Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Communicatiekaart van Nederland – Samenvatting Hoofdstuk 1 Kranten

Dovnload 119.26 Kb.

Communicatiekaart van Nederland – Samenvatting Hoofdstuk 1 Kranten



Pagina1/3
Datum14.05.2017
Grootte119.26 Kb.

Dovnload 119.26 Kb.
  1   2   3

Communicatiekaart van Nederland – Samenvatting
Hoofdstuk 1 Kranten

§ 1.1 Geschiedenis

17e eeuw: 1e kranten, vooral buitenlands nieuws.

17e-18e eeuw: Meer kranten, maar slechte ontwikkeling door:


  • dagbladzegel (belasting op papier  duur)

  • ontbrekende techniek om snel veel kranten te drukken

  • scherpe overheidscontrole

  • geen massaal publiek dat kan lezen

loop 19e eeuw: * Vrijheid van meningsuiting (1848)

  • Afschaffing dagbladzegel (1869)

  • Alfabetisering

  • Groeiend politiek bewustzijn

Deze 4 punten zorgde voor meer kranten in de 2e helft van de 19e eeuw.

1e helft 20e eeuw: Kranten verzuild

WOII: Eerst sanering, door verbieden krant of stoppen krant; ontstaan verzetskrant

Jaren ’60: Verzuilde kranten die na WOII terug waren, konden hoofd niet boven water houden.

Mid jaren ’90: Terugopende oplages  verder sneren en m.b.v. nieuwe producten en diensten publiek bereiken.
§ 1.2. Dagbladen


  • 7 landelijke dagbladen:

  • Kwaliteitskrant: veel (politieke) informatie, weinig amusement

  • Populaire krant: weinig (politieke) informatie, veel amusement

  • 50-64 jaar = grootste lezersgroep, 13-24 jaar = kleinste

  • HBO = grootste lezersgroep, lager onderwijs = kleinste

  • Welstand 4+1 = grootste lezersgroep, 5 = kleinste

  • Weinig losse verkoop  misschien omdat we geen boulevardbladen hebben

  • 35 regionale dagbladen, incl. kopbladen

  • Kopbladen: edities van een krant die in een gedeelte van het verspreidingsgebied onder een eigen naam verschijnen met enkele eigen regionale redactie- en advertentiepagina’s.




Hoofdstuk 2 Tijdschriften

§ 2.1. Geschiedenis: politiek, sensatie, ontspanning

19e – 20e eeuw: tijdschriften komen tot wasdom, door verdwijnen dagbladzegel, vrijheid

van drukpers, urbanisatie, politiek emancipatie, terugdringen van het analfabetisme en verbeterde druktechnieken.

1e helft 20e eeuw: Er zijn verzuilde en niet verzuilde bladen; verzuiling neemt toe,

verzuilde tijdschriften ook. Maar niet bij de geïllustreerde tijdschriften, verbeterde technieken maken foto’s afdrukken makkelijker  tijdschriften voor het hele gezin.

WOII: Alleen algemene of pro-Duitse tijdschriften toegestaan en (ondergrondse) illegalen bladen

Jaren ’50: Verzuiling minder sterk, vrije tijd, welvaart en behoefte aan ontspanning nemen toe  tijdschriften moeten zich opnieuw oriënteren op doelgroep en inhoud. Ook ruimte voor nieuwe bladen

1964: VNU opgericht voor katholieke bladen, als snel voor elke generatie en doelgroep.

2001: Sanoma koopt tijdschriften van VNU over.

2005: Sanoma geeft zo’n 60 publieksbladen in Nederland uit.


§ 2.2 Tijdschriften en tijdschriften: indelingscriteria

  • Grote variatie in verschijningsinterval bij tijdschriften.

  • Soms gaat men ervan uit dat het criterium bij 1x per week verschijnen ligt, maar niemand telt een nieuwsblad mee als tijdschrift. De ondergrens is ook onduidelijk (hoe vaak moet een periodiek minstens verschijnen per jaar) De overheid ken een grens van min. 4x per jaar, het NUV 3x per jaar, het Handboek van de Nederlandse Pers en Publiciteit 1x per jaar.

  • Redactionele zelfstandigheid: de mate waarin een redactie autonoom is. Moeilijk vast te stellen, want het is gebonden aan afspraken met bijv. adverteerders of eigenaren. Er zijn ‘sponsored magazines’ zoals AllerHande en verenigingsbladen waar de verhoudingen al duidelijk zijn, er is dus geen sprake van redactionele zelfstandigheid.

  • Doelgroep: (in de ogen van oud-topman van Elsevier, Van den Brink)

    • wetenschappelijke tijdschriften (kleine oplage, gespecialiseerde info)

    • vak-/professionele tijdschriften

    • special interest-bladen

    • publieksbladen (massaoplage, algemene info)

(in de ogen van NUV)

  • publiekstijdschriften (familietijdschriften, jongerenbladen, vrouwenbladen, special interest-bladen, opinietijdschriften en omroepbladen)

  • vak- en wetenschappelijke tijdschriften

        • doelgroep en interesse worden vaak samengenomen. Een doelgroep wordt vaak beschreven aan de hand van interesses.


§ 2.3 Soorten tijdschriften

  • Wetenschappelijke tijdschriften heel duur door sterke marktpositie Elsevier en Kluwer; behalve tijdschriften ook boeken, databanken, cd-roms en internetsites.

  • Grens vakbladen en wetenschappelijke tijdschriften soms onduidelijk, omdat wet.tijdschrift gespecialiseerd is in een gebied.

  • Vakbladen bedoeld voor professionele gebruikers.

  • Veel vakbladen verspreid via controlled circulation (CC): (een deel van) de oplage wordt gratis verspreid onder een door de uitgever vastgestelde groep. De ontvanger moet het blad schriftelijk aanvragen.

  • Controlled distribution-tijdschriften: gratis verspreid onder bepaalde groep, zonder wilsverklaring. Beide geheel bekostigd uit advertenties, dit is ook bij abonnementsbladen de belangrijkste bron van inkomen.

  • Publiekstijdschriften: algemene inhoud en/of doelgroep (opinie-, familie- en vrouwenbladen)

  • Special interest bladen: met specifiek onderwerp (wonen, mode, opvoeding, enz.)

  • Nadelen tijdschriften:

    • Rages, sociale of culturele trends waaien over.

    • Vaak gekoppeld aan specifieke branche. Gaat t slecht met cd-handel, dan minder advertentie-inkomsten daarvan, dit heeft direct gevolgen voor tijdschriften die ook over cd’s gaan.

  • Veel uitgevers lid van NUV

  • Roddel- en familiebladen moeten het vooral van losse verkoop hebben, terwijl vrouwenbladen, Donald Duck en Elsevier veel abonnees hebben.

  • Omroepgidsen hebben de meeste oplage. Deze bladen waren om leden te werven. Hoe meer leden, hoe meer zendtijd (nu is dit anders). Werd je abonnee van een omroepgids, dan automatisch ook van de omroep zelf. Mensen die zonder gids lid werden zijn tientjesleden.

  • De bijna monopoliepositie van Sanoma bij weekbladen maakt het andere uitgevers moeilijk iets nieuws te lanceren, maar Sanoma moet uitkijken bij een nieuwe lancering dat het geen winst bij eigen ‘succesnummers’ wegpikt. Wel veel nieuwe maandbladen.

  • Daling mannenbladen en opiniebladen. Verklaring opiniedaling: behoefte aan opinievorming wordt op andere wijze voorzien, bijv. met krant, alleen opinieblad heeft meer achtergrondreportages en oog voor trends en nieuwe ontwikkelingen.

  • Sponsored magazines: om marketingdoelstellingen van een organisatie te verwezenlijken. Meestal om het stimuleren van de verkoop van een product of vergroten van naamsbekendheid; meestal gratis

  • Het gesponsorde tijdschrift onderscheidt zich van folders en mailings, doordat het regelmatig verschijnt en een fysieke gelijkenis met een tijdschrift heeft.

  • In praktijk 3 categorieën sponsored magazines:

    • Relatietijdschrift: wil ban scheppen tussen bedrijf of instelling en zijn doelgroep (bijv. Rails)

    • Voorlichtingstijdschrift: informatief karakter (Health)

    • Verkooptijdschrift: nadruk op info over producten of diensten met als doel verkoop bevorderen (Allerhande)


§ 2.4 Het publiek van tijdschriften

      • Oplage en bereik zijn niet hetzelfde. Er lezen meerdere mensen 1 blad in een huis.

      • Door de leesmap is het bereik van RTV-gidsen, vrouwen- , roddel- en familiebladen het grootst.

      • Adverteerders zijn benieuwd naar bereik, hanteringfrequentie (hoe vaak wordt een blad ingezien) en de leesduur.


§ 2.5. Uitgevers

  • Grootste uitgevers:

    • Sanoma (alle vakgebieden)

    • Elsevier (vaktijdschriften en wetenschappelijke bladen)

    • Wolters Kluwer (vaktijdschriften en wetenschappelijke bladen)

    • Telegraaf

    • VNU

    • Audax (publieksbladen)

    • Omroepen (met tvgids) en ANWB

      • Vrouwen- en jeugdbladen is marktleider Sanoma, Maandbladen is verdeeld, opiniebladen bij Elsevier Reed en Audax.

      • Reed Elsevier, Wolters Kluwer, VNU en SDU sterk op vakbladenmarkt, maar concurrentie van overheden, verenigingen en belangenorganisaties.


§ 2.6. Brancheorganisaties

  • Nederlandse Uitgeversbond, onderverdeeld in: Groep Publieksbladen en Groep Wetenschappelijk en Professionele Uitgevers.

  • Taken:

    • Oplagecijfers van d aangesloten tijdschriften verstrekken, voorzien van een accountantsverklaring (cijfers zijn vooral belangrijk voor adverteerders) Deze cijfers kunnen worden opgevraagd bij HOI Instituut voor Media Auditing.

  • Lidmaatschap van HOI is van belang, omdat adverteerders officieel gecontroleerde oplagecijfers eisen. Adverteerders stonden ook aan de basis van de oprichting van HOI

    • Voor het vaststellen van bereik wordt onderzoek van de NOM-printmonitor gebruikt.

    • Sponsored Media Instituut Nederland is de brancheorganisatie voor sponsored media.


§2.7 Wet- en regelgeving

      • Tijdschriften hebben vrijheid van drukpers, voor de rest alleen regels voor reclame.

      • Geen tabaksreclame, regels voor alcohol en geneesmiddelenreclame, misleidende reclame, het noemen van de naam van de concurrent. Geen smaad, laster of belediging.

      • Opinieweekbladen kunnen een beroep op het Bedrijfsfonds voor de Pers doen, omdat zij volgens de overheid aan het opinieklimaat bijdragen.

      • Uitgevers mogen niet zomaar een artikel (van een freelancer) hergebruiken in andere toepassingen, hij verdient hier nl. een hoop extra geld mee, zonder dat de schrijver er iets voor terug ziet.

      • Omroepbladen behouden hun monopoliepositie doordat zij de programmagegevens hebben en gewone uitgevers niet.


§ 2.8. Ontwikkeling

  • Met komst commerciële televisiestations kwamen advertentie-inkomsten onder drukt te staan = ‘RTL4-effect’

  • Alle tijdschriften hebben eigen internetsite met: deel v.d. inhoud, archieven, servicerubrieken, vacatureoverzichten, relevante links, enz. Probleem is dat je je eigen medium beconcurreert, en er weinig inkomsten tegenover staan. Inkomsten moeten dan komen van adverteerders, want de gebruikers zijn niet gewend om voor internet te betalen.


Hoofdstuk 3 Boeken

§ 3.1. Geschiedenis

Romeinen: boekrollen werden vaak overgeschreven en waren te koop in boekwinkels

Middeleeuwen: kloosters hadden monopolie op het vervaardigen van voornamelijk religieuze teksten, later ook teksten t.b.v. het bestuur.

12e eeuw: Universiteiten tot ontwikkeling  behoefte aan informatie  bibliothecarissen ging studieboeken verkopen (= basis Europese boekhandel)

1456: uitvinding boekdrukkunst door Gutenberg  grote aantallen geproduceerd

Gouden Eeuw: bloeiperiode NLse boekenvak: door combi van NLse koopmanschap,

(‘het Hollandse strenge censuur in grote delen van Europa en relatief veel vrijheid in de

Wonder’) Republiek ontwikkelde NL zich tot centrum voor drukkerijen en uitgeverijen. ± 50% van wereldproductie werd in NL gedrukt en uitgegeven


§ 3.2. Soorten boeken

  • Moeilijk boeken in genre in te delen: een roman zien de meeste mensen als ontspanning en ontwikkeling, voor een student NLs kan het ook een studieboek zijn.

  • NUR (Nederlandse Uniforme Rubrieksindeling kent 6 hoofdrubrieken:

    • Non-boeken: bevat zaken als agenda’s, ansichtkaarten, kalenders, posters, spelletjes, kaarten, cd-rom’s, dvd’s, video’s, multimedia en overige media)

    • Educatieve uitgaven: boeken e.a. lesmateriaal voor basis-, voortgezet-, volwassenen- en in enkel geval hoger onderwijs

    • Kinderboeken: fictie en non-fictie voor leeftijd 4 t/m 15+

    • Fictie en literaire non-fictie: NLse en vertaalde poëzie, thrillers, science fiction, essays en stripverhalen

    • Non-fictie vrije tijd/algemeen: uitgaven over zaken als flora en fauna, eten, drinken en koken, hobby’s, sport en spel en reizen

    • Non-fictie informatief/professioneel: gericht op hoger onderwijs en op beroepsgroepen die vakkennis op dat niveau geacht worden bij te houden.

      • Deze rubrieken zijn weer verdeeld in subrubrieken, en die weer in sub-subrubrieken.

      • In de boekenmarkt worden deze rubrieken niet gebruikt, daar hebben ze het over 2 groepen: boeken voor opleiding, vorming en studie en boeken voor informatie, ontwikkeling en ontspanning (laatste groep ook wel publieksboeken genoemd)

      • Publieksboeken: informatie toegankelijk voor iedereen, ongeacht kennis en opleidingsniveau; geen verplichte aanschaf zoals bij educatieve boeken; onderverdeeld in inhoudelijke behoeften van lezers


§ 3.3 Het boeken lezend publiek

  • Hoe hoger opgeleid, hoe liever ze lezen; vrouwen lezen meer dan mannen.

  • In de vrije tijd lezen mensen het liefste een boek, daarna komt tv kijken, krant lezen…

  • Er wordt wel steeds minder tijd besteed aan lezen. Maar hoe ouder je bent, hoe minder het verschil is qua minuten lezen met vroeger. Verklaring: socialisatietheorie.

  • Socialisatietheorie: men is geneigd trouw te blijven aan mediatypen waarmee ze van jongs af aan opgegroeid zijn. ‘ontlezing’ vindt dan ook het meeste plaats bij de groep die geboren is na 1959, de groep die met audiovisuele middelen opgegroeid is.

  • Oorzaken daling gemiddelde leestijd: (1) minder mensen besteden evenveel tijd aan lezen; (2) evenveel mensen besteden minder tijd aan lezen.

  • Probleem in de boekenwereld: bestsellers dreigen het overige aanbod uit de markt te drukken. Maar bestsellers geven de uitgever ook weer financieel de ruimte voor beginnende schrijvers die door het publiek nog ontdekt moeten worden. Ook de totaal aantal verkochte boeken stijgt licht de laatste jaren.

  • Leenvergoeding: schrijver en uitgever krijgen vergoeding wanneer boek wordt uitgeleend bij de bieb. Hoe meer uitgeleend, hoe hoger de vergoeding.


§ 3.4 Marktkenmerken

    • Omzetgegevens van de totale boekenmarkt zijn niet of nauwelijks beschikbaar. Binnen de branche worden 3 markten onderscheiden: het algemene, het educatieve en het wetenschappelijke boek

    • Algemene markt: particulieren aanschaf, institutionele aankopen (bieb en bedrijven)

    • Educatieve markt: 1968: Mammoetwet van kracht  stimulans voor de schoolboekenmarkt. (net als invoering 2e fase) (bestaand lesmateriaal is onbruikbaar voor de vernieuwingen  uitgever moet lesmateriaal vernieuwen)

    • Tegenwoordig moet uitgever zelf leermiddelen ontwikkelen, vroeger deed auteur dat.

    • Nu ook werkschriften, toetsen, cd-rom’s, enz. bij lesboeken

    • Wetenschappelijke markt: internationaal georiënteerd, hoofdzakelijk Engelstalig.

    • Publicatiedrang van wetenschapper en noodzaak om kennis vast te leggen, veroorzaken stroom van publicaties.

    • Verspreiding via elektronische media door ontwikkeling. Maar investeringen erg hoog, gebruikers niet bereid te betalen en acceptatie verloopt traag.


§ 3.5 Distributie: boekhandel en bibliotheek

  • Boekhandel waarschijnlijk belangrijkste aankooppunt van boeken, omdat er zoveel zijn in NL. Centraal Bokhuis is de belangrijkste distributeur.

  • Sinds 1990 daalt ‘t aantal bibliotheken, evenals aantal ingeschreven gebruikers en aantal uitleningen.

  • Tussen 1950-1990 groei bibliotheken, door de Wet op het openbare bibliotheekwerk (1975): regelt de bekostiging en instandhouding van een landelijk dekkend netwerk van openbare bibliotheken. Afgeschaft in jaren ’80.

  • Kritiek op ‘vermarkting’ bibliotheken: je moet contributie, leengelden, leenrechten betalen, terwijl bieb een onderdeel is van democratische informatievoorziening en cultuurpolitiek.

  • De meeste mensen die boeken kopen, zijn ook de meeste mensen die lenen. Boekhandel en bibliotheek zijn dus elkaars concurrent.

  • Daling aantal uitleningen komt mede door uitleenvergoedingen, omdat lener per boek kleine bijdrage moet gaan leveren.


§ 3.6 Brancheorganisaties

  • 2 belangenorganisaties: uitgevers bij Nederlands Uitgeversverbond (NUV); boekenhandel bij KVB


§ 3.7 Wet- en regelgeving

  • 1923-2005 Reglement Handelsverkeer: o.a. prijsbindingregels: overal moet de prijs van een boek hetzelfde zijn, zodat consument uit groot aanbod boeken kan kiezen, met de winst op goedlopende titels, kan gesubsidieerd worden in minder lopende titels, daardoor ook weer mogelijk dat uitgevers boeken produceren van minder bekende schrijvers.

  • In boekenbranche mag wel verticale prijsbinding (andere producten mogen dit niet), want goed voor: pluriform titelaanbod, brede beschikbaarheid en publieksparticipatie)

  • Ministers van Economische Zaken en Cultuur vinden dat vaste prijs de innovatie van de markt in de weg staat.

  • Nu nieuwe wet: De Wet op de vaste boekenprijs: geen discussies meer, onafhankelijk orgaan, het Commissariaat voor de Media, bepaald nu de boekenprijzen.


§ 3.8. Ontwikkelingen

  • Ketens nemen een steeds grotere deel van de omzet in algemene boeken voor hun rekening, individuele zelfstandige boekverkoper en detaillisten krijgen het moeilijker

  • Vroeger werden boeken verkocht door man in net pak, dat had met de cultuur te maken, handel was bijzaak. Tegenwoordig veel meer op winst berust, er komen nieuwe uitgeverijen.

  • Wetenschappelijke uitgevers omzeilen zoveel mogelijk de boekhandel, door verkoop via direct mail.

  • Educatieve uitgevers vinden dat er maar door zo’n 250 boekhandels schoolboeken mag worden verkocht. De andere boekhandels moeten hun klanten maar doorverwijzen.

  • Het is nu de vraag of de elektronische media het boek zal overnemen, maar dit wordt al 30 jaar verwacht (elke keer tijdens nieuwe ontwikkelingen), maar de toepassingsmogelijkheden zijn er nog niet.


Hoofdstuk 4 Radio

§ 4.1. Geschiedenis

1919: Eerste radio uitzending in NL, na 5 jaar gestopt wegens geldgebrek.

Nederlandse Seintoestellen Fabriek (NSF) bleef nog over, die zond uit om verkoop van de zelf geproduceerde radiotoestellen te stimuleren.

Verzuiling: Tijdens de verzuiling zagen de zuilen in dat het nieuwe medium een bindend element voor hun beweging kon zijn.

NCRV  protestants christelijk

KRO  katholiek

VARA  socialistisch

AVRO  nam initiatief over van de NSF, past niet in zuilenrijtje. Nationaal

VPRO  was voor 1 nationale omroep, maar ondertussen verzorgde zij uitzendingen voor vrijzinnige protestanten.

1930: Zendtijdenbesluit: overheid bemoeit zich met radio om schaarse etherfrequenties, beslist in voordeel verzuiling. De eerste 4 omroepen kregen evenveel zendtijd, maar de AVRO wilde niet in dit rijtje thuishoren als nationale omroep. VPRO kreeg minder zendtijd, maar dit was geen probleem. AVRO en VARA zonden op Hilversum1, KRO en NCRV op Hilversum2, VPRO op beide.

WOII: afzonderlijke omroepen maken plaats voor de NLse Omroep

Na WOII: oude omroepen terug in ether. Ontstaan Nederlandse Radio Unie (NRU), voorloper van NOS, die nationale programma’s ging verzorgen.

1954: Bisschoppelijke Mandement: katholieken werden door hun bisschoppen verboden naar de VARA te luisteren, een laatste redmiddel om de ontzuiling tegen te gaan.

Eind ’50: Televisie neemt de rol van de radio als hét amusementsmedium over.

April 1960: Concurrentie Radio Veronica, die vooral bestond uit gesponsorde kwartiertjes (iemand praatte bijv. een kwartier vol over aspirines)

1965: Horizontale programmering bij Veronica: vaste tijden, vaste programma’s. Ook nieuw: DJ’s, hitparades, jingles en reclameboodschappen.

1965: Hilversum3: muziekzender voor hele fam. Om concurrentie Veroncia te evenaren.

1968: Commerciële omroepen nog steeds verboden in NL (daarom Veroncia en Radio Noordzee uitzenden via een schip), maar vanaf ’68 reclame op Hilversumse zenders mogelijk via STER.

1973: Hilversum3 zendt uit van 7:00 tot 24:00 uur

Jaren ’90: 3FM zendt 24 uur per dag uit.

1973: Verionica richt Veronica Omroep Organisatie (VOO) op , leden werden geworven via radio.

1974: Het Verdrag van Straatsburg: verbied medewerking te verlenen aan radio-uitzendingen vanaf schepen buiten de territoriale wateren  Veronica stopt met uitzenden.

1975: VOO treed toe tot het publieke bestel als C-omroep (weinig leden, weinig zendtijd) maar groeide sneller dan wie dan ook naar A-omroep. (evenveel zendtijd als NCRV, KRO, VARA, AVRO, TROS en EO

1979: Na komst Hilversum3 werden Hilversum 1+2 weggedrukt, daarom nu zenderkleuring: Hilversum1: informatie en lichte muziek, Hilversum2: gesproken woord, Hilversum3: pop(ulaire) muziek, Hilversum4 (sinds 1978): klassieke muziek, Hilversum5 (sinds 1979): voor bonte verzameling minderheiden- en belangenorganisaties.

1985: Hilversum1t/m5 werd Radio1t/m5 Maar NCRV zond via Radio3 nog sport uit en de EO een religieus programma ipv. popmuziek.

Eind ’80: druk op publiek zenders door komst commerciële zenders en regionale- en lokale radiostations  verlies marktaandeel publieke landelijke radiozenders

Commerciële zenders mogelijk door technische veranderingen: bekabeling van NL, anders dan op de ether heerst op de kabel nauwelijks schaarste. Juridische veranderingen: wijzigingen van de Mediawet maakte het mogelijk dat commerciële zenders legaal via kabel konden uitzenden.

1995: Veronica weer commerciële omroep

Omroepverenigingen moesten ‘concessie’ aanvragen bij overheid, waar voorwaarden aan zaten, om uit te zenden, later kreeg NOS deze concessie, zodat zij zelf programma’s konden verzorgen en uitzenden. In de Mediawet staan enkele regels waar het programma-aanbod aan moeten voldoen. NOS moet ook concessiebeleidsplan indienen bij minister. Afzonderlijke verenigingen zijn niet langer concessiehouder, ze kunnen om erkenning vragen bij minister (eis = min. 300.000 leden)

Door NOS-regeling zijn er vaste programma’s bij de publiekelijke zenders: luistseraar weet wanneer welk programma komt; zender moeten toestemming vragen of hun programma past in de rubriek binnen afgesproken kader. (=programmatische autonomie)

2000: Naam Veronica uit de ether, inmiddels wordt deze geleasd door SkyRadio.

Tegenwoordig publieke zenders in conurrentiestrijd met commerciële zenders. Ze proberen nu zelfde soort programma’s te maken. Maar zou het ook helpen hele andere programma’s te maken, door bijv. jazz, hardrock, relipop, enz. uit te zenden, die sommige mensen ook willen horen, maar dit niet kunnen omdat het niet uitgezonden wordt.

Regionale omroepen sinds 1944. Zij hadden het niet makkelijk, maar door verplichte

omroepbijdrage voor iedere burger die in bezit was van radio/tv, konden regionale omroepen

door deze financiering kwalitatief verbeteren. Na afschaffing omroepbijdrage nemen

Provincie en rijk een deel op hun, de rest komt van reclame. Elke provincie heeft een omroep

die radio en tv-uitzendingen verzorgt.

1981 kwamen regionale omroepen met eigen belangenorganisatie  OLON



§ 4.2. Soorten radiozender

  • Bron van inkomsten: landelijke publieke zenders, regionale omroepen en een groot deel van de lokale omroepen worden gemengd gefinancierd: zowel advertentieopbrengsten als financiële bijdragen van landelijke, regionale en/of lokale overheid.

  • Wijze van verspreiding: Uitzenden via kabel, ether en internet. Internet is nog maar heel weinig. Uitzenden via ether is aantrekkelijker dan via kabel, want bereik is groter. Degene die via kabel uitzenden, missen ook de mobiele luisteraars: draagbare radio’s, autoradio’s, enz.

  • FM-kanalen zijn populairder dan AM-kanalen (middengolf), want FM geluid is veel beter.

  • Frequenties worden geveild en verdeeld: er zijn 9 FM-frequenties voor landelijke commerciële radio beschikbaar: 5 met een oormerk (er staat vast wat voor programma er moet zijn: nieuws, klassiek, Europees, enz.), de andere 4 worden verdeeld onder de omroepen die het hoogste bieden. Zij mogen zelf hun programma invullen. Maar het is geen veiling, want er mag immers maar 1 bod uitgebracht worden. Een bedrijf mag maar 2 frequenties hebben.

  • Maar door veiling nu zelfde muziek aanbod van vele zenders. Iedere zender wil nl. veilinggeld terugverdienen, dit doen ze het beste met een publiek van 20-34 jaar.

  • Korte golf wordt gebruikt voor de wereldomroep, lange golf kennen we niet in NL.

  • Categorale zenders: zenders die in 1 categorie uitzenden, bijv. 3FM popmuziek, Classic FM klassiek, maar wanneer we het over specifiekere categorieën hebben, zijn beide zenders niet categoraal, popmuziek kent vele genres, en klassiek bestaat o.a. uit barrok, romantiek, enz. Maar beide zenders zenden niet alleen 1 van deze genres uit, maar meer, dus op dat punt zijn ze niet categoraal te noemen.


§ 4.3. Radio in Nederland: een overzicht van vraag en aanbod

  • Luistertijd: het totaal van de tijd dat NLers van 10 jaar en ouder naar een bepaalde radiozender gemiddeld per dag geluisterd hebben. Het totaal voor alle radiostations is de basis om het marktaandeel/luistertijdaandeel van de verschillende stations te berekenen.

  • Luisterdichtheid: meest gebruikte cijfer om het luistergedrag te meten. Geeft aan hoeveel mensen in welk tijdsinterval naar een specifiek radiostation of programma hebben geluisterd. Wordt uitgedrukt in % van het totaal aantal personen in de NLse bevolking van 10 jaar of ouder.

  • Neemt de totale luistertijd toe en blijft de luistertijd voor de publieke zenders gelijk, dan daalt het marktaandeel van die zenders.

  • Luisterpubliek werd in kaart gebracht door: leeftijd, geslacht, opleiding en sociale klasse. Tegenwoordig anders: leefstijlgroepen, sterk bepaald door leeftijd en opleiding (zie box4.1. blz.89)

  • Radio1: nieuws- en sportzender. Zendt uit via ether (FM- en AM-frequentie) en zit op de kabel. Vrijwel alle regionale zenders die minder dan 24 uur uitzenden, zenden in de lege tijd Radio1 uit. Nieuwsberichten worden ook veelvuldig overgenomen door regionale zenders, daarom is radio1 op meerdere frequenties te ontvangen.

  • Radio2: muziekkeuze voor 40-plussers (mensen die zich te oud voelden voor 3FM), programma’s van VARA, TROS, KRO, NCRV, AVRO en EO (wel vast programma-indeling)

  • 3FM: popzender, van maandag t/m vrijdag horizontaal geprogrammeerd; NCRV en EO leveren alleen op zondag, TROS op zaterdag.

  • Radio4: klassiek, onderbroken door gesproken woord (nieuwsbulletins, verkeersinformatie en gesprekken over klassieke muziek) Alleen vast ochtend-, middag- en avondconcert. De rest wordt ingevuld door alle omroepen, in verschuivende tijdstippen en programma’s.

  • 747AM: opiniezender, met documentaires lange interviews en aandachtsgebieden als cultuur, educatie en religie. Slecht beluisterd: alleen via middengolf en kabel te ontvangen en er zijn heel veel omroepen die de zendtijd vullen: de ‘gewone’ omroepen, NOS, NPS, alle politieke partijen, Teleac, kerkgenootschappen en minderhedenorganisaties.

  • Commerciële zenders werden vermeden, sinds jaren ’80 op de kabel, want via U-bocht kwamen ook buitenlandse zenders binnen op de kabel (deze konden door vrije verkeer voor goederen en diensten binnen de EU niet geweigerd worden) Uiteindelijk sinds 1992 commerciële zenders ook op ether door groeiende populariteit en Erupose wet- en regelgeving ging steeds meer richting liberalisering. Na rechtzaken gingen Radio 10 en SkyRadio de ether op. In juli 1992 veranderde de wet, en werd het voor alle zenders mogelijk. (zie box 4.2. blz. 95)

  • Sky Radio: start 1988 als ‘non-stop popmuziek die niemand irriteert’. Tot 2004 beste beluisterde zender; zendt uit op FM en kabel; easy listening popmuziek, zonder dj op presentator.

  • Radio 538: reactie van medewerkers Veronica Omroep Organisatie op het besluit in ’92 dat Veronica in het publieke bestel leef. Hits van vroeger en nu; richt zicht op jongeren in ruimste zin des woords. Programmering doordeweeks horizontaal; sinds 2004 best beluisterde station.

  • Radio10: begon in april ’88 met uitzenden. Maakte gebruik mvan U-bocht constructie waarbij het Italiaanse RTO Rete Zero SRL officieel verantwoordelijk was voor de uitzendingen. Gouwe ouwe hits; raakte in 2003 FM-frequentie kwijt

  • NoordzeeFM: eerste officiële omroep met licentie, juli 1992; in 2003 nieuwe dj’s, nieuwe jingles en deels andere muziekkeuze: overdag minder nadruk op NLs(-talige) werk

  • YorinFM: 1991 van start als Holland FM; NLse muziek en gezelligheid; zendschip The Communicator gekocht. 1994 Hitradio Holland; 195  Hitradio Veronica, sinds ’98 FM-frequentie (daarvoor middengolf) Na breuk HMG en Veroncia verdween het in 2001 uit de ether. Op de FM-band zendt nu Yorin FM uit.

  • Wijziging van de Mediawet maakte regionale omroepen in ’88 zelfstandig (daarvoor vielen ze onder NOS en bekostigd uit algemene middelen (kijk- en luisterbijdrage)) Nu financiering via provincies en reclameopbrengsten. In de Randstad wordt er het minst geluisterd naar regionale zenders.

  • Programmeringeisen regionale zenders: gericht op provincie; 50% bestaand uit informatieve, culturele en educatieve aard; De rest vullen de meeste zenders hetzelfde in: nieuws, actualiteiten, sport, weerbericht, verslagen van regionale gebeurtenissen, evenementen agenda’s, enz.

  • Radio Nieuws Centrale: voor nieuwsvoorziening regionale omroepen

  • Eerst moest er een overeenkomst komen tussen regionale omroepen en dagbladuitgevers over verdeling reclamegelden. Sinds ’96 mochten ze het zelfstandig doen. Daarom Omroep Reclame Nederland (ORN) opgericht. Laatste tijd gaat reclame-inkomst achteruit door: concurrentie op de radiomarkt (538 en Noordzee) en teruglopende economie en vergrijsde publiek.

  • Nieuwe financiële regeling ligt klaar ter goedkeuring: provincies zijn verplicht om minstens 1 regionale omroep per provincie te bekostigen op het uitzendingsniveau van 2004. Per jaar financiën verhogen; provincies krijgen jaarlijks hiervoor vergoeding van ministerie van OC&W.

  • Naast radio-uitzendingen hebben lokale zenders vaak ook een website en 1/3 verzorgt tv-uitzendingen.

  • Door gemeentelijke herindeling daalt het aantal lokale publieke omroepen de laatste jaren licht. Het totale bereik van lokale stations stijgt wel licht.

  • Commissariaat voor de Media verstrekt vergunning nadat gemeente advies geeft welke omroep de voorkeur verdient.

  • Programmering gericht op gemeente, bevat: nieuws, informatie, actualiteiten, sport, muziek, jongerenprogramma’s, kerkdiensten. Minder dan ¼ voldoet aan de eis van de Mediawet om 50% informatie, cultuur en educatie uit te zenden. Veel doen aan non-stop muziek.


§ 4.4. Luistercijfers en marktaandelen

  • Publieke Omroep/Continu Luisteronderzoek publiceert overzichten van luisterdichtheid en marktaandelen.

  • De luisterdichtheid van radioprogramma’s is over het algemeen lager dan de kijkdichtheid van televisieprogramma’s. Dit houdt niet in dat de NLse bevolking minder tijd besteed aan de radio dan aan de tv. Gemiddeld luistert men 3 uur en 12 minuten.


§ 4.5. Exploitanten en brancheorganisaties

  • Publieke omroep is grootste machtsblok door krachtige FM-frequenties.

  • Wel dreiging van commerciële zenders (verenigd in de Vereniging van Commerciële Radiostations, VCR). Commerciële zenders hebben samen hoger marktaandeel dan landelijke publieke zenders.

  • Het Commissariaat voor de Media verzorgt jaarlijks een monitor Mediaconcentratie waarin verschuivingen in onder eigendomsverhoudingen en aanbiederconcentratie in beeld komen. Bij commerciële zenders wisselen ze nl. nogal eens van eigenaar.

  • Stichting Regionale Omroep Overleg en Samenwerking (ROOS): de 13 publieke regionale omroepen in verenigd

  • Omroep Reclame Nederland (ORN): verzorgd regionale reclame-exploitatie. Later opgedeeld door ORN Sales bv en Centrale Reclame Sevice bv

  • Organisatie van Lokale Omroepen in Nederland (OLON): zet zich in voor gemeenschappelijke belangen van lokale stations. Men probeert onafhankelijke positie van de lokale omroepen ten opzichte van de regionale omroepen te handhaven dan wel te versterken. Helpt met financiering, vanuit publieke middelen.

  • De Vereniging van Niet Landelijke Commerciële Radio (NLCR):voor commerciële radiostations die lokaal/regionaal uitzendingen zijn gaan verzorgen.


§ 4.6 De Mediawet

  • Na de invoering van de mediawet (1988) ging de verantwoordelijkheid voor de omroepen van het ministerie over naar het Commissariaat voor de Media.

  • Commissariaat verleent zendmachtigingen, controleert of er niet teveel reclame wordt uitgezonden en of omroepen zich aan het programmavoorschrift houden.

  • 1997 aantal voorstellen ter verbetering van liberalisering aangenomen, enkele kwamen tot discussiepunten: de staatssecretaris wilde (a) het monopolie op de programmagegevens van de omroepen opheffen en (b) de koppeling tussen het abonnement op een programmablad en het lidmaatschap van een omroepvereniging loslaten. Omroepverenigingen zien ontkoppeling echter als bedreiging van hun positie.

  • Publieke omroepen moeten heel goed samenwerken om concurrentie commerciële aan te kunnen.

  • In het zogenoemde Paasakkoord staat het mogelijke nieuwe mediabeleid voor de publieke omroepen: Zij moet zich gaan richten op (1) Nieuws; hierbij moet interne pluriformiteit gewaarborgd worden (2) Opinievorming en maatschappelijk debat: de externe pluriformiteit wordt toegespitst op deze functie (3) Specifieke informatie en educatie/kunst/cultuur. Amusement is geen doel op zich, maar wel toegestaan.


§ 4.7. Ontwikkelingen

  • Voorlopig nog geen eind aan groei radiostations.

  • 1999 niet-landelijke omroepen hebben 30 FM-frequenties en een aantal AM-frequenties gekregen. 6 jaar later bestaan de meeste van deze stations nog steeds. Maar nog geen dreigende concurrentie.

  • Al 20 jaar een ontwikkeling die er nog niet gekomen is: ‘digitale radio’: minder storingen, meer zenders en een flinke energiebesparing. Uitzendingen zouden met DAB moeten worden gedaan (Digital Audio Broadcasting) Vooral in Amerika en Verenigd Koninkrijk komt het DAB-toestel op.

  • Maar zolang er geen uitzendingen zijn, is er geen markt voor digitale radiotoestellen en zolang er geen digitale radiotoestellen op de markt zijn, is het zinloos uitzendingen te verzorgen. Dit is ook de reden waarom de Hollandse Seintoestellen Fabriek zelf uitzendingen ging verzorgen.

  • Omroepen die net geïnvesteerd hebben in de veiling van de FM-frequenties, hebben geen belang bij DAB-uitzendingen, want het wordt dan nog moeilijker de geïnvesteerde miljoenen terug te verdienen.

  • Internet als uitzendpunt is nog steeds geen succes want:

    • geluidskwaliteit: bij gebrek aan capaciteit blijft voor de meeste internetters de geluidskwaliteit achter bij wat we inmiddels van radio en CD gewend zijn

    • Uitzenden via internet is zeer inefficiënt in vergelijking met uitzenden via de ether: via de ether wordt een boodschap in 1 keer naar miljoenen ontvangers verstuurd, via internet moet die boodschap apart naar iedere luisteraar verstuurd worden.

    • Problemen rond auteursrechten: voorlopig trekken componisten en uitvoerende musici aan het langste eind en moet voor elk nummer dat via internet-radio ten gehore wordt gebracht, zeven eurocent betaald worden aan rechten.


  1   2   3

  • Hoofdstuk 2 Tijdschriften
  • Hoofdstuk 3 Boeken
  • Hoofdstuk 4 Radio

  • Dovnload 119.26 Kb.