Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Das Magnifikat verdeutscht und ausgelegt

Dovnload 0.56 Mb.

Das Magnifikat verdeutscht und ausgelegt



Pagina1/31
Datum07.05.2017
Grootte0.56 Mb.

Dovnload 0.56 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   31

Das Magnifikat verdeutscht und ausgelegt


Originele titel

Das Magnifikat verdeutscht und ausgelegt

Vindplaats WA

WA 7, 538–604

Verschijningsjaar

1521

Vertaling

Nederlandse vertaling Stemmen uit Wittenberg

English Translation Albert T.W. Steinhaeuser




De lofzang van Maria – vertaald en uitgelegd


Aan de Doorluchtige en Hooggeboren Heer, Johan Frederik, Hertog van Saksen, Landgraaf van Thüringen en Markgraaf van Meissen, mijn genadige Heer en Beschermer, Zijn onderdanige kapelaan Dr. Maarten Luther.

Doorluchtige, Hooggeboren Vorst, Genadige Heer, uw Vorstelijke Genade sta mijn schamel gebed en dienst steeds ter beschikking.

Genadige Heer, ik heb Uwer Vorstelijke Genade genadig schrijven, mij onlangs overhandigd, onderdanig ontvangen en met vreugde van de gehele troostrijke inhoud kennis genomen. Aangezien ik echter Uw Vorstelijke Genade reeds voor geruime tijd beloofd heb en dus schuldig ben, het "Magnificat" uit te leggen, waarvan de onaangename praktijken van vele tegenstanders mij zo dikwijls hebben afgehouden, heb ik mij voorgenomen Uwer Vorstelijke Genades brief tegelijk met dit boekje te beantwoorden, bedenkende, dat mijn uitstel op den duur mij wel het schaamrood op de kaken zou kunnen brengen en het mij niet zou betamen, tot verdere voorwendsels mijn toevlucht te nemen, opdat ik het jeugdig gemoed van Uwe Vorstelijke Genade niet zou bezwaren, dat liefde heeft voor de goddelijke Schrift en door verdere beoefening daarvan meer aangevuurd en versterkt zou worden, waartoe ik Uwe Vorstelijke Genade Gods genade en bijstand toewens. Zoals ook ten zeerste nodig is, aangezien van de persoon van zulk een groot vorst het welzijn afhangt van vele mensen, indien hij, aan zijn eigen wil ontheven, door God genadig geleid wordt, daarentegen veler verderf, indien hij aan zichzelf wordt overgelaten en zonder genade wordt geleid.

Want ofschoon de harten van alle mensen zich in de Hand van de almachtige God bevinden, is er toch niet voor niets van de koningen en vorsten gezegd: Het hart van de koning is in Gods Hand; Hij kan het keren, waarheen Hij wil; daarmede wil God Zijn vrees de grote heren inboezemen, opdat zij mogen leren, dat het hun niet past, iets te willen bedenken, dat hun niet speciaal door God ingegeven wordt. Wat andere mensen doen brengt alleen hunzelf of maar weinigen voordeel of schade aan; maar overheden zijn slechts daartoe ingesteld, dat zij voor anderen tot schade of tot voordeel zijn, en dit te meer, naarmate hun gebied zich verder uitstrekt. Daarom noemt ook de Schrift vrome, godvrezende vorsten engelen Gods, ja zelfs goden; slechte vorsten daarentegen noemt zij leeuwen, draken en wilde dieren, die God Zelf als één van Zijn vier plagen vermeldt, waartoe Hij pest, hongersnood, oorlog en wilde dieren rekent.

Aangezien nu het hart van een mens, van nature vlees en bloed, uit zichzelf reeds licht hoogmoedig wordt, maar vooral wanneer hij over macht, goed en eer beschikt, komt het er, als er zulk een sterke aanleiding tot vermetelheid en een vals gevoel van zekerheid aanwezig is, nog eerder toe, om God te vergeten en zich om zijn onderdanen niet te bekommeren, en omdat het gelegenheid heeft om zonder straf kwaad te doen, gaat het zijn gang en wordt een dier, doet slechts wat hem behaagt, en is in naam een heer, maar inderdaad een boze geest, zodat ook terecht de wijze Bias heeft gezegd: "Magistratus virum ostendit", regeren laat zien, wat iemand voor een man is. Want de onderdanen mogen zich niet verzetten, uit vrees voor de overheid. Derhalve is het voor alle overheden noodzakelijk, dat zij, omdat zij niet bang behoeven te zijn voor mensen, God nog meer vrezen dan anderen, Hem en Zijn werken goed leren kennen en met zorgvuldigheid wandelen, zoals Paulus zegt in Rom. 12: "Regeert iemand, zo zij hij zorgvuldig".

Nu is mij in de gehele Schrift niets bekend, dat hiertoe zo uitnemend dienstig is, als dit heilige lied van de hooggebenedijde Moeder Gods, dat werkelijk al diegenen, die naar behoren zouden willen regeren tot zegen voor het land en voor zichzelf, zich goed mogen inprenten en onthouden. Hierin zingt zij inderdaad allerliefelijkst van de godsvruchten van wat God voor een Heere is, in het bijzonder welke Zijn werken zijn voor hoog en laag. Laat een ander naar zijn liefje luisteren, dat een werelds lied voor hem zingt, deze zedige maagd is bij een vorst en heer in een sfeer, die haar past; hem zingt zij een geestelijk, rein en heilzaam lied. Het is dan ook geen verkeerde gewoonte, dat dit lied dagelijks in alle kerken bij de vesper, in onderscheiding van andere liederen, op bijzonder plechtige wijze wordt gezongen.

Moge die tedere Moeder Gods mij (door haar voorbede) de geest willen verwerven, om dit haar lied stichtelijk en grondig te verklaren en om daaraan het heilzaam inzicht en het lofwaardig leven te ontlenen, dat aan Uwe Vorstelijke Genade en aan ons het Magnificat allen ten goede komt, opdat wij daardoor in het eeuwige leven (Gode) mogen lofzingen met dit eeuwig "Magnificat" Daartoe helpe ons God! Amen.

Hiermede beveel ik mij aan Uwe Vorstelijke Genade, onderdanig Uwe Vorstelijke Genade verzoekend, om het weinige dat ik vermag genadig te willen aanvaarden.

Te Wittenberg, de 10de maart, anno 1521.

Het Magnificat


1. Mijn ziel verheft God, de Heere,

2. en mijn geest verheugt zich in God, mijn Heiland.

3. Want Hij heeft mij, Zijn geringe dienstmaagd, aangezien, daarom zullen zij, van kind tot kind, mij zalig prijzen eeuwig.

4. Want Hij, Die alle dingen doet, heeft grote dingen aan mij gedaan, en heilig is Zijn Naam.

5. En Zijn barmhartigheid duurt van geslacht tot geslacht bij allen, die Hem vrezen.

6. Hij werkt machtig met Zijn arm en verstrooit allen, die hovaardig zijn in de zin hunner harten;

7. Hij ontzet machtigen uit hun heerschappij, en verhoogt nederigen en geringen;

8. Hij verzadigt hongerigen met allerlei goederen en laat rijken ledig;

9. Hij helpt Zijn volk Israël, dat Hem dient, nadat Hij Zijn barmhartigheid gedacht heeft.

10. Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, Abraham en zijn kroost, in eeuwigheid.

  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   31

  • De lofzang van Maria – vertaald en uitgelegd
  • Het Magnificat

  • Dovnload 0.56 Mb.