtreffen, als het geoorloofd is, die zittend tegenover jou steeds maar weer naar jou kijkt en naar jou luistert, terwijl jij zachtjes lacht, wat mij, ongelukkige, de zintuigen ontneemt: want zodra ik jou zie, Lesbia, blijft er niets van stem in mijn mond over, maar mijn tong is verlamd, een zacht vlammetje stroomt tot diep onder mijn ledematen naar beneden, mijn oren suizen door hun eigen geluid, mijn ogen worden bedekt door de dubbele nacht. Vrije tijd, Catullus, is lastig voor jou: jij bent overmoedig door vrije tijd en zozeer uitgelaten: vroeger al deed niets doen koningen en welvarende steden ten onder gaan.



Carmen 2 (p.16)
In de oudheid hield men wel vaker een vogel als huisdier
Het metrum dat Catullus gebruikt:

HENDECASYLLABUS: 11-lettergrepig vers

 kunnen herkennen, maar niet kunnen scanderen
r.1: passer: voc. m. enk

r.1: homoioteleuton: klagend

r.2: quem … (solet)

r.3: primum digitum: vingertop

r.4: (cui): dat. v. nadeel  incitare

r.5: cum: cum temporale

r.5: liber: iemand (dat.) heeft zin in/om

r.5: desiderium: abstractum pro contreto

verlangen  voorwerp van verlangen

r.5: nitenti < nitare: stralen

 part.  desiderio

r.6: nescio quid: spreektaal

 ik weet niet wat  zomaar iets

r.7: et » ut: opdat

r.7: solaciolum: troostje

r.8: ardor: liefde

r.8: adquiescat: conj.  doelzin

praes.: evident natijdig

r.9: te  musje

r.9: possem: conj. impf: onvervulbare wens heden


Dit soort gedichtjes is heel typisch voor de Alexandrijnse poëzie (dieren, voorwerpen, … worden aangesproken)

VERTALING

Musje, lieveling van mijn meisje, met wie zij gewoon is te spelen, dat ze gewoon is op haar boezem te houden, aan wie ze gewoon is haar vingertop te gevel, terwijl hij erin pikt, en aan wie ze gewoon is scherpe beetjes te ontlokken, wanneer het stralende voorwerp van mijn verlangen zin heeft om zomaar een schattig spelletje te spelen als troostje voor haar verdriet, ik geloof, opdat haar ernstige liefde dan tot rust komt: kon ik ook maar met jou spelen zoals zij en de droevige zorgen van mijn geest verlichten.

Carmen 92 (p.27)
r.1: dicit male: tmesis (woord in 2 gehakt)

 kwaad spreken over + dat. / ruzie maken met + dat.

r.2: dispeream: conj. praes.: vervulbare wens

 ik ben er zeker van dat ze van mij houdt

r.3: quo signo: abl. v. oorzaak

r.4: assidue: voortdurend


Catullus gebruikt hier een SYLLOGISME (redenering):

1) maeor alle mensen zijn sterfelijk

2) minor Socrates is een mens

3) conclusie Socrates is sterfelijk

- maeor: algemene waarheid

Als iemand kwaad over je spreekt, is hij / zij verliefd op jou

- minor

Lesbia spreekt kwaad over mij



- conclusie

Lesbia is verliefd op mij

 Hij wordt zot: hij ziet overal tekens dat Lesbia verliefd is op hem

VERTALING

Lesbia spreekt altijd kwaad over mij en zwijgt nooit over mij: ik mag doodvallen als Lesbia niet van mij houdt. Door welk teken (ik het weet)? Omdat de mijne even talrijk zijn: ik verwens haar voortdurend, maar ik mag doodvallen als ik haar niet bemin.

Carmen 5 (p.19)
r.1: vivamus  laten we ervan genieten

r.3: aestimare + gen. v. waarde: waard achten / beschouwen

 assis + unius

r.3: severiorum: te streng

r.3: omnes unius: antithese

r.4: soles: poëtisch meervoud

r.4: occidere: ondergaan

r.5: nobis cum: inversie

r.5: brevis lux occidit  als we sterven

r.6: una: aan een stuk door

r.9: usque: zonder te stoppen

r.11: conturbare: dooreen halen / schudden

 er mogen geen details gekend zijn, anders kan men je vervloeken

r.11: sciamus: conj.: doelzin  ne

r.12: quis = aliquis

r.12: possit: conj.: doelzin  ne

r.13: cum: cum causale

r.13: basiorum: gen. v. geheel


Opbouw

4 delen :



  • r.1-3:

  • vivamus

  • amemus

  • aestimemeus

  • r.4-6:

uitwerking van vivamus

  • r.7-9:

uitwerking van amemus

  • r.10-13:

uitwerking van aestimemus
Stylistisch

r.1: M-klank: zachte klank

r.1: W-klank: zwoele klank

r.2-3: S-klank: scherpe klank  geroddel

r.2-3: rumores omnes: hyperbaton

r.2: senum severiorum: alliteratie

r.3: unius assis: hyperbaton

r.5: lux: éénlettergrepig woord op het einde van een regel trekt de aandacht

r.7-9: deinde – dein: vervolgens

r.7-9: asyndeton

r.7-9: Epicuristisch: “carpe diem”-gedachte

r.13: tantum basiorum: hyperbaton

VERTALING

Laten we leven, mijn Lesbia, en laten we beminnen, en laten we alle roddels van te strenge oude mannen één cent waard achten! De zon kan ondergaan en terug opkomen: wanneer het korte licht voor ons eenmaal ondergaat, is het eeuwig nacht, die aan een stuk door geslapen moet worden. Geef mij duizend kussen, vervolgens honderd, daarna opnieuw duizend, daarna een tweede honderd, vervolgens zonder te stoppen opnieuw duizend, vervolgens honderd. Daarna, wanneer wij veel duizend kussen hebben gegeven, zullen we ze doorheen halen, opdat we het niet meer weten (hoe veel), of opdat geen slecht persoon ons kan beheksen, omdat hij weet hoeveel kussen er zijn.



Carmen 109 (p.31)
Dit gedicht is geschreven in elegische distischa.
r. 1: mea vita: voc.

r.2: perpetuus: voortdurend

r.2: hunc, nostrum: bijstellingen  amorem

r.2: nostrum nos: pleonasme

r.2: fore: inf. fut. v. esse

r.3: possit: conj.: volitiefzin

 praes.:evident natijdig

r.4: sincere + ex animo: pleonasme

r.5: tota vita: abl. v. tijd

r.5: ut: doelzin

r.5: aeternum sanctae foedus amicitiae : gekruist hyperbaton

r.6: foedus: verbond / verdrag

VERTALING

Mijn liefste, jij belooft mij dat deze liefde van ons tussen ons aangenaam en blijvend zal zijn. Grote goden, maak dat zij dat echt kan beloven en dat zij het oprecht en uit het hart zegt, opdat het ons is toegelaten dit eeuwige verdrag van heilige vriendschap gedurende ons hele leven voort te zetten.



Carmen 70 (p.31)
r.1: nulli: dat. v. nemo

r.2: petat: si + conj. praes.: potentialis

r.3: sed (id) quod…

 epigram

VERTALING

Mijn vriendin zegt dat ze men niemand liever wil huwen dan met mij, zelfs niet als Jupiter zelf haar zou vragen. Dat zegt ze, maar wat een vrouw aan haar verlangende minnaar zegt, moet met in de wind en op het snelstromende water schrijven.



Carmen 77 (Extra blad)
r.1: Rufus: één van de beste vrienden van Catullus

 pikt zijn vriendin

r.1: credite: voc. v. part. perf.

r.1: mihi: dat. hv.

r.1: amice: bvg

r.2: atque: verklarend  typisch poëtisch

r.2: magno malo: vaste abl. cum

r.3: subrepsti = subrepsisti

 repere: kruipen

r.3: mi = mihi: prefixdat.  subrepsisti

r.4: ei: ach

r.4: misero: bvg  mihi

r.5: eripuisti: de Romeinen hebben geen woordt voor “ja”, daarom herhalen ze het werkwoord

r.5: venenum: abstractum pro concreto

 Rufus wordt met slang vergeleken:

- besluipen

- gif inspuiten

VERTALING

Rufus, jij die door mij voor niets en zonder reden als vriend werd beschouwd (voor niets? in tegendeel ten koste van een zeer hoge prijs en grote ellende). Heb jij mij zo beslopen, en terwijl je mijn ingewanden verbrandde, ach, mij, ongelukkige, van al mijn bezittingen beroofd? Jij hebt weggeroofd, ja, ach ach, wreed gif van mijn leven, ach ach, verpester van onze vriendschap.

Carmen 107 (p.31)
r.1: obtigit + dat.

r.1: hiaat: geen elisie

r.2: animus: hart

 vaste dat.  gratum

r.2: proprie: bijzonder

r.3: quare = et eare: +/- pseudorelativum

r.3: auro: abl: 2e lid v.d. vergelijking

r.3: nobis: poëtisch mv.

r.4: se restituere: zich teruggeven / terugkomen

r.4: quod: verklarende zin  hoc

r.5: referre = restituere

r.6: lucem: acc. v. uitroep

r.6: candidiore nota: beschrijvende abl.

 merkteken

 zie ernaast!

r.7: vivit = est

r.8: 2e deel: retorische vraag

VERTALING

Als ooit iets te beurt valt aan iemand die het verlangt en het wenst, maar er niet meer op hoopt; is dat werkelijk aangenaam voor het hart. En daarom is dit ook aangenaam voor ons, kostbaarder dan goud, dat jij, Lesbia, je aan mij, die het verlangde, teruggeeft, jij geeft je terug aan mij die het verlangde, en er niet meer op hoopte, jij komt zelf terug naar mij. O dag, met helder wit merkteken! Wie is gelukkiger dan mij alleen, of wat is er meer te wensen dn dit leven? Wie zal het kunnen zeggen?

Carmen 72 (p.35)
r.1: nosse = novisse: kennen

r.1: dicebas: impf  ze heeft het veel gezegd

r.3: tantum: alleen maar

r.3: vulgus: gewone volk  de eerste de beste

r.3: dilexi: perf.  het is voorbij

r.4: pater ut: inversie: nadruk op pater

r.4: gener: schoonzoon  schoonfamilie

r.5: quare: +/- pseudorelativum

r.5: urere: in brand staan

r.6: vilis: goedkoop, minder waard

r.8: bene velle: graag zien

VERTALING



Jij zei ooit dat je Catullus als enige kende, Lesbia, en dat je zelfs Jupiter niet liever wil bezitten dan mij. Toen heb ik je liefgehad, niet zomaar zoals iemand van het gewone volk een vriendin, maar zoals een vader zijn kinderen en schoonfamilie liefheeft. Nu heb ik je leren kennen; en daarom, ook al sta ik heftiger in brand, ben jij toch veel minder waard en veel lichter voor mij. Hoe het kan, vraag je? Omdat zo’n onrecht een minnaar dwingt meert te beminnen, maar minder lief te hebben.


Horatius


Zie p. 52!!!
p 54-55:

  • epoden: gericht tegen hatelijke personen + spottende toon

  • satiren: hekelen van medeburgers

spottende toon, maar milder dan in de epoden

  • carmina = oden: Horatius heeft als eerste Latijnse auteur Griekse versmaten in het Latijn gebruikt

moraliserend werk (geeft richtlijnen voor hoe je moet leven) + algemeen idee geven

  • epistulae: filosofische inhoud

  • carmen saeculare

Solvitur acris hiems (p.60-61)
Horatius schrijft dit gedicht naar aanleiding van een feest voor de god Faunus, gevierd in Februari  lentefeest. Horatius brengt een bezoek aan Sestius om mee te kunnen vieren.
r.1: vice: de terugkomst

 abl. hv

r.1: ver, veris: de lente: ondgen

r.1: Favoni: de zwoele Westenwind: ondgen

r.2: carina: pars pro toto

r.2: siccas: droog

r.2: gaudere + abl. v. oorzaak

 stabulis & igni

r.5: chorus: reidans

r.5: Venus: godin van liefde & vruchtbaarheid  +/- lentegodin

r.6: Gratiën: 3 vergezellen van Venus, godinnen van bekoorlijkheid

r.7: quatere: bekloppen, kloppen op

r.7: alterno pede: abl. v. wijze

r.7: graves: want zwaar werk / zware Cyclopen

 hypallage

r.8: Vulcanus & lente: man van Venus + bliksems maken voor zomer onweer + woont onder Sicilië (= plaats waar verhaal zich afspeelt)

r.8: ardens: want zwetend / blakend van ijver

r.9: viridus: groen

r.9: viridi myrto: abl. v. middel

r.9: nitidum: glanzend: parfum was in de vorm van olie

r.10: solutae ≈ ontdooit

r.11: lucis < lucus: woud

r.11: umbrosis: schaduwrijk

r.12: agna + haedo: abl. v. middel

r.12: poscat + malit: conj. praes: potentialis

r.13: pallidus: bleek

r.13: pulsare: kloppen / schoppen tegen

r.13: taberna: hutje

r.13: aequo: gelijke

r.13:  geniet nu, voor de dood komt

r.15: summa: het totaal

r.16: Manes: schimmen (van doden)

r.16-17: drieledigheid met groeiende leden: iets 3 keer zeggen en het elke keer langer maken:

nox – fabulaeque Manes – domus exilis Plutonia

r.17: deel 1  onderwereld

r.17: quo = et eo: en daarheen

r.17: mearis: meaveris: ind. fut. ex.

r.17: sortiere = sortieris: ind. fut. simplex van sortiri: iets verkrijgen door te loten

r.18: talus: dobbelsteen

r.18: mirabere = miraberis < mirari

r.18: Lycidas: mooie jongen

r.18: quo: abl. v. oorzaak

VERTALING
De scherpe winter wordt opgelost door de aangename terugkomst van de lente en de zwoele Westenwind, de windassen trekken droge schepen naar het water, en het vee is niet meer blij door de stal, noch is de landbouwer blij door het haardvuur, noch zijn de weiden winter door helderwitte rijm. Venus van Cuthera voert de reidans al aan terwijl de maan erboven hangt en de bevallige Gratiën, verbonden ( hand in hand) met de nimfen, kloppen op de aarde met afwisselende voet, terwijl Vulcanus brandend de zware werkplaatsen van de cyclopen bezoekt. Nu past het om ofwel het glanzend hoofd te omkransen met groene mirte ofwel met bloemen, die de losgemaakte ( ontdooide) aarde draagt. Nu past het ook om in schaduwrijke wouden aan Faunus te offeren, hetzij hij het vraagt met een ooilam, hetzij hij het liever wil met een geitenbok.

De bleke dood schopt met gelijke voet tegen de hutjes van de armen en tegen de torens van de koningen. O, welvarende Sestius, het totaal van het korte leven verbiedt ons lange hoop ( hoop o een lang leven) te koesteren. Weldra zal de nacht jou kwellen, namelijk de schimmen van de verhalen en het ijle, Plutonische huis; en zodra jij daarheen zal zijn gegaan, zal jij het koningsschap van de wijn niet verkrijgen met de dobbelstenen, noch zal jij de jonge Lycidas bewonderen, door wie alle jeugd nu in vuur en vlam staat en de maagden weldra zullen branden.



Tu ne quaesieris (p.68)
Leuconoë: Grieks voor “wit” + “geest”  een meisje, simpel van geest
r.1: quaesieris = quaesiveris: conj. perf ( gesyncopeerd)  verbod bij ne+ conj. perf.

r.1: quem … quem: anafoor benadrukken dat Leuconoë er veel mee bezig is

r.1: quem mihi, quem tibi: homoioteleuton

r.2: di dederint: alliteratie

r.2: dederint: voortbestemmen

 conj: IV  quaesieris

 perf: voortijdig

r.3: temptaris = temptaveris: gesyncopeerd

 conj. perf.: verbod

 afleiden, te weten komen

r.3: ut: uitroep

r.4: tribuere: geven

r.4: (hanc hiemem): antecedent van quae

r.4: ultimam: bvg  hanc hiemem

r.5: opponere: ertegenover plaatsen

r.5: oppositis pumibicus: abl. v. middel

zoals de zee zich tevergeefs verzet tegen de rotsen, zo is ook het verzet van de mens tegen het lot ( de dood) zinloos

r.6: spatio brevis: abl. v. oorzaak

r.6-7: sapias & liques & reseces: 3 keer aansporende conj.

r.6-7: drieledigheid met groeiende leden

r.7: fugerit: ind. fut. ex. in de hoofdzin : benadrukt snelheid

 de tijd gunt ons het leven niet

r.7: resecare: afsnijden

r.8: postero: vaste dat  credula

r.8: credula: vrouwelijk want verwijst naar / staat bij Leoconoë

r.8: quam + superlatief: zo … mogelijk


VERTALING


Jij, Leuconoë, vraag niet welk einde de goden voor mij, welk voor jou hebben voortbestemd – het is niet toegelaten het te weten – probeer niet wijs te geraken uit berekeningen van Babylonische astrologen. Hoeveel beter is het, al wat zal zijn, te aanvaarden! Hetzij Jupiter nog meerdere winter geeft, hetzij hij deze als laatste geeft, die nu de Tyrreense zee verzwakt met ertegenovergeplaatste rotsen, wees wijs, zuiver de wijn en snijd lange hoop af wegens een korte levensduur. Terwijl wij spreken, zal misgunde tijd gevlucht zijn; pluk de dag, zo weinig mogelijk vertrouwend op de volgende dag.

Nunc est bibendum (p.73)
Dit gedicht is geschreven in de feestroes na de overwinning op Cleopatra (na de slag bij Actium).
r.1: bibendum: gerundivum: onz. want het is onpersoonlijk

pn  nunc est

r.1: pede libero: abl. v. wijze

r.2: pulsanda: gerundivum

 pn  tellus

r.3: dapis: gerecht

r.2-4: saliaribus dapibus: abl. v. middel

 hyperbaton: zeer luxueus

r.2: Saliaribus: de Salii waren priesters van Mars, die hun jaarlijks feest afsloten met een luxueus banket

r.1-4: drieledigheid met groeiende leden

r.6: cellis avitis: abl. locatief

r.5-6: Caecubum cellis avitis: hypallage

r.6: Capitlio: dat. v. nadeel

r.7: regina dementes ruinas: hypallage

r.7: dementes: waanzinnig

r.7: ruinas: ondergang

r.7: regina : zeer zwaar woord : het verwijst naar de tijd van de Romeinse koningen

 koningen betekenen voor de Romeinen tirannie

r.7: regina ruinas: alliteratie + homoioteleuton: een koningin staat gelijk met de ondergang

r.6-8: Capitolio ruinas funus imperio: chiasme: zij beraamt de totale ondergang van het rijk

r.8: funus et: inversie

r.8: parare: beramen

r.8: imperio: dat. v. nadeel

r.9: contaminato cum: alliteratie

r.10: morbus: afwijking

 abl. v. oorzaak

r.10-11: niet in staat het eender wat hopen te beheersen

 grootsheidwaanzin = megalomanie

r.12: ebria: enjambement

r.12: fortuna dulci: abl. v. oorzaak

r.13:  actium

r.14: Mareotico: abl. v. oorzaak

r.15: redigere: terugbrengen tot

r.16: Caesar = Octavianus

r.16: volantem: Cleopatra wilde niet in een triomfstoet lopen en daarna gedood worden. Ze wou eervoller sterven.

r.17: remus: roeispaan

 pars pro toto

r.17: accipiter velut: inversie

r.19-20: campis nivalis Haemonia: hypallage

r.20: daret ut: inversie

r.20: daret: conj. impf: ut + volitiefzin

 evident natijdig

r.20: catenis: dat mv

r.21: fatale monstrum: enjambement na lange zin

r.21: quae = sed ea: pseudorelativum

r.21: generosius: Cleopatra wilde niet in een triomfstoet lopen en daarna gedood worden. Ze wou eervoller sterven

r.22: perire: ten onder gaan

r.23: ensem: zwaard  dood

r.26: vultu sereno: abl. v. wijze

r.26: fortis: nom: bvg  ond. v. ausa est

r.26: asper: gevaarlijk

r.28: corpore: abl. v. middel

r.28: combiberet: conj: volitiefzin

 impf: evident natijdig

r.29: deliberata morte: abl. v. oorzaak / LA

r.29: ferocior: bvg  ond. v. ausa est

 koppiger

r.30: Liburnis: metonymie schepen van Octavianus

r.30: privata: een privépersoon  een onttroonde koningin

 bvg  ond. v. ausa est

r.31-32: superbo triumpho: dat. v. doel

r.32: non humilis: litotes


p.76!

VERTALING



Nu moet er gedronken worden, nu moet met vrije voet de aarde beklopt worden, nu is het tijd om het kussen van de goden te versieren met Salische gerechten, kameraden. Vroeger was het niet toegelaten Caecubische wijn uit de voorvaderlijke voorraadkamers tevoorschijn te halen, zolang de godin voor het Capitool een waanzinnige ondergang en voor het rijk een neergang beraamde, met haar ziekelijke kudde van door een afwijking besmette mannen, niet in staat het eender wat hopen te beheersen en dronken door het zoete lot. Maar het feit dat nauwelijks één schip ontsnapte aan de vlammen, temperde haar uitgelatenheid, en Octavianus bracht haar door Mareotische wijn bedwelmde geest terug tot gegronde vrees, terwijl hij haar, terwijl zij wegvluchtte van Italië, met schepen achternazat, zoals een havik zachte duiven of een snelle jager een haas opjaagt op de velden van het besneeuwde Haemoniae, om het onheilbrengende monster aan de kettingen te geven. Maar zij, die eervoller wilde ten onder gaan, schrok niet zoals een vrouw doodsbang terug voor het zwaard, noch trachtte ze met een snelle vloot verborgen kusten te bereiken. Zij heeft het aangedurfd haar ten onder gegane paleis te bezoeken met een sereen gelaat en dapper gevaarlijke slangen vast te houden om het zwarte gif met haar lichaam op te zuigen, strijdlustiger door haar weloverwogen dood: terwijl ze het namelijk aan de geduchte Liburnische schepen, als niet nederige vrouw, niet gunde te worden weggeleid als onttroonde koningin voor een trotse triomftocht.
Bespreking

  1. Opbouw

  • inleiding: r.1-4: we moeten feesten

  • 3 delen:

  • r.5-12: hoe het vroeger was: de dreiging

  • r.12-21: Octavianus bedwingt het gevaar

  • r.21-32: einde van Cleopatra

in deze drie delen: drieledigheid met groeiende leden  effect van climax

  1. Personages

  • r.5-12: Cleopatra: negatief voorgesteld, gemeen, megalomanisch

  • r.12-21: Octavianus: held (Caesar staat in het midden van het gedicht omdat het een ering van Octavianus is)

  • r.21-32: Cleopatra: positiever voorgesteld, ze heeft een sterk karakter  een metamorfose ondergaan

  1. Stilistisch

  • r.1-4:

  • r.5-12:

  • r.5: ellips van est

  • r.6-8: Capitolio ruinas funus imperio: chiasme: ze beraamt de ondergang van heel het rijk

  • r.6: cellis avitis: hypallage

  • r.7: regina ruinas: alliteratie: een koningin staat gelijk met de ondergang

  • r.7: regina ruinas: homoioteleuton: een koningin staat gelijk met de ondergang

  • r.7: dementes ruinas: hypallage: de koningin is zeer geschift

  • r.8: funus et: inversie: nadruk op de ondergang

  • r.9-10: contaminato morbo: hypallage: niet alleen zij is ziek van geest, ook haar gevolg is ziek(elijk)

  • r.9: contaminato cum: inversie + alliteratie: niet alleen zij is ziek van geest, ook haar gevolg is ziek(elijk)

  • r.12: enjambement van ebria

  • r.12: ebria  furorem: contrastversterking

  • r.12-21:

  • r.14: M- en L-klanken: week en vrouwelijk

  • r.17: remus: pars pro toto

  • r.17: accipiter velut: inversie: vergelijking tussen Octavianus en een havik in de verf zetten

  • r.19-20: campis nivalis Haemonia: hypallage

  • r.20: daret ut: inversie

  • r.21: enjambement van fatale monstrum: nadruk op gevaar voor het rijk

  • r.21-32:

  • r.25: ausa et: inversie: ze is veranderd

  • r.26: fortis et: inversie: ze is veranderd

  • r.26-27: S-klanken: scherp en sissend, snijdend

  • r.31-32: superbo triumpho: hyperbaton: nadruk op grootsheid van triomftocht

  • r.32: non humilis: litotes: nadruk op Cleopatra’s sterk karakter, ondanks alles

Exegi monumentum (p.95)
Dit is het laatste gedicht van de drie boeken carmina die Horatius tegelijk publiceerde. Hij kijkt terug op zijn prestatie.  laatste gedicht van de oden
r.1: aere < aes: brons

 abl. 2de lid v.d. vgl

r.1: perennius: acc. onz. enk. v. perennis

r.1: possit: conj praes: betrekkelijke zin met gevolgschakering

 OF potentialis

r.5: temporum: ondgen  fuga

r.6: omnis: bvg  ond. v. moriar

r.6: mei: gen v. geheel

r.6: postera laude: abl. v. oorzaak

r.8-9: voor de Romeinen is dit eeuwig

r.10: dicar: persoonlijk passief

r.10: Aufidus: rivier in Horatius’ geboortestreek Apulia

r.11: Daunus: mythische koning uit Horatius’ geboortestreek Apulia

r.11: pauper aquae: hypallage: eigenlijk bij de streek

r.11: aquae: vaste gen  pauper

r.12: regnare + vwgen (agrestium populorum)

r.13: Aeolium carmen: dit slaat op de poëzie uit Aeolië (streek in Griekenland); de dichters Alcaeus en Sappho komen daarvandaan. De benaming geldt algemeen voor de Griekse poëzie.

r.14: deducere: overbrengen, aanpassen

r.14: sume superbiam: alliteratie

r.14: sume: neem op

r.14: superbia: trots

r.15: meritis: abl. v. oorzaak

 < meritus: verdienste

r.15: mihi: dat. v. voordeel

r.15: volens: welwillend

r.15: comam: het haar

r.15: cingere: bekronen

r.14-15: Delphica lauro: abl. v. middel

VERTALING

Ik heb een monument voltooid, duurzamer dan brons en hoger dan de verweerde koninklijke piramiden (letterlijk: dan de koninklijke verwaarlozing van de piramiden), dat noch een aanvretende regenbui, noch een onbeheerste noordenwind zou kunnen verwoesten of een ontelbare reeks van jaren of de vlucht van de tijden. Ik zal niet helemaal sterven, een groot deel van mij zal de dood ontwijken: ik zal eeuwig jong, eeuwig groeien, door lof bij het nageslacht, zolang als de pontifex met een zwijgende maagd het Capitool zal beklimmen. Daar war de onstuimige Aufidus bruist en daar waar Daunus, arm aan water, geregeerd heeft over het landelijke volk, zal men zeggen dat ik, machtig uit een nederig geslacht, als eerste de Aeolische poëzie heb aangepast aan Italiaanse versmaten. Neem de trots, verworven door verdiensten, op en kroon welwillend mijn haar met Delphische laurier, Melpomene.



Bespreking


  1. Opbouw

  • r.1-5: mijn werk zal eeuwig bestaan

  • r.6-9: zo zal ik eeuwig leven

 steeds specifieker: vierledigheid

  • r.10-14: waar ik trots op ben

  • r.14-16: aanroeping van muze

  1. Stilistisch

  • r.3-5: drieledigheid met groeiende leden

  • r.3: anafoor van non: nadruk op eeuwigheid van het werk

  • r.5: annorum series fuga temporum: chiasme met homoioteleuton

  • r.6-9: vierledigheid met groeiende leden: Horatius wordt steeds concreter

  • r.13: princeps vooraan

  • r.14: alliteratie

  • Solvitur acris hiems (p.60-61)
  • Nunc est bibendum (p.73)

  • Dovnload 75.47 Kb.