Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Commissie juridische zaken De voorzitter

Dovnload 39.02 Kb.

Commissie juridische zaken De voorzitter



Datum14.03.2019
Grootte39.02 Kb.

Dovnload 39.02 Kb.










EUROPEES PARLEMENT

2009 - 2014


{JURI}Commissie juridische zaken

De voorzitter

{20/06/2012}20.6.2012

De heer Juan Fernando López Aguilar

Voorzitter

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

BRUSSEL

Betreft: Advies inzake de rechtsgrondslag van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) en van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord (COM(2011)0118 – C7‑0070/2011 – 2011/0051(COD))



Geachte heer López Aguilar,

Bij brief d.d. 21 mei 2012 heeft u, overeenkomstig artikel 37 van het Reglement, de Commissie juridische zaken om advies verzocht over de mogelijkheid om uitsluitend artikel 77, lid 2, VWEU te gebruiken als rechtsgrondslag voor het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) en van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord1.

De Commissie heeft haar voorstel gebaseerd op artikel 77, lid 1 en lid 2, VWEU. Op grond daarvan werd het voorstel bij het Parlement ingediend overeenkomstig de gewone wetgevingsprocedure. U heeft de Commissie juridische zaken in kennis gesteld van het feit dat tijdens de onderhandelingen met de Raad die van start zijn gegaan na een oriënterende stemming in de Commissie LIBE op 27 maart 2012, is voorgesteld uitsluitend artikel 77, lid 2, VWEU als rechtsgrondslag te gebruiken.

Bij nota van 14 juni 2012 heeft de Juridische Dienst van het Parlement een analyse van deze kwestie gepresenteerd waarin zij aangaf van mening te zijn dat schrapping van artikel 77, lid 1, VWEU terecht is voorgesteld.



Achtergrond

I. Het voorstel

Het voorstel bevat een aantal wijzigingen van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) naar aanleiding van de ervaringen die zijn opgedaan gedurende het eerste jaar van toepassing van die verordening.


De belangrijkste wijzigingen die worden voorgesteld betreffen definities (bijvoorbeeld de berekeningsmethode voor "een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden"), verduidelijking inzake de vereiste geldigheidsduur van bepaalde reisdocumenten, maatregelen gericht op snellere grenscontroles, de opleiding van grenswachten, reddingsdiensten, controles binnen het grondgebied, gedelegeerde handelingen en aanpassing van de meldingsplicht. Verder voorziet het voorstel in een juridisch kader voor gemeenschappelijke grensdoorlaatposten.

II. De te beoordelen rechtsgrondslagen

1. De rechtsgrondslag van het voorstel
Het voorstel is gebaseerd op de leden 1 en 2 van artikel 77 VWEU, die luiden:
"1. De Unie ontwikkelt een beleid dat tot doel heeft:

a) het voorkomen dat personen, ongeacht hun nationaliteit, bij het overschrijden van de binnengrenzen aan enige controle worden onderworpen;

b) te zorgen voor personencontrole en efficiënte bewaking bij het overschrijden van de buitengrenzen;

c) geleidelijk een geïntegreerd systeem voor het beheer van de buitengrenzen op te zetten.


2. Voor de toepassing van lid 1 stellen het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen vast voor

a) het gemeenschappelijk beleid inzake visa en andere verblijfstitels van korte duur;

b) de controles waaraan personen bij het overschrijden van de buitengrenzen worden onderworpen;

c) de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen gedurende een korte periode vrij in de Unie kunnen reizen;

d) de geleidelijke invoering van een geïntegreerd systeem van beheer van de buitengrenzen;

e) het voorkomen dat personen, ongeacht hun nationaliteit, bij het overschrijden van de binnengrenzen aan enige controle worden onderworpen."



2. Voorgestelde wijziging van de rechtsgrondslag
De Commissie LIBE heeft de Commissie juridische zaken om advies gevraagd over de mogelijkheid om uitsluitend artikel 77, lid 2, VWEU te gebruiken als rechtsgrondslag. Zij verwees daarbij naar het voorstel dat de Raad tijdens de eerste trialoogvergadering heeft gedaan om enkel artikel 77, lid 2, VWEU als rechtsgrondslag te gebruiken, aangezien volgens de Raad lid 1 betrekking heeft op doelstellingen, terwijl lid 2 betrekking heeft op het vaststellen van maatregelen.
III. Analyse

Ten aanzien van de keuze van de rechtsgrondslag valt uit de vaste rechtspraak van het Hof een aantal beginselen af te leiden. Allereerst is de keuze van de juiste rechtsgrond van constitutioneel belang, gelet op de gevolgen van de rechtsgrond voor de fundamentele bevoegdheden en de procedure1. Ten tweede handelt iedere instelling volgens artikel 13, lid 2, VEU binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar in de Verdragen zijn toegedeeld2. Ten derde moet volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie "de keuze van de rechtsgrondslag van een gemeenschapshandeling [...] berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn. Tot die gegevens behoren met name het doel en de inhoud van de handeling"3.


De doelstelling van de betrokken verordening is het aanbrengen van technische wijzigingen in de bestaande regels van de Schengengrenscode (zie overweging 7). De te wijzigen Verordening (EG) nr. 562/2006 bepaalt in artikel 1: "Deze verordening voorziet in de afwezigheid van grenstoezicht ten aanzien van personen die de binnengrenzen tussen de lidstaten van de Europese Unie overschrijden. Zij stelt de maatregelen vast die van toepassing zijn op het grenstoezicht ten aanzien van personen die de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie overschrijden".
Deze doelstelling stemt overeen met artikel 77, lid 1, VWEU waarin wordt bepaald dat de Unie een beleid ontwikkelt dat tot doel heeft om te voorkomen dat personen bij het overschrijden van de binnengrenzen aan enige controle worden onderworpen, te zorgen voor personencontrole en efficiënte bewaking bij het overschrijden van de buitengrenzen en geleidelijk een geïntegreerd systeem voor het beheer van de buitengrenzen op te zetten.
Echter, waar het eerste lid van artikel 77 VWEU slechts bepaalt dat de EU beleid moet ontwikkelen, wordt in het tweede lid van artikel 77 VWEU aan het Parlement en de Raad de bevoegdheid toegekend om met het oog op het ontwikkelen van beleid als bedoeld in het eerste lid volgens de gewone wetgevingsprocedure maatregelen vast te stellen, en worden de specifieke taken en gebieden genoemd waarvoor maatregelen moeten worden vastgesteld. In lid 2 worden derhalve aan de instellingen duidelijk bevoegdheden toegekend als bedoeld in de rechtspraak van het HvJ, op grond waarvan lid 2 mogelijkerwijze als rechtsgrond in aanmerking komt.
Er moet derhalve vastgesteld worden of artikel 77, lid 2, VWEU in zijn geheel nodig is als rechtsgrond voor onderhavig voorstel.
Onderhavig voorstel bevat wijzigingen betreffende definities (artikel 2 van de gewijzigde verordening), het toepassingsgebied (artikel 3), de bepalingen inzake het overschrijden van de buitengrenzen (artikel 4) en toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen, inclusief wijzigingen (artikel 5), grenscontrole op personen aan de buitengrenzen (artikel 7), gescheiden doorgangen (artikel 9), afstempeling van de reisdocumenten van onderdanen van derde landen (artikel 10), het vermoeden betreffende het voldoen aan voorwaarden inzake verblijfsduur bij onderdanen van derde landen (artikel 11), grensbewaking (artikel 12), weigering van toegang (artikel 13), uitvoering van het toezicht (artikel 15), specifieke voorschriften voor grenscontroles (artikelen 18 en 19), controles binnen het grondgebied waar controles aan de binnengrenzen zijn afgeschaft (artikel 21), alsmede wijziging van de bijlagen en de bevoegdheid van het comité dat de Commissie bijstaat bij het vaststellen van uitvoeringsmaatregelen (artikelen 32 en 33) en kennisgeving (artikelen 34 en 35).
Al deze wijzigingen lijken betrekking te hebben op de onderwerpen als genoemd in het tweede lid van artikel 77: het gemeenschappelijk beleid inzake visa en andere verblijfstitels van korte duur (lid 2, onder a)), de controles waaraan personen bij het overschrijden van de buitengrenzen worden onderworpen (onder b)), de voorwaarden waaronder onderdanen van derde landen kunnen reizen (onder c)), maatregelen die nodig zijn voor de geleidelijke invoering van een geïntegreerd systeem van beheer van de buitengrenzen (onder d)) en de afwezigheid van controles van personen aan de binnengrenzen (onder e)).
Volgens informatie van LIBE blijkt dat de tekst waarover vooraf met de Raad overleg is gepleegd een aantal aanvullende wijzigingen bevat met betrekking tot de berekeningsmethode voor visa voor een verblijf van korte duur, als voorzien in de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord en andere visumgerelateerde maatregelen. Dit bevestigt de noodzaak van het gebruik van het volledige lid 2, en met name van lid 2, onder a), als rechtsgrond.
De commissie behandelde deze kwestie op haar vergadering van 19 juni 2012. Op deze vergadering heeft zij met algemene stemmen1 besloten om de aanbeveling te doen dat de juiste rechtsgrond voor het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) en van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord gevormd wordt door artikel 77, lid 2, VWEU, en dat het niet nodig is artikel 77, lid 1, VWEU daarbij op te nemen.

Hoogachtend,



Klaus-Heiner Lehne

1 PB L 105 van 13.4.2006, blz. 1.

1 Advies 2/00 Protocol van Cartagena, Jurispr. 2001, blz. I-9713, punt 5; Zaak C-370/07 Commissie/Raad, Jurispr. 2009, blz. I-8917, punten 46-49; Advies 1/08, Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten, Jurispr. 2009 blz. I-11129, punt 110.

2 Zaak C-403/05 Parlement/Commissie, Jurispr. 2007, blz. I-9045, punt 49 en de daarin aangehaalde jurisprudentie.

3 Zie meest recentelijk Zaak C-411/06 Commissie/Parlement en Raad, Jurispr. 2009, blz I-7585.

1 Bij de eindstemming waren aanwezig: Raffaele Baldassarre (ondervoorzitter), Luigi Berlinguer, Sebastian Valentin Bodu (ondervoorzitter), Piotr Borys, Cristian Silviu Buşoi, Christian Engström, Marielle Gallo, Giuseppe Gargani, Lidia Joanna Geringer de Oedenberg, Klaus-Heiner Lehne (voorzitter), Eva Lichtenberger, Antonio Masip Hidalgo, Alajos Mészáros, Evelyn Regner (ondervoorzitter), Dagmar Roth-Behrendt, Francesco Enrico Speroni, Keith Taylor, Alexandra Thein, Patrice Tirolien (overeenkomstig artikel 187, lid 2), Axel Voss (rapporteur voor advies), Cecilia Wikström, Tadeusz Zwiefka.



AL\905931NL.doc
/ PE491.369v01-00

NL

  • Achtergrond I. Het voorstel
  • II. De te beoordelen rechtsgrondslagen
  • III. Analyse

  • Dovnload 39.02 Kb.