Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


D6 Vergilius Toetsweek december 2015

Dovnload 45.67 Kb.

D6 Vergilius Toetsweek december 2015



Datum05.04.2017
Grootte45.67 Kb.

Dovnload 45.67 Kb.

D6 Vergilius

Toetsweek december 2015

maximum te behalen aantal punten: 90 (60 voor de vragen, 30 voor de vertaling)

Achtergrond

1 Aeneas vertelt in Aeneis 2 en Aeneis 3 zijn verhaal.

a [1] Aan wie vertelt Aeneas in Aen. 2 en 3 zijn verhaal? Dido (1)

b [2] Is er in deze beide boeken evenveel “vertelde tijd”? Licht je antwoord kort toe door op de “vertelde tijd” in beide boeken in te gaan. Nee, in boek 2 één etmaal, (1) in boek 3 zes jaar (1)

c [1] Het verhaal bij het diner, dat door Vergilius verteld wordt, vormt het kader waarbinnen Aeneas de vertelling in flashbacks van Vergilius overneemt. Met welke verteltechnische term geef je dit type verhaal aan? raamvertelling

d [1] Met Aeneas’ verhaal (in boek 2 en 3) is er sprake van vertraging van het verteltempo. Leg dat uit.

Aeneas’ verhaal in boek 2 en 3 onderbreekt het verhaal van de auctoriale verteller/Vergilius

tekst 1

2 [3] In de verzen 252 – 253 beschrijft Vergilius/Aeneas Troje als een uitgeputte en in diepe slaap verkerende stad. Noteer drie Latijnse woorden uit deze verzen die deze toestand benadrukken.

fusi (1); conticuere (1); sopor (1); fessos

3 [1] In v.255 vallen de twee bijvoeglijke naamwoorden tacitae en amica op doordat ze eigenlijk bijna menselijke eigenschappen geven aan de zelfstandig naamwoorden waarbij ze grammaticaal horen. Met welke bedoeling vertelt Aeneas over de silentia als amica en over de lunae als tacitae?

om aan te geven dat zelfs de natuur de Grieken welgezind was/de Trojanen in de luren legde

4 vv.254 – 259: Et iam t/m Sinon

a [1] Door de woordvolgorde in deze zin wordt duidelijk dat Sinon alle aandacht krijgt. Licht dat toe.

Sinon staat als onderwerp helemaal achteraan

b [1] vv.258 -259 inclusos … Sinon. Wat is merkwaardig aan de volgorde van de beschreven handelingen?

er staat dat Sinon eerst de Grieken loslaat en daarna pas de grendels losmaakt; dat moet omgekeerd (hysteron proteron)

5 vv. 268 – 269: Tempus … serpit.

a [2] Door de slaap (quies) van de Trojanen gratissima te noemen past de verteller een verteltechnisch middel toe waarmee hij pathos oproept. Welk verteltechnisch middel is dat? Toelichting vereist.

dramatische ironie (1); de verteller weet net als de luisteraars meer dan de Trojanen, met name dat hun slaap uiteindelijk niet heel aangenaam zal blijken te zijn (1)

De heer P. Schrijvers vertaalt deze verzen als volgt:



Het uur was gekomen waarop voor vermoeide stervelingen

de rust begint en dankzij de goden de slaap naar hen toesluipt.

b [2] Welke twee Latijnse tekstelementen zijn niet vertaald? prima (1); gratissima (1)

c [1] Welk Latijns tekstelement is met “dankzij” vertaald? dono (1)

6 [3] Wat is de gemoedstoestand van Hector volgens het verhaal van Aeneas? Noteer als bewijs voor je antwoord twee verschillende tekstelementen uit de verzen 270 – 274. hij is bedroefd (1); maestissimus (1); (largos effundere) fletus (1)

7 vv. 274 – 275: quantum … Achilli.

a [1] Als wat voor iemand herinnerde Aeneas zich blijkens deze woorden de aan hem verschijnende Hector?

als overwinnaar in de strijd tegen de Grieken/als iemand op wie de Trojanen konden rekenen

b [1] Als Aeneas als eerste tot Hector spreekt (vv.281 – 286) blijkt die herinnering ook uit zijn woorden. Citeer de woorden waaruit blijkt dat Aeneas zich Hector zo herinnert (zie vraag 7a). spes (o) fidissima Teucrum

8 v. 277: squalentem barbam et concretos sanguine crines

[1] Van welke eerder genoemde gebeurtenis is dit het gevolg? Citeer het Latijnse tekstelement.

raptatus bigis (272)

9 [4] In v. 281 kun je zowel een chiasme ontdekken als een parallellisme. Dat ligt eraan welke tekstelementen je bekijkt. Noteer zowel het chiasme juist als het parallellisme. Denk dus aan de (a)’tjes en (b)’tjes…. chiasme (1): O (a) lux (b) spes (b) o (a) (1); parallellisme (1): lux (a) Dardaniae (b) spes (a) Teucrum (b) (1)

10 v. 285 – 286: Quae causa indigna serenos foedavit vultus?

a [1] Wat is vreemd aan deze vraag van Aeneas gezien zijn opmerking in vv. 272 – 273? Aeneas lijkt hier niets te weten van de schending van Hectors lijk door Achilles.

b [1] Hoe is deze vreemde vraag dan toch te verklaren? Aeneas droomt en vergeet kennelijk dat Hector dood is.
tekst 2

11 [1] Welke passage gaat direct vooraf aan vers 721? Kies het beste antwoord en neem die letter over.

A Anchises heeft net uitgelegd dat hij niet mee gaat, als hij op de rug van zijn zoon moet

B Aeneas heeft de Penatenbeelden een beetje gewassen

C Aeneas heeft de ontmoetingsplaats aan zijn medevluchters doorgegeven

D de Grieken hebben Troje in brand gestoken

12 [1] Wie wordt in v. 723 bedoeld met oneri? Noteer alleen de eigennaam. Anchises

13 [1] De vv. 741 – 743 (Nec prius … venimus) worden door een amateur als volgt vertaald:



En ik kijk eerder achterom en ik bekommer me ook om haar dan dat ik bij de eerbiedwaardige heuvel van Ceres en haar heilige woonplaats aangekomen was.

De vertaler maakt een paar fouten in zijn vertaling. Welke maakt hij niet? Kies het beste antwoord.

A hij laat de ontkenningen in de zin weg

B hij vertaalt de werkwoordstijden juist

C hij ziet antiquae als congruent met tumulum

D hij laat sacratam bij sedem horen

14 De verzen 750 – 751 worden door een amateur als volgt vertaald:

Ik ga vastbesloten als ik ben alle lotgevallen opnieuw doormaken en heel Troje door terugkeren op mijn schreden en mij opnieuw blootstellen aan het gevaar.

a [1] De vertaler heeft duidelijk talent voor vertalen. Hoe heeft hij namelijk stat (v. 750) vertaald? vastbesloten als ik ben (moet compleet)

b [1] Van welk Latijns woord is “mij ” de vertaling? caput

15 [3] In de heldhaftige zoektocht naar zijn vrouw in de passage vv. 752 – 763 kun je drie fases onderscheiden. Alle drie de fases worden ingeleid door een tekstelement dat het begin van een fase markeert. Noteer die drie tekstelementen. Principio (752) (1); inde (756) (1); procedo (760) (1)

16 [1] v. 764: Welke suggestie wil Aeneas bij zijn gehoor wekken door in de Griekse oorlogsbuit zaken als adytis en deorum te noemen? Dat de Grieken niet eens ontzag hadden voor religieuze voorwerpen

17 [1] Wat is de verklaring voor de ongebruikelijke lengte van een vers als 767? Vergilius had het werk nog niet af /zou dit soort korte verzen nog hebben willen herzien

18 [2] Zowel in v.768 als in v. 772 komt het woord umbra(m) voor. Wat is het verschil (behalve de naamval dus)? Ga op beide woorden in. In 768 gaat het over duisternis (1) schaduw is X; in 772 over de schim van Creüsa (1)

19 In v.772 komt de term infelix voor, waarmee Aeneas aangeeft hoe hij tegen Creüsa aankijkt.

a [2] Noteer de verteltechnische term hiervoor en licht die toe. vertellerscommentaar (1), Aeneas vindt Creüsa ongelukkig (1)

b [2] Creüsa zelf deelt Aeneas’ mening over infelix niet. Licht dat toe onder verwijzing naar het Latijn.

ze meldt dat haar het lot van slavernij bespaard blijft (785-786) (1); non … ibo (1)

20 [4] vv.781 – 782. Noteer de twee persoonsvormen en hun respectievelijke modus en werkwoordstijd. Licht het gebruik van die combinaties adequaat toe. venies = IND FUT (1) : het is voor Creüsa een feit in de toekomst/een zekerheid (1); fluit = IND PR (1) : die rivier stroomt daar op dat moment ook al (1)

21 vv.781 – 782: Creüsa noemt expliciet de Lydius (…) Thybris.

[2] Welk stijlmiddel bevat deze combinatie van Lydius en Thybris? Noteer de naam en licht toe.

hyperbaton (1); woordplaatsing X; de twee woorden horen bij elkaar maar staan ver uit elkaar geplaatst/het uit elkaar plaatsen van die twee woorden symboliseert het kronkelen van die rivier, o.i.d. ₰ (1)

22 [1] Leg uit waarom er in v.785 sprake is van enallage. superbas hoort grammaticaal bij sedes maar inhoudelijk bij Myrmidonum/Dolopum

23 [2] Is in v.786 aspiciam een IND FUT of een CON PR? Verklaar je antwoord. IND Fut (1), want ook ibo is dat (1)

24 Vergelijk de informatie die Hector aan Aeneas verstrekt had (vv.289 – 295) met de informatie die Creüsa aan Aeneas geeft (vv.776 – 789).

a [1] Citeer het Latijn waarmee Creüsa Hectors woorden pererrato (…) ponto (v.295) noemt? vastum maris aequor arandum

b [1] Citeer het Latijn waarmee Hector (vv. 289 – 295) aangaf wat Creüsa in vv. 777 – 778 beweert met non haec sine numine divum eveniunt? fatorum (294)

c [1] Aeneas krijgt van Hector het verzoek te zorgen voor de Penaten (v.293). Heeft Creüsa ook een verzoek aan haar man om voor iets te zorgen? Toelichting. Ja, hij moet voor hun zoon zorgen

d [1] Hector en Creüsa geven niet even uitgebreid informatie aan Aeneas. Citeer uit de woorden van Hector in vv.293 – 295 datgene wat Creüsa regnum noemt (regnumque in v.783). moenia (…) magna (294-295); magna vergeten X

25 [3] Analyseer de vergelijking in v.794. Gebruik dus de termen afgebeelde, beeld en tertium comparationis op de juiste manier. Het afgebeelde is hier Creüsa’s schim (imago) (1), het beeld de lichte windvlagen (levibus ventis)/de gevleugelde slaap (volucri somno) (1). Het punt van overeenkomst is dat beide ongrijpbaar, vluchtig zijn (effugit) (1)

Tekst 1:


250 Vertitur interea caelum et ruit Oceano nox

involvens umbra magna terramque polumque

Myrmidonumque dolos; fusi per moenia Teucri

conticuere; sopor fessos complectitur artus.

Et iam Argiva phalanx instructis navibus ibat

255 a Tenedo tacitae per amica silentia lunae

litora nota petens, flammas cum regia puppis

extulerat, fatisque deum defensus iniquis

inclusos utero Danaos et pinea furtim

laxat claustra Sinon. Illos patefactus ad auras

260 reddit equus laetique cavo se robore promunt

Thessandrus Sthenelusque duces et dirus Ulixes,

demissum lapsi per funem, Acamasque Thoasque

Pelidesque Neoptolemus primusque Machaon

et Menelaus et ipse doli fabricator Epeos.

265 Invadunt urbem somno vinoque sepultam;

caeduntur vigiles, portisque patentibus omnes

accipiunt socios atque agmina conscia iungunt.

Tempus erat quo prima quies mortalibus aegris

incipit et dono divum gratissima serpit.

270 In somnis, ecce, ante oculos maestissimus Hector

visus adesse mihi largosque effundere fletus,

raptatus bigis ut quondam, aterque cruento

pulvere perque pedes traiectus lora tumentes.

Ei mihi, qualis erat, quantum mutatus ab illo

275 Hectore qui redit exuvias indutus Achilli

vel Danaum Phrygios iaculatus puppibus ignes!

Squalentem barbam et concretos sanguine crines

vulneraque illa gerens, quae circum plurima muros

accepit patrios. Ultro flens ipse videbar

280 compellare virum et maestas expromere voces:

‘O lux Dardaniae, spes o fidissima Teucrum,

quae tantae tenuere morae? Quibus Hector ab oris

exspectate venis? Ut te post multa tuorum

funera, post varios hominumque urbisque labores

285 defessi aspicimus! Quae causa indigna serenos

foedavit vultus? Aut cur haec vulnera cerno?’

Ille nihil, nec me quaerentem vana moratur,

sed graviter gemitus imo de pectore ducens,

‘heu fuge, nate dea, teque his’ ait ‘eripe flammis.

290 Hostis habet muros; ruit alto a culmine Troia.

Sat patriae Priamoque datum: si Pergama dextra

defendi possent, etiam hac defensa fuissent.

Sacra suosque tibi commendat Troia penates;

hos cape fatorum comites, his moenia quaere

295 magna pererrato statues quae denique ponto.’

Sic ait et manibus vittas Vestamque potentem

aeternumque adytis effert penetralibus ignem.

tekst 2:

Haec fatus latos umeros subiectaque colla

veste super fulvique insternor pelle leonis,

succedoque oneri; dextrae se parvus Iulus

implicuit sequiturque patrem non passibus aequis;

725 pone subit coniunx. Ferimur per opaca locorum,

et me, quem dudum non ulla iniecta movebant

tela neque adverso glomerati examine Grai,

nunc omnes terrent aurae, sonus excitat omnis

suspensum et pariter comitique onerique timentem.

730 Iamque propinquabam portis omnemque videbar

evasisse viam, subito cum creber ad aures

visus adesse pedum sonitus, genitorque per umbram

prospiciens ‘nate,’ exclamat, ‘fuge, nate; propinquant.

Ardentes clipeos atque aera micantia cerno.’

735 Hic mihi nescio quod trepido male numen amicum

confusam eripuit mentem. Namque avia cursu

dum sequor et nota excedo regione viarum,

heu misero coniunx fatone erepta Creusa

substitit, erravitne via seu lapsa resedit,

740 incertum; nec post oculis est reddita nostris.

Nec prius amissam respexi animumve reflexi

quam tumulum antiquae Cereris sedemque sacratam

venimus: hic demum collectis omnibus una

defuit, et comites natumque virumque fefellit.

Aeneas’ zoektocht naar Creüsa 2.745-767

745 Quem non incusavi amens hominumque deorumque,

aut quid in eversa vidi crudelius urbe?

Ascanium Anchisenque patrem Teucrosque penates

commendo sociis et curva valle recondo;

ipse urbem repeto et cingor fulgentibus armis.

750 Stat casus renovare omnes omnemque reverti

per Troiam et rursus caput obiectare periclis.

Principio muros obscuraque limina portae,

qua gressum extuleram, repeto et vestigia retro

observata sequor per noctem et lumine lustro:

755 horror ubique animo, simul ipsa silentia terrent.

Inde domum, si forte pedem, si forte tulisset,

me refero: inruerant Danai et tectum omne tenebant.

Ilicet ignis edax summa ad fastigia vento

volvitur; exsuperant flammae, furit aestus ad auras.

760 Procedo et Priami sedes arcemque reviso:

et iam porticibus vacuis Iunonis asylo

custodes lecti Phoenix et dirus Ulixes

praedam adservabant. Huc undique Troia gaza

incensis erepta adytis, mensaeque deorum

765 crateresque auro solidi, captivaque vestis

congeritur. Pueri et pavidae longo ordine matres

stant circum.

Ausus quin etiam voces iactare per umbram

implevi clamore vias, maestusque Creusam

770 nequiquam ingeminans iterumque iterumque vocavi.

Quaerenti et tectis urbis sine fine ruenti

infelix simulacrum atque ipsius umbra Creusae

visa mihi ante oculos et nota maior imago.

Obstipui, steteruntque comae et vox faucibus haesit.

775 Tum sic adfari et curas his demere dictis:

‘Quid tantum insano iuvat indulgere dolori,

o dulcis coniunx? Non haec sine numine divum

eveniunt; nec te comitem hinc portare Creusam

fas, aut ille sinit superi regnator Olympi.

780 Longa tibi exsilia et vastum maris aequor arandum,

et terram Hesperiam venies, ubi Lydius arva

inter opima virum leni fluit agmine Thybris.

Illic res laetae regnumque et regia coniunx

parta tibi; lacrimas dilectae pelle Creusae.

785 Non ego Myrmidonum sedes Dolopumve superbas

aspiciam aut Grais servitum matribus ibo,

Dardanis et divae Veneris nurus;

sed me magna deum genetrix his detinet oris.

Iamque vale et nati serva communis amorem.’

790 Haec ubi dicta dedit, lacrimantem et multa volentem

dicere deseruit, tenuesque recessit in auras.

Ter conatus ibi collo dare bracchia circum;

ter frustra comprensa manus effugit imago,

par levibus ventis volucrique simillima somno.

795 Sic demum socios consumpta nocte reviso.

Atque hic ingentem comitum adfluxisse novorum

invenio admirans numerum, matresque virosque,

collectam exsilio pubem, miserabile vulgus.

Undique convenere animis opibusque parati

800 in quascumque velim pelago deducere terras.

Iamque iugis summae surgebat Lucifer Idae

ducebatque diem, Danaique obsessa tenebant

limina portarum, nec spes opis ulla dabatur.

Cessi et sublato montes genitore petivi.

tekst 3

Inleiding



Door een voorteken is Anchises ervan overtuigd geraakt dat het de wil der goden is dat Aeneas met zijn familie uit Troje wegvlucht. Hij zegt tot de goden dat hij niet langer zal aarzelen en bereid is met zijn zoon mee te gaan. Overal om hen heen brandt het nu. Dan richt Aeneas zich tot zijn vader.

Vertaal nu de verzen 705 – 712. Maak optimaal gebruik van de aantekeningen.

705 Dixerat ille, et iam per moenia clarior ignis

auditur, propiusque aestus incendia volvunt.

'Ergo age, care pater, cervici imponere nostrae;

ipse subibo umeris, nec me labor iste gravabit.

Quo res cumque cadent, unum et commune periclum,

710 una salus ambobus erit. Mihi parvus Iulus

sit comes, et longe servet vestigia coniunx.

Aantekeningen

705 ille bedoeld is Anchises

per moenia overal in de stad

clarior bijwoord bij auditur (706)

ignis het geluid van vuur

706 propiusque aestus incendia volvunt en dichterbij lieten de branden de hitte rollen

707 imponere gebiedende wijs: ga zitten op

709 quo cumque hoe ook

710 ambobus lees: nobis ambobus

711 longe op afstand



servare hier: volgen

1 [2] Dixerat ille

hij had gesproken

2 [3] et iam per moenia clarior ignis auditur,

en reeds werd overal in de stad het geluid van vuur al helderder gehoord/was … te horen

3 [0] propiusque aestus incendia volvunt.

en dichterbij lieten de branden de hitte rollen (voorvertaald)

4 [4] 'Ergo age, care pater, cervici imponere nostrae;

“kom aan, vooruit, dierbare vader, ga zitten op mijn nek;

5 [2] ipse subibo umeris,

zelf zal ik u op mijn schouders nemen/zal ik onder u/eronder gaan met mijn schouders

6 [3] nec me labor iste gravabit.

en die/deze last zal mij niet bezwaren/zwaar voor mij zijn.

7 [3] Quo res cumque cadent,

Hoe de zaak/zaken ook zal/zullen aflopen/uitpakken,

8 [3] unum et commune periclum,

één (en) gemeenschappeljk gevaar (zal er zijn)

9 [3] una salus ambobus erit.

één redding/heil zal er voor (ons) beiden zijn.

10 [3] Mihi parvus Iulus sit comes,

Moge/Laat de kleine Julus een metgezel voor mij zijn/mij vergezellen,

11 [4] et longe servet vestigia coniunx.



en moge/laat mijn echtgenote mijn voetsporen/mij op afstand volgen.

  • Tempus … serpit.
  • Quae causa indigna serenos foedavit vultus
  • Lydius (…) Thybris
  • Ergo age, care pater, cervici imponere nostrae;

  • Dovnload 45.67 Kb.