Chg nieuwsbrief, nummer 3 (november 2007) Nieuwsbrief van de Chemie-Historische Groep van de kncv

Dovnload 53.29 Kb.

Chg nieuwsbrief, nummer 3 (november 2007) Nieuwsbrief van de Chemie-Historische Groep van de kncv

Grootte53.29 Kb.

Dovnload 53.29 Kb.

CHG Nieuwsbrief, nummer 3 (november 2007)
Nieuwsbrief van de Chemie-Historische Groep van de KNCV
1. CHG bijeenkomst in Hasselt, 24 november 2007: De Wijze en de Dwaas: De perceptie van de alchemist door de eeuwen heen.
2. Verslag van de Studiemiddag Geschiedenis van de Koninklijke Shell, georganiseerd door het NEHA op vrijdag 7 september 2007 te Amsterdam.
3. Verslag van de CHG-bijeenkomst “Peter Debye aan/en een zijden draadje”, op het KNCV Voorjaarscongres op 19 april 2007 in Ede.
4. Discussiedossier Peter Debye.
5. Verslag van de 6e International Conference on the History of Chemistry (6ICHC) over ‘The Evolving Identity of Chemistry’, gehouden te Leuven, van 28 augustus tot 1 september 2007.


1. CHG bijeenkomst in Hasselt, 24 november 2007: De Wijze en de Dwaas: De perceptie van de alchemist door de eeuwen heen.

Onder de titel “De wijze en de dwaas: De alchemist in woord en beeld” organiseert het Jenevermuseum in Hasselt (België) een tentoonstelling van 16 september 2007 tot 6 januari 2008. Zie ook het bericht in het laatste nummer van C2W.

Adres: Witte Nonnenstraat 19 · b-3500 Hasselt

tel. 011-23 98 60 · fax 011-21 10 50

jenevermuseum@hasselt. be

www. jenevermuseum. be
Samen met de Chemie-Historische Groep, de Sectie Historiek van de KVCV en het Genootschap GeWiNa organiseert het Jenevermuseum op zaterdag 24 november 2007 het symposium: “Symposium De wijze en de dwaas: De perceptie van de alchemist door de eeuwen heen”. Hierop worden verschillende verbanden tussen alchemie, beeldende kunst én distilleerkunst belicht en worden nieuwe inzichten hierover worden voorgesteld.
U bent van harte welkom!! Voor opgave, zie hieronder.
10.45 · 11.00 Ontvangst met koffie.
11.00 · 11.05 Inleiding, prof. em. Hendrik Deelstra, Universiteit Antwerpen.
11.05 · 11.35 Ontstaan en evolutie van de alchemie in de Nederlanden, prof. dr. Eric Van Schoonenberghe, Katholieke Hogeschool Sint-Lieven Gent.
11.35 · 12.05 Alchemist/Alghe mist. Het beeld van de alchemist in de zeventiende-eeuwse schilderkunst van de Lage Landen, dr. Karolien De Clippel, FWO-Vlaanderen.
12.05 · 12.35 De collectie Brinkman: alchemisten in de prentkunst, prof. dr. Harry Snelders, Universiteit Utrecht & Vrije Universiteit Amsterdam.
12.35 · 13.35 lunch in het Borrelhuis
13.35 · 14.15 De wijze en de dwaas. De alchemist in woord en beeld. Rondleiding in de tentoonstelling, Davy Jacobs, Nationaal Jenevermuseum
14.15 · 14.45 Isaac Hollandus, de alchemist van Stolwijk?, dr. Annelies van Gijsen, Universiteit Gent & Universiteit Antwerpen.
14.45 · 15.15 De alchemie van verfstoffen, prof. dr. Ernst Homburg, Universiteit Maastricht.
15.15 · 15.45 Glauber and the Low Countries , dr. Brigitte Van Tiggelen, voorzitter Mémosciences.
15.45 · … Receptie in het proeflokaal van het Nationaal Jenevermuseum.
Waar? ’t Borrelhuis (tegenover het Nationaal Jenevermuseum).
Deelnameprijs 15 euro (incl. broodjeslunch).
Inschrijvingen Nationaal Jenevermuseum, tel. 00-32-11-23 98 60 of jenevermuseum@hasselt. be


2. Report on the “Studiemiddag Geschiedenis van de Koninklijke Shell”, organised by the NEHA on Friday, September 7, 2007.
On the occasion of the recent publication of the new company history of Shell, “A History of Royal Dutch Shell”, a study meeting was organised by the NEHA (Nederlandsch Economisch-Historisch Archief) on 7 September 2007. The authors Jan Luiten van Zanden (“Introduction: Royal Dutch/Shell in the 20th century”), Joost Jonker (“Empire builder under a cloud”), and Keetie Sluyterman (“Steering Shell through periods of high and low oil prices”) presented some of the highlights of this history, while after a break the book, or rather books, 9. 6 kg of them, was discussed by Jim Bamberg (historian of BP, U. Cambridge) and Hein Klemann (Erasmus U. ). The meeting was chaired by Ben Gales (RU Groningen), and attended by about 50 people.
Luiten van Zanden presented an overview of the main trends in Shell’s history in the last century, in comparison with Standard/Exxon and BP. This history was characterised as the ‘slowest merger in history’, in that first talks were already held in 1896, and the Royal Dutch Shell group was formed in 1907 (with central offices both in London and The Hague), but the final merger only took place in 2005. He proposed the following rough periodisation: (i) 1907 –1920s, spectacular success (keen technological interest, very good fit of the two cultures (Dutch/technical + British/marketing), effectively one of the first global companies, strong Shell brand from the beginning), (ii) 1920s – 1950s, expanding with the market (in step with the competition), (iii) 1950s – 1970s, falling behind a bit, it seems, but a golden age for research, (iv) 1970s – mid 1990s, new success, strong in new activities (e. g. , natural gas, deepwater operations, based on the R&D of the previous period), and (v) post mid-1990s, apparently losing its touch a bit (technical expertise seems te decline, abandonment of the matrix organisation). It will be interesting to see how the finally merged company will fare in an age of strong national oil companies.
The central rôle of Henri Deterding in the first third of Shell’s history, already alluded to by Luiten van Zanden, was the focus of the contribution of Jonker. This speaker indicated that Deterding joining Shell was a bit of serendipity. According to him, the spectacular early success of Shell was mainly due the exceptional gifts of Deterding: he had a great facility in numbers, a strong vision (a. o. work at world scale, produce near to market – the expansion into the US took them through the World Wars – cross-fertilisation), and an ability to lead a very strong managerial team. In Jonker’s view Deterding was typically a wheeler-dealer, which was fine in the 1910s, but became a liablility later on. The deterioration of his leadership was discussed in some detail, the worst consequence to Shell being that it should have reorganised somewhere before 1930, but didn’t.
Sluyterman then talked us through the period from the first oil crisis of 1973 to 2005, “running to stand still” – even to keep oil production up one has to find new fields, or new production technologies. This period saw various diversifications (metals, nuclear, coal, extending into chemicals), which however were all fairly unsuccessful, but also exciting technological innovation (see above). In the wake of the 1986 oil price collapse, the emphasis was on cutting costs etc. , and the company was reorganised into operating companies + business units. Societal movements also began to have some impact, which was countered by slogans such as “manage the issues” and “share the paradoxes of conflict”, but as, e. g. , the Brent Spar and Nigeria issues show, acting on those slogans is not easy. Finally, mergers in the oil business, the oil-reserves affair, and rising again oil prices, drove the merger process to its ultimate completion. There is a restatement of interest in technology in recent years, in order to remain an interesting partner for national oil companies.
The first of the discussants, Bamberg, wasn’t quite sure he now understood how Royal Dutch Shell actually worked – the organisation appears to have been rather chaotic, and it remains a bit unclear how the functional and regional operations were managed – was Deterding’s rôle (also) like Tito’s: preventing in-fighting of the different “blood groups”? – Bamberg liked the emphasis on technology, but he still thought that something essential was missing here, viz. how coporate R&D related to operations throughout Shell’s history (what was the source of new technologies; how about transfer management?). In his view, it was Shell’s lagging behind in oil production in the 50s & 60s, that forced it to develop difficult E&P technology and to go in for product differentiation (to make the most of the oil it had). He ended with the query whether the now financially, rather than operationally integrated company can adapt to the world of New Capitalism.
Klemann, on the other hand, opined that Shell in its early period was rather like the VOC (monopoly – keep others out – violent), while after the 1920s general management was confined to “looking after the shop”. His other main point was that staff matters & employment history was almost entirely missing from the book(s) & that politics (both ways, Shell <-> governments) was a bit left out as well.
In the ensuing general discussion it emerged that most of “A History of Royal Dutch Shell” can be accepted as a good & thorough historical guide, but there is one big missed opportunity, and that is, of all things, the R&D coordination (see Bamberg’s criticism – there is also very little on university relationships) – this is a lacuna that needs to be filled, so let’s hope that one of the authors of the book(s) will find an opportunity to do this!
Rob van Veen, 3 oktober 2007


3. Verslag van de CHG-bijeenkomst “Peter Debye aan/en een zijden draadje”, op het KNCV Voorjaarscongres op 19 april 2007 in Ede.
Op de voorjaarsconferentie van de KNCV in Ede, op 19 april 2007, werd tijden de parallelle middagbijeenkomst in de Kernhem 4 zaal door de Chemie historische groep het onderwerp van de recente discussie rond Peter Debije aangesneden. Het zaaltje was overvol, zoals te verwachte trok het actuele onderwerp veel geinteresseerden.
Drie sprekers waren uitgenodigd om over het onderwerp hun visie kenbaar te maken. Elk had daarbij een eigen invalshoek.
Allereerst gaf Hans Spanraay een beeld van Debije als wetenschaps mens. Dit was des te interessanter omdat hij nog persoonlijk met hem gewerkt had. Debije werd gekenmerkt als niet onvriendelijk, maar toch weinig toegankelijk. Hij had er een hekel aan om in een uitgebreide dialoog zijn werk achteraf toe te lichten. Zijn antwoord op detailvragen was dan steevast:"maar dat weet je toch wel", of "dat heb ik toch al verteld". . Zij stijl van werken deed wel denken aan die van Constantijn Huygens, die ook een onderwerp tot een, in zijn ogen, afgerond onderzoek behandelde en er daarna niet vaak meer op terug kwam. De manier waarop hij de problemen aansneed waren, vooral mathematisch, van een bijna onnavolgbaar hoog niveau.

Gijs van Ginkel, uit Utrecht behandelde niet het vroegere werk van, maar het recent ontstane conflict rond Debije. Hij concentreerde zich begrijpelijk vooral op de situatie die zich daardoor binnen de universiteit van Utrecht had ontwikkeld. Dit conflict gaat niet alleen meer over de politieke houding van Debije in de jaren vlak voor de oorlog in Duitsland, maar nu ook over de vrijheden op de universiteit. De vrijheden van onderzoek en publicatie en zelfs meer algemeen de vrijheid van meningsuiting. Een buitengewoon belangrijk conflict dus eigenlijk. Dit kon gezien de aard van de vergadering alleen maar aangestipt worden. Het heeft hopelijk echter iedereen tot nadenken gebracht. Later kwam de dekaan van de faculteit uit Utrecht hierop in een -persoonlijke- reactie nog terug, waarbij hij de belangstellenden opriep om nu eerst het nadere onderzoek af te wachten alvorens het conflict eventueel verder uit te diepen.

Hans Wijberg was tamelijk stellig in zijn overtuiging dat de bestuurders, niet alleen een inhoudelijk, maar ook formeel onjuiste beslissing hadden genomen met het uitbannen van de naam van Debije van hun Instituten.

Commentaar Jan Dijk:

De feiten zijn voor iedereen wel duidelijk. Deze zullen door het NIOD onderzoek wel genuanceerd, maar in hoofdzaak wel bevestigd worden.

Debije kon zich op zijn post in Duitsland in de jaren vlak voor de oorlog natuurlijk alleen maar handhaven door een zekere mate van conformeren aan het regime, anders had hij eerder weg moeten gaan. Hoe wij achteraf over zijn aanblijven denken is ieders persoonlijke keus.

Voor officiele bestuurders bijvoorbeeld van Universiteiten ligt dat moeilijker.

Deze hebben de taak beslissingen te nemen. Wie die beslissingen moet sanctioneren is mij niet duidelijk, of waren ze daarin autonoom?

Ook over deze beslissingen en het eventuele sanctionering mag iedereen gelukkig een eigen mening hebben.
Ter afsluiting van het door de historische groep georganiseerde gedeelte werd nog een oude, van vlak na de oorlog daterde reclamefilm gedraaid. Deze was toen bestemd om de kunstvezel Enkalon bij het publiek te introduceren.

Deze film gaf op indringende wijze aan, hoe onze wereld en in dit geval de reclame wereld in 50 jaar is veranderd.

Het is de bedoeling van de groep om op bijeenkomsten vaker van dit soort historische filmpjes te vertonen.
Jan Dijk, 23 juli 2007


4. Discussiedossier Peter Debye.
Ernst Homburg: op 27 november 2007 zal de studie van het NIOD over Peter Debye openbaar worden gemaakt (auteur: Martijn Eickhoff). In augustus ontving ik onderstaande reacties op onze vorige nieuwsbrief.

Reactie of CHG Nieuwsbrief 2 – Debye

6 augustus 2007
Patricia Kooyman, Delft: “Prima om wat meer discussie onderling te generen, maar voor mij is dit onderwerp eerder politieke geschiedenis dan chemie/wetenschaps geschiedenis.”
Hans Bouma, Bilthoven: “Hartelijk dank voor deze bijdrage aan wat eigenlijk een 'non-disussie' zou moeten zijn. Ik stuur hierbij als aanhangsel een recensie van het boek van Van Ginkel, bestemd voor NVOX, maar daar nog niet geplaatst.” (EH: zie onder)
Tjaard Hoogenraad, Doorn: “Met nadruk verzocht je om een reactie op de nieuwsbrief, vandaar deze mail.

Je schreef: "De eerste Nieuwsbrief ging over onze bijeenkomst in Boxtel. Hieronder en in een volgende Nieuwsbrief stellen we de discussie rond Peter Debije aan de orde."

........en je vroeg je af: ”Hoe nu verder? Uit het NIOD rapport zal vermoedelijk een genuanceerd beeld naar voren komen."

Samengevat: In januari 2006 beschuldigde Sybe Rispens in zijn boek Einstein in Nederland de Nederlandse Nobelprijswinnaar van collaboratie met de Duitsers. Kort daarop besloot het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht de naam van het Debye Instituut te veranderen, terwijl het College van Bestuur in Maastricht besloot de Debye-prijs voortaan niet meer uit te reiken.

Mijn advies zou zijn: Het Rapport van de NIOD afwachten en het zorgvuldig bestuderen. Daarna beoordelen of het noodzakelijk is actie te ondernemen, en zo ja: aan het College van Bestuur van de Universiteit te Utrecht verzoeken het besluit ten aanzien van de naam van het Debye instituut te herzien.”

7 augustus 2007
Bèr Klinckhamers, Rozenburg: “Bedankt voor de Nieuwsbrief met de interessante bijlage. Hopelijk geeft deze een bijdrage voor een zuivere discussie. Inhoudelijk kan ik er weinig aan toevoegen behalve dat hij tijdens mijn Enci jaren een keer in Maastricht was. Het gehoor sprak met diep respect over hem en niemand had het over zijn eventuele sympathiserende opstelling met het regime destijds in Berlijn.

Ik ben benieuwd wat het onderzoek zal opleveren.”

8 augustus 2007
Ton Wanders, Sittard: “Als Nederlander, chemicus (promotie Amsterdam 1964), bewonderaar van Debye en bijna 35 jaar bewoner van het adres Debyestraat 1 in Geleen (5 jaar terug verhuisd) werd mijn interesse gewekt voor de CHG toen ik daar de lezing over Debye aangekondigd zag. Ik had meteen eg veel sympathie voor de genuanceerde wijze waarop op de publicatie van Rispens werd gereageerd, zelf een beetje ervaring hebbend met een oom die ruim voor de oorlog NSB'er geworden was omdat hij ze als middenstander heel verstandige dingen vond zeggen, daar later heel veel spijt van had, maar moeilijk terug kon. Ik hoop dat het met Debye allemaal goed komt en ik zal de werkgroep met interesse blijven volgen, maar heb weinig of geen historische kennis.”

27 augustus 2007

Joan H. van der Waals, Leiden: Kanttekeningen bij de discussie over Debije in Nieuwsbrief # 2

De laatste tijd erger ik mij steeds meer aan de (vooral jonge) moraalridders die verkondigen hoe slap of ’fout’ de meeste Nederlanders in de oorlog waren. Geprikkeld door hun argumentatie kom ik tot twee algemene stellingen:

  1. Mensen die de oorlog niet hebben meegemaakt zijn – met uitzondering van enkele historici - niet in staat een gewogen oordeel te vellen over ‘goed’ en ‘fout’ gedrag van burgers tijdens de bezetting.

Tegenwoordig kun je tegen alles wat je niet bevalt op het Binnenhof of voor de TV protesteren en staat er vervolgens iets over in de krant dat politiek effect kan hebben. Als je destijds in Duitsland protesteerde, of bij het vervullen van een publieke functie blijk gaf van een van de heersende ideologie afwijkende mening, kwam de Sicherheitsdienst even langs en verdween je – mogelijk voor altijd. – zonder dat dit buiten je eigen kring werd opgemerkt.

  1. Achteraf oordelen is gemakkelijk als de (in dit geval beestachtige) afloop bekend is.

Historici hebben er herhaaldelijk op gewezen dat mensen die in een ordelijke, stabiele samenleving leven de neiging hebben zich daar tot het uiterste aan vast te klampen en de ogen te sluiten voor de uiteindelijke consequenties van maatregelen die ze als slecht ervaren maar niet kunnen keren. Doorwerken om te redden wat er te redden valt, in afwachting van hopelijk betere tijden, wordt dan het devies.

Het voorgaande geldt met name voor de situatie in Nazi-Duitsland. Casimir geeft in Haphazard Reality (p 191 -201) een genuanceerd beeld van het gedrag van de Duitse fysici onder het nationaal socialisme dat de moeite waard is om te lezen. Naar aanleiding van de opvatting van een criticus merkt hij op (p 193): “ he underestimates the risks that would have been involved in any form of political protest. Concentration camps were ready to receive one, and they were hell.” En even verder schrijft Casimir: “In those days many, in Germany and elsewhere, still entertained a hope that the excesses of the National Socialists were a passing phase and would soon be followed by a return to reason.” Hitlers rassenwetten waren bekend, maar dat deze tot een consequente uitroeiing van joden, zigeuners en Poolse intellectuelen zouden leiden was voor een normaal mens in 1940 onvoorstelbaar.

Nu in het kort mijn eigen conclusies.

1. Rispens. Zijn geschrijf over Debije hoort op de brandstapel: het is geen wetenschapshistorie maar een schotschrift. Naast de feitelijke onjuistheden erger ik mij vooral aan alle op geen objectieve gegevens berustende verdachtmakingen.

2. Debije. In de context van de omgeving waarin hij werkte, kan men Debije niet van collaboratie betichten. Hij was zeker geen ‘verzetsheld’, maar bedenk wat Casimir hierover opmerkte: voor protest was geen ruimte, de keuze was: je schikken of een martelaar worden. Het laatste kan men van niemand eisen. Het Heil Hitler aan het einde van alle ambtelijke correspondentie was net zo afgesleten als het God zij met ons dat vroeger op iedere gulden stond waarmee ook verstokte agnosten zonder bezwaar betaalden. Zelf heb ik wel altijd gevonden dat Debije (en ook Van der Waerden) te lang in Duitsland is gebleven. Zeker na de Kristallnacht (nov. 1938) was dit voor beschaafde mensen een onbewoonbaar land.

  1. Nader onderzoek? De Duitse wetenschapshistoricus DieterHoffmann van het Max-Planck-Institut für Wissenschaftsgeschichte heeft naar aanleiding van de commotie in Utrecht en Maastricht een heel evenwichtig ‘Dossier’ over Debijes gedrag in de oorlog opgesteld. Voor mij is dit genoeg. Zelf geloof ik niet erg in het nut van verder onderzoek door (jonge!) Nederlandse onderzoekers die veel minder vertrouwd zijn met de context waarin Debije leefde en werkte. Ik meen dat in de jaren vlak na de oorlog de Nederlandse universiteiten er geen bezwaar in zagen Debije voor vacante hoogleraarsposities in aanmerking te nemen (o.a. opvolging van Zeeman aan de UvA!). Het lijkt mij de moeite waard dit ene aspect nader te onderzoeken: zijn tijdgenoten die alle ellende van de bezetting hadden meegemaakt waren beter tot oordelen bevoegd dan de huidige CvB’s van de UU en UM.

Het is jammer dat de universiteiten van Utrecht en Maastricht zo overijld hebben gehandeld. Debije was in Duitsland opgeleid en bracht het er tot directeur van een van de meest prestigieuze wetenschappelijke instituten ter wereld. Hij had een Duitse vrouw, een in Duitsland opgroeiend gezin. In deze context beoordeeld zie ik geen reden hem als een onwaardig boegbeeld voor een instituut te veroordelen. Het gestelde in de tweede zin van het ‘Hoe nu verder?’ aan het einde van Nieuwsbrief # 2 staaft mijn eerste stelling. Als de voorzitter van de DPG, nadat deze vereniging zich jarenlang lijdelijk had verzet tegen de uitvoering van de rassenwetten, uiteindelijk uit protest was afgetreden, hadden we hem wellicht nooit meer gezien. Hij was hoogstwaarschijnlijk naar Oranienburg afgevoerd en zeker niet in staat geweest later naar Amerika ui te wijken. Tot slot: wat zeker nodig is, is de ‘Ent-Emotionalisierung’ van het debat waar Hoffmann voor pleit.


Boekbespreking Hans Bouma, voor NVOX:

Eerherstel voor Debye

Dr. Gijs van Ginkel. Prof. Peter J.W. Debye (1884-1966) in 1939-1945. Brillant scientist. Gifted teacher. Odijk: Dr. G. van Ginkel, 2006. 160 p., veel z/w foto’s. ISBN 90-393-4284-9 prijs € 15, verkrijgbaar via weekblad ‘De Ster’, Maastricht.

Dr. Gijs van Ginkel is woedend, en terecht, vind ik. Zich baserend op een publicatie van ene S.I. Rispens, en halfhartig gesteund door het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie heeft eerst het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht de naam van het Debye-Instituut weggehaald en heeft ook het CvB van Maastricht een prijs de naam Debye ontnomen. Van Ginkel, wie door de UU, waar hij UHD was, een publicatieverbod (!) was opgelegd, heeft nu, na zijn afscheid van de universiteit, het geschrift van Rispens onderhanden genomen en aan mootjes gehakt. Van Ginkels boekje bevat een beknopte biografie van Debye, toegespitst op zijn tijd in Duitsland als directeur van het Kaiser-Wilhelm-Institut für Physik, zijn vertrek uit Nazi-Duitsland en zijn eerste jaren in de Verenigde Staten. Aan de hand van documenten en getuigenissen is hij in staat aan te tonen dat Debye - in flagrante strijd met Rispens’ beweringen - voornamelijk a-politiek door het leven ging en anti-nazi was, zijn joodse collega’s hielp waar het maar kon en uitdrukkelijk Nederlander wenste te blijven. Pas lang na de oorlog heeft hij in de Verenigde Staten het Amerikaanse staatsburgerschap aangevraagd en gekregen.

Van Ginkel, die eigenlijk theoretisch-chemicus is, verdient lof voor zijn duidelijke stellingname, die mij, voorzover dat nog nodig was, heeft overtuigd.

Het zwaarste stuk in Rispens’ betoog was een brief die Debye als voorzitter van de Deutsche Physikalische Gesellschaft heeft geschreven aan de joodse leden van de DPG. Daarin verzoekt hij hun, op grond van de Neurenberger rassenwetten, voor het lidmaatschap van de DPG te bedanken. De brief eindigt met Heil Hitler!

Je moet wel totaal van inlevingsvermogen in wat er in de nazi-tijd in Duitsland (en tijdens de bezetting ook in Nederland) afspeelde aan terreur en intimidatie gespeend zijn, om te geloven dat een voorzitter van een landelijke vereniging zich aan de dwang van de heersende groep zou kunnen onttrekken zonder iets anders te bereiken dan zijn eigen leven in de waagschaal te stellen. Bovendien is bekend, dat Debye onder dwang tekende. Wie weet hoe Duitsers, ook nu nog, hangen aan voorschriften en regels, beseft dat hij niet om die verplichte slotregel heen kon. U begrijpt dat ik er blij mee ben dat Van Ginkel deze rehabilitatie op zich genomen heeft.

Kritiekpuntjes? Jawel. Een is, dat het boek in grote haast geschreven lijkt, zoals allerlei typefoutjes tonen. De aardigste was ‘Kajans’ in plaats van ‘Fajans’(naam van een collega van Debye). En er staan ook enkele getuigenissen van Debye zelf in. Die geven een mooie aanvulling op het beeld dat Van Ginkel opricht, maar zijn als bewijsmateriaal natuurlijk zwak. Ook de relatie tot zijn dochter, die niet uit Berlijn weg wilde en trouwde met een Sudetenduitser die voor de ‘Wochenschau’ werkte, komt niet helder genoeg uit de verf. Maar er staan genoeg andere documenten pro-Debye in om Rispens te verpletteren.

Positief waardeer ik de vele zwart-wit foto’s van Debye in allerlei levensfasen, en de fotokopieën van brieven en documenten in deze ‘zaak’, die nog eens onderstrepen hoe bekrompen de UU en haar rector W.H. Gispen, en de universiteit Maastricht hebben gereageerd.

In het begin van de Nazitijd wilden de heersers dat het Max-Planck-Instituut van zijn naam zou worden ontdaan. Planck was een uitgesproken anti-nazi. Directeur Debye reageerde door voor de naam ‘Max Planck’ op de gevel een plank (Duits Planke) te laten spijkeren. Toen de nieuwsgierigheid naar wat daarachter stond te groot werd, kreeg hij opdracht de plank weg te halen en de naam maar te laten staan. Eigenlijk is iets dergelijks met het Debye-instituut en de Debye-prijs gebeurd. Het zou de bestuurders sieren als ook zij die plank maar weer zouden wegnemen.

Hans Bouma


5. Verslag van de 6e International Conference on the History of Chemistry (6ICHC) over ‘The Evolving Identity of Chemistry’, gehouden te Leuven, van 28 augustus tot 1 september 2007.

The Evolving Identity of Chemistry
by D. Thorburn Burns and Brigitte Van Tiggelen
A widely attended international conference of more than 110 participants gathered in Erasmushuis at the University of Leuven, Belgium, end of August (28 August-1 September, 2007) for the 6th International Conference on the History of Chemistry (6ICHC) organized by the Working Party (WP) on History of Chemistry of the European Association for Chemical and Molecular Sciences (EuCheMS). A major aim of these conferences is to facilitate communication between historically interested chemists and historians of chemistry from all over Europe. The first such conference was organized in Hungary in 1991, since then the WP has fostered the creation of what is now a well connected community that now meets every two years. Previous conferences organized by the Working Party were in Budapest, September 2003, “Communication in chemistry in Europe” and in Lisbon, September 2005, “Chemistry, Technology and Society”. The 2007 theme “Neighbours and Territories: the Evolving Identity of Chemistry” focused on the disciplinary identity of chemistry and its changing relationships with other fields. The Programme Committee was chaired by Prof. José R. Bertomeu-Sanchez (University of Valencia) and the Belgo-Dutch Local Committee by Dr. Brigitte Van Tiggelen (University of Leuven and Mémosciences).
Why would members of EuCheMS and of IUPAC and more generally, active practising chemists be interested? First it should be noted that many of the questions investigated by historians and philosophers are naturally rooted in their experiences, reflections and views on the present state of chemistry. The severe attacks on chemistry’s public image has led for several decades to various counter-strategies, many focussed on costly advertising campaigns, others on popularizing the discipline and developing new teaching techniques. To historians the problem is not just one of image; the recent emergence of new fields (material science or biotechnology to name but two) clearly raises the question of the identity of chemistry. Putting this question in historical perspective is a good reminder that chemistry actually never held a definite and unchanging territory. On the contrary, the science of matter (chemistry) and its transformations with time is very much controlled by reactivity to changes in the scientific and social environments.
Throughout its history, chemistry has been shifting ground between different territories. From its roots in artisan technologies, pharmaceutical workshops and alchemistic philosophy, it has developed into an archetypical laboratory science of the eighteenth and nineteenth century, ultimately claiming full academic status. Chemists have invaded many new fields, from agriculture and industry, to medicine, public hygiene and pharmacology. In the twentieth century, chemistry contributed to the major scientific developments in molecular biology, quantum mechanics, environmental science and nanotechnology. They also gained key positions in the oil, plastics and pharmaceutical industries. This broad and continuous adaptation of the discipline to various fields of endeavour has brought chemistry in close contact with neighbouring disciplines and to social pressures. Time and again, chemists have needed to carve out their own territory, to negotiate with other specialists, and to gain particular expertise in widely divergent fields. How chemists achieved this aim was a major thread in the meeting.
Despite this being a meeting on the history of chemistry many speakers brought indeed the discussions up to date, including the possible future of chemistry within the universities. That we were living in interesting times, was clear from by opening plenary on the current popular polarisation of chemistry into separate areas, namely as bio- and nano-technologies. For Prof. Bernadette Bensaude-Vincent (Universitié Paris X) in her opening lecture, “The New Identity of Chemistry as Biomimetic and Nanoscience”, does not erase the need for broad chemical expertise which is, and will be, more than ever needed to advance the new areas. The bright future for at least one of the current sub-disciplines was brought out, only one week later, at EUROANALYSIS XIV Antwerp, a conference of the Analytical Division of EuCheMS, again in Belgium. In the plenary lecture by Dr. P. D. P. Taylor (EU, JRC, Institute for Reference Materials and Measurements, Geel), “The global recognition of results of chemical measurements”, it was noted that a quarter of all EU legislation require analytical measurements for their implementation, thus a strong driving force exists for continuing research and professional activity in the analytical sciences. Analytical science could also play a key bridging role, to unite the bio- and nano- regions to a central chemical core in future well balanced first degree courses in Chemistry. Thus at 6ICHC there was more than mere entertainment or polite listening: chemistry and historians of chemistry have both a lot to gain from attending jointly such meetings.
The conference was attended by more than 110 participants from over 26 nations. Europe was of course well represented but what was more striking is the growing presence of overseas historians of chemistry or historically-minded chemists: some came from the fringes of Europe, Israël or Russia, others from much further away, Canada, United States, Mexico, Brazil, Taiwan and Japan. Fifty nine oral presentations were given in 18 sessions; posters were available to view throughout the conference. The wide range of material covered is indicated by the session titles of groups of papers on areas within the conference theme. Areas ranged from alchemy and early chemistry to early modern chemistry, identity and boundaries in the XVII, XIX and XX centuries, boundaries between physics and chemistry, chemistry, medicine and pharmacy, organic chemistry, biochemistry and molecular biology, the development of macromolecular chemistry, to teaching and knowledge in transit. The plenary lectures reflected the many facets of the main theme. Prof. Ana Simoes (University of Lisbon) investigated the emergence and identity of quantum chemistry in her talk “Dangerous Liaisons or Unavoidable Associations: Quantum Chemistry at the Crossroads of Chemistry, Physics and Mathematics” while Prof. Lawrence Principe (The Johns Hopkins University) showed through his lecture “Transmuting Chymistry into Chemistry: Eighteenth-Century loss of Chrysopoeia and its Repudiation” how the disappearance of alchemical pursuits at the Paris Academy of Science were triggered by the local French context with the suspicions of poisoning at the court and not so much by a shift in the aims of exact sciences. With his presentation “Close Neighbours, but Different Chemistries: Chemistry in the Low Countries 1600-1900”, Prof. Ernst Homburg (University of Maastricht) demonstrated clearly the influence of local political, social or economical context by contrasting the development of the discipline in two very different settings.
This conference lived well up to expectations based on experience of earlier ICHC, in content, ambience, mix of participant’s backgrounds, warmth of welcome and in the ensuing social programme and interactions. As usual, the conference outing was private visits to museums of interest, this time in Ghent. The first visit deserves a special mention in this report and was to the Museum for the History of Sciences of the University of Ghent which has an excellent collection of instruments used in teaching and research since its foundation in 1817. The Director, Dr. Kristel Wautier expertly introduced the main collections and the temporary exhibition of particular chemical interest she had prepared about Leo Baekeland. The chemistry section contains memorabilia of August Kekulé (1929-1896), Professor of Chemistry in Ghent 1858-1867. These include his lecture black board, research bench, glassware and models of molecules devised by him. Leo Hendrik Baekeland (1863-1944), the inventor of Bakelite, studied chemistry in Ghent under Théodore Swarts (1839-1911). On show was the Bakelite volumetric apparatus, resistant to hydrofluoric acid, which Baekeland made for his step-brother, Frédéric Jean Edmond Swarts (1866-1940). This was a most significant and useful gift to Swarts, a pioneer in the organic chemistry of fluorine. The contemplation of such chemical heritage was at least as significant and meaningful to those who devote themselves to the current practice or to the history of chemistry.
Further details of the recent and ongoing activities of the Working Party for the History of Chemistry can be found on the EuCheMS web-site,

  • 1. CHG bijeenkomst in Hasselt, 24 november 2007: De Wijze en de Dwaas: De perceptie van de alchemist door de eeuwen heen.
  • 2. Report on the “Studiemiddag Geschiedenis van de Koninklijke Shell”, organised by the NEHA on Friday, September 7, 2007.
  • 3. Verslag van de CHG-bijeenkomst “Peter Debye aan/en een zijden draadje”, op het KNCV Voorjaarscongres op 19 april 2007 in Ede.
  • 4. Discussiedossier Peter Debye.
  • Tjaard Hoogenraad, Doorn
  • Bèr Klinckhamers, Rozenburg
  • Joan H. van der Waals, Leiden: Kanttekeningen bij de discussie over Debije in Nieuwsbrief
  • 5. Verslag van de 6 e International Conference on the History of Chemistry (6ICHC) over ‘The Evolving Identity of Chemistry’, gehouden te Leuven, van 28 augustus tot 1 september 2007.

  • Dovnload 53.29 Kb.