Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Conlatio abbatis Isaac prima

Dovnload 1.22 Mb.

Conlatio abbatis Isaac prima



Pagina1/13
Datum22.10.2018
Grootte1.22 Mb.

Dovnload 1.22 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13


Cassiani Collatio 9


VIIII. Conlatio abbatis Isaac prima:

De oratione.
Negende gesprek: Eerste van abt Isaäk:

Het gebed.


  1. Prooemium conlationis

  2. Verba abbatis Isaac super orationis qualitate

  3. Quemadmodum pura ac sincera pariatur oratio

  4. De mobilitate animae plumae vel pinnulae conparatae




  1. De causis quibus mens nostra adgravatur

  2. De visione cuiusdam senis quam super fratris inquieta operatione perspexit

  3. Interrogatio de eo quod maioris difficultatis sit custodire cogitationes bonas quam parere

  4. Responsio de diversis orationum qualitatibus

  5. De quadripertita orationum specie

  6. De ordine specierum quae super orationis qualitate ponuntur

  7. De obsecratione

  8. De oratione

  9. De postulatione

  10. De gratiarum actione

  11. Utrum quattuor orationis species simul et omnibus, an singillatim et vicissim unicuique sint necessariae

  12. Ad quas orationum species nosmet ipsos tendere debeamus

  13. De quattuor supplicationum generibus a domino initiatis

  14. De oratione dominica

  15. De eo quod dicit: Adveniat regnum tuum

  16. De eo quod dicit: Fiat voluntas tua

  17. De pane supersubstantiali sive cotidiano

  18. De eo quod dicit: Dimitte nobis debita nostra, et reliqua

  19. De eo quod dicit: Ne inducas nos in temptationem

  20. De eo quod non debeant alia postulari quam haec tantum, quae orationis dominicae modulo continentur

  21. De qualitate sublimioris orationis

  22. De diversis conpunctionum causis




  1. De variis conpunctionum qualitatibus

  2. Interrogatio de eo quod non sit in nostra potestate profusio lacrimarum

  3. Responsio de diversitate conpunctionum quae per lacrimas digeruntur

  4. De eo quod elici non debeant lacrimae, quando non spontaneae proferuntur

  5. Sententia abbatis Antonii super orationis statu

  6. De exauditionis indicio

  7. Obiectio, quia praedictae exauditionis fiducia tantummodo sanctis conveniat

  8. Responsio de diversis exauditionum causis

  9. De oratione intra cubiculum et cluso ostio deferenda




  1. De utilitate brevis ac tacitae orationis




  1. Inleiding

  2. Uiteenzetting van abt Isaäk over de hoedanigheid van het gebed

  3. Hoe men tot een zuiver en onvervalst gebed geraakt

  4. De beweeglijkheid van de ziel, te vergelijken met een pluisje of veertje

  5. Door welke zaken onze geest wordt bezwaard

  6. Het gezicht dat een grijsaard had naar aanleiding van de koortsachtige arbeid van een broeder

  7. Vraag over het feit dat het moeilijker is de goede gedachten te bewaren dan ze voort te brengen

  8. Antwoord: De verschillende vormen van gebed

  9. De vier soorten gebed

  10. De volgorde van de verschillende soorten gebed




  1. De smeekbede

  2. Het wijgebed

  3. De voorbede

  4. De dankzegging

  5. Of de vier soorten gebed tegelijk en voor allen noodzakelijk zijn, dan wel apart en voor ieder afwisselend

  6. Naar welke soorten gebed wij moeten streven




  1. De vier soorten gebed zijn door de Heer gebruikt

  2. Het gebed des Heren

  3. De woorden: Uw rijk kome

  4. De woorden: Uw wil geschiede

  5. Het overwezenlijke of dagelijkse brood

  6. De woorden: Vergeef ons onze schuld …enzovoorts

  7. De woorden: En leid ons niet in bekoring

  8. Geen andere dingen moet men vragen dan alleen wat in de formule van het gebed des Heren vervat ligt

  9. Een hoger gebed

  10. De verschillende aanleidingen waardoor iemand in het gebed gegrepen kan worden

  11. De verschillende vormen van vurig gebed

  12. Vraag over het feit dat wij niet naar believen over de gave der tranen beschikken

  13. Antwoord: De verscheidenheid van de gevoelens die zich in tranen uiten

  14. Men moet geen tranen trachten op te wekken wanneer ze niet spontaan komen

  15. Een woord van abt Antonius over de aard van het gebed

  16. Het teken van de verhoring

  17. Opwerping: Het vertrouwen verhoord te zijn komt alleen aan de heiligen toe

  18. Antwoord: De verschillende oorzaken van gebedsverhoring

  19. Het gebed moet in de binnenkamer en met gesloten deuren worden verricht

  20. Het voordeel van een kort en stil gebed

I. Prooemium conlationis

De perpetua orationis atque incessabili iugitate1

quod in secundo Institutionum libro

promissum est,

conlationes senis huius

quem nunc in medium proferemus,

id est abbatis Isaac2

domino fauente

conplebunt.
Quibus explicatis

et praeceptis beatissimae memoriae papae Castoris

et desiderio uestro,

o beatissime papa Leonti

et sancte frater Helladi,

satisfecisse me credo,

uoluminis amplitudine primitus excusata,

quae studentibus nobis

non solum sermone succincto narranda praestringere, sed etiam plurima silentio praeterire

in maiorem modum quam disposueramus

extensa est.
Praemissa namque

super diuersis institutis disputatione copiosa,

quam nos studio breuitatis resecare maluimus,

haec ad extremum beatus Isaac intulit uerba.



1. Inleiding

De gesprekken van de grijsaard

die ik nu aan u voorstel,

abt Isaäk,

zullen met Gods hulp

de belofte vervullen

die ik in het tweede boek van mijn Instellingen

heb gedaan

over het voortdurende, ononderbroken gebed.
Met deze uiteenzetting

meen ik te voldoen

aan de opdracht van bisschop Castor zaliger gedachtenis, alsmede aan uw verlangen,

hoogwaardige bisschop Leontius

en eerwaarde broeder Helladius.

Maar excuseer bij voorbaat de omvang van dit werk.

Het is langer geworden dan ik van plan was,

ondanks mijn toeleg om kort te zijn

door beknoptheid van taal

en zelfs door aan veel dingen

stilzwijgend voorbij te gaan.
De zalige Isaäk sprak namelijk

eerst uitvoerig over allerlei gebruiken;

maar die heb ik omwille van de kortheid weggelaten. Ten laatste zei hij het volgende.


II. Verba abbatis Isaac super orationis qualitate3

1. Omnis monachi finis

cordis que perfectio

ad


iugem atque indisruptam orationis perseuerantiam4 tendit,

et quantum humanae fragilitati conceditur,

ad inmobilem tranquillitatem mentis

ac perpetuam5 nititur puritatem,

ob quam omnem

tam laborem corporis

quam contritionem spiritus6

indefesse quaerimus

et iugiter exercemus.
et est inter alterutrum

reciproca quaedam inseparabilis que coniunctio.


nam

sicut ad orationis perfectionem

omnium tendit structura uirtutum,

ita nisi huius culmine

haec omnia fuerint conligata atque conpacta,

nullo modo firma poterunt

uel stabilia perdurare.7
2. quemadmodum enim sine illis

adquiri uel consummari non potest

haec de qua loquimur

perpetua orationis iugis que tranquillitas,

ita ne illae quidem uirtutes

quae hanc praestruunt

absque huius possunt adsiduitate conpleri.8
et ideo

nec recte tractare

de orationis effectu

nec ad eius principalem finem,

qui uniuersarum uirtutum molitione perficitur, subitanea disputatione poterimus intrare,

nisi prius

uniuersa,

quae illius obtentu

uel abscidenda sunt

uel paranda,

per ordinem

dinumerata fuerint atque discussa9,

et secundum euangelicae parabolae disciplinam

ea, quae ad spiritalis ac sublimissimae illius extructionem pertinent turris,

subputata fuerint

ac diligenter ante congesta.


3. quae tamen

nec proderunt praeparata

nec recte superponi sibimet

excelsa culmina perfectionis

admittent,

nisi egesto prius omni repurgio uitiorum

et effossis succiduis

mortuis que ruderibus passionum

vivae ut aiunt

ac solidae terrae pectoris nostri,

immo illi euangelicae petrae

superiecta fuerint

simplicitatis et humilitatis

firmissima fundamenta10,

quibus haec turris spiritalium uirtutum

molitionibus extruenda

et inmobiliter ualeat stabiliri

et ad summa caelorum fastigia

confidentia propriae firmitatis

adtolli.11


4. fundamentis etenim talibus innitentem,

quamvis passionum imbres largissimi profundantur, quamvis ei persecutionum violenti torrentes

instar arietis inlidantur,

quamvis inruat et incumbat

adversariorum spirituum saeva tempestas,

non solum ruina non diruet,

sed nec ipsa aliquatenus vexabit inpulsio.12


2. Uiteenzetting van abt Isaäk over de hoedanigheid van het gebed

1. Het gehele doel van de monnik

en de volmaaktheid van het hart

bestaat in

het voortdurende en ononderbroken volgehouden gebed. Het is een streven,

voorzover dit de menselijke zwakheid gegeven wordt, naar een onbeweeglijke rust van de geest

en een blijvende zuiverheid.

Dáárom is het dat wij alle

lichamelijke

zowel als geestelijke inspanning

onvermoeibaar zoeken

en voortdurende beoefenen.


Er is tussen die beide

een zekere wederkerige band, onverbrekelijk.


Want

zoals de opbouw van al de deugden gericht is

op de volmaaktheid van het gebed,

zo kunnen die deugden ook omgekeerd niet sterk

en stabiel blijven staan

als zij niet door dit hoogtepunt

worden verbonden en samengevoegd.
2. Zoals zonder de deugden

deze


blijvende en voortdurende gebedsrust

niet kan worden verworven of voltooid,

zo kunnen evenmin die deugden,

die de onderbouw vormen van het gebed,

zonder de beoefening van dit gebed tot volheid komen.
Derhalve

kunnen we niet zo zonder meer

het gebed behoorlijk bespreken

en meteen maar ingaan

op het hoogste doel ervan,

dat de beoefening van alle deugden veronderstelt.

Eerst moeten we

ordelijk

al datgene

onderzoeken

wat omwille van dit doel

dient te verdwijnen

of juist tot stand moet worden gebracht.

De parabel van het evangelie leert ons de noodzaak

om voor de bouw

van die hoge geestelijke toren

eerst met zorg het materiaal te berekenen

en bijeen te brengen (vgl. Lc. 14,28).


3. Dit verzamelen

zou nog nutteloos zijn

en nog niet de mogelijkheid geven

om de hoge spits der volmaaktheid

zuiver op te trekken,

als wij niet tevoren het terrein ontdoen van de ondeugden en de verzakte,

vergane puinen van de hartstochten uitgraven,

om vervolgens op de vaste,

zogenaamde geschapen grond van ons binnenste,

als de rots uit het evangelie,

de sterke fundamenten

van eenvoud en nederigheid

te leggen.

Daarop zal de te bouwen

toren van geestelijke deugden

onwrikbaar kunnen staan

en in vertrouwen op zijn stevigheid

is hij tot de hoogste hemelen

op te richten.
4. Als hij op dergelijke fundamenten steunt,

dan kunnen stortbuien van hartstocht over hem spoelen, heftige stromen van vervolging

hem rameien,

de woedende storm van de vijandige geesten

op hem vallen en hem beuken:

hij zal niet instorten,

ja de slagen zullen hem zelfs in het minste niet beroeren (vgl. Lc. 6,48).



III. Quemadmodum pura ac sincera pariatur oratio13

1. Et idcirco

ut eo feruore ac puritate

qua debet14

emitti possit

oratio,


haec sunt

omnis modis

obseruanda.
primum sollicitudo rerum carnalium

generaliter abscidenda est,


deinde nullius negotii causae ue

non solum cura,

sed ne memoria quidem penitus admittenda,
detractationes,

uaniloquia seu multiloquia,

scurrilitates quoque

similiter amputandae,


irae prae omnibus

siue tristitiae perturbatio

funditus eruenda,
concupiscentiae carnalis

ac filargyriae

noxius fomes

radicitus euellendus15


2. et ita

his ac similibus uitiis

extrusis penitus et abscisis,

quae hominum quoque possunt patere conspectibus, tali que ut diximus

repurgii emundatione praemissa,

quae simplicitatis et innocentiae puritate

perficitur16,

iacienda sunt primum

profundae humilitatis

inconcussa fundamina,

quae scilicet

turrem intraturam caelos

ualeant sustinere17,

deinde


superponenda

uirtutum spiritalis extructio18

et

ab omni discursu atque euagatione lubrica



animus

inhibendus,

ut ita paulatim

ad contemplationem dei

ac spiritales intuitus

incipiat sublimari19.


3. quidquid enim

ante orationis horam

anima nostra conceperit,

necesse est

ut orantibus nobis

per ingestionem recordationis

occurrat.
quamobrem

quales orantes uolumus inueniri,

tales nos

ante orationis tempus

praeparare debemus20.
ex praecedenti enim statu

mens in supplicatione formatur,

eorundem que actuum

procumbentibus nobis ad precem,

uerborum quoque uel sensuum

ante oculos imago praeludens

aut irasci nos secundum praecedentem qualitatem

aut tristari

aut concupiscentias causas ue praeteritas

retractare21

aut risu fatuo,

quod etiam pudet dicere,

cuiusquam scurrilis dicti uel facti

titillatione pulsari

aut ad priores faciet uolitare

discursus22.


4. et idcirco

quidquid orantibus nobis

nolumus ut inrepat,

ante orationem

de adytis nostri pectoris

extrudere festinemus23,

ut ita illud apostolicum possimus inplere:

sine intermissione orate,

et:


in omni loco

leuantes puras manus

sine ira et disceptatione.
alias namque

mandatum istud perficere

non ualebimus,

nisi mens nostra

ab omni uitiorum purificata contagio

uirtutibus tantum uelut naturalibus bonis

dedita

iugi omnipotentis dei contemplatione



pascatur.24

3. Hoe men tot een zuiver en onvervalst gebed geraakt

1. Om het gebed

derhalve

te kunnen verrichten

met de vurigheid en zuiverheid

waarmee het behoort,

moet men zich

absoluut

aan de volgende punten houden.
Ten eerste dient men zich te ontdoen

van de bezorgdheid voor aardse dingen in het algemeen.


Vervolgens niet alleen geen zorg hebben

voor enige bezigheid of zaak,

maar zelfs de gedachte eraan niet toelaten.
Zich onthouden van

kwaadspreken,

ijdele praat in veel woorden,

lichtzinnigheden.


Vooral ook de onrust van toorn

of droefheid

grondig verwijderen
en de kwalijke haard

van vleselijke begeerte

en van hebzucht

volkomen opruimen.


2. Wanneer men dan

deze en dergelijke ondeugden,

die ook voor het oog van de mensen zichtbaar zijn,

totaal heeft verwijderd en afgesneden:

wanneer men, zoals wij boven zeiden,

het terrein heeft schoongemaakt,

wat zijn voltooiing vindt

in de zuiverheid van de eenvoud en de onschuld,

dan moet men eerst

het onschokbare fundament leggen

van een diepe nederigheid,

dat in staat zal zijn

om de toren die tot in de hemel reikt,

te dragen.

Dáárop is dan

de geestelijke bouw van de deugden

aan te brengen

en ten slotte

moet men zijn ziel

van alle afdwaling en wispelturigheid

weerhouden,

opdat ze zich aldus langzaamaan

verheft tot de beschouwing van God

en haar blik vestigt op het geestelijke.

3. Alwat

onze geest

vóór het uur van het gebed heeft opgevat,

komt inderdaad onvermijdelijk

ook tijdens ons bidden

in onze herinnering

op.
Zoals we daarom

willen zijn wanneer we bidden,

zo moeten we ons ook

voorbereiden

vóór de tijd van het gebed.
De gesteltenis van de geest bij zijn gebed

wordt gevormd door wat voorafging.

Als wij ons neerwerpen om te bidden,

speelt het beeld van onze voorafgaande daden,

woorden en gevoelens

voor onze ogen

en maakt ons, naargelang zijn hoedanigheid, toornig

en bedroefd;

of we zijn opnieuw

met voorbije begeerten of zaken bezig;

we beginnen –

ik schaam mij het te zeggen –

dwaas te lachen van plezier

om een of andere platte grap;

of we vlinderen weer

naar onze vroegere verstrooiingen.


4. Beijveren we ons dus

om vóór het gebed

al datgene van voor de ingang van ons hart

weg te jagen

waardoor we tijdens ons bidden

niet gestoord willen worden.

Zo kunnen we het woord van de Apostel vervullen:

Bidt zonder ophouden (1Tes. 5,17);

en:


Op alle plaatsen

handen heffend die heilig zijn,

zonder toorn of twist (1Tim. 2,8).
Op een andere manier

zullen we dit gebod

niet kunnen volbrengen:

onze geest moet worden gezuiverd

van iedere smet der ondeugden

en overgegeven zijn

aan de deugden als aan zijn eigen goed,

om zich te voeden met

de voortdurende beschouwing van de almachtige God.



IIII. De mobilitate animae

plumae vel pinnulae conparatae

1. Etenim

qualitas animae

non inepte

subtilissimae plumae seu pennae leuissimae conparatur.


quae

si umoris cuiuspiam extrinsecus accedentis corruptione

vitiata non fuerit vel infusa,

mobilitate substantiae suae

tenuissimi spiritus adiumento

velut naturaliter

ad sublimia caelestia que

sustollitur.


sin vero

umoris cuiusquam

aspargine uel infusione

fuerit praegrauata,

non modo in nullos aerios

uolatus naturali mobilitate

raptabitur,

sed etiam ad ima terrae

concepti umoris pondere

deprimetur.


2. ita mens quoque nostra

si accedentibus uitiis curis que mundanis

adgrauata non fuerit

noxiae ue libidinis umore

corrupta,
uelut naturali puritatis suae beneficio

subleuata

leuissimo spiritalis meditationis adflatu

sublimabitur ad superna,

et humilia deserens atque terrena

ad illa caelestia et inuisibilia

transferetur. 25
unde

proprie satis

praeceptis dominicis admonemur:

uidete

ne quando grauentur corda uestra

in crapula

et ebrietate

et curis saecularibus.26
3. et idcirco

si uolumus orationes nostras

non solum caelos,

sed etiam ea quae super caelos sunt

penetrare,

curemus mentem

ab omnibus terrenis uitiis expurgatam

cunctis que mundatam faecibus passionum

ad subtilitatem perducere naturalem,

ut ita ad deum

oratio eius

nullo uitiorum pondere praegrauata

conscendat.27


4. De beweeglijkheid van de ziel,

te vergelijken met een pluisje of veertje

1.

Men kan de gesteltenis van de ziel



niet ongeschikt

vergelijken

met een licht pluisje of een fijn veertje.
Als daar

van buiten af geen vocht

is ingetrokken

dat het bedorven heeft,

dan gaat het

door de beweeglijkheid van zijn substantie

op het minste zuchtje wind

als vanzelf

naar omhoog, de lucht in.
Maar

als het met vocht

is bedekt of doortrokken,

is het zwaar

en wordt

door geen eigen beweeglijkheid

opgenomen om te zweven in de lucht;

integendeel,

door het gewicht van het vocht

wordt het omlaag getrokken, naar de aarde.


2. Zo is het ook met onze geest.

Als hij niet wordt bezwaard

door ondeugden en wereldse zorgen,

niet is bedorven

door kwalijke begeerten,

dan gaat hij

als door de natuurlijke gave van zijn zuiverheid opwaarts:

op de lichtste aanblazing van een geestelijke overweging verheft hij zich in de hoogte

en wordt naar het hemelse en onzichtbare

gevoerd,

het nietige aardse achter zich latend.
Daarom

komt de vermaning van de Heer

hier heel juist van pas:

Zorgt

dat uw hart niet bezwaard wordt

in overdaad

en dronkenschap

en door wereldse zorgen (Lc. 21,34).
3. Willen we derhalve

dat onze gebeden

doordringen

tot in de hemel

en zelfs tot in wat boven de hemelen is,

zorgen we dan onze geest

te ontdoen van alle aardse ondeugden,

te zuiveren van de droesem der hartstochten,

om hem zijn eigen lichtheid wéér te schenken:

zo zal zijn gebed,

door geen gewicht van kwaad bezwaard,

opstijgen

tot God.

  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   13


Dovnload 1.22 Mb.