Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Conceptverslag van een algemeen overleg over

Dovnload 271.23 Kb.

Conceptverslag van een algemeen overleg over



Pagina8/8
Datum04.04.2017
Grootte271.23 Kb.

Dovnload 271.23 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8
Fritsma (PVV): Ik heb een vraag over de adrescontroles. Worden die ook verricht als er geen fraude-indicaties zijn?
Staatssecretaris Albayrak: Het nieuwe van deze aanpak is dat we niet werken met concrete fraude-indicaties die moeten leiden tot onderzoek, maar met risicoprofielen vooraf. U zult begrijpen dat we niet in alle gevallen kunnen controleren. Daar heb ik de mensen en het geld niet voor. Je moet daarom gericht kijken naar wat de risico’s zijn. Dat is een van de onderdelen die nog concreet, praktisch worden uitgewerkt, zoals mevrouw Verdonk vroeg. Wat zijn de risicoprofielen? Hoe gaan we die vooraf aan de IND'ers beschikbaar stellen? Hoe gaan we overbrengen dat er extra controle nodig is bij een mogelijk risicogeval? We doen het dus vooraf op basis van risicoprofielen en we doen het steekproefsgewijs. Ook daarvan zullen we vaker gebruikmaken. We doen het dus zeker niet alleen op basis van concrete aanwijzingen van fraude.
Mevrouw Verdonk (Verdonk): Wanneer zijn de risicoprofielen klaar?
Staatssecretaris Albayrak: De minister voor WWI heeft gezegd dat er in december een nadere uitwerking van de voorstellen komt. Het is afhankelijk van hoeveel tijd ervoor nodig is, maar mijn voorstel is om de IND heel snel met deze nieuwe systemen te laten werken. Indigo is medio 2010 klaar. Dat gaat echt een slok op de borrel schelen. Door dat Googlesysteem Indigo zullen we onafhankelijk worden van het individuele dossieronderzoek dat je elke keer nodig hebt.

Het kabinet kiest niet voor een leeftijdsverhoging van 21 naar 24 jaar. Wij hebben bij monde van de minister-president bij de algemeen politieke beschouwingen gezegd dat wij graag bij de evaluatie van de gezinsherenigingsrichtlijn ook de leeftijd van de partner zullen betrekken. We kunnen ervoor gaan, maar we krijgen uit Europa heel veel kritiek omdat het gemiddelde 18 is en wij daar al boven zitten. De kans dat 27 landen het eens worden over de leeftijd van 24 is vrij klein. Denemarken heeft in 1998 een opt-out bedongen; niet alleen op dit punt maar bij het hele hoofdstuk asiel en migratie van het Verdrag van Amsterdam. Als Nederland dat zou willen doen, zouden we het Verdrag van Lissabon met terugwerkende kracht niet meer moeten accepteren. Ik geloof dat dit een onbegaanbare weg is en we zouden dit ook een onwenselijke weg vinden.

Over de Europaroute zal ik de Kamer voor kerst een brief doen toekomen met daarin de resultaten van zowel het IND- als het WODC-onderzoek en de kabinetsreactie daarop. Daarna zullen wij uitgebreid met de Kamer spreken over gebruik, misbruik en oneigenlijk gebruik van de Europese regelgeving op dit punt.
De heer Fritsma (PVV): De staatssecretaris heeft het wel erg kort over de Europaroute gehad. Waar het om gaat is dat zij alleen naar misbruik wil kijken. Zij wil het bestaan van de route openhouden. Dat is wat zij altijd heeft gezegd. Vindt de staatssecretaris dat ze nog van een restrictief toelatingsbeleid kan spreken als partner- en gezinsmigranten via die route aan geen enkele eis hoeven te voldoen; niet aan de inburgeringseis in het buitenland, de inburgering in Nederland, etc.?
De voorzitter: Ik wil graag dat u korte vragen stelt. Andere collega’s willen misschien ook de gelegenheid om een vraag te stellen.
De heer Fritsma (PVV): Dan is dit bij dezen mijn laatste vraag.
De voorzitter: Het was niet de bedoeling om u de mond te snoeren, maar als dat zo is dan zij het zo.
Staatssecretaris Albayrak: We hebben nog een kwartier en een minister te gaan.

Ik denk dat ik niet in de verleiding moet komen om het verhaal dat ik al zo vaak heb gegeven te herhalen. Het gaat mij niet alleen om fraudebestrijding, maar ook om het in beeld brengen van oneigenlijk gebruik en het gebruik. Die drie trappen zitten erin. De Europaroute is een legitieme route. Deze bestaat gewoon, maar ik wil weten wat de achtergronden zijn. Daarbij wil ik vooral weten hoe vaak er misbruik en oneigenlijk gebruik van wordt gemaakt. Dat moeten wij als eerste bestrijden en dan komen we er nog over te spreken.

De vragen van de heer De Krom sluiten deels aan bij de vragen van mevrouw Ortega over waarom we schijnhuwelijken en fraude niet kunnen tegenwerpen als mensen bij herhaling een aanvraag indienen. Dat heb ik denk ik voldoende behandeld. Dan kom ik bij het punt van de inkomensfraude. De heer De Krom vraagt hoe die controle gaat. Het hele project modern migratiebeleid is erop gericht om bestanden te koppelen wanneer het formulier wordt ingevuld met de mededeling dat er een inkomen is, waarmee aan het criterium wordt voldaan dat men onafhankelijk is. Met het koppelen van de bestanden kunnen wij beter controleren, bijvoorbeeld via de Belastingdienst, of iemand inderdaad een inkomen krijgt dat vereist is om een partner hier naartoe te mogen halen. Nogmaals, dat gaan we met de risicoprofielen beter, gerichter en vaker doen. Nu doen we het vooral wanneer iemand terugkomt voor een verlenging. We gaan in ieder geval in het eerste jaar bij herhaling controleren bij mensen bij wie het op papier deugt, maar bij wie er een vermoeden is dat er meer aan de hand is.

Dan kom ik op de vraag wat de IND'ers in het buitenland precies gaan doen. De liaison officers worden daar geplaatst. Allereerst is er het parallelle proces van het horen van partners. De partner hier zal op hetzelfde moment bij de IND worden bevraagd als de partner daar op de ambassade, zodat je maximaal kan checken of zij hetzelfde verhaal vertellen. Als daar tijd tussen zit kunnen zij elkaar vertellen wat zij hebben gezegd. Dat is een van de dingen waar de IND'ers mee bezig zijn. Wanneer er twijfel is, zijn zij de eerste die een vlaggetje omhoog doen. Daarmee geven ze aan dat ze niet kunnen bewijzen dat er fraude is, maar dat het extra in de gaten gehouden moet worden. Ik denk dat dit heel veel informatie gaat opleveren waarmee we trends in verschillende herkomstlanden kunnen waarnemen.

De vraag over wat we doen met de ambassades komt in een ander verband uitgebreid terug. De Kamer weet dat we dossiers van bijvoorbeeld ontwikkelingssamenwerking en handel gaan verbinden. Wij willen alles gebruiken om terugkeer mogelijk te maken, maar ook om landen die niet meewerken te dwingen mee te werken. Ik zie met de IND geen probleem. Ik denk dat deze belangrijke stap niet alleen in Nederland maar ook in de Europese Unie gezet moet worden. We moeten het aandurven om dossiers in de Europese Commissie met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking en handelsverdragen met elkaar te verbinden om ervoor te zorgen dat landen die niet meewerken worden gedwongen om mee te werken.

Ik kom nu bij de vragen van mevrouw Verdonk. Als het gaat om gezinsmigratie hebben wij per definitie een restrictief toelatingsbeleid. Voor asielzoekers is het een ander verhaal, zeker als het gaat om nareizende gezinsleden. Er worden hier beelden opgetrokken die enige nuance verdienen, vooral als we naar de cijfers kijken. 60% van de hogere instroom werd veroorzaakt door nareizende gezinsleden van toegelaten vluchtelingen, aan wie we helemaal geen eisen mogen stellen zoals inburgering in het land van herkomst. Dit zijn mensen in oorlogssituaties die de toegelaten vluchteling binnen drie maanden mogen nareizen. Somalië en Irak zijn hiervan de belangrijkste veroorzakers.

De planning komt in december aan de orde. Mevrouw Verdonk vroeg ook even naar de huisvestingseis. Zij zegt dat het mogelijk is om dat te regelen. Op grond van de richtlijn moet er sprake zijn van passende huisvesting. Wij willen dat dit zelfstandige huisvesting is. Passende huisvesting zou op grond van de richtlijn ook kunnen zijn als je bij schoonouders in een groot huis inwoont. Dat willen wij echter niet. Wij willen dat mensen die een gezin starten, onafhankelijk van de schoonouders zijn en in een andere situatie terechtkomen. Om die reden gaan we bekijken of we zelfstandige huisvesting onder de definitie van “passende huisvesting” in de gezinsherenigingsrichtlijn kunnen brengen.
De voorzitter: Ik stel voor dat de staatssecretaris haar betoog afmaakt en dat we dan gaan kijken of er nog tijd is. De minister van Justitie is hier ook naartoe gekomen om te antwoorden en ik vind het niet netjes om hem die gelegenheid niet te geven.
Mevrouw Verdonk (Verdonk): Geldt dan dezelfde regeling met betrekking tot de vragen die wij nu niet kunnen stellen?
De voorzitter: Dat zullen wij straks regelen. Ik wil daar nu geen tijd aan verdoen. Komt u daar straks nog even op terug.
Staatssecretaris Albayrak: Mevrouw Verdonk vraagt naar de discrepantie tussen de cijfers die zij van de website van de IND heeft gehaald over het aantal aanvragen voor mvv’s en de opmerking van het kabinet in de brief dat het aantal stabiliseert. Mevrouw Verdonk noemt het aantal aanvragen voor mvv’s. In de brief hebben wij het echter over het aantal ingewilligde mvv-aanvragen. Dat was in 2008 15.000. In 2009 was het de eerste tien maanden, tot en met oktober, 13.000. Die cijfers moeten vergeleken worden, dat wil zeggen dat niet het aantal ingewilligde aanvragen van 2008 moet worden vergeleken met het aantal aanvragen van 2009. Dat was wat er zojuist gebeurde. Dat even voor de volledigheid.

Veel vragen van mevrouw Sterk zijn al beantwoord en waren ook niet primair aan mij gericht. Wel had zij nog een vraag over asiel. Zij zei dat de vergunning voor gezinshereniging en -vorming geweigerd zou moeten worden als iemand een tijdelijke asielvergunning heeft en de situatie in het land van herkomst inmiddels veilig is. Dat is op dit moment staand beleid. Als de situatie veilig is, wordt de tijdelijke vergunning ingetrokken van de persoon die hier zit en wordt er geen gezinsvorming of -hereniging meer toegelaten. Het laatste bewijs daarvan is hoe we zijn omgegaan met Irakezen. We hebben allereerst de vergunningen ingetrokken van mensen met een tijdelijke vergunning die een aanvraag voor gezinshereniging hadden ingediend en de aanvraag voor gezinshereniging geweigerd.

De heer Dijsselbloem was van mening dat de inkomensgrens omlaag zou moeten. Daar kiezen wij op dit moment niet voor, omdat wij vinden dat mensen met de 120%-norm beter in staat zijn om voor het gezin te zorgen. De evaluatie laat een kanttekening zien die we hier moeten noemen. Dat is dat studerenden bijvoorbeeld eerder met de studie zouden kunnen stoppen om aan het inkomen te kunnen voldoen, een bijbaantje nemen, etc. We kunnen nu nog geen conclusies verbinden aan dat effect, maar we houden het in de gaten en zullen dit bij de volgende vergadering uitdrukkelijk betrekken.

Ik heb de vragen van de heer Dibi geloof ik uitdrukkelijk beantwoord. Wat de overige sprekers betreft zou ik graag afrondend willen antwoorden. Het mooiste aan deze brief is volgens mij dat deze vooral gericht is op het adresseren van de kwaadwillenden, om de goedwillenden maximaal te ontzien. Het gaat erom gericht fraude en misbruik te bestrijden, meer te registreren, meer te weten, niet reactief maar proactief ingesteld te zijn, om erachter te komen wie de kwaadwillenden zijn. Daar zitten de kansen van deze brief waar het kabinet uit volle overtuiging mee is gekomen, juist uit respect voor mensenrechten, eenheid van het gezin en het recht op huwen wie je wilt. Wij willen dat mensen daar niet ten onrechte door lijden, wat op dit moment, denk ik, af en toe toch wel het geval is.


De voorzitter: Ik stel u voor om tot uiterlijk tot vijf over acht door te gaan om de minister van Justitie de gelegenheid te geven antwoord te geven. Ik sta geen interrupties toe. Dat zult u begrijpen. Aan het eind van de vergadering zullen we zien hoe we verdergaan. Ik geef nu het woord aan de minister van Justitie.
Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Ik denk dat het mij zal lukken om mij aan uw strakke tijdschema te houden. Dat is me vergemakkelijkt omdat collega Van der Laan al een heleboel dingen heeft gezegd, met verwijzingen dat ik er nader op zou ingaan. In feite heeft hij de kern daarvan echter al genoemd. Hij is zo behulpzaam geweest om kort te antwoorden dat ik dit graag even vermeld.

Ik wil niet bij de Kamer de indruk te wekken dat het enige wat mij bij dit onderwerp interesseert huwelijksbeletselen zijn, want in de verantwoordelijkheid die in het bijzonder bij mij ligt, staat natuurlijk het Burgerlijk Wetboek en de naleving van de verdragen voor de Rechten van de Mens door Nederland voorop: de vrijheid om in liefde huwelijken met elkaar aan te gaan. Dat wil ik graag nog eens zeggen, omdat ik het in reactie op uw vragen vooral zal hebben over huwelijksbeletselen.

De reden waarom wij polygamie, te jong afgesloten huwelijken en neef/nicht-huwelijken en oom/nicht-huwelijken en tante/neef-huwelijken -- en naar Nederlands recht moet ik daaraan toevoegen oom/neef-huwelijken en tante/nicht-huwelijken -- willen tegengaan en beperken is dat wij het belangrijk vinden dat huwelijken en gezinsleven kansen krijgen en dat relaties in vrijheid worden aangegaan. De realiteit van het maatschappelijk leven gebiedt ons echter om te onderkennen dat er vaak druk, aandrang en soms zelfs dwang aan te pas komt om mensen huwelijken te laten aangaan die voor de huwelijkspartner het uitgangspunt vormen voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning, met alle vervolgvragen van dien waarover mijn collega’s al hebben gesproken. Om die reden vinden wij het bijvoorbeeld nuttig om op de ambassades de aantallen van de IND te hebben en voorafgaand aan de verstrekking van een voorlopige verblijfsvergunning een gesprek aan te gaan.

Uit een recente publicatie in het tijdschrift Demos, jaargang 25 nummer 8, blijkt dat het om een onderwerp gaat dat kwantitatief niet slechts marginaal is. Daarin staat dat het percentage neef/nicht-huwelijken blijkens een in 2006-2007 gehouden onderzoek onder tweede generatie Turkse en Marokkaanse medeburgers in Amsterdam en Rotterdam 8,3 respectievelijk 6,3 is. Ik wil hierbij niet een algemeen negatief oordeel uitspreken over neef/nicht-huwelijken. Ik vermeld als persoonlijke noot dat ik vormselpeter ben van een allerliefste Arubaanse Nederlandse die geboren is uit een neef/nicht-huwelijk. Haar overleden ouders gekend hebbende, weet ik dat het een huwelijk zonder twijfel uit oprechte liefde was. Zoals gezegd heeft dat dit vormselpetekind voortgebracht. Daar is dus niets tegen, maar anderen kunnen er misschien andere voorbeelden bij bedenken.

Ons Burgerlijk Wetboek heeft overigens de lijn, die wat minder ver is doorgetrokken dan in 1970, dat je ook niet al te close moet zijn om een huwelijk aan te gaan. Dat is niet alleen zo wegens een verhoogd gezondheidsrisico voor de kinderen dat door deskundigen is onderstreept, zeker wanneer het in dezelfde familie bij herhaling voorkomt, maar ook uit sociaal oogpunt. Ik wijs erop dat bijvoorbeeld een huwelijk tussen een adoptief broer en zus niet is toegestaan, behoudens ontheffing, terwijl het genetische punt daar uiteraard geen rol speelt, maar de te grote nabijheid wel. Vandaar de keus om dit niet te doen op een manier die onderscheid maakt tussen vreemdelingen of immigranten en anderen die naar Nederlands recht een huwelijk aangaan. Ik hecht eraan om dit nogmaals te onderstrepen, ook gezien de vragen die hierover zijn gesteld. Het zal een voorstel worden voor een algemene regel, met als consequentie dat het huwelijk dat naar buitenlands recht is aangegaan, waar een dergelijk huwelijksbeletsel niet geldt, geen basis zal vormen voor de verlening van een verblijfsvergunning. Met alles moet er ruimte zijn voor uitzonderingen. Uitzonderingen kunnen gerechtvaardigd zijn door een reeds langer bestaand huwelijk dat in een ander land is beleefd, maar het uitgangspunt is dat dit een beletsel zal zijn voor het Nederlandse recht en voor de verstrekking van de verblijfsvergunning.

Het belang van het aangaan van een huwelijkse relatie in vrijheid, ook in verband met het vreemdelingenrecht, zoals mevrouw Karabulut uitdrukkelijk ter sprake bracht, vormt het uitgangspunt voor onze benadering van dit onderwerp. Daarmee heb ik ook antwoord gegeven op de specifieke vragen van de heer De Krom en mevrouw Sterk over de reikwijdte van deze benadering. Deze geldt voor iedereen en er wordt geen onderscheid in gemaakt. De redenen daarvoor heb ik al gegeven.

Ik kan kort zijn over de vraag van de heer De Krom over polygamie, omdat we die inmiddels schriftelijk hebben beantwoord. Ik geloof dat hij het antwoord hierop heeft ontvangen, waarin ik op alle punten ben ingegaan die hij zojuist naar voren heeft gebracht. Ik ben in het algemene gedeelte van mijn antwoord al ingegaan op de vraag van de heer De Krom over de uitwerking van de bepalingen die ons voor ogen staat. Ik vermeld hierbij nog dat tot 1970 in het Nederlands Burgerlijk Wetboek een verbod gold voor huwelijken met familieleden in de derde graad. Dit betekent dat er een verbod wordt geïntroduceerd voor huwelijken in de derde en de vierde graad.

Bij de vraag van de heer Dibi over de strafaanstelling van huwelijksdwang kan ik verwijzen naar de brief die de Kamer hopelijk net voorafgaand aan dit overleg heeft gekregen. Ik zie geen noodzaak om een aparte strafaanstelling te introduceren, maar er zijn wel aanleidingen om bepaalde punten meer specifiek onder ogen te zien, zoals ik in mijn brief over dit onderwerp heb geschetst.

De heer De Krom en de heer Dijsselbloem zijn ingegaan op de vraag of wijziging nodig is van de verdragsbepalingen. Ingevolge artikel 12 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden hebben mannen en vrouwen van huwbare leeftijd het recht om te huwen en een gezin te stichten volgens de nationale wetten die de uitoefening van dit recht beheersen. Dat laat dus ruimte voor nationale wetgeving. Daar is onder de lidstaten die zijn aangesloten bij het EVRM verscheidenheid in. Ons voorstel zal dus inhouden om binnen de kaders van het verdrag de grenzen te trekken.

Dan kom ik op het Haagse Verdrag van 1978 over het huwelijksrecht en de erkenning van huwelijken gesloten vanuit het recht van andere staten. Daarin is de mogelijkheid opengehouden om beperkingen aan die erkenning te stellen op grond van overwegingen van openbare orde. De openbare orde is in het internationaal privaatrecht een heel ander begrip dan wanneer we het over de politie hebben. Daarmee worden de bepalingen die men binnen de nationale wetgeving voor wezenlijk houdt bedoeld. Wanneer wij, Nederlandse wetgevers, de Kamerleden en hun collega’s in de Eerste Kamer en de regering samen tot de beoordeling komen dat de openbare orde beperkingen vereist, bijvoorbeeld op het punt van de polygamie, meen ik dat wij voldoen aan de eis van dit verdrag. Wij zullen uiteraard ook de besprekingen in het Familierecht Comité van de Raad van Europa gebruiken om dit in Europees verband onder de aandacht te brengen.



Mevrouw Karabulut heeft een aantal vragen gesteld over eergerelateerd geweld en de Rotterdamse aanpak. Het treft dat we daar morgen een ander AO over hebben. Ik zou graag het AO morgen willen benutten om de vragen van mevrouw Karabulut te beantwoorden om de termijn van vijf over acht niet te overschrijden.
De voorzitter: Ik zou het volgende willen voorstellen. We hebben zojuist met de minister voor WWI de afspraak gemaakt dat nog openstaande vragen schriftelijk beantwoord zullen worden. Vragen die al eerder zijn gesteld, maar die nog niet zijn beantwoord, kunnen de leden de bewindspersonen morgen voor 12 uur schriftelijk doen toekomen. Wij zullen dat via de griffier laten checken, want de griffier heeft de vragen bijgehouden. Het lijkt mij niet de bedoeling om er een hele rits nieuwe vragen aan toe te voegen. Ik zou diezelfde afspraak willen maken met Justitie, hoewel het kan dat de perfectie benaderd is en er niet veel openstaande vragen meer zijn. Ik zou het prettig vinden als door Justitie toegezegd kan worden dat nog openstaande vragen, als die er zijn, schriftelijk beantwoord worden. Er wordt geknikt door de staatssecretaris.
Staatssecretaris Albayrak: Als mensen vragen willen stellen die een relatie hebben tot de integratie, want daar gaat dit hele debat over, heb ik er helemaal geen bezwaar tegen dat de minister bij het debat daarover antwoord geeft.
De voorzitter: Dan houden wij dezelfde systematiek aan. Hartelijk dank voor uw medewerking. Dan heeft u nu niet langer de gelegenheid om vragen te stellen want, zoals u ziet, is het vijf over acht. Ik check even of u het eens bent met de door mij voorgestelde procedure.
Mevrouw Sterk (CDA): Ik zou daarbij willen vragen of de Handelingen bij dit overleg op tijd af kunnen zijn zodat we die kunnen nalezen in voorbereiding op de begroting.
De voorzitter: Wij kunnen dat wel navragen, maar wij kunnen dat hier niet toezeggen. Daar gaan wij niet over. Wij zullen het navragen en het belang daarvan aangeven, maar ik kan het niet toezeggen.
De heer Dibi (GroenLinks): Een punt van orde. Ik ben bang dat ik een VAO wil aanvragen. Misschien moet ik aan u vragen om dat te doen, want het is op het terrein van de minister van Justitie.
De voorzitter: Zou u dat nog voor de begroting willen doen?
De heer Dibi (GroenLinks): Dat is geen probleem.
De voorzitter: Dan heb ik nog een punt te regelen: de toezeggingen. Zal ik dat nu doen of schriftelijk? Wij doen dat schriftelijk en we zullen deze heel nauwkeurig en precies opschrijven. Ik bedank de bewindspersonen hartelijk voor hun aanwezigheid en de ambtenaren voor hun medewerking.

09118Inburgering buitenland en huwelijksmigratie(Renée Bakker)

Uiterste corr.datum: dinsdag 12 januari te 18.00 uur/Inlichtingen tel. 3182104/3183019 fax. 3182116
1   2   3   4   5   6   7   8

  • Verdonk
  • Hirsch Ballin
  • Sterk
  • Uiterste corr.datum: dinsdag 12 januari te 18.00 uur/Inlichtingen tel. 3182104/3183019 fax. 3182116

  • Dovnload 271.23 Kb.