Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Conceptverslag van een algemeen overleg over

Dovnload 271.23 Kb.

Conceptverslag van een algemeen overleg over



Pagina7/8
Datum04.04.2017
Grootte271.23 Kb.

Dovnload 271.23 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8
Van der Laan: Ik wil graag de vraag van de heer Dijsselbloem beantwoorden. De vraag was hoe hoog de lat lag bij alfabetisering en of deze hoger kan liggen dan niveau A1. Hoger dan A1 lijkt ons te ver gezocht. Voor analfabeten kost het veel tijd om te alfabetiseren, soms meer dan twee jaar. Een verhoging van het niveau zou een extra moeilijke stap zijn. Dat is ons idee. De heer Dijsselbloem vroeg ook of de alfabetiseringseis op dit moment geen belemmering meer is. Ik geloof dat er een misverstand is of dat de vraag niet helemaal goed is opgeschreven. Het antwoord is in ieder geval dat het kabinet zal investeren in gericht lesmateriaal voor taal, omdat dit nu niet bestaat. Dat is een verschil met het vorige kabinet, dat daar wilde ophouden en dat niet deed. Misschien is het voor het publiek niet erg aardig om wel het antwoord te kennen maar niet de vraag, dus misschien wil mijnheer Dijsselbloem straks de vraag herhalen, want ik wil geen ruzie met de voorzitter.
De heer Dijsselbloem (PvdA): Het antwoord was adequaat. Mijn vraag was namelijk: waarom dit in het verleden niet kon. De vorige minister zei dat die eis niet gesteld kon worden, maar dit kabinet gaat dat toch doen.
De voorzitter: Ik stel voor dat de minister zijn betoog afmaakt en vervolgens het woord aan de twee bewindslieden geeft. Ik sta nu even geen interrupties meer toe.
Minister Van der Laan: Ik probeer nu tempo te maken.

Tegen mevrouw Ortega-Martijn zeg ik dat ik naar ik hoop genoeg heb gesproken over de relatie tussen wat wij willen en het EVRM en over de zaken waarover wij onderzoek doen en gaan onderhandelen. Mijn collega’s zullen voor hun terreinen op diverse punten daaromtrent ingaan.

Zij vroeg ook naar het stellen van een opleidingseis aan de referent. Deze wordt genoemd als extra stimulans voor mensen om hun opleiding af te maken. Ik heb begrepen dat zij het voorstel steunt, maar wil weten of de regelgeving rond het huwelijk een geëigend instrument is om te stimuleren dat mensen hun opleiding afmaken. Zij zegt dat we voor Nederlanders ook geen opleidingseis stellen om te trouwen. Het antwoord daarop is dat de verwachting is dat de referent in Nederland door een opleidingseis te stellen beter in staat zal zijn om zijn toekomstige buitenlandse partner te begeleiden bij het inburgerings- en integratieproces. Daarnaast zal het ook een stimulans zijn om de opleiding af te maken. De vergelijking met een huwelijk tussen twee mensen die al in Nederland zijn gevestigd, gaat in mijn optiek niet op. Binnen de migratiecontext heeft de referent een specifieke rol en verantwoordelijkheid om de partner die hij of zij laat overkomen, wegwijs te maken in de Nederlandse samenleving. Dat kan met een afgeronde opleiding ook een stabielere toekomst aan de referent zelf bieden. Dit is dus niet aan de orde bij een huwelijk tussen twee in Nederland gevestigde personen.

Mevrouw Ortega-Martijn had ook een vraag over het voorstel in de brief om de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland te laten vragen naar huwelijksdwang bij het afleggen van het basisexamen inburgering. Zij vroeg wanneer hierover helderheid komt. Dit is iets wat uiteraard met zeer veel waarborgen moet worden omkleed. Ik weet niet wat er precies gebeurt bij het examen inburgering. Mijn collega’s zullen hierover misschien wel verdergaande gedachten hebben op grond van de andere contactmomenten die er vanuit hun portefeuilles zijn.

De SP en de ChristenUnie hebben aanbevolen om te investeren in de kwaliteit van de inburgering in Nederland. Daar gaan wij volgende week ongetwijfeld zeer uitdrukkelijk over praten; ik zie daarnaar uit. Mevrouw Karabulut vroeg om een nader kwantitatief onderzoek naar huwelijksdwang. Ik kijk even naar mijn collega’s. Ik heb hier al iets over gezegd en zou het op prijs stellen als zij dat ook zouden willen doen. Ik heb zelf geen behoefte aan zo’n onderzoek. Ik zou ook graag willen dat mijn collega’s ingaan op de aanvullende maatregelen om het netwerk rond huwelijksdwang uit te breiden. Dat ligt net een slag meer op hun terrein.

Dan kom ik nu op mijn allerlaatste punt. Ik heb genoteerd dat de meeste partijen de brief voluit steunen. Daarvoor wil ik ze bedanken. Dat geldt in ieder geval voor het CDA, de PvdA, de VVD en de ChristenUnie. De bewoordingen die daarvoor gebruikt zijn, vind ik royaal, als ik dat zo mag zeggen. Ik hoop dat we snel komen bij iets wat heel ver weg blijft van “onderzoek, onderzoek, onderzoek”, pamperen, vaagheid of iets dergelijks en dat we dit heel snel kunnen implementeren. Dat zal blijken uit de planning die de Kamer in december krijgt.


Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie): Ik wil graag nog twee vragen stellen. Over de opleidingseis van de referenten heb ik nooit gezegd dat ik het daarmee eens ben of erachter sta. Ik zie het nut er namelijk niet van in. Op het moment dat je een partner hier naartoe haalt, moet je je partner inderdaad begeleiden, maar wat heeft dat met opleiding te maken? Dit is geen vraag maar een opmerking.

Dan wil ik even iets zeggen over uw gebrek aan behoefte aan een onderzoek over dwanghuwelijken. Ik vind het prima dat de minister dat zo zegt, maar ik zou graag willen weten waarom hij daar geen behoefte aan heeft.


Minister Van der Laan: Dat is vooral een vraag voor Justitie. Ik ben er allang van overtuigd dat daar kwalitatief een groot probleem ligt dat voldoende kwantitatief is om het aan te pakken. Zo hebben wij het altijd besproken. Mijn collega’s weten hier echter meer over. Ik heb niet meer gegevens nodig om hier iets aan te doen.
Mevrouw Karabulut (SP): Ik wil mijn collega van de ChristenUnie even bijstaan. U zegt dat u 25 tot 30% van de Nederlandse bevolking uitsluit door de opleidingseisen op te schroeven en dat u tegelijkertijd miljarden wilt bezuinigen in het onderwijs. Ik begrijp dat niet helemaal.
Minister Van der Laan: Ik zou hier minstens 24 uur over moeten nadenken om hier een antwoord op te kunnen geven.
Mevrouw Verdonk: De minister zegt dat de planning in december komt, maar wanneer denkt hij resultaat te behalen?
Minister Van der Laan: Wij zullen daar in de brief van december een aparte paragraaf over maken. Dat is geen grapje. Ik wil met mijn collega’s heel serieus over dit belangrijke probleem boter bij de vis leveren. Op grond van wat Hirsch Ballin, Albayrak en Van der Laan gedaan hebben, kan men vaststellen dat er in een hoog tempo gereden wordt.
De heer De Krom (VVD): Een punt van orde. Wij zouden om acht uur afsluiten. Als wij kunnen ingaan op het aanbod van de minister om de vragen die zijn blijven liggen, schriftelijk te stellen en dat deze voor de begrotingsbehandeling worden beantwoord, scheelt dat misschien een stuk stress in de tijd die er nog over is.
De voorzitter: Ik wilde sowieso voorstellen om vandaag geen tweede termijn te houden want dat is volstrekt onmogelijk. We hebben nog twee bewindspersonen en u wilt vast interrumperen want dat kunt u zo goed. Ik wil dat niet helemaal gaan afkappen, dus een tweede termijn zit er vandaag niet in. Ik vraag aan de minister of hij bereid is om de suggestie van mijnheer De Krom over te nemen.
Minister Van der Laan: Ik weet nog niet precies wanneer de begroting is. Misschien weet de Kamer wel of dat dinsdag of woensdag is.
De voorzitter: Dat weten wij morgen pas.
Minister Van der Laan: Ik snap dat het nuttig is om die antwoorden te hebben. Ik wil u toezeggen dat wij daar vanuit WWI ons best voor doen. Voor de collega’s van Justitie kan ik niks zeggen. Ik vind het redelijk om toe te zeggen dat wij ons best zullen doen om het maandag bij u te laten zijn. Als het niet helemaal lukt, is het in dit geval echt over, want de hele machine loopt al op heel hoge snelheid, ook voor de begroting. Er is nog maar weinig tijd, want we praten nu over drie of vier werkdagen.
De voorzitter: Dan stel ik voor dat de vragen morgen voor 12 uur worden aangeleverd. Ik zie iedereen instemmend knikken dus dat gaan we dan doen. Verder ga ik hier geen procedurevergadering houden. De minister zal er alles aan doen om deze uiterlijk maandag te beantwoorden. Misschien kunnen we dat nog laten afhangen van de plenaire agenda. Als de begrotingsbehandeling later begint, hebben we iets meer ruimte. Daarover zal de Kamer nog geïnformeerd worden, maar ik verzoek de leden om de vragen voor 12 uur aan te leveren.
Minister Van der Laan: Mevrouw de Voorzitter, ik wil niet pietluttig zijn, maar ik denk dat het hierbij moet gaan om vragen die in de eerste termijn gesteld zijn en die zijn blijven liggen in de beantwoording.
De voorzitter: Het gaat alleen om de vragen die zijn blijven liggen. Nu moeten we het toch even afmaken, zonder pietluttig te willen zijn, natuurlijk. Ik begreep dat de heer De Krom een aantal aanvullende vragen wilde stellen.
Minister Van der Laan: Laten we eerst even afwachten waar we komen en dan zien we wel weer verder.
De heer De Krom (VVD): Ik geloof niet dat u het punt helemaal hebt begrepen. We hebben nog 25 minuten en er moeten nog twee bewindslieden aan het woord komen. De minister deed het aanbod om schriftelijk op vragen terug te komen, omdat er zo weinig tijd voor discussie is. Het is toch alleszins reëel om te verzoeken of hij, als dat het geval is aan het einde van dit overleg, die vragen voor de begroting wil beantwoorden? Er is toch niks mis met dat verzoek?
De voorzitter: Het gaat om de openstaande vragen. Ik mag aannemen dat de meeste al genoteerd zijn, maar als u de openstaande vragen die u al eerder hebt gesteld wilt aanleveren, staat u dat vrij, als het maar voor 12 uur is. Dan geef ik nu het woord aan de staatssecretaris voor Justitie in haar eerste termijn.
Staatssecretaris Albayrak: Ik denk dat het op mijn terrein wel meevalt, omdat ik de woordvoerders vooral vragen heb horen stellen die in eerdere debatten al aan de orde zijn geweest en waar al meerdere malen in de Kamer antwoord op is gegeven. Dat zijn tevens vragen waarvan ik weet dat ze ook in de resterende kabinetsperiode nog veelvuldig aan mij gesteld zullen worden. Daar ga ik zomaar vanuit, inderdaad. De minister en ik hebben de verdeling zo gemaakt dat hij ingaat op de vragen die op zijn terrein liggen. Dat is alles wat te maken heeft met personen- en familierecht en het strafrecht, dus ook huwelijksdwang, de neef/nicht-huwelijken, polygamie, emancipatie en eergerelateerd geweld. De Kamer weet dat de minister die debatten voert en de vragen daarover zal beantwoorden.

Ik denk dat het kortheidshalve het beste is als ik de woordvoerders langsloop en kijk welke concrete vragen er aan mij gesteld zijn. Ik sluit me voor het gemak aan bij de inleidende woorden van de minister voor WWI. Dat verhaal was niet alleen namens de minister, maar ook namens het kabinet, dus ook nadrukkelijk namens de bewindspersonen van Justitie.

De heer Fritsma begon met de opmerking dat deze brief getuigt van een versoepeling van het gezinsmigratiebeleid of het partnermigratiebeleid, zoals hij dat noemt. Hij gebruikt daarvoor als voorbeeld het ouderenbeleid. Ik grijp dit punt aan om in te gaan op de motie die door de CDA-fractie is ingediend over het ouderenbeleid. De Kamer heeft vandaag een brief gekregen waarin ik aangeef hoe ik die motie denk te gaan uitvoeren. Dit is een aanvullende brief op een eerdere brief. Bij de toelating van ouderen hebben we het beleid aangescherpt in die zin dat één kind alleen het inkomen moet verdienen om een oudere mogen toelaten. Als er vroeger vier kinderen in Nederland werden toegelaten die alle vier een stukje inkomen hadden, wat vier keer niet voldoende was om een oudere toe te laten, mocht je dat bij elkaar optellen. Wij hebben nu gezegd dat het één kind moet zijn dat het volledige inkomen verdient.

De Kamer heeft in de brief kunnen lezen dat we daarbovenop het vereiste van samenwonen gaan introduceren. Dat is in veel gevallen ook het geval. Als iemand op zeventigjarige leeftijd naar Nederland komt, is zo iemand niet zelfstandig en gaat hij niet zelfstandig in een huis wonen. Daarbij is sprake van mantelzorg. We willen deze eis stellen om een beroep op de woningmarkt etc. hier in ieder geval uit te sluiten.

Het zijn betrekkelijk kleine aantallen, ongeveer tachtig per jaar. We hebben forse criteria als het gaat om de toelating. Er mag niemand in het land van herkomst zijn die voor de oudere kan zorgen, er mogen geen andere kinderen daar zijn, etc. Pas als iemand zorgbehoeftig is, mag hij naar Nederland komen. Onder die eisen laten we mensen toe. Nogmaals, ik zie daar geen versoepeling in.

Het laatste voorstel dat we hebben gedaan, is de samenwoningsvereiste, zoals de Kamer vandaag in de brief heeft kunnen lezen. We brengen graag voor mevrouw Sterk en anderen in beeld wat het beroep is geweest op de algemene middelen en de sociale zekerheid. Dan moeten we over de afgelopen jaren onderzoeken wat het beroep daarop is geweest na drie of vijf jaar, als mensen recht hebben op een zelfstandige verblijfsvergunning.


De heer Fritsma (PVV): De staatssecretaris gaat helemaal niet in op de versoepeling. Voorheen was het zo dat de IND kon zeggen als bijvoorbeeld een Palestijnse vrouw naar Nederland wilde komen die in Jordanië acht kinderen heeft en in Nederland een, dat Jordanië het meest aangewezen land is, omdat ze daar acht kinderen heeft wonen en in Nederland maar een. Nu creëert het kabinet de mogelijkheid dat die ouderen naar Nederland kunnen komen, ook al wonen er acht kinderen in Jordanië, met als gevolg dat de Nederlandse samenleving op kan draaien voor alle kosten voor gezondheidszorg, sociale voorzieningen, noem maar op. Zij kan toch niet ontkennen dat dit een versoepeling is?
Staatssecretaris Albayrak: Nee. Daarom noemde ik ook het aantal. We moeten niet overdrijven. Het gaat om tachtig ouderen waarvan is aangetoond dat ze zorgbehoeftig zijn. Wat betreft de zorgkosten, daar hebben we de verzekering voor. Mensen betalen premies en een zorgverzekering is verplicht voor deze mensen op het moment dat ze naar Nederland komen. Er zijn dus gewoon premies in het stelsel zoals wij dat kennen. Als ze een beroep doen op de zorgverzekeringen, wordt dat gewoon betaald door de algemene middelen. Dan is het aantal van tachtig op het aantal verzekerden in ons zorgstelsel toch wel relatief klein. De heer Fritsma kan daar een versoepeling in zien, maar die versoepeling kan ook wel worden weggestreept tegen wat anderen zullen zien als een aanscherping, denk ik.
De heer Fritsma (PVV): Ik begrijp dus dat we van het kabinet een overzicht zullen krijgen?
Staatssecretaris Albayrak: In de brief van vandaag heb ik geschreven dat we samen met Sociale Zaken zullen bekijken hoeveel van de in het kader van het ouderenbeleid toegelaten ouderen na verloop van tijd een beroep zijn gaan doen op de openbare middelen, bijstandsuitkering, sociale voorzieningen, etc., voor zover dat te onderzoeken is want dat zal een onderzoek met terugwerkende kracht zijn. Ik kijk even of dat onderzoek te doen is, want het is een onderzoek met terugwerkende kracht en dan ben je ervan afhankelijk of het allemaal geregistreerd is.
De heer Dibi (GroenLinks): Ik kan het toch niet laten om te zeggen dat ik het onzin vind om geld te besteden aan onderzoek naar tachtig ouderen die in het verleden misschien wel eens aanspraak hebben gemaakt op de zorg en de sociale zekerheid. Zie daar gewoon vanaf.
Staatssecretaris Albayrak: De heer Dibi vraagt mij om een motie niet uit te voeren die is aangenomen door een meerderheid van de Kamer. Dat is zijn mening en dat is prima. Ik voer deze motie echter graag uit langs deze lijnen.

Dan ga ik in op het verzoek van de heer Fritsma om een immigratiestop voor moslimlanden in te stellen. Het kabinet heeft eerder bij monde van meerdere bewindspersonen, waaronder de minister-president zelf, gezegd dat wij dat noch wenselijk noch uitvoerbaar vinden. Daar wil ik het graag bij laten.



De heer Fritsma bepleit om het zelfstandige verblijfsrecht te laten ingaan wanneer iemand tien jaar een afhankelijke verblijfsvergunning heeft gehad. Als is aangetoond dat er op grote schaal misbruik wordt gemaakt van de afhankelijke verblijfsvergunning, volgt de heer De Krom dit pleidooi om pas na tien jaar een zelfstandige verblijfsvergunning te geven, als ik het goed begrijp. Ik roep even in herinnering waarom het vanuit de gedachte van emancipatie, waarover vele debatten zijn gevoerd in de Kamer, onwenselijk wordt geacht om vrouwen langer dan noodzakelijk in een afhankelijke positie te laten. Dan zijn vrouwen chantabel voor die mannen die ze dwingen tot van alles en nog wat en dan durven ze niet naar de politie te gaan, omdat ze voor hun verblijfsrecht van hen afhankelijk zijn. Alleen al met het oog op de bescherming van deze vrouwen vind ik het hoogst onwenselijk om de termijn van afhankelijkheid nog verder op te rekken. Als je naar de statistieken kijkt, zie je dat er meer vrouwen als huwelijkspartner naar Nederland worden gehaald dan mannen. Ook statistisch gezien is dit voor mij een bijzonder risicovolle groep.
De heer Fritsma (PVV): Heel veel vrouwen in huwelijken staan dus onder druk en leven in een slechte relatie omdat de man ze min of meer dwingt om de relatie intact te houden. Mijn vraag is dan: als de relatie verbroken is, kan de partner toch terug naar het land van herkomst? Dan is dat toch opgelost? Waarom wilt u iedereen in Nederland houden?
Staatssecretaris Albayrak: Mijnheer Fritsma, ik geloof dat u werkelijk niets heeft meegekregen van de debatten die we de laatste jaren hebben gevoerd over eergerelateerd geweld en de maatregelen die door dit kabinet en het vorige kabinet zijn genomen om slachtoffers van dit soort situaties te beschermen. Er zijn vele debatten in de Kamer aan gewijd. Juist het feit dat die mannen dreigen met uitzetting is een reden voor die vrouwen om in die onderdrukkingssituatie te blijven. Ik gebruik nog niet eens het formele argument dat betrekking heeft op de richtlijn gezinshereniging, die werkt met een maximumtermijn van vijf jaar als het gaat om een afhankelijkheidsrelatie. Formeel zouden we het dus niet eens mogen, maar materieel zeg ik dat ik om emancipatieredenen nooit mee zou gaan in de gedachte om de afhankelijkheid op te rekken tot tien jaar.
De heer De Krom (VVD): Het zou echter wel kunnen helpen om het verschijnsel repeteerhuwelijken tegen te gaan.
Staatssecretaris Albayrak: Daar kom ik nu op.
De heer De Krom (VVD): Het omgekeerde komt namelijk ook voor. Buitenlandse partners komen naar Nederland toe, dumpen hun Nederlandse of in Nederland gevestigde partner en gaan er na drie jaar vandoor. Dat gebeurt dus ook. Dat is het omgekeerde.
Staatssecretaris Albayrak: Het repeteerhuwelijk is een van de vele fenomenen waarop de maatregelen in deze brief zijn gericht. Wij willen fraude en misbruik van procedures allereerst bestrijden door er vaker achter te komen. Ik wil even het voorbeeld van de heer Fritsma nemen, van mensen die acht, negen, tien keer een aanvraag doen om een partner over te laten komen. Als ik even reken, zou iemand die hier op zijn twintigste is gekomen en hier al veertig jaar woont en al tien partners hier naartoe heeft gehaald, dat om de vier jaar hebben gedaan. Dat is even los van het feit dat ik mensen in mijn omgeving ken die een hogere frequentie van partnerwissel hebben, maar dat zeg ik niet als een persoonlijke ontboezeming. Het kan natuurlijk gebeuren dat iemand bij herhaling een oprecht huwelijk sluit of een partner vindt in een land. Dat kan het land van herkomst zijn of dat kunnen meerdere landen zijn. De wereld zit nu eenmaal zo in elkaar dat mensen reizen en mensen tegenkomen. Wat wij echter niet willen, en waar deze brief op is gericht, is dat mensen met iemand trouwen en de tijd tegen betaling uitzitten, het huwelijk verbreken en vervolgens tegen betaling weer een nieuwe partner halen. Wij weten dat dit voorkomt. Fraude en misbruik komen voor. Ik zou echter niet weten hoe vaak dat is. Dat antwoord heb ik al eerder gegeven. Wil ik dat weten? Jazeker. Ga ik dat weten? Jazeker. De registratie van de IND stelt ons niet in staat om dit soort informatie boven tafel te krijgen. Het nieuwe Indigosysteem waarmee we vanaf medio 2010 gaan werken, werkt als een soort Google. Als je daar een naam van een vreemdeling intikt, komen alle hits tevoorschijn die er in alle systemen zijn, zoals strafrechtelijke veroordelingen, openbare orde tegengeworpen, eerdere aanvragen, asielverzoeken, veroordelingen wegens fraude en misbruik. In dat systeem wordt dit soort informatie automatisch gegenereerd wanneer je een naam intikt. Het wordt dus mogelijk om beter zicht te krijgen op hoe het gebeurt en hoe vaak het gebeurt. In het moderne migratiebeleid hebben we het systeem dat een referent in een referentenregister komt. Dat referentenregister stelt ons in staat om erachter te komen hoe vaak iemand als referent een aanvraag heeft ingediend voor toelating. Dat kon inderdaad allemaal niet.
De heer Fritsma (PVV): Ik ben blij dat de staatssecretaris toegeeft dat dit gebeurt, dat er mensen zijn die herhaaldelijk partners laten komen. Ik ben minder blij met het antwoord dat ze absoluut geen idee heeft hoe vaak het gebeurt. Het gaat erom dat haar beleid dit mogelijk maakt, omdat er geen enkele limiet wordt gesteld aan het aantal partners dat iemand uit het buitenland naar Nederland mag halen. Daar moet wat aan gebeuren, anders maak je natuurlijk nooit een einde aan de ketenmigratie.
Staatssecretaris Albayrak: Ons beleid heeft tot doel om hier voor eens en voor altijd korte metten mee te maken. Het was een feit dat dit niet werd geregistreerd en dan kun je daar ook niet op sturen. Ik wil ingaan op het voorkomen dat mensen herhaaldelijk partners hier naartoe halen. Een van onze voornemens bij de evaluatie van de gezinsherenigingsrichtlijn is om bij verzoeken voor partnermigratie en voor gezinshereniging en -vorming tegen te kunnen werpen dat mensen veroordeeld zijn, bijvoorbeeld voor eergerelateerd geweld en huiselijk geweld, of om tegen te kunnen werpen dat ze fraude en misbruik van procedures hebben gepleegd, bijvoorbeeld met betrekking tot het inkomen. Dat kan nu allemaal niet, omdat de opsomming in de gezinsherenigingsrichtlijn van de feiten die je mag tegenwerpen, limitatief is. Bij de evaluatie gaan wij een poging doen om de definitie zo op te rekken dat je ook dit soort tegenwerpingen mag doen. Als iemand nu veroordeeld is in Nederland, kan dat alleen consequenties hebben voor het verblijfsrecht van die persoon in kwestie, maar je kunt hem niet weigeren om bij herhaling een nieuwe partner naar Nederland te halen. Dat is echter wel het streven van dit kabinet.
De heer De Krom (VVD): Waarom kan dat niet? Dat zal ongetwijfeld met internationale verdragsrechtelijke beperkingen te maken hebben. Laten we nu eerst eens met z’n allen besluiten wat we willen en met z’n allen zeggen: dit willen wij niet. Ik wil het in ieder geval niet, daar wil ik heel duidelijk in zijn.
De voorzitter: Mijnheer De Krom, u stelt een vraag aan de voorzitter en u gaat niet in discussie met de heer Dijsselbloem.
De heer De Krom (VVD): Ik wil graag een reactie op het idee om binnen een periode van tien jaar maar één partner naar Nederland te mogen halen.
Staatssecretaris Albayrak: Volgens mij ben ik hier al expliciet genoeg over geweest. Nog voordat u uw eerste zin uitsprak, was mijn laatste zin dat het kabinet dit niet wil. Als mensen wederom iemand in een situatie van uitbuiting, mishandeling en onderdrukking willen brengen door middel van huwelijksmigratie, willen wij regelen dat je veroordelingen voor eergerelateerd geweld kunt tegenwerpen. We zijn nu aan regels gebonden waardoor wij niet in staat zijn om extra eisen te stellen aan de gezinsmigratie. Dit is een van de onderdelen die wij ter sprake hebben gebracht bij de bespreking van de evaluatie van de gezinsherenigingsrichtlijn in het kader van het Stockholmprogramma.

De heer De Krom zegt dat wij eerst moeten zeggen wat wij willen. Ik zou niet weten hoe het kabinet nog explicieter moet zijn dan in deze brief over wat we vooral niet willen. Wat we nu kunnen regelen, wordt nu geregeld. Wanneer we afhankelijk zijn van het ter bespreking op de agenda van de Europese Unie zetten, zullen we daarvoor de ruimte zoeken om het mogelijk te maken om te bestrijden wat wij willen bestrijden, zoals de minister voor WWI zojuist heeft aangegeven en zoals de minister van Justitie dadelijk nogmaals zal aangeven.

Hetzelfde antwoord geldt min of meer voor de wisseltruc waarover de heer Fritsma heeft gesproken, die betrekking heeft op schijnrelaties en ex-partners. Hij zegt dat je moet verbieden dat ex-partners in het land van herkomst zijn achtergebleven, terwijl iemand die met foute bedoelingen met iemand in Nederland is getrouwd en een verblijfsvergunning heeft gekregen, naar Nederland kan komen. Dat proces zullen we middels al deze processen een stap voor zijn. Wij willen schijnhuwelijken beter en adequater bestrijden bij de ambassades, door de manier van werken bij de IND en door het nieuwe Indigosysteem, doordat we er eerder achter komen dat het een risicogeval is of het vermoeden bestaat dat een huwelijk of een partnerschap niet oprecht is. Daardoor kunnen we meteen weigeren of als er op dat moment onvoldoende bewijzen zijn om het hard te krijgen, gaat er in ieder geval een vlaggetje op in het systeem zodat we, nadat iemand is toegelaten, strakker en systematischer gaan controleren of aan alle voorwaarden wordt voldaan. Deze controle is inclusief adrescontroles, die vaker en gerichter zullen gaan plaatsvinden, zeg ik de heer Fritsma toe, want ik weet dat dit een van zijn wensen is.
De heer

1   2   3   4   5   6   7   8

  • Van der Laan
  • Fritsma
  • De Krom

  • Dovnload 271.23 Kb.