Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


Datum 14. 08. 2012 Kenmerk 2012/0197325 Pagina Uw brief Uw kenmerk Bijlagen

Dovnload 118.02 Kb.

Datum 14. 08. 2012 Kenmerk 2012/0197325 Pagina Uw brief Uw kenmerk Bijlagen



Datum31.07.2017
Grootte118.02 Kb.

Dovnload 118.02 Kb.



Datum

14.08.2012



Kenmerk

2012/0197325



Pagina

Uw brief


Uw kenmerk

Bijlagen

Bijlage 1



Datum verzending





Luttenbergstraat 2

Postbus 10078

8000 GB Zwolle

Telefoon 038 499 88 99

Fax 038 425 48 88

overijssel.nl

postbus@overijssel.nl


RABO Zwolle 39 73 41 121


H.H.J. en T.G. Grobbink.en L.J. Grobbink-Grootenhuis

T.a.v. de heer Grobbink

Reinksweg 6-8

7481 RH HAAKSBERGEN



Inlichtingen bij

Özlem Üzgü

telefoon 038 499 76 65

o.uzgu@overijssel.nl

Zaaknummer

Z-HZ_NB-2012-005091


uw aanvraag om een vergunning voor de Natuurbeschermingswet






Geachte heer Grobbink,


Op 15 mei 2012 hebben wij een aanvraag om vergunning op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (verder Nbwet) van u ontvangen1. De aanvraag betreft het in werking hebben van een melkrundveehouderij na uitbreiding van het aantal dieren en het vergroten van de bestaande ligboxenstal aan de Reinksweg 8 te Haaksbergen. Deze aanvraag heeft u tussentijds gewijzigd2. Deze gewijzigde aanvraag is het uitgangspunt voor deze vergunning. In deze brief geven wij onze beslissing weer.
Besluit
Wij besluiten, zoals in bijlage 1 weergegeven, een vergunning op grond van artikel 19d in het kader van de Nbwet aan u te verlenen voor het in werking hebben van een melkrundveehouderij, vergroten van de bestaande ligboxenstal en een uitbreiding van de veebezetting naar 126 melkkoeien en 68 stuks vrouwelijk jongvee aan de Reinksweg 8 te Haaksbergen zoals aangevraagd.
Het volgende stuk is onderdeel van de vergunning:

  • de technische situatietekening van de nieuwe situatie d.d. 9 maart 2012, laatstelijk gewijzigd 3 mei 2012, behorende bij de aanvraag kenmerk 2012/0139235.

De vergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd.


Ter bescherming van de aanwezige natuurwaarden en natuurschoon verbinden wij aan deze vergunning de volgende voorschriften:


  1. De inrichting moet in werking zijn in overeenstemming met de gewijzigde aanvraag;




  1. De start en de oplevering van de verbouwingswerkzaamheden van ligboxenstal moeten een week van te voren worden gemeld bij het Meldpunt van provincie Overijssel
    (tel.nr. 038 425 24 23), onder vermelding van de naam van het betrokken Natura 2000-gebied, de naam van de locatie en het kenmerk van de vergunning.

Wanneer de houder van de vergunning handelt in strijd met de voorschriften, kan deze vergunning op grond van artikel 43 lid 2 van de Nbwet worden gewijzigd of ingetrokken.


Tot slot

Heeft u nog vragen naar aanleiding van deze beslissing, dan kunt u bellen met Özlem Üzgü op telefoonnummer 038-4997665.


Afschriften

Een afschrift van dit besluit wordt verzonden aan Burgemeester en Wethouders van Haaksbergen en het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, vestiging West.


Met vriendelijke groet,

namens Gedeputeerde Staten van Overijssel,


Patricia Weenink-Driessen,

teamleider Vergunningverlening


Bijlagen:


Bijlage 1

Overwegingen bij het besluit


Niet mee eens?

Als u het niet eens bent met dit besluit kunt u binnen zes weken na de datum van verzending van dit besluit bezwaar maken bij Gedeputeerde Staten van Overijssel. Hoe u dat moet doen kunt u hieronder lezen.


Rechtsmiddel

Binnen zes weken, ingaand op de dag na de datum van verzending van dit besluit, kan een

belanghebbende een bezwaarschrift indienen bij Gedeputeerde Staten van Overijssel, team Juridische Zaken, postbus 10078, 8000 GB Zwolle (telefoon 038 - 499 93 05).

Het bezwaarschrift dient te worden ondertekend en bevat in ieder geval:



  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht;

  4. de gronden van het bezwaar.

U kunt het bezwaarschrift ook per elektronisch formulier verzenden. Dit formulier kunt u vinden op www.overijssel.nl/loket/bezwaar-klachten


Voor de behandeling van een bezwaarschrift bij de provincie Overijssel is geen griffierecht verschuldigd.

Voor inlichtingen over de bezwaarprocedure kunt u zich wenden tot de provinciaal medewerker die bij het besluit is vermeld.


Indien spoed dat vereist is het mogelijk een voorlopige voorziening te vragen bij de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak. In dat geval is griffierecht verschuldigd. Voorwaarde is dat u een bezwaarschrift heeft ingediend.


Overwegingen bij het besluit Bijlage 1
Deze vergunning bestaat uit het besluit en de overwegingen. In deze bijlage zijn de overwegingen opgenomen. Het besluit en de overwegingen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

De overwegingen zijn als volgt opgebouwd:


A WEERGAVE VAN DE FEITEN

A1 Vergunningaanvraag

A1.1 Projectomschrijving

A1.2 Periode

A1.3 Onderliggende documenten

A1.4 Aanvullende gegevens

A1.5 Aanvraag en Natura 2000


A2 Bevoegdheid
A3 Procedure

A3.1 Zienswijzen

A3.2 Verlengen beslistermijn

A3.3 Coördinatie met andere wetgeving

A3.4 Betrokkenheid andere provincie bij Natura 2000-gebied
A4 Vergunningplicht
B TOETSING

B1 Wettelijk kader

B1.1 Natuurbeschermingswet

B1.2 Overig relevant beleid
B2 Inhoudelijke beoordeling
B3 Zienswijzen

B3.1 Bespreking van ingediende zienswijzen

B3.2 Reactie op de zienswijzen
C SLOTCONCLUSIE

A WEERGAVE VAN DE FEITEN

A1 Vergunningaanvraag


A1.1 Projectomschrijving

Maatschap Grobbink vraagt een vergunning aan voor het in werking hebben van een melkrundveehouderij en het vergroten van de bestaande ligboxenstal 4 aan de Reinksweg 8 te Haaksbergen In de stallen zullen 126 melkkoeien en 68 stuks vrouwelijk jongvee worden gehuisvest. Er worden geen emissiearme systemen toegepast. De uitbreiding zal plaatsvinden in de periode september 2012 tot september 2013.


In de aanvraag bleek een verschil te zitten tussen het overzicht van de aangevraagde situatie (126 melkkoeien en 69 stuks jongvee) en de aantallen opgenomen in de AAgro-Stacksberekeningen voor de aangevraagde situatie (126 melkkoeien en 68 stuks jongvee). Door aanvrager is dit hersteld door het aanleveren van een nieuw overzicht van de aangevraagde situatie met 1 jongvee minder.

Een overzicht van het aangevraagde veebestand is in tabel 1 weergegeven.


Tabel 1: aangevraagde situatie

stalnr

Diersoort

Aantal dieren

RAVcode

Emissie-factor

kg NH3/jr

Emissie in

kg NH3/jr

3

Vrouwelijk jongvee

68

A3

3,9

265,2

4

Melkkoeien (beweiden)

126

A1.100.1

9,5

1.197,0

Totaal

1.462,2


A1.2 Periode

De vergunning wordt aangevraagd voor onbepaalde tijd.


A1.3 Onderliggende documenten

Voor de beoordeling van de aanvraag zijn de volgende documenten meegezonden:



  • aanvraagformulier d.d. 3 mei 2012;

  • een toelichting op het project;

  • overzicht dierenaantallen en ammoniakemissie;

  • AAgro-Stacksberekening Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden vergunde situatie;

  • AAgro-Stacksberekening Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden nieuwe situatie;

  • kaarten met emissie- en toetspunten voor AAgro-Stacksberekeningen;

  • Hinderwetvergunning d.d. 3 mei 1988 met nummer HW-87-28;

  • melding Besluit melkrundveehouderij d.d. 22 mei 2002 met nummer 02.3264;

  • melding Besluit landbouw milieubeheer d.d. 28 februari 2007;

  • tekening gewenste situatie;

  • overzicht met gewijzigde veebezetting.


A1.4 Aanvullende gegevens

Op 25 juli 2012 is een nieuw overzicht van de aangevraagde situatie door aanvrager aangeleverd, deze is ingeboekt onder nummer 2012/0185396.



A1.5 De aanvraag en het Natura 2000-gebied

Uw bedrijf heeft invloed op verschillende Natura 2000-gebieden, waarvan het Natura 2000-gebied ‘Witte Veen’ het dichtst bij uw bedrijf ligt (1.200 m).



A2 Bevoegdheid


Uitgangspunt bij de Nbwet (art. 2) is, dat gedeputeerde staten van de provincie, waarin beschermde natuurmonumenten en/of Natura 2000-gebieden geheel of grotendeels liggen, bevoegd zijn te beslissen over vergunningaanvragen ex art. 16 en art. 19d Nbwet.

Daarbij is overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies nodig, waarin het beschermde gebied mede ligt, voor zover die vergunning betrekking heeft op delen van het gebied, in die andere provincies.


Art. 2a van de Nbwet bepaalt, dat, als de aanvraag betrekking heeft op een handeling of project die hoofdzakelijk gevolgen kan hebben voor een deel van een beschermd natuurmonument of Natura 2000-gebied dat binnen de grenzen van één provincie ligt, dan beslist GS van de provincie waarin dat deel ligt.
De betrokken Natura 2000-gebieden liggen volledig op het grondgebied van provincie Overijssel, zodat wij bevoegd zijn om te beslissen op de vergunningaanvraag.

A3 Procedure


De vergunningprocedure is uitgevoerd in overeenstemming met het bepaalde in hoofdstuk VIII van de Nbwet en de hiervoor relevante artikelen van de Algemene wet bestuursrecht.

A3.1 Zienswijze

Naar aanleiding van uw aanvraag zijn een afschrift van uw aanvraag evenals de ontvangstbevestiging, op grond van artikel 44, lid 2, Nbwet, naar het college van Burgemeester en Wethouders van Haaksbergen en het ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (hierna te noemen EL&I), vestiging West gestuurd.


Op basis van artikel 44, lid 3, Nbwet is het college van burgemeester en wethouders gedurende een termijn van 8 weken in de gelegenheid gesteld over deze aanvraag hun zienswijze kenbaar te maken.
Onder B3 wordt nader ingegaan op de ingebrachte zienswijzen en, als dat van toepassing is, onze reactie.
A3.2 Verlengen beslistermijn

Wij hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de beslistermijn met 13 weken (artikel 42, lid 2, Nbwet) te verlengen.


A3.3 Coördinatie met andere wetgeving

U hebt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om één van de betrokken bestuursorganen schriftelijk te verzoeken om coördinatie van besluitvorming (artikel 19ka, lid 2, Nbwet).


Wij wijzen u erop, dat voor de door u te verrichten activiteit, voor zover ons bekend, ook de navolgende op aanvraag te nemen besluiten nodig zijn (artikel 19ka, lid 1, Nbwet):


Naam wet en van toepassing zijnde artikel

Bevoegd bestuursorgaan en adres

Flora- en faunawet, artikel 75

Dienst Regelingen, Team vergunningen en ontheffingen uitvoering, Postbus 19530, 2500 CM Den Haag


Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 2.1

Gemeente Haaksbergen, postbus 102, 7480 AC Haaksbergen


A3.4 Betrokkenheid andere provincie

De betrokken Natura 2000-gebieden liggen volledig binnen de begrenzing van provincie Overijssel. Overeenstemming met een andere provincie is in dit geval niet aan de orde.



A4 Vergunningplicht


Op basis van de aanvraag en de daarbij behorende bijlagen en tekeningen hebben we beoordeeld of de aangevraagde bedrijfsveranderingen de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied en/of beschermd natuurmonument kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor een gebied is aangewezen. Wij hebben geconstateerd dat de activiteit negatieve effecten hebben op habitats in Natura 2000-gebieden die gevoelig zijn voor stikstof. De activiteit leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats.
Er is geen sprake van een project of handeling conform een vastgesteld beheerplan. Verder is er geen sprake van bestaand gebruik, in overeenstemming met art. 1 van de Nbwet.

Daarmee is deze activiteit vergunningplichtig in het kader van art. 19d Nbwet.



B TOETSING

B1 Wettelijk kader en beleid


B1.1 Natuurbeschermingswet 1998
Natura 2000-gebieden

Artikel 19d, lid 1, van de Nbwet bepaalt dat het verboden is zonder vergunning, of in strijd met aan een dergelijke vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, projecten of andere handelingen te realiseren c.q. te verrichten die, gelet op de instandhoudingdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Vogel- en/of Habitatrichtlijngebied kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.
Artikel 19e van de Nbwet bepaalt dat gedeputeerde staten van de provincie bij het verlenen van een vergunning op basis van artikel 19d, lid 1, van de Nbwet rekening houden met:


  1. de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, lid 3, kan hebben voor een Natura 2000-gebied;

  2. een op grond van artikel 19a of artikel 19b vastgesteld beheerplan, en

  3. vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, evenals regionale en lokale bijzonderheden.

Artikel 19f bepaalt dat aanvrager een passende beoordeling maakt van de gevolgen van een project voor het gebied voordat gedeputeerde staten een besluit nemen over het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, lid 1, die niet direct verband houdt met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen, significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied. Daarbij wordt rekening gehouden met de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, lid 3, van dat gebied.


Er is geen passende beoordeling noodzakelijk indien de aangevraagde situatie (een wijziging of uitbreiding) niet leidt tot een verhoging van de stikstofdepositie ten opzichte van de milieuvergunde situatie op de datum dat een gebied op de lijst van gebieden van communautair belang werd geplaatst (Habitatrichtlijngebieden), dan wel op de datum van aanwijzing als speciale beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn (Vogelrichtlijngebieden).

De vergunningplicht blijft wel bestaan, maar kan in die gevallen gewoon worden verleend.


Artikel 19kd, lid 1, bepaalt dat bij besluiten over het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, lid 1, het bevoegd gezag niet de gevolgen betrekt die een handeling kan hebben door het veroorzaken van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied in de volgende gevallen:

  1. de handeling is gebruik dat op 7 december 2004 werd verricht en is sindsdien niet of niet in betekenende mate gewijzigd, en heeft sindsdien per saldo geen toename van stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied veroorzaakt;

  2. de handeling is een activiteit die na 7 december 2004 is begonnen, of een gebruik dat na 7 december 2004 in betekenende mate is gewijzigd, waarbij is verzekerd dat, in samenhang met voor die activiteit getroffen maatregelen, de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied als gevolg van die activiteit of dat gebruik per saldo niet is toegenomen of zal toenemen.


B1.2 Overig relevant beleid
Beleidskader Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen

Gedeputeerde Staten van Overijssel hebben op 13 april 2010 het ‘Beleidskader Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen’ (vanaf hier: beleidskader) vastgesteld. Hierin is ontwikkelruimte uitgewerkt van individuele veehouderijen. We voorzien in een samenhangende aanpak voor alle veehouderijen in Overijssel, die leidt tot een daling van de stikstofdepositie.



B2 Inhoudelijke beoordeling



Effecten op Natura 2000-gebied

De aangevraagde activiteiten hebben een (mogelijke) negatieve invloed op de aanwezige habitattypen en/of soorten in omliggende Natura 2000-gebieden voor wat betreft de factoren verzuring en vermesting.


Hieronder wordt uw aanvraag getoetst aan de beoordelingskaders vanuit de Nbwet.
Stap 1: Toets aan artikel 19f

Rondom uw bedrijf bevinden zich meerdere voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden. Daarvan ligt het Natura 2000-gebied ‘Witte Veen’ het dichtst bij. Aangezien uw bedrijf stikstof uitstoot en de achtergronddepositie van stikstof hoger is dan de kritische depositiewaarden van de betrokken gebieden zijn significant negatieve effecten op voorhand niet uit te sluiten. In overeenstemming met art. 19f is een passende beoordeling dan aan de orde.


Uit jurisprudentie blijkt dat er uitzonderingen zijn voor die gevallen, waarbij de stikstofdepositie niet toeneemt ten opzichte van de milieuvergunde situatie op het tijdstip van aanwijzing3 van een beschermd gebied. In die situatie is een passende beoordeling niet noodzakelijk en kan een vergunning worden verleend. Voor alle Habitatrichtlijngebieden in Overijssel gaat het dan om de datum van 7 december 2004. De aanwijzingen als Vogelrichtlijngebied zijn in Overijssel van eerdere datum. Aangezien het om verschillende data gaat moeten we in de beoordeling die Vogelrichtlijngebieden betrekken waarvan de aanwijzingsdatum verschillen. In overeenstemming met de uitspraak van de Raad van State van 7 september 2011 geldt voor gebieden die voor 10 juni 1994 zijn aangewezen deze datum als toetsingsmoment.
In de aangevraagde situatie is er een berekende depositie van 0,03 mol stikstof per ha per jaar op het dichtbijzijnde rand van het Vogelrichlijngebied ‘Sallandse Heuvelrug’. In overeenstemming met onze beleidsregel ronden wij 0,05 af naar 0,0. Daarmee is er geen sprake van een causaal verband tussen de emissie van dit bedrijf en de berekende depositie op deze gebieden. Wij laten daarom Vogelrichtlijngebied ‘Sallandse Heuvelrug’ verder buiten onze beoordeling.
Uw bedrijf heeft uitsluitend invloed op beschermde gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Habitatrichlijn. Op de datum van het plaatsen van de Habitatrichtlijngebieden ‘Witte Veen’ , ‘Buurserzand & Haaksbergerveen’ en ‘Aamsveen’ op de lijst van communautair belang beschikte u over een melding op grond van het Besluit melkrundveehouderij milieubeheer, van 22 mei 2002 met documentnummer 02.3264.
In tabel 2 zijn de milieuvergunde aantallen dieren op 7 december 2004 weergegeven.
Tabel 2: Milieu-vergunde situatie op 7 december 2004

stalnr

Diersoort

Aantal dieren

RAVcode

Emissie-factor

kg NH3/jr

Emissie in

kg NH3/jr

3/5

Vrouwelijk jongvee

52

A3

3,9

202,8

Melkkoeien (beweiden)

23

A1.100.1

9,5

218,5

4/6

Overig rundvee

12

A7

9,5

114,0

Melkkoeien (beweiden)

90

A1.100.1

9,5

855,0

8

Vrouwelijk jongvee

20

A3

3,9

78,0

Totaal

1.468,3

Om te beoordelen of de depositie in de nieuwe situatie op de Habitatrichtlijngebieden ‘Witte Veen’ , ‘Buurserzand & Haaksbergerveen’ en ‘Aamsveen’ ten opzichte van de aanwijzingsdatum is toegenomen zijn depositieberekeningen van beide situaties uitgevoerd en in tabel 3 weergegeven.


Tabel 3: N-depositie van het bedrijf in mol/ha/jr

Grens habitats in Habitatrichtlijngebied

Coördinaten grens VR-gebied en/of

habitattypen

N-Depositie

N-depositie

nieuwe situatie

X

Y

7 dec. 2004

Buurserzand & Haaksbergerveen













Vochtige heiden (hogere zandgronden

252 458

463 609

1,53

1,52

Stuifzandheiden met struikhei

252 316

463 741

1,22

1,22

Jeneverbesstruwelen

252 348

464 972

1,35

1,34

Witte Veen













Zure Vennen

255 802

463 532

5,70

5,69

Beuken-eikenbossen met hulst

255 736

463 532

6,16

6,15

Herstellende hoogvenen

255 830

463 637

4,84

4,83

Droge heiden

256 022

462 766

2,78

2,78

Aamsveen













Vochtige alluviale bossen

261 342

467 097

0,43

0,42

Heischrale graslanden

261 526

467 354

0,41

0,41

Herstellende hoogvenen

261 635

467 011

0,40

0,40

Uit de gegevens die u heeft aangeleverd (zie tabel 2 en 3) blijkt dat de depositie ten opzichte van 7 december 2004 gelijk blijft of afneemt.


Conclusie:

Uit vorenstaande gegevens blijkt dat de stikstofdepositie in de aangevraagde situatie gelijk blijft of lager is dan ten tijde van de plaatsing van een Habitatrichtlijngebied op de lijst van gebieden van communautair belang. Hierdoor kunnen wij vergunning verlenen zonder de noodzaak van een passende beoordeling.


Stap 2: Toets aan artikel 19kd Nbwet

In de Nbwet zijn regels opgenomen met betrekking tot vergunningverlening en stikstofdepositie. Deze regels hebben betrekking op Natura 2000-gebieden die op de Europese lijst van communautair belang zijn geplaatst of zijn aangewezen op of na 7 december 2004. Wij hebben uw aanvraag aan deze regels getoetst (art. 19kd Nbwet).


Uit de gegevens in tabel 3 komt naar voren dat de stikstofdepositie in de nieuwe situatie niet toeneemt ten opzichte van de situatie van 7 december 2004. Hierdoor mogen wij de effecten van stikstofdepositie op de Habitatrichtlijngebieden niet betrekken bij onze overwegingen voor vergunningverlening.
Stap 3: vaststellen overige effecten

Gezien de afstand ten opzichte van het Natura 2000-gebied ‘Witte Veen’ zijn er geen andere effecten te verwachten, ook niet tijdens de bouwwerkzaamheden.


Conclusie toetsing

Uit vorenstaande blijkt dat de stikstofdepositie in de aangevraagde situatie gelijk blijft of lager is dan ten tijde van de plaatsing van de Habitatrichtlijngebieden 'Aamsveen', 'Witte Veen', 'Buurserzand en Haaksbergerveen' op de lijst van gebieden van communautair belang. Hierdoor kunnen wij de vergunning verlenen zonder de noodzaak van een passende beoordeling. Nu de depositie niet toeneemt ten opzichte van 7 december 2004 mogen wij de effecten van stikstof op Habitatrichtlijngebieden verder niet betrekken. Voor het Vogelrichtlijngebied moeten we depositie van stikstof wel betrekken bij onze overwegingen als deze groter is dan 0,05 mol. Voor deze gebieden blijkt echter dat de stikstofdepositie kleiner is dan 0,05 mol en in overeenstemming met onze beleidsregel ronden wij 0,05 af naar 0,0. Daarmee is er geen sprake van een causaal verband tussen de emissie van dit bedrijf en de berekende depositie op deze gebieden. Er zijn geen andere effecten op het Natura 2000-gebied door de voorgenomen wijzigingen in het bedrijf.

Met inachtneming van het gestelde in Nbwet zien wij geen belemmering om de gevraagde vergunning te verlenen.
B3 Zienswijzen

B3.1 Bespreking van ingediende zienswijze

De gemeente Haaksbergen heeft op 31 mei 2012 een zienswijze toegezonden (2012/014254). Gesteld wordt dat in de aanvraag bij het beschrijven van de situatie op 7 december 2004 een vergunning van 16 oktober 2003 vermeld. Dit moet echter zijn een melding op grond van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer van 22 mei 2002.


B3.2 Reactie provincie Overijssel op de zienswijzen en overige reacties

Wij hebben naar aanleiding van de zienswijze de bij de aanvraag meegezonden stukken na gekeken. Met de gemeente zijn wij van mening dat inderdaad sprake is van een milieumelding in plaats van een milieuvergunning. Bij de beoordeling van de aanvraag zijn wij daarom uitgegaan van een milieumelding van 22 mei 2002 in plaats van een milieuvergunning van 16 oktober 2003.



C Slotconclusie


Uit de beoordeling van de gewenste uitbreiding van de melkrundveehouderij van Maatschap Grobbink aan de Reinksweg 8 te Haaksbergen blijkt dat de stikstofdepositie ten opzichte de aanwijzing van de gebieden 'Aamsveen', 'Witte Veen', 'Buurserzand en Haaksbergerveen' en als speciale beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn gelijk blijft of afneemt. In overeenstemming met jurisprudentie is in dat geval geen noodzaak tot een passende beoordeling.

Nu de depositie niet toeneemt ten opzichte van 7 december 2004 valt de bedrijfswijziging onder de regels van art. 19kd en mogen we stikstof niet betrekken bij onze afwegingen. Er zijn geen effecten op gebieden, aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn..

Naar aanleiding van de zienswijze van de gemeente Haaksbergen is bij de beoordeling van de aanvraag betrokken.

Er zijn geen andere effecten op het Natura 2000-gebied door de voorgenomen wijzigingen in het bedrijf.


Vergunning in het kader van de Nbwet kan, zoals aangevraagd, worden verleend.

1 EDO-kenmerk 2012/0139235

2 EDO-kenmerk 2012/0185396

3 Voor speciale beschermingszones in de zin van de Vogelrichtlijn, die zijn aangewezen voor afloop van de omzettingstermijn van de Habitatrichtlijn gelden de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn vanaf 10 juni 1994


  • A WEERGAVE VAN DE FEITEN A1 Vergunningaanvraag
  • A2 Bevoegdheid
  • A3 Procedure
  • A4 Vergunningplicht
  • B TOETSING B1 Wettelijk kader en beleid
  • B2 Inhoudelijke beoordeling
  • C Slotconclusie

  • Dovnload 118.02 Kb.