Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Conceptverslag van een algemeen overleg over

Dovnload 271.23 Kb.

Conceptverslag van een algemeen overleg over



Pagina5/8
Datum04.04.2017
Grootte271.23 Kb.

Dovnload 271.23 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8
Dibi (GroenLinks): Wij stellen eisen wanneer de huwelijksmigrant Nederland betreedt. Dat wil ik nogmaals benadrukken. Ik zeg niet dat iedereen mbo-2-niveau of een havo- of vwo-diploma moet behalen. Wij willen als lijn uitzetten dat iedereen die hierheen komt, onderwijs moet volgen om op een bepaald niveau te komen zodat ze kansrijk worden in de samenleving en dat de kosten voor een deel, maar niet geheel, bij de partner worden gelegd. Je kunt over ontzettend veel regelingen nadenken om dat op een goede manier te regelen. Het onderwijsniveau is voor ons erg belangrijk.

Mijn spreektijd is volgens mij nog niet helemaal om, dus ik neem de kans om een punt aan te stippen dat ik was vergeten. Wij vinden de voorgestelde maatregel om polygame huwelijken tegen te gaan, om partners die al meerdere keren zijn getrouwd, te verbieden om een partner uit het land van herkomst te halen en de maatregel om de leeftijdsgrens op te schroeven naar 18 jaar in plaats van de huidige 15 jaar, wel effectief. Wij denken dat de huwelijksdwang daarmee wel bestreden kan worden en we zijn daar erg blij mee.


De voorzitter: Er zijn een aantal vragen aan u. Uw spreektijd was wel degelijk om, dus daar kunt u alvast even over nadenken.
De heer Fritsma (PVV): Om te beginnen vind ik het voorstel van de heer Dibi een goed voorstel. Het kabinet moet aangeven hoe vaak het gebeurt dat mensen meerdere partners uit het land van herkomst halen. Ik heb daar jaren geleden al om gevraagd. Ik wil vragen waarom GroenLinks dat verzoek toen niet steunde. Ik heb toen gevraagd hoeveel referenten gedurende het hele verblijf in Nederland meer dan een partner uit het buitenland laten overkomen. Dat is de vraag waar het om gaat. Toen heeft het kabinet geantwoord dat er geen cijfers over voorhanden zijn. Waarom hebt u daar toen geen schande over gesproken? Waarom hebt u toen niet gezegd: kabinet, kom op met die informatie, we moeten nu de feiten boven water halen? Ik heb dat toen gevraagd, niemand interesseerde het wat en nu roept u het plotseling.
De heer Dibi (GroenLinks): Dan zeg ik de heer Fritsma na: kom op, kabinet! Als er partners zijn die negen keer een partner over laten komen naar Nederland, als dat zomaar kan, willen wij die cijfers ook boven tafel hebben. Daarover is geen verschil van inzicht.

Tot slot merk ik op dat Nederland het op twee na strengste land is als het gaat om de grenzen voor huwelijksmigratie. Laten we niet doen alsof de grenzen openstaan en iedereen lukraak Nederland binnen kan komen. Dat is een mythe die ontkracht moet worden.


Mevrouw Karabulut (SP): Voorzitter We hebben het vandaag over het tegengaan en het bestrijden van huwelijksdwang en de evaluatie van de Wet inburgering buitenland, de wet waaraan migranten die hier naartoe willen komen voor gezinshereniging of -vorming moeten voldoen. De brief van het kabinet gaat over deze twee punten. Als eerste wil ik het hebben over de aanpak van huwelijksdwang. Laat ik daarover duidelijk zijn; wat de SP betreft vallen huiselijk geweld, eergerelateerd geweld en, nog specifieker, psychische of fysieke dwang en het dwingen van personen tot het aangaan van een huwelijk onder schending van de mensenrechten. De SP vindt de keuzevrijheid van iemand om te kiezen voor een partner ontzettend belangrijk. Belemmeringen van deze keuze door dwang, onderdrukking of geweld, ook wel huwelijksdwang genoemd, moeten wat de SP betreft zo veel mogelijk voorkomen worden.

Ik vind dit een mooie brief van het kabinet, omdat deze de keuzevrijheid centraal stelt. We weten allemaal dat exacte cijfers over het aantal gevallen van huwelijksdwang en de verschillende vormen daarvan ontbreken, juist omdat het zo ontzettend complex is. De enkele gevallen die de minister voor Integratie heeft genoemd bij de presentatie van de brief en de gevallen die ook anders in de pers zijn gekomen, zijn ernstig genoeg. Laten we er eerlijk over zijn, mannen die met steun van hun directe omgeving doen aan vrouwenhandel, of die meisjes verkopen aan andere mannen, hier of in het buitenland, moeten aangepakt worden als misdadigers en criminelen, want dat zijn ze volgens mij. In een artikel in Trouw wordt het voorbeeld van Souad genoemd, het dertienjarige meisje dat werd uitgehuwelijkt aan een man van 21, waarbij hij een bruidsschat betaalde en een grootse bruiloft bekostigde, terwijl het meisje vervolgens allerlei moeite moest doen om hier geholpen te worden. De professionals hier waren zich niet bewust van de slinksheid en de ernst van de situatie en ik geloof dat de daders nog vrij rond lopen. Dat kan ik niet erg goed verkroppen.

Het belang en de bescherming van het slachtoffer zouden voorop moeten staan, maar de vervolging van dit soort daders is voor mij ook ontzettend belangrijk. De minister van Justitie zegt meer te gaan inzetten op opsporing en vervolging door huwelijksdwang op te nemen in de Aanwijzing eergerelateerd geweld, en dat steun ik. De minister noemt voor- en nadelen van het strafbaar stellen van huwelijksdwang. Mijn vraag is waarom wordt gekozen voor deze vorm en niet voor strafbaarstelling. Hoe kijkt de minister aan tegen de specifieke strafbaarstelling die in België is geïntroduceerd? Is hij bereid hier serieus naar te kijken en het eventueel strafbaar te stellen?

Ik ben laatst in Rotterdam geweest, waar wethouder Kriens met haar team echt ontzettend goed bezig is. Rotterdam doet ontzettend veel vanuit de praktijk, met het Steunpunt Huiselijk en Eergerelateerd Geweld, waarbij heel veel betrokkenen, zoals partijen, scholen, hulpverleners, politie, justitie en zelforganisaties een vuist maken tegen onderdrukking, geweld en gedwongen huwelijken. Dit voorbeeld van nauwe samenwerking, waarbij per geval van onderop bekeken wordt wat er aan de hand is en wat er gedaan moet worden, verdient volgens mij steun. Ik heb begrepen dat de gemeente Rotterdam hiertoe inmiddels een verzoek heeft ingediend bij de minister van Justitie. Klopt dat en op welke manier gaat de minister dit ondersteunen? Gaan de andere grote steden dit voorbeeld volgen of niet? Het gaat uiteindelijk ook om preventie, dus om het bewust maken dat je je eigen toekomst, je eigen lot, in eigen handen kunt nemen. Daarbij zijn partijen zoals scholen, zelforganisaties en gemeenschappen hard nodig.

Resumerend, het kabinet neemt een aantal maatregelen die ik steun, maar ik vind ook dat het iets tekortschiet. Ik zou er graag een aanvulling op zien, namelijk het verzamelen van informatie via kwalitatief en kwantitatief onderzoek. De Rotterdamse ervaring leert hoe nodig dat is. In het nieuws kwam dat er vijftien meisjes verdwenen waren, waarbij het in geen van de gevallen vooralsnog om huwelijksdwang blijkt te gaan. Ik ben daar geweest. Het is complex en het moet uitgezocht worden. Ik wil niet dat er een heel nieuw steunpunt wordt georganiseerd, maar er moet zo veel mogelijk worden aangesloten bij de aanpak van huiselijk en eergerelateerd geweld. Ik verzoek het kabinet om hiervoor landelijke kaders op te stellen. Dat betekent ook dat hiervoor voldoende expertise, tijd en capaciteit vrijgemaakt moet worden. Als laatste wil ik weten of het kabinet bereid is te kijken naar de vervolging en strafbaarstelling van daders. Ik zou ook informatie willen over hoe dat in de praktijk gaat.

Dan kom ik op de aanscherping van de eisen voor gezinsmigratie om dwanghuwelijken te voorkomen. Ik vind dat erg kort door de bocht. De SP-fractie heeft de Wet inburgering buitenland gesteund en steunt deze, omdat wij vinden dat mensen die hier naartoe komen zich moeten voorbereiden op en kennis moeten hebben van de Nederlandse samenleving zodat de inburgering hier vlot verloopt. Als ik kijk naar de resultaten van de aangescherpte inkomenseisen, zie ik dat het aantal gezinsmigranten drastisch is afgenomen. Bij de Turkse en Marokkaanse Nederlanders is het met meer dan 50% afgenomen. We zien ook dat de jonge generaties hun partner in Nederland zoeken. Er wordt gesproken over de spankracht van de samenleving, maar ik denk niet dat deze aantallen en omvang de spankracht van de Nederlandse samenleving bedreigen. Ik vind het prima als men de dwanghuwelijken tegen wil gaan, maar men kan mij toch niet wijsmaken dat het fenomeen dat Nederlanders die verliefd worden of uit verstand een keuze maken voor een partner uit het buitenland, vereenzelvigd kan worden met het dwanghuwelijk?


De heer Fritsma (PVV): De aantallen zijn de afgelopen jaren niet onder de 20.000 geweest. Ik heb hier cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek, die ook rondgedeeld mogen worden voor de belangstellenden. In 2005 hadden we meer dan 25.000 partner- en gezinsmigranten. In 2007 was het ruim 25.000. Baren die aantallen de SP-fractie echt geen zorgen? U ziet toch het effect van deze massa-immigratie op de stadswijken en op het bestaan in Nederland? U ziet toch dat het de samenleving ontwricht?
Mevrouw Karabulut (SP): Wij hebben het hier over vrijheid; de vrijheid om keuzes te kunnen maken voor je partner, om keuzes te kunnen maken om hier te werken, te wonen en te leven. Ik vind het belangrijk dat mensen hun best doen en zich inspannen om mee te kunnen doen. De aantallen hoeven op zichzelf helemaal geen probleem te zijn. Het sociale probleem dat de heer Fritsma benoemt, herken ik wel en zie ik wel, maar dat speelt zich af in Nederland. De grote concentratie van problemen in buurten en wijken is in Nederland aan de hand. Het punt is dat er dertig, veertig jaar lang falend integratiebeleid is gevoerd en dat diverse kabinetten hun kop in het zand hebben gestoken voor de echte problemen, waardoor er nu grote problemen in de buurten en wijken zijn. Daar wil ik iets aan doen. Daar wil ik de segregatie aanpakken. Ik vind het belangrijk dat wij eindelijk, na tientallen jaren, vragen aan mensen om de taal te leren. Mensen hebben zich gewoon te houden aan regels. Als zij dat doen, zijn mensen, waar ze ook vandaan komen, in eerste instantie niet het probleem.
De heer Fritsma (PVV): Ik heb een vervolgvraag. Die aantallen zijn namelijk wel een probleem. Ook het generaal pardon was een probleem: 27.000 nepvluchtelingen wiens asielverzoek allang was afgewezen zijn toegelaten, ook dankzij de SP.
De voorzitter: Mijnheer Fritsma, u moet geen betoogvraag stellen.
De heer Fritsma (PVV): Ik vraag mevrouw Karabulut hoe ze daarop terugkijkt; of ze dat nog steeds een fantastische beslissing vindt.
Mevrouw Karabulut (SP): Als er een ding is waarover ik de staatssecretaris complimenten wil maken, is dat het generaal pardon. Dat heeft mijn partij zeker gesteund. Daar hebben we samen voor gevochten toen we in de oppositie zaten. Ik ben daar hartstikke trots op. De heer Fritsma wil zelfs die mensen die jarenlang in onzekerheid hebben verkeerd en uit een oorlogssituatie kwamen, in de steek laten omdat hij zo bang is voor alles wat vreemd is. Ik ben echter trots op het generaal pardon.
De heer De Krom (VVD): Ik heb eigenlijk dezelfde vraag. Ik hoor mevrouw Karabulut zeggen dat een aantal achtereenvolgende kabinetten de zaak uit de klauwen heeft laten lopen met achterstanden en segregatie. Mijn vraag is dan ook: heeft dat er iets mee te maken dat u het generaal pardon hebt gesteund? Hoe kan ik dat nu allemaal rijmen?
Mevrouw Karabulut (SP): Of ik begrijp de vraag van de heer De Krom niet, of de heer De Krom weet niet hoe de wereld in elkaar steekt, een van de twee.
De heer De Krom (VVD): Het is heel simpel. Als mevrouw Karabulut hier terecht zegt dat er sprake is van grote achterstanden, van segregatie in wijken, etc., is mijn vraag hoe het generaal pardon eraan heeft bijgedragen om dat probleem kleiner te maken.
Mevrouw Karabulut (SP): Als wij dat generaal pardon al veel eerder hadden geregeld, hadden deze mensen veel sneller kunnen werken en kunnen bijdragen aan de samenleving. De heer De Krom mag zelf wel eens wat bescheidener doen, want het is zijn partij geweest die ervoor heeft gezorgd dat we nu te maken hebben met gettovorming en achterstanden. Het is zijn partij geweest die de grenzen wagenwijd open heeft gezet voor een nieuwe groep arbeidsmigranten, omdat werkgevers die goedkope arbeidsmigranten nodig hebben.
De heer De Krom (VVD): Voorzitter, staat u mij toe om een korte reactie te geven? Het was mijn partij die in het vorige kabinet er als eerste in slaagde om de asiel- en immigratiecijfers naar beneden te krijgen. Volgens mij was de SP de partij die door die erfenis een streep zette met het generaal pardon.
Mevrouw Karabulut (SP): Ik houd erg van een scherp, open en eerlijk debat. Mensen schieten er niks mee op als men bepaalde dingen probeert te verdoezelen. De problemen in Nederland waar we het nu over hebben, zijn een erfenis van uw regering. Die zijn een erfenis van de puinhopen die uw partij mede heeft achtergelaten. Ik wil eraan herinneren dat er door eerdere kabinetten waar de VVD onderdeel van uitmaakte, totaal geen eisen aan de gezinsmigratie werden gesteld: iedereen mocht komen. Daar is uw partij mee begonnen.

Mijnheer De Krom en alle andere partijen vinden mij aan hun zijde wanneer we het hebben over echte oplossingen van sociale problemen. Op grond van de evaluatie van de Wet inburgering buitenland en de huidige aantallen gezinsmigranten constateer ik dat daar niet de grote problemen zitten. De evaluatie wijst uit dat de mensen die het examen behalen, enorm gemotiveerd zijn. Twee derde van de kandidaten die de voorbereiding hebben afgerond, vond het examen heel erg moeilijk. Het opleidingsniveau is gestegen. Het is nog te vroeg om conclusies te trekken over de vraag of deze wet ertoe heeft geleid waarvoor deze was bedoeld: om de emancipatie en de integratie hier beter te maken. Daarom vind ik het voorbarig om de eis te verhogen, temeer omdat je daarmee een grote groep mensen, namelijk de lager- en misschien wel middelbaar opgeleiden, zou uitsluiten van de keuzevrijheid om zich te voegen bij hun geliefde.


Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Voorzitter. Sinds de in 2004 ingevoerde inkomens- en leeftijdseisen is er sprake van een forse daling van het aantal huwelijksmigranten en een enigszins verbeterde arbeidsmarktparticipatie. Daar staat echter tegenover dat het aantal huwelijksmigranten in het laatste jaar weer groeit en dat er voor deze maatregelen al sprake was van daling van het aantal huwelijken met een partner uit het land van herkomst onder Turken en Marokkanen. Kan er dus wel een een-op-een relatie worden gelegd met de genomen maatregelen? Ik hoor hierop graag een reactie van het kabinet.

Ook de ChristenUnie heeft zorg over de integratie van de gezinsmigranten. Een kwart van de gezinsmigranten die het inburgeringsexamen in het buitenland afleggen, is ontoereikend opgeleid om in de Nederlandse samenleving te kunnen participeren. Het is begrijpelijk dat de taaleisen daarom worden opgeschroefd. Zet de minister zich ervoor in om de kwaliteit van de cursussen in het buitenland zo veel mogelijk te laten aansluiten? Er is namelijk kritiek op de kwaliteit van de huidige cursussen.

We kunnen niet alles ophangen aan het inburgeringsexamen. Dat is slechts de eerste stap richting integratie. De minister constateert dat het duurzame effect van inburgering in het buitenland beperkt is. De ChristenUnie mist in de brief voorstellen om dit probleem aan te pakken. In die zin kan ik mij vinden in de vragen die de heer Dijsselbloem heeft gesteld over de aanbevelingen van de onderzoekers. Ik hoor hierop graag een reactie van het kabinet.

Ook is mijn vraag in hoeverre de hogere opleidingseisen zich verhouden tot de artikelen 8 en 12 van het EVRM. Op Europees niveau wordt ervoor gepleit dat de referent bij een relevante strafrechtelijke veroordeling niet nogmaals als referent op kan treden. Wanneer wordt dit duidelijk? Begrijp ik uit de brief van de minister dat aanpassingen hierop alleen op Europees niveau mogelijk zijn? De regering noemt nu alleen de optie van het intrekken van de vergunning van de referent zodat deze automatisch niet meer als referent kan worden gebruikt. De vraag van de Kamer ging echter juist om de situatie waarin het strafbare feit niet zo zwaar is om de verblijfsvergunning in te trekken, maar waarbij het wel voor de hand ligt dat iemand opnieuw als referent optreedt. De minister noemt het stellen van een opleidingseis aan de referent als extra stimulans om de opleiding af te maken. De vraag is echter of regelgeving rond het huwelijk het geëigende instrument is om te stimuleren dat mensen hun opleiding afmaken. Hierop hoor ik graag een reactie van de minister.

Huwelijksdwang moet gewoon voorkomen worden, want ingrijpen achteraf leidt altijd tot meer schade. In de brief wordt voorgesteld om Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland hiernaar te laten vragen bij bij het afleggen van het basisexamen inburgering. Er wordt nog onderzocht hoe dit het beste kan. Wanneer komt hierover helderheid? Wat zijn de gevolgen als er sterke aanwijzingen zijn dat er inderdaad sprake is van huwelijksdwang? Aan wat voor vervolgactie denkt de minister dan? De minister stelt in de brief dat hij geen kwantitatieve gegevens heeft en dus niet zo goed weet hoe het zit met de huwelijksdwang. Mijn vraag is of er een onderzoek kan komen naar deze verschijnselen.

De minimumleeftijd voor een huwelijk is nu 18 jaar, behoudens de bijzondere dispensatieregeling in geval van zwangerschap. Het kabinet onderzoekt de mogelijkheid van verdragsonderhandelingen met andere landen over het erkennen van huwelijken die zijn gesloten in landen waar de minimumleeftijd lager is. Hoe zit het precies met personen met een niet-Nederlandse nationaliteit die in het land van herkomst al op 15-jarige leeftijd mogen trouwen en daarom ook in Nederland al op die leeftijd mogen trouwen? Begrijp ik goed uit de brief van de minister dat dit niet verboden kan worden op grond van internationale verdragen? Ook wordt mij uit de brief niet duidelijk wat de juridische positie is van mensen die in het buitenland op zeer jonge leeftijd zijn getrouwd, maar pas op hun achttiende naar Nederland komen. Ik wil graag een reactie hierop van het kabinet.

Wat betreft het neef/nicht-huwelijk sluit ik mij aan bij de vragen van de heer De Krom. Over de leeftijdsonafhankelijke leerplicht vindt de fractie van de ChristenUnie dat we beter kunnen investeren in ervoor zorg dragen dat mensen op de juiste manier naar Nederland komen en een goede basis hebben om door te gaan. Er wordt nu voorgesteld dat er een levenslange leerplicht is. Ik pleit ervoor om ervoor te zorgen dat de inburgeringscursus die mensen moeten volgen, kwalitatief en effectief is.
De heer Dibi (GroenLinks): Mevrouw Ortega vraagt om een onderzoek naar de omvang huwelijksdwang, terwijl er verregaande maatregelen worden bepleit om huwelijksdwang te voorkomen. Vindt zij, als vertegenwoordigster van een gezinspartij, het terecht dat het kabinet zo treedt in het recht op gezinsvorming en -hereniging op basis van feiten waarvan wij de omvang niet eens weten?
Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Willen we goed beleid voeren, dan moeten we dat baseren op feiten. Vandaar dat ik heb gevraagd of het mogelijk is om met kwantitatieve gegevens te komen die gebaseerd zijn op onderzoek.
De heer Dibi (GroenLinks): Mevrouw Ortega zegt dus eigenlijk dat de feiten ontbreken, maar tegelijkertijd constateer ik dat er wel verregaande maatregelen worden bepleit. Wat is het oordeel van de ChristenUnie over dit pakket van maatregelen, zonder dat wij precies weten om hoeveel vrouwen het gaat die mogelijk gedwongen worden?
Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Ik zeg nogmaals dat ik wil dat er feitelijk materiaal op tafel komt, zodat we de juiste beslissingen kunnen nemen.
De voorzitter: Ik wijs u erop dat we volgende week de begroting hebben waar een aantal thema’s eventueel nog terug kunnen komen. Ik geef allereerst het woord aan minister van der Laan in de beantwoording in eerste termijn.
Minister Van der Laan: Voorzitter. Ik dank de Kamerleden voor de vele relevante opmerkingen die gemaakt zijn. Mijn collega’s Albayrak en Hirsch Ballin zullen zo de onderwerpen uit de brief nemen die op hun terrein liggen. Ik zal een paar algemene opmerkingen maken en een aantal opmerkingen die zijn toegesneden op inburgering. Ik weet dat we na twee uur lang vragen stellen en opmerkingen maken vast niet aan alles toekomen, maar we zullen daar graag, als de Tweede Kamer dat in tweede termijn aangeeft, schriftelijk op terugkomen. We proberen de hoofdpunten nu in ieder geval te behandelen.

Dit is een onderwerp van groot belang, zoals ook blijkt uit de bijdragen van de Kamerleden. Het is ook een onderwerp waar hier en daar emotie mee verbonden is. We praten over fundamentele zaken als partnerkeuze en gezinsvorming. Er is ook een andere kant die aangrijpt, waar ik als minister van Integratie verantwoordelijk voor ben. Dat is de kant die gevolgen van de aanwezigheid betreft en de komst van een grote groep mensen met een flinke achterstand tot de samenleving. Daar zijn gevolgen aan verbonden, in het bijzonder voor de mensen die met deze mensen werken, zoals onderwijzers, hulpverleners in de zorg, maar ook de politie.

Tegelijkertijd komen er bij het onderwerp huwelijksmigratie zaken voor waar we niet van mogen wegkijken en die alle woordvoerders ter sprake hebben gebracht. Het meest sprekende verhaal is dat van mevrouw Faiza oum’Hamed. Daar kom ik nog op terug. De combinatie van de spankracht, de steeds opnieuw regenererende achterstanden en wat er op het spel staat als we ingrijpen omdat het belangrijk blijkt te zijn om in te grijpen in plaats van grote terughoudendheid -- dat wil zeggen, het humanitaire aspect -- heeft het kabinet bewogen de extra maatregelen te treffen. In verband met de uitvoering van de motie van het CDA en de PvdA zal ik zo dadelijk de chronologie daarvan vertellen. Daarbij werd een hele reeks punten genoemd met vragen als: zoek dat nu eens goed uit of geeft dat geen aanleiding om.

De huwelijks- en gezinsmigratie is een bijzondere categorie van migranten. Mijn collega’s zullen daar zo meteen op doorgaan. Als de integratie voor die groep faalt, heeft dat niet alleen gevolgen voor henzelf, maar ook voor hun kinderen en hun verdere omgeving. We hebben de afgelopen decennia gezien dat de integratie daadwerkelijk is achtergebleven. In dit verband zijn er langzamerhand duizenden voorbeelden die ik per jaar kan geven. Het schrijnendste is misschien wel van een moeder die ik tegenkwam, die niet weet op welke school haar kinderen zitten. Dat is een voorbeeld van de afstand die zo’n moeder heeft tot zo’n belangrijke en wezenlijke voorziening voor haarzelf en voor haar gezin.

Dat plaatst ons als samenleving en als overheid voor een grote opgave. We zijn nog steeds bezig een inhaalslag te plegen op het gebied van inburgering, taalachterstand, opvoedingsondersteuning, toeleiding naar de arbeidsmarkt enz., voor de groep die al jaren geleden naar Nederland is gekomen. Dat trekt een voortdurende wissel op de professionals die dagelijks bezig zijn in al die vakgebieden en het hoofd moeten bieden aan de gevolgen daarvan.

Door de Kamerleden is aangehaald, en we hebben het ook in de brief geschreven, dat 25% van de gezinsmigranten die het examen in het buitenland afleggen, niet meer heeft dan de basisschool. Ik was getroffen door de woorden mevrouw Sterk dat zij daar vijf jaar geleden was en zich afvroeg hoe wij het in die situatie eigenlijk ooit konden redden in Nederland. Natuurlijk kan dat, maar ik kan me de vraag van mevrouw Sterk uitermate goed voorstellen. Voor de statistiek is dit een grote groep. Voor velen zal dat heel erg moeilijk zijn door de kloof die overbrugd moet worden naar het kennisniveau dat de Nederlander nodig heeft om goed te kunnen functioneren als burger, ouder en werknemer.

Ik wil hier ook nog een keer zeggen dat er een duidelijk verband is met wat wij van ouders verwachten. Als zij de taal nog niet spreken, bieden zij hun kinderen van vier jaar statistisch gesproken een achterstand aan van ongeveer twee jaar. Dat kan je kinderen niet aandoen, omdat die nauwelijks is weg te werken en gevolgen heeft in de rest van het leven van het kind, met betrekking tot schooluitval, overlast en criminaliteit. Wij kennen de statistieken uit ons hoofd.

Onder de noemer van huwelijksmigratie komen daarnaast allerlei situaties voor die we niet kunnen accepteren: de niet-vrije partnerkeuze, huwelijksdwang, polygamie, neef/nicht-huwelijken, schijnhuwelijken en opsluiting van vrouwen. Dit zijn zaken die het kabinet onacceptabel vindt. Ook vindt het kabinet het onaanvaardbaar dat er bewust in het buitenland wordt gezocht naar ongeëmancipeerde vrouwen -- dat komt gewoon voor -- omdat men de meiden in Nederland te geëmancipeerd vindt. Die meiden worden op die manier namelijk afgestraft voor hun succes en hun inspanningen in de Nederlandse samenleving. Dat is natuurlijk ontzettend averechts.

Ik maak nog een opmerking over de spankracht. Ik heb geadstrueerd dat dit voor het kabinet een extra reden was om in actie te komen. Het kabinet is zich er heel goed van bewust dat de problemen zeker niet voor de hele groep gelden, maar dat de urgentie ervan groot genoeg is om die maatregelen nu te treffen. Ik ga in dit verband even in op wat ik beschouw als een hele serieuze opmerking van de heer Dibi. Hij zegt dat hij een onbehaaglijk gevoel krijgt bij het lezen van de brief. Door mevrouw Karabulut werd dit niet met zoveel woorden gezegd, maar ook daar zat de vraag in of de maatregelen wel bij de analyse passen. Ik wil heel nadrukkelijk zeggen dat de heer Dibi geen last hoeft te hebben van welk onbehaaglijk gevoel dan ook. Ik heb bij de presentatie van de maatregelen samen met collega Hirsch Ballin namelijk al gezegd dat er twee verschillende pijlers zijn. Die pijlers liggen op verschillende manieren in elkaars verlengde en versterken en ondersteunen elkaar.

Aan het adres van de heer Dibi wil ik in ieder geval opmerken dat wij in december pas de motie kregen waarin werd gevraagd om ermee aan de slag te gaan. Daarbij heb ik verzocht om zo snel mogelijk geïnformeerd te worden door de IND over wat er allemaal onder de portefeuille van mevrouw Albayrak en heer Hirsch Ballin valt en in hoeverre dat raakvlakken heeft met deze problematiek. Ik heb die presentatie in april gehad en zag toen voor het eerst in mijn leven -- het was op dat moment geloof ik ook kakelvers -- de grafiek lopen. Ik ben een oude bèta en dan is het niet zo moeilijk om dit te zien als een knik. Dat zeg ik ook in de richting van mevrouw Verdonk. Daarover zijn wij onmiddellijk in overleg gegaan met elkaar in de maand mei. Ik betrek met name mevrouw Verdonk hierbij, maar het is ook een antwoord aan de heer Dibi. Wij zijn heel snel opgetreden. Ik bedank mevrouw Sterk voor de complimenten die zij daarvoor heeft gegeven. Wij zijn met concrete maatregelen gekomen. Dat zal ik zo verder onderbouwen en dat zullen mijn collega’s voor hun maatregelen ook doen.

De brief was in oktober en ik denk dat het heel goed is dat wij in vijf maanden tijd die maatregelen op tafel hebben gelegd. Ik begrijp dat het voor mevrouw Verdonk, met de geschiedenis van niet altijd genoeg geëerd zijn geweest voor een bepaalde wet, te harde aanvallen en alle dingen die gebeurd zijn, die ik erken, soms moeilijk is om te zeggen: dit is misschien een goede stap voorwaarts ten opzichte van wat ik gedaan heb. Ik ben geen psycholoog, maar het is natuurlijk een beetje onzin om te zeggen dat in deze brief enkel pilots, experimenten en onderzoeken staan. Er staan heel concrete maatregelen in. Op de vraag van mevrouw Sterk naar een planning van alle onderzoeken zeg ik toe dat wij de brief nog eens goed zullen lezen op alle dingen die een onduidelijke timing hebben en in december een timing zullen verschaffen, zodat men deze kan lezen en ons daaraan kan houden. De boodschap van mevrouw Verdonk was: boter bij de vis. Zij doet niet helemaal recht aan de brief, zoals haar misschien naar haar gevoel ook niet altijd recht is gedaan. Zullen wij het dan beter proberen?
Mevrouw

1   2   3   4   5   6   7   8

  • Karabulut
  • Ortega-Martijn
  • Van der Laan

  • Dovnload 271.23 Kb.