Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De 123 joodse kinderen van Hanna en Nico door Harrie Raaijmakers

Dovnload 217.97 Kb.

De 123 joodse kinderen van Hanna en Nico door Harrie Raaijmakers



Pagina1/3
Datum28.10.2017
Grootte217.97 Kb.

Dovnload 217.97 Kb.
  1   2   3

De 123 joodse kinderen van Hanna en Nico

door

Harrie Raaijmakers
Direct na de inval van de Duitsers werd het voor joden verboden om een café te bezoeken of een ritje met de tram te maken. In 1942 werd het dragen van de jodenster verplicht. Een tragische rol speelde de Joodse Raad. De bezetter schakelde de joden in om de anti-joodse wetten ten uitvoer te brengen. De Raad maakte ook een lijst waarop goederen vermeld stonden, die men mee moest nemen. Tevens zorgde ze voor de voorlichting aan de joden over de maatregelen van de Duitsers. Zo zorgde deze raad ervoor, dat de jodenster verspreid werd.

Vanaf augustus 1942 was de Hollandse Schouwburg alleen toegankelijk voor joden, die bewaakt werden door leden van de Duitse en Nederlandse SS en NSB, onder leiding van Ferdinand Aus der Fünten. De organisatie in de schouwburg was in handen van de “Expositur”, een afdeling van de Joodse Raad. De “Expositur” had de volgende taken in de schouwburg: de eerste opvang en de registratie, de medische verzorging, de voedselvoorziening. De leiding ervan was in handen van Walter Süskind. Hij was in 1938 vanuit Duitsland naar Nederland verhuisd en wilde zoveel mogelijk joden redden. Hij heeft persoonlijk de hoogste SS'er Ferdinand Aus der Funten, een oude schoolkameraad van hem, dronken gevoerd om dat mogelijk te maken.

De mensen zaten in de tjokvolle schouwburg in zalen, in loges, op trappen en balkons. Het was er schrijnend vooral op het gebied van de hygiëne. Daarom kwam het voorstel van de Joodse Raad om de kinderen onder de dertien jaren naar de crèche te brengen. Deze crèche bevond zich tegenover de “Hollandse Schouwburg”, waarin gedurende oorlog tussen de 15.000 en 18.000 joden gedetineerd waren in afwachting van deportatie. Een derde deel hiervan bestond uit kinderen.

Vanaf oktober 1942 mochten de kinderen in de crèche ondergebracht worden in afwachting van hun transport. Vanuit deze crèche werden ongeveer vijftig kinderen bevrijd.

De crèche was voor de oorlog vooral bedoeld voor de kinderen van de joodse handelaren op het Waterlooplein. Die kinderen waren alleen welkom als ze minder dan twintig luizen hadden. Er waren keurige baden met warm en koud stromend water, er waren bedjes en aangepaste toiletjes. En er was een keuken. Het was de modernste van Amsterdam. De crèche had een interne opleiding, destijds uniek in Nederland. Het was een voortreffelijk onderkomen voor de kleintjes.

De leiding ervan was in handen van Henriëtte Pimentel. Zij werkte samen met Walter Süskind. Voor het eerst bleven de kinderen tijdens de oorlog er dag en nacht. Door het in gebruik nemen van de crèche ontstonden nieuwe ontsnappingsmogelijkheden, omdat de crèche minder zwaar bewaakt werd. Vanaf dat moment zaten de kinderen er relatief veilig.

Het transport naar Westerbork vond driemaal per week plaats vanaf de stations Muiderpoort of Centraal. Het vervoer naar deze stations ging per vrachtwagen, tram of bus. Vanaf januari 1943 werden de joden ook naar kamp Vught gebracht.
Bert Jan Flim beschrijft in zijn boek “Omdat hun hart sprak”, dat er in Nederland gedurende de oorlog vier verzetsgroepen waren, die zich bezig hielden met het onderbrengen van joodse kinderen, om ze op die manier te behoeden voor deportatie naar een concentratiekamp.

Dat waren:

– Het Utrechts Kindercomité. (bracht tien kinderen onder).

– De Naamloze Vennootschap uit Amsterdam. (bracht 160 kinderen onder)

– De Trouwgroep uit Amsterdam. (bracht 75 kinderen onder)

– De Amsterdamse Studenten Groep onder leiding van Piet Meerburg (geboren op 1 september 1919 en overleden op 12 april 2010) en Wouter van Zijtveld (1923).


Met deze laatste groep werkte het verzetsgroepje rond Hanna van de Voort samen. De studenten gebruikten hun contacten met medestudenten om elders in Nederland groepen te vormen om de kinderen onder te brengen. Uit onderstaand lijstje blijkt, dat er bij de Algemene Studenten Groep zes groepen waren, die door Flim als “filialen” werden aangeduid. In die filialen werden de volgende aantallen kinderen ondergebracht.
Filiaal Nijkerkerveen 10 kinderen

Filiaal Sneek 60 a 80 kinderen

Filiaal Leeuwarden 100 kinderen

Filiaal Joure 30 kinderen

Filiaal Zuid-Limburg 50-60 kinderen

Filiaal Tienray 123 kinderen.

Totaal ongeveer 350 kinderen.
De blonde kinderen gingen meestal naar Friesland.

Zoals U kunt zien verbleven 123 kinderen in Tienray en omgeving. Van die 123 kinderen was ruim de helft van de lagere schoolleeftijd waren er acht kinderen onder de zes jaar en vijfentwintig kinderen waren ouder dan twaalf jaar. Deze laatste kinderen waren het moeilijkste onder te brengen en kwamen hoofdzakelijk naar Tienray. Van vijftig kinderen is bekend, dat ze gewoon onderwijs gevolgd hebben tijdens hun onderduikperiode.

Opvallend is dat van alle 1.355 Nederlandse pleeggezinnen er 434 in Limburg te vinden waren bijna het derde deel.
Naast bovenstaande vier verzetsgroepen kunnen we nog een vijfde groep noemen, die zich vooral bezig hield met het smokkelen van de kinderen uit de crèche aan de Plantage Middellaan in Amsterdam. Het was erg moeilijk om te bepalen welk kind weg mocht. De ouders moesten uiteraard toestemming geven en die waren niet zomaar genegen om hun kinderen aan wildvreemde personen af te staan. Philip Fiedeldij Dop, die in Amsterdam-Zuid zijn kinderartsenpraktijk had, wist het vertrouwen van veel ouders te winnen en daarmee was een fundament gelegd voor de “kidnapping”. Als de ouders er tegen waren werd niets ondernomen. Wel was het zo, dat het gemakkelijker was om de zogenaamde “weeskinderen” te bevrijden.

Hoe de kinderen bevrijd werden
Enkele mogelijkheden:

– John (Jan) Blom liep in de groep naar de crèche, maar ging al voetballend een andere weg, de vrijheid tegemoet. Hij kwam via Hanna van de Voort in Swolgen terecht in het kasteeltje op de Gun.

– Bij binnenkomst in de schouwburg “vergat” men wel eens kinderen in te schrijven, zodat het verdwijnen ervan niet opviel.

– Als de ouders op de lijst stonden voor vertrek op de volgende dag, dan werden de kinderen 's avonds om 21.00 uur wakker gemaakt en naar de overkant gebracht. De ouders mochten dan samen met de kinderen de laatste nacht in Amsterdam doorbrengen. De moeder van een baby, kreeg een pop in de hand geduwd. De baby leek dus op transport gesteld. Deze methode kon doorgaan tot er geen poppen meer te krijgen waren.

– Baby 's en peuters werden in een tas, emmer of doos met gaatjes vervoerd zonder dat dat erg opviel.

– De crèche werd niet streng bewaakt en miste de aangeboden alcoholische drank aan de bewakers zijn uitwerking niet.

– Vanuit genoemde crèche werden de kinderen bevrijd, waarbij S'S-er Alfons Zündler bewust de andere kant op keek. Ook de kaarten van de kinderen werden gelicht, want het aantal kinderen moest na de wandeling even groot zijn, als bij het vertrek. Door een openstaand raam werd dan een kind naar buiten gewerkt, zodat het aantal klopte. De kinderen die ontvoerd zouden worden liepen achteraan en kregen opdracht op een bepaalde plek rechtdoor te lopen. De studenten wachtten precies het tijdstip af, dat tussen de schouwburg en de crèche twee trams elkaar uit tegengestelde richting passeerden. Men had dan meer tijd om met het kind te verdwijnen.

– Soms werd een kind via de schutting achter de crèche “ontvoerd”.

– Via de zolder van de naastgelegen Hervormde Kweekschool konden veel kinderen ontsnappen.
De “ontvoerde” kinderen kregen een schuilnaam en een identiteitskaart van het Centraal Bureau voor Kinderuitzending uit het gebombardeerde Rotterdam.

Door dat bombardement waren veel doden te betreuren, maar waren ook de persoonsgegevens van de burgerlijke stand in vlammen opgegaan, zodat moeilijk te controleren was of de kinderen echt uit Rotterdam kwamen.

Het is te begrijpen, dat niet veel notities gemaakt zijn gedurende de oorlog. Het aantal van 123 door Hanna en Nico ondergebracht kinderen kan anders zijn dan steeds is aangenomen.

Na de bevrijding van Zuid-Nederland werd de ligging van het front een probleem en was het niet meer mogelijk kinderen in Tienray onder te brengen.


Voor de bevrijde kinderen moest een schuiladres elders in Nederland gevonden worden. Daarvoor zette Piet Meerburg een organisatie op, waarbij veel studenten betrokken waren.

Omstreeks mei 1943 kwam Piet Meerburg in contact met Karel (K.P.M.) Ex uit Venlo. Beiden haddeen geweigerd de loyaliteitsverklaring te ondertekenen.

Deze verplichting gold vanaf maart 1943.

Karel Ex was ondergedoken en had zich aangesloten bij de Limburgse Organisatie voor Hulp aan Onderduikers. Voor deze organisatie was hij vaak in Amsterdam. Piet Meerburg vroeg hem of hij iemand in Limburg kende, die joodse kinderen zou kunnen onderbrengen. Het zou gaan om in totaal zeker duizend kinderen. Karel Ex en medestudent (F.J.K.) Joe Russell uit Tegelen kwamen in contact met Eugenie Boutet in Sevenum. Zij had het zelf, naast haar baan als onderwijzeres, te druk met enkele honderden onderduikers, waaronder meer dan honderd joden.

Zij dacht direct aan haar nicht Hanna van de Voort, die kraamverzorgster was in Tienray al enkele Franse krijgsgevangenen geholpen had. Karel Ex en Joe Russell togen naar Tienray en vertelden de familie hun verhaal. Nico, die bij Van de Voort ondergedoken zat, was stilletjes naar boven geslopen. De familie vroeg bedenktijd, waarna de twee mannen een wandeling door Tienray maakten. Nico Dohmen zag en herkende de twee bezoekers vanuit de slaapkamer. Daarop waren Hanna en haar ouders snel akkoord. Moeder Marie van de Voort-Everts was ziek, maar zei: “Dan zien we wel. Onze Lieve Heer is er ook nog. Duizend kinderen Hanna, die moeten we helpen”.
Het verzetsgroepje Tienray
De groep startte in mei 1943 en bestond uit Hanna van de Voort, Nico Dohmen (1921-2008), Hand van de Pas en smid Toontje Peters uit Broekhuizenvorst, bakker Wiel Houwen uit Horst en Curt Löwenstein. Curt was een joodse jongen, die bij de families Mart Mooren in Meerlo, Loogman in Venray en bij Martens in Klein Oirlo ondergedoken was.

De groep werkte vrij zelfstandig. Hanna van de Voort was geboren op 26 november 1904 en overleden op 26 juli 1956 na een open hartoperatie in Utrecht. In tegenstelling tot haar broers en zussen is ze vrij jong gestorven, haar zus Mien werd bijna honderd jaar. Waarschijnlijk hebben de spanningen in de oorlog hun tol geëist. Haar vader had lange tijd een bakkerij, café, hotel en je kon er ook eten. Daarnaast was hij zelf benoemd burgemeester van Tienray en had zelfs ruzie gehad met de pastoors Maessen en Von Bönninghausen. Die laatste noemde hem: De pater in zijn wit habijt.

Hanna was kraamverzorgster, had een groot werkgebied en bleef tien dagen lang in een gezin als er een kind geboren was.
De werkwijze
Zodra Hanna een onderduikadres gevonden had, werd de “bestelling” telefonisch doorgegeven. Bij de bestelling ging het om een pakje surrogaat koffie (een jongen) of een pakje surrogaat thee (een meisje). De telefooncentrale was destijds in hotel Wijnhoven, Kloosterstraat 2 gevestigd. Ook werd gebeld via Johan Hofman, Spoorstraat 3. Verder hadden weinig mensen in Tienray een telefoonaansluiting.

Vaak werden er meer “pakjes koffie of thee” afgeleverd dan besteld waren. Er werd dan niet vergeefs een beroep gedaan op Ed Miedema, kapelaan in Gennep, de latere pastoor van ”Het Eikske” in Schaesberg.

Bij het zoeken naar adressen kregen Hanna en Nico de medewerking van de geestelijkheid. Pastoor Dinckels van Tienray stond volkomen in voor Nico en was bereid iedereen de benodigde inlichtingen over hem te geven.

De helft van alle benaderde personen reageerde positief. Moeilijk was het om jongens te plaatsen in de leeftijd van tien tot vijftien jaar. Erg gewild waren de baby 's en de “zwartjes” onder de meisjes.


De kinderen reisden met de trein naar Limburg onder begeleiding van iemand van de organisatie. Koeriers waren: Piet Meerburg (Piet van Doorn), Hansje van Lochem, Alice Brünner (een Zwitserse, die in Amsterdam woonde), Ans van Dam, Ietje van Dijk, Piet Hoekstra, Mieke Mees en Wouter van Zeytveld en Tineke Haak. Het waren jonge ongehuwde studenten, die het werk wel spannend vonden. Deze jongelui verbleven soms enkele nachten in Tienray en genoten van de zelfgebakken vla. Vanaf het station Venray werden de evacueetjes met de bus afgehaald door Nico Dohmen of Anselm van de Voort, maar regelmatig moesten de kinderen met hun begeleiders ook te voet naar Tienray. Verschillende kinderen kwamen niet in Tienray aan, maar werden direct naar hun onderduikadres gebracht. Volgens Nico Dohmen was tachtig procent van de kinderen afkomstig uit de crèche in Amsterdam.

Niet alle kinderen kwamen uit Amsterdam en belandden op bovenstaande wijze in Tienray. Zij kwamen op een ander manier. Bij een enkel kind is dat beschreven. Een van de kinderen, die op een andere manier in Noord-Limburg onderdak vond was Max Schrijver. Die heeft zelfs vertoefd in kamp Westerbork evenals Curt Löwenstein.


De kosten
Om de kosten van de gehele organisatie te betalen werd het gedicht “Het lied der achttien dooden” van Jan R.T. Campert (1902-1943) uitgegeven. Het illegale drukwerk was afkomstig van de Bezige Bij en werd gesteund door het Nationaal Steunfonds. Dit fonds kreeg een miljoenenlening van de Nederlandse regering in Londen. Hiervan werden onder andere de reizen naar Limburg en Friesland betaald. Piet Meerburg zelf had een baantje bij de Nederlandse Spoorwegen als controleur en mocht zodoende vrij en ongestoord reizen. In totaal kwam vanuit Amsterdam ƒ 130,00 naar de verzetsgroep Tienray.
De Inburgeringscursus.
De kinderen kwamen in Noord-Limburg in kleine dorpen en hadden te maken met kleine Rooms Katholieke schoolbesturen of een goedgezind hoofd der school. In Tienray vormden de zusters het schoolbestuur. In de overige dorpen was het kerkbestuur tevens schoolbestuur. De lijnen waren kort. Maar liefst vijftig kinderen bezochten de gewone lagere scholen en leerden de catechismus.
Lien Emons-Bartels: Bij ons was Elly Hamme ondergebracht. Zij leek heel erg op ons. Ze ging naar de Mariaschool, de meisjesschool in het klooster in Tienray, heeft meegedaan aan de voorbereiding voor de grote communie (hernieuwing van de doopbelofte) en was kwaad, dat ze die niet mee mocht doen.
Henriëtte Poels-Peters (dochter van meester Peters): Mijn ouders maakten elke dag een wandeling door Oirlo. Mijn moeder had steeds een handtas bij zich. Na de oorlog werd duidelijk, dat in de tas het huiswerk zat van de joodse kinderen, die zij tijdens de wandeling bezochten. Mijn vader was er hoofd van de lagere school.
De oudere kinderen werden enkele dagen bij Hanna van de Voort ondergebracht om te acclimatiseren en te wennen aan de nieuwe situatie. Ze leerden het stratenplan van Rotterdam van buiten en in welke wijk ze zogenaamd gewoond hadden. Ook kregen ze les in de katholieke leer. Ze leerden voor en na het eten en voor het slapen gaan te bidden.

Na enkele dagen gingen de kinderen naar pleegouders in de regio van Gennep tot Grubbenvorst. Nico Dohmen heeft steeds tegen de pleegouders gezegd, dat het om joodse kinderen ging. Ze waren dus op de hoogte. De kinderen kregen een nieuwe naam en moesten hun oorspronkelijke naam vergeten.



        1. Enkele voorvallen

De overval

Leonardus Heldens op het Schoor in Castenray eiste voor de vier joden bij hem ondergebracht waren honderd gulden per maand. De boer eiste het persoonsbewijs van de jood. Hij hield de kleren achter als onderpand. De jood ging ervan door. De overval is gepleegd door Nico Dohmen, Curt Löwenstein, Henri van de Pas en George Schmitz, de zoon van de rechercheur uit Roermond.
In augustus 1943 bracht Piet Meerburg persoonlijk het eerste jongetje: Simon Cohen. Diens ouders waren opgepakt. Simon had een ingevallen borst en platvoeten, was astmatisch en scheel. “Me ome Kobus het mezelvers uitgetekend”, grapte hij.

Vader Piet Dohmen in Kampen wilde dolgraag het eerste kind onderdak verschaffen. Hij was katholiek en landbouwkundig adviseur. Hij trof het niet, want na een week belandde Simon in het ziekenhuis met difterie. In dat ziekenhuis werd hij zes weken verzorgd, maar hij overleefde uiteindelijk de oorlog. In Kampen maakte hij er geen geheim van joods te zijn, hetgeen hem een keer een draai om de oren opleverde.


Chaim Lindner kreeg godsdienstles net als de andere kinderen. Zijn broer Leo zag daarin een poging van Nico Dohmen om zieltjes voor de katholieke kerk te winnen. Hij begon hem in Blitterswijck te schoppen en te slaan met de woorden: “Jij vuilak, jij wilt mijn broertje katholiek maken. Nooit, liever naar een concentratiekamp. We gaan ons aangeven”. “Geef mij dan ook maar aan”, zei Nico Dohmen, “ik zie het ook niet meer zitten. Laten we samen gaan”. Leo kalmeerde en bood na de oorlog zijn excuses aan.
Een handige jongen was nog nooit te communie geweest. Aangezien iedere katholiek in de paastijd te communie moest gaan, had hij een probleem. Hij ging in de Goede Week bij tante Hanna logeren, zodat de kinderen in Swolgen niet te weten kwamen, dat hij niet katholiek was.
Bij Herm Hubertus Hendrix, landbouwer op de Gun in Swolgen (C 19) was een jongen: Ietie van Crefeld (Kees de Vries). Samen gingen zij naar kippenslachter Janssen op de Swolgenseweg in Tienray. Er moest een rund in de wei gedaan worden. Ze kwamen Büns tegen, die zei: Wat krijg je voor die jood? Zorg, dat dat jodenkind weggaat, anders word jij opgehaald.

Bij de razzia op 1 augustus 1944 werd vergeefs naar deze Hendrix gezocht. Het geeft wel aan, dat Büns waarschijnlijk toch één van de informanten zou kunnen zijn geweest.

Toen er Duitsers werden ingekwartierd is Itie van Crefeld naar Lei Nabben gebracht, eveneens in Swolgen.

Harry was zoon van Constant Dietz, die in 1931 gestorven was. Deze was daarvoor weduwnaar geworden met zes kinderen. Daarna hertrouwde hij met de moeder van Harry. Daarbij kreeg hij nog drie kinderen. Zijn moeder (Jacobs) hertrouwde met Louis Deman en heeft nog een tijdje in verzekeringen gedaan en heeft een textielwinkel gehad. Eerst kwam Rebecca Aldewereld (Truusje Kuipers of Truusje Smits) bij hen. Na een tijdje is Rebecca naar Van Leest gegaan. Moeder Deman-Jacobs ging elke avond kaarten bij Van de Voort omdat de moeder van Hanna gedeeltelijk verlamd was. Harry ging elke avond zijn moeder ophalen. Op een keer vroeg Hanna hem om een pakje bonkaarten naar Peeters in Broekhuizenvorst te brengen. Na de razzia in Oirlo moest Harry in Klein Oirlo het joodse gezin Peres ophalen. Hij moest er ongeveer zestig meter voor blijven lopen. Via het molenaarspaadje en via Huberts ging het naar zijn ouderlijke woning. Het gezin bestond uit vier personen. Op de Swolgenseweg kwamen de twee jongens van Peres terecht. De ouders op de Postbaan (de huidige Nieuwe Baan). Harry ging elke week een keer met die jongens schaken. De jongens kwamen niet buiten. Bij spoorbeambte Wim en Sjaan Jenken-van den Berg Jenken op de Swolgenseweg hadden ze in de hoek een gat in de grond gemaakt als schuilkelder in geval van nood.

Harry Dietz: Het echtpaar Ratzker-Paula Kaiser stond met zoon Menno onverwacht op de stoep bij Van de Voort en werd ondergebracht bij het echtpaar Deman-Jacobs, Spoorstraat 17 in Tienray.

Vader Ratzker was een rotvent.

Harry moest regelmatig de boterhammen brengen. Er werd dan niets gezegd. Menno moest de hele dag Hebreeuws leren. Elke zaterdag stond vader Ratzker tegen een muur te bidden. Het drietal had de grote kamer beneden en een grote slaapkamer boven. Het drietal bleef de hele dag binnen.


Truus Classens-Swinkels in Oirlo: Mijn ouders, Peter en Anna Swinkels-Bouten, woonden op Boddenbroek 12. Via de familie Bouten in Meterik kwamen bij ons joodse kinderen. Als eerste kwamen twee kinderen van ongeveer elf jaar. Daarna kwam er nog een kind, dat ook als een eigen kind in ons gezin opgenomen werd. Vervolgens kwamen nog Shell en Nanni. Hun twee jonge jongens van vijf á zes jaar kwamen ‘s zondag met de trein naar Oirlo. Shell kwam goud opkopen en is samen met zijn vrouw Nanni opgepakt. Zij heeft de oorlog overleefd en heeft zich in Gorinchem gevestigd. Andere meisjes die in het gezin verbleven waren Kittie en Tillie.
Zorgzame gastgezinnen
Truus Mooren-Poels, dochter van kassier Sjang Poels, Hoofdstraat in Meerlo: Bij ons was Sarah Heertjes ondergebracht. Ze was eerst in Oirlo geweest, maar had erg veel heimwee. De brieven naar haar ouders werden door Nico onderschept. Ze heeft de oorlog als weeskind overleefd. Sarah is na de oorlog naar Israël geëmigreerd, getrouwd en ze kreeg vier kinderen. Ze was hartpatiënt en is in november 1998 gestorven.
Ger Mooren Megelsum 17 in Meerlo: Suze Koekoek was in april 1930 geboren. Haar ouders hadden een goudzaak in Amsterdam. Suze werd in Meerlo Jut van Mooren Gradje genoemd en deed met de kinderen Mooren alles mee. Dus ook melken. Een Duitse soldaat vroeg eens, wie dat meisje was. Iedereen zei volgens afspraak: “Dat is ons zusje”.

Hij vervolgt: De Duitsers zochten in Tienray vergeefs naar de familie Mooren. Intussen werden wij gewaarschuwd. Suze werd weggebracht naar de Kortenbos bij een ongehuwd stel. Ze heeft in het kippenhok geslapen met één van de gastheren. Ze is later katholiek geworden. Haar zusje Tinie heeft het kamp ook overleefd.


Sraar van Berlo: Ik woonde destijds in Broekhuizenvorst. Bij ons was Klaas Deen ondergebracht. Omdat ik difterie kreeg, werd het kind enige tijd bij de koster ondergebracht. Bij de razzia in Broekhuizenvorst was Klaas tijdig naar elders gebracht.
Lei Nabben (1901-1991) was getrouwd met Truuke Vermeulen (4-2-1910). Ze woonden op Bosweg 8 in Swolgen. Het echtpaar had vier zonen en kreeg er na de oorlog nóg één.

In oktober 1943 kwam Jaap Grootkerk. Jaap zat over zijn hele lichaam onder het eczeem en krabde zich de hele dag. Hij werd eerst verzorgd bij Hanna, maar dat werd te gevaarlijk. Van dokter Knippenberg uit Broekhuizen kreeg de familie witte zwavelzalf. Na het bad in de teil werd Jaap daarmee ingesmeerd om de “krets” te bedwingen. Na twee maanden was de aandoening bedwongen.


In november 1943 kwam Herman David Santecroos, een baby van negen maanden met difterie. De dokter kon het kind niet helpen. Anselm van de Voort liep vergeefs naar Horst om het serum te halen. Virrie Cohen en Hanna gingen daarop samen op één fiets naar Lottum naar het klooster van de Ursulinen. Daar was niet alleen een lazaret (ziekenhuis) ingericht, maar ook het hoofdkwartier van generaal Erdmann. Er was echter geen serum en de dames moesten naar Arcen. Ze kregen een “Bescheinigung” voor de veerpont. In het klooster was de hoofdapotheek gevestigd. Ze namen de fiets mee naar boven (!) en kregen niet alleen het serum en andere medicijnen, maar ook verband, hoesttabletten, jujubes en katjesdrop.

Een Duitse dokter kwam in Swolgen de spuit zetten. Er werd drie dagen en nachten bij Herman gewaakt. De familie had zelfs de beschikking gekregen over een stoomapparaatje.

De baby lag op sterven en moeder Nabben wilde het niet laten doodgaan zonder doopsel. In geval van nood mag en moet eenieder dopen, zoals de regels van de katholieke kerk voorschreven. Ondanks de goede zorgen overleed Herman op 16 november 1943 om 2.00 uur. In stilte werd het kind op het kerkhof in Swolgen begraven.
Op 6 december 1943 kwam Mirjam Dasberg binnen als een verlaat Sinterklaas cadeautje. De eigen kinderen werden wakker gemaakt. Er kwam eindelijk een meisje, de dochter van een rabbijn uit Hilversum. Rietje lustte graag gebakken spek en was gek op boterhammen met suiker, gedoopt in spekvet. Na Herman Santecroos kwamen er nog twee joodse jongens.
De buren van Lei en Truu brachten regelmatig afgedragen kleren, waarvan Truuke bloezen en “boksen” voor de kinderen maakte. Van de boeren kreeg de familie regelmatig een zak graan, die Toon Gerrits, de molenaar, voor niks maalde. Op de stal had Lei drie koeien, waarvan één voor eigen gebruik. Hij werkte in Sevenum op de boerenbond zodat hij gemakkelijk aan havermout kon komen. Het ontbijt bestond dan ook vaak uit een bord havermoutpap. In de moestuin groeiden aardappelen en groenten, zodat er voldoende te eten was voor het gezin.
En toen ging het mis
De razzia in Oirlo op 6 juli 1944
Enkele joodse mannen liepen in Oirlo gewoon op straat en bezochten het café hetgeen verboden was. Zij zagen het gevaar niet, dat ze liepen door hun gedrag, maar ook anderen kon treffen. Dat moest een keer mislopen.

Tijdens bijeenkomsten van de NSB in Venray beklaagden de leden zich over de aanwezigheid van joden in Oirlo en Castenray.


Annet Verstappen: Waarschijnlijk heeft het gedrag van Frits Weijand ervoor gezorgd, dat de razzia plaats vond. Hij ging naar het café biljarten en (ver)kocht goud. Het was vragen om moeilijkheden.
Resie Peters uit Oirlo (1927-2007) heeft in de oorlog een dagboek bijgehouden. Aan de hand van haar gegevens, gesprekken met verschillende Oirlose mensen en een rondrit door Oirlo met haar broer Eed Peters is enigszins te reconstrueren hoe de razzia verlopen zou kunnen zijn. Op enkele adressen is men twee keer geweest.

Bij de razzia in Tienray kwam een dag van tevoren een motorrijder uit Eindhoven poolshoogte nemen. Zoiets kan in Oirlo ook gebeurd zijn, want men wist precies waar de postbode woonde.

De razzia is volgens Resie om drie uur ‘s nachts begonnen bij postbode Antoon van den Berg, Hoofdstraat 40. Hij wist iedereen in Oirlo te wonen. Er waren nog geen straatnamen en huisnummers zoals nu. Antoon van den Berg was gehuwd met Nellie Paulussen en samen hadden ze zes dochters en één zoon.
Fien Terhaag-van den Berg: Er werd midden in de nacht bij ons aangebeld. Mijn moeder ging naar beneden en moest de deur open maken. Daar had ze geen zin in zei ze door het raampje in de deur. Ze was immers niet gekleed om mensen te ontvangen. Even later deed ze de deur toch open en kwam iedereen in de keuken bijeen, het hele gezin en een aangetrouwde neef uit Heerlen die toevallig in Oirlo was om meel te halen voor zijn bakkerij. Maud en Desiré Hamstra waren ook bij ons. Er vond een confrontatie plaats tussen de bakker en één van de politieagenten. Zij woonden beiden in dezelfde straat in Heerlen en kenden elkaar. De neef zei: “Jij hier?” Mijn vader moest mee, maar moeder kreeg de verzekering dat hij terug zou komen. Mijn zusje Cis stapte om vier uur op de fiets omdat toen de spertijd afgelopen was. Ze reed naar Klein Oirlo om haar joodse vriendinnetje bij Classens te waarschuwen. Dat meisje werd zodoende gered.

En misschien nog wel meer joden.


Met de postbode ging men eerst naar bakker Rongen op de Hoofdstraat. Daarna ging het naar Frans Verstappen, Deputé Petersstraat. Gerrie Wamsteker wou vluchten, maar dat lukte niet!

Moeke Verstappen in haar aantekeningen: Het was vier uur toen we werden opgeschrikt door twaalf tot veertien mannen. Er werd vreselijk op de deuren en rolluiken gebonsd en geroepen: Maak open, maak de deur open of ik schiet. Mijn man ging zo wit als een lijk naar de deur en maakte open. Er stormden mannen naar binnen terwijl er voor en achter twee de wacht hielden. Meteen liepen ze naar de kelder, naar boven, naar voor en achter. Ze gooiden de kinderen en alle beddengoed het bed uit. De joden werden meegenomen en mijn man als gijzelaar. Ik bleef met zeven kinderen achter. De oudste was negen jaar en de jongste had ik op de arm.


Toen moeke Verstappen om erbarmen voor haar man vroeg zei de commandant: Dat is je man zijn eigen schuld, dan moet hij niet dat rot smerig tuig in huis halen.

Na Verstappen ging het naar Mathieu en Drika van den Beuken-Peters, Deputé Petersstraat 28. Daar vond men geen joden. Toch was daar een echtpaar met twee kinderen ondergebracht. Vreselijk brutaal waren de kerels. Ze gingen flink tekeer tegen Miet, de dienstbode. Ze dachten dat ze een jodin was.

Toen omsingelden ze de huizen van Schoeber en Rongen op de Hoofdstraat. Een lijst met adressen van de gastouders hadden ze bij zich. Schüler en zijn vrouw moesten mee. De vrouw bleef er heel kalm onder.

Toos Mooren-de Ponti: Bij de familie Rongen-Duijf, Hoofdstraat 36 was de familie Schilder (of Schüler?). De man kwam altijd bij ons thuis de krant lezen. Vader had hem gewaarschuwd om niet zo gevaarlijk te doen.


Tegen zeven uur gingen de agenten naar de familie Peter en Anna Swinkels-Bouten, Boddenbroek. Daar vonden ze een meisje.

Truus Classens-Swinkels in Oirlo: Bij de razzia smeekte Tillie, die uit Amsterdam kwam aan het bed van moeder om een rozenkrans. Omdat mijn moeder een grote mond opzette, gingen de ophalers er aanvankelijk zonder kind vandoor. Zij kwamen een half uur later toch terug om het kind op te halen.

Bij Grad Baten, Boddenbroek, vonden ze aanvankelijk niets, maar later vonden ze een kind onder het hooi. Zoon Joos: Nico Dohmen heeft bij ons dit kind ondergebracht.

Volgens Eed Peters hadden de agenten met scherpe ijzers in het hooi gestoken en zo het kind gevonden. Daarna ging het de Oirlose hei in, thans Ericaweg. Tien Peters moest mee om de weg te wijzen in de bossen. Daar was in de grond een hut gemaakt met planken met als afmetingen ongeveer twee bij drie meter. Daar vonden ze Frits en Karel, maar die gingen er vandoor. De agenten gingen er achteraan en schoten.

Vreselijk, wat een zwijnen, vond Resie Peters.

In de bossen liepen ze de in de dauw achtergelaten voetstappen na. Bij het hol lagen dekens en even verder zagen ze Nanny en Shell. Nanny hadden ze direct, ze kon van schrik niet meer lopen. Toen gaf Shell zich vanzelf over. Frits rende het roggeveld in. Anna kon ook niet meer vooruit. Ondertussen werd op hen geschoten. Ze grepen Anna en vonden Frits in het roggeveld. Herman en Ronny renden gillend door het bos.

Joos Baten: Die dag was de processie voor Sint Goar in Meerlo. Die mensen moeten het gekrijs gehoord hebben.

Toen ze alle joden opgepakt hadden, gingen ze bij Tien Peters koffie drinken met in totaal drieëntwintig man. Tien moest de lijst voorlezen. Toen ging het weer naar Mathieu en Drika van den Beuken-Peters. Drika werd volgens Resie flink uitgescholden. Wat de gevolgen zouden zijn, dat moest ze maar afwachten. Mathieu van den Beuken dook daarna onder.

Resie: Frits wilde zich vrijkopen en zei, dat hij een koffer met tweehonderdduizend gulden had. Het koffer werd tevoorschijn gehaald, maar Frits moest toch mee evenals het koffer. Ik ben nog bij de wagen geweest en heb ze allemaal goede dag gewenst. Ik heb Gerrie en Ronnie een hand gegeven. De boeven waren woest. Ze zouden me opladen als ik niet wegging. Toen vertrokken ze, als beesten opeengepakt. Vreselijk die gezichten, uitgeput, geslagen, de gruweldood voor ogen. Gerrie bleef opgewekt tot het laatste toe. Anna had gevraagd aan Fien van den Beuken of ze toch veel voor hen wilde bidden. Arme mensen. Dit was nog eens echt jodenvervolging. Gruwelijk, dat zal ik mijn leven lang onthouden. En dat moeten Nederlanders gedaan hebben. Een schande voor het hele volk. Ik heb nooit geweten dat er zulke beesten van mensen waren.

Om half zes was ik op straat. Overal stonden mensen. De overvallers waren met negen man: drie met een politie-uniform, drie zwarten, één lid van de Sicherheits Staffel en twee landwachters.

De overvalwagens stonden bij Drabbels, (Deputé Petersstraat 27). Ik vind het zo iets ergs, arme mensen “Dat Uw bloed kome over ons en onze kinderen.” Het werd weer eens waar. God wees genadig voor hen.

Eed Peters: Na afloop van de razzia kwam dorpsgenoot Wim Martens (lid van de NSB) zoals altijd met een geweer over de schouder poolshoogte nemen.


Er werden volgens Marie Verstappen-Kuijpers in Oirlo twaalf joden opgepakt. Acht volwassenen en vier kinderen. Daarvan kwamen er vijf terug. Een ervan was Lohre Terhoch, waarmee de familie nog lang contact heeft gehad en ook met de familie van Karel Weijand.

Fien Leuken-van den Beuken: Wij hadden de avond voor de razzia nog fijn gespeeld met alle, dus ook de joodse, kinderen op het veldje bij Drabbels. Omdat mijn ouders bang werden zijn ze de dag na de razzia naar Roermond gegaan, waar vader en moeder apart van elkaar woonden. Ze waren bang opgepakt te worden. Wij, de kinderen, bleven zes weken bij de familie Wismans, Oirloseheide en daarna op Molenhoek 14 bij Bernard en Mina Janssen-Peters.


Op vrijdag 7 juli 1944 schreef Resie Peters: Gisteren en vanmorgen ben ik bij de familie Verstappen geweest. Daar valt ook heel wat te doen. Ria vind ik een schat. Vannacht heb ik er ook geslapen. Marie, de echtgenote van Frans Verstappen, was erg onrustig. In alle vroegte huilden de kinderen al. Om half zeven was iedereen wakker.

Bij de razzia werd Frans Verstappen opgepakt. Hij kwam na vier dagen terug uit Eindhoven.

Annet Verstappen: De dag na de razzia kwam Wim Martens zeggen, dat vader snel terug zou komen.

Eed Peters: Smid Kerkhoff schijnt op de een of ander manier bemiddeld te hebben bij het vrijkopen. Er moest voor de vrijlating betaald worden: tweehonderd gulden plus eieren en ham. Via Martens ging dat naar de officier in Maastricht, die de leiding had bij de razzia.


Nico Dohmen: In juli 1944 was er vroeg in de morgen een overval in Oirlo. Het bleek, dat er verraad gepleegd was. Behalve acht volwassenen met wie ik nimmer in verbinding wilde staan vanwege hun onverantwoord optreden, werden twee door ons verzorgde meisjes en twee andere kinderen (meisjes) van elf jaar opgepakt. Deze laatste twee vonden de dood in Auschwitz. De andere twee kwamen terug. Na de razzia begon de meest zorgelijke tijd. Alles bleef zeer onrustig. Veel pleegouders werden na de razzia bang en wilden de kinderen graag overgeplaatst zien. Wij stonden toen voor onoverkomelijke moeilijkheden door het grote aantal kinderen dat wij te verzorgen hadden.

Eed Peters: Een joodse familie had in het kippenhok van Frans Verstappen een melktuit met goud en sieraden in de grond verstopt. Die tuit hebben enkele joodse ex-onderduikers na de bevrijding uitgegraven en meegenomen. Ze wisten nog precies wat er in zat.
Op 16 juli 1944 schreef Resie: Het is al laat, nog gauw even schrijven. Echt plezier gehad vandaag. Thea en ik trokken tegen 18.00 uur erop uit om het jodenhol te zoeken. We hadden het al gauw gevonden midden in de hei. Jammer genoeg was het helemaal dicht gestoten. Een tragisch gezicht was het. Op de terugweg gingen we nog even langs het kapelletje.
Annet Verstappen: Het contact met de joden is er ook na de oorlog nog geweest. Ik ben twee keer in Israël geweest om hen te bezoeken.
De kinderrazzia in Tienray op 1 augustus 1944
Een verrader was er achter gekomen, waar joodse kinderen in Tienray ondergebracht waren. Hij nam op 3 juli 1944 contact op met de heer Stessen, sinds augustus 1943 directeur van het Arbeidsbureau in Venlo en overhandigde hem een lijstje met de gegevens. Daarop ontmoetten beiden de heer Otto Couperus, hoofd van politie in hotel “De Post” op de Parade in Venlo. De aangeleverde gegevens werden bewaard onder nummer 2354.

Op het briefje stond geschreven:



In Tienray woont een juffrouw, Hanna van de Voort, die secretaresse is van een organisatie, die Joodse kinderen onderbrengt tegen een vergoeding van ƒ 125,00 per maand per kind. Daaronder stonden de pleegouders in Tienray vermeld.
In totaal waren er volgens de verrader elf kinderen in Tienray ondergebracht.

In het briefje ontbraken de namen van de kinderen en de adressen van de pleegouders. Pas in 1960 kwamen in de toenmalige gemeente Meerlo officiële straatnamen en huisnummers. Voor die tijd werden de huizen in Tienray aangeduid met de letter D gevolgd door een nummer. Dat nummer werd gegeven in volgorde van bouw van de huizen. Uitgaande van het briefje en de gegevens van de inwoners van Tienray komen we tot de volgende aangepaste lijst:


Hanna van de Voort, Spoorstraat 8, twee joodse kinderen.

Boomkweker Bartels, Kloosterstraat 16, een meisje van 11 jaar.

Hendrikx, de moeder van “Ambrosius”, Spoorstraat 6, een jongen van 12 jaar. Zij verbleef ook met haar zoon en dochter in “de winkel” achter de kerk.

Schilder Pierre Nabben, Spoorstraat 10, een jongen van 12 jaar.

Sjaak en Marie Gielen-Janssen twee kleine kinderen. Dit echtpaar woonde in het inmiddels afgebroken overweghuisje, Spoorstraat 70.

Janssen, Spoorstraat 55, de vader van de postbode, één kind. (een jongen van 18 jaar).

Grad Mooren (Megelsum in Meerlo), één kind.

Schoenmaker Jan van Geffen, Spoorstraat 21, een meisje.

Textielwinkelier Frans Cruijsberg, Spoorstraat 1, een jongen.
De opdracht voor verder onderzoek werd gegeven door Willie Weber. Deze man heeft uiteindelijk opdracht gegeven tot een onderzoek en daarna tot hun arrestatie.

In de nacht van 31 juli op 1 augustus 1944 vond in Tienray een razzia plaats door de “Vliegende Brigade van Kooijmans” met als doel om joodse kinderen, maar ook Nico Dohmen en Hanna van de Voort op te pakken. De leiding berustte bij luitenant J. van Est. Deze was een dag van tevoren op zijn motor nog poolshoogte komen nemen. Daarbij heeft hij nog extra informatie ingewonnen. Dat zou wel eens bij wachtmeester Van de Winkel uit Wanssum hebben kunnen zijn. Maar ook namen van Tienraynaren kwamen voorbij. Betrokken agenten hadden het over een Rijksduitser (waarschijnlijk Büns), die alles verraden zou hebben. Bij de razzia had Van Est plaats genomen in een “luxe wagen”. Hij was vergezeld van vijftig mannen, die in minstens één overvalwagen gezeten moeten hebben. Andere mannen, die met naam genoemd werden, zijn: Jan van de Bogert, Christiaan Boot, Diefenbach, P.J. Eickhout, Lieberman (in burger) en Cornelis Stolk. Ook de naam van luitenant Stavast komt voor, een corpulente man. Deze man werd later in Hilversum vermoord.

Van enkele betrokkenen staan meer gegevens achterin vermeld.
Deze razzia is om verschillende redenen uiterst chaotisch verlopen:

– de volkomen duisternis, er was geen straatverlichting.

– het ontbreken van de juiste straatnamen en dito huisnummering.

– veel mensen hadden de D-nummers verwijderd en

– de aangeleverde gegevens waren door de verrader summier en onvolledig, om kort te gaan: hij had er met de pet naar gegooid.
Hoe is die razzia verlopen?

Razzia´s werden normaal gesproken steeds vanuit Venlo georganiseerd en was er bij de ondergrondse een alarmsysteem. Als er een razzia uitgevoerd zou worden, dan werden de verzetsorganisaties onmiddellijk gewaarschuwd. Men kon dan maatregelen nemen om de onderduikers elders onder te brengen.

Nico Dohmen en Harry Wijnhoven kwamen vaak waarschuwen. De Duitser Büns, die op de Spoorstraat woonde en in de slachterij van Piet Janssen op de Swolgenseweg werkte, kwam regelmatig waarschuwen evenals een Duitse militair, die bij Verlinden, Herenbosweg in Melderslo, was ingekwartierd.

Hanna reed bij eerdere razzia 's met de bakkersfiets door de omgeving. In de mand voorop lag een baby of een klein kind. Ze fietste net zolang door tot het gevaar geweken was.


Vanuit Eindhoven was er echter geen waarschuwingssysteem en zo verschenen totaal onverwacht minstens één overvalwagen en een luxe wagen in Tienray.

Luitenant Van Est had een brief bij zich met de namen van de families waar joodse kinderen waren ondergebracht.

Uit processtukken blijkt, dat de overvalwagen aanvankelijk bij de spoorwegovergang op het perceel van Frans Janssen bleef staan, zwaar bewaakt door politie en marechaussee. Bedoeld perceel is gelegen aan de Spoorstraat. Met de personenwagen ging men op zoek naar de slachtoffers.

Bij de familie Johan en Maria Hofman-Bexkens op Spoorstraat 3, werd om 01.00 uur als eerste op de deur gebonkt. Kapper Hofman (55 jaar) was bij de Orde Dienst, maar stond niet op de lijst van Lucien Nahon. Men vond er enkele elektrische draden en ging daarom op zoek naar een radio en eventuele verzetskrantjes. Zelfs de vloer werd opengebroken. Johan werd opgepakt. Lena van Oosten uit Rotterdam, de verloofde van zoon Piet, kon zich niet legitimeren en werd voor een jodin aangezien. Lena en Johan moesten mee. Moeder smeerde nog gauw een paar boterhammen voor de twee. Een Nederlandse agent zei, dat hij ook “verrekte” van de honger en wel een paar boterhammen wilde. Hij kreeg echter niets. Wel merkte mevrouw Hofman na afloop, dat er twee kilo spek verdwenen was. De twee personen moesten op een vrachtwagen, die bewaakt werd door marechaussees, die zich wel keurig gedroegen.

Volgens de getuigenverklaring van Hofman heeft men daarna op de deur gebonkt bij de buren Frans en Emilia Cruijsberg-Huberts, Spoorstraat 1. Vijf mannen stormden naar binnen waaronder Van Est, Lieberman, Stavast en Van de Bogert. Van Est en Lieberman waren erg brutaal. Zij vroegen bier en hebben naar later bleek spek gestolen. Frans moest mee evenals Wimke de Paauw, die op de bovenverdieping in zijn bed gevonden werd. Van Est gedroeg zich beestachtig en bij Cruijsberg heeft hij gezegd: Ha Wimpje, ben jij Wimpje? Wij gaan je nu naar je moeder brengen. De politiebeambten dachten er ook diens ouders te vinden. Zoon Wiel had zich op tijd kunnen verstoppen.

Vervolgens waren schilder Pierre en Toos Nabben-Meuffels, Spoorstraat 10 aan de beurt. Pierre was geboren op 3 november 1905. Hier was ook drogisterij “Het Witte Kruis” gevestigd. Er werd volgens echtgenote Francisca Catharina Meuffels om 2.00 uur op de deur geslagen. Vier mannen kwamen binnen waarvan één in uniform. Twee ervan waren Stolk en Eickhout. Alle kinderen moesten opstaan. Louis werd ook van het lawaai wakker en begon zich uit te rekken. Een van de mannen zag direct dat het een joods kind was. Louis weigerde echter zijn naam te noemen.


De heer Josephus Meuffels (27) een ongehuwde kantoorbediende uit Someren, Nieuwendijk 19a die alhier was ondergedoken: De politiebeambten kwamen op mijn kamer, waar ook het jodenkind sliep. Ze vroegen herhaalde malen aan het kind hoe het heette, maar het kind weigerde. Hoe heet je vader. Mijn vader heet Benjamin.

Meuffels en Louis moesten naar de keuken. Meuffels met de handen omhoog in de hoek. Na ondervraging moest hij zich aankleden en mee naar Eindhoven. Hij herkende Stolk, die in 1938 bij hetzelfde legeronderdeel (luchtdoelgeschut) in Amsterdam was geweest. Stolk herkende hem in de vrachtauto ook.


Louis huilde verschrikkelijk en zei: Ze gaan me dood maken. Hij schokte zodanig, dat hij zich niet aan kon kleden. Moeder Nabben hielp hem daarbij tegen de zin van een politieagent. Ze trok zich niets van hem aan en zei, dat zij in haar huis de baas was en kon doen en laten wat ze wilde. Toen Louis mee moest vroeg hij om de klompjes die hij pas gekregen had. Die heeft hij toch niet meer nodig, zei een agent. Mevrouw Nabben werd brutaal en zei dat hij daar niets mee te maken had. Mevrouw Nabben bond de klompjes om de arm van het kind. Stavast zei, dat de oorlog bijna afgelopen was en ze Louis naar zijn ouders zouden brengen. Louis vroeg aan die boef of zijn boertje ook mee mocht. Ja, heb je nog een broertje? Moeke zeg eens waar zijn broertje is. Moeder Nabben gaf geen antwoord. Ze vroeg aan Stavast: Ben je getrouwd? Ja, zei deze. Dan heb je toch niet veel gevoel.
Hierna ging het naar schoenmaker Jan van Geffen op Spoorstraat 21. Jan, geboren op 3 juli 1889 en werd met de handen omhoog tegen de muur gezet. Zijn vrouw bleef in bed liggen, zogenaamd ziek. Zij wist vlug de in huis zijnde oorlogspamfletten te verstoppen. Ze waren op de hoogte, want ze moesten het zusje hebben van het kind dat ze bij Cruijsberg opgehaald hadden.
Gonnie Niessen-van Geffen: Er was al een keer vals alarm geweest, waarop Floortje de Paauw voor een week naar Eindhoven gebracht werd. Toevallig sliep zij in de nacht van de razzia voor het eerst op een eigen kamer. In die bewuste nacht moesten wij allemaal opstaan. Vader moest het kind aanwijzen, dat niet van hem was. Hij dacht aanvankelijk, dat men zijn oudste zoon zocht, die ondergedoken was. Hij moest het trouwboekje tevoorschijn halen en zijn eigen kinderen aanwijzen. Floortje stond niet in het trouwboekje en werd meegenomen. Ze kreeg nog een rozenkrans in de handen geduwd, waarop een Nederlandse diender lachend zei: “Die heb je niet meer nodig”. Vader moest ook mee en bleef twee nachten in Eindhoven. Hij kreeg te horen, dat hij bij herhaling de kogel zou krijgen.

Maria van Geffen: Ik moest Floortje aankleden. Na een dikke knuffel en een sjaal zei ze: Ik kom niet meer terug. Met die sjaal kun jij je ophangen, zei Maria tegen de diender.

Na Van Geffen reed de personenwagen naar de overweg om de slachtoffers over te laten stappen. Om al die mensen (twaalf?) mee te kunnen nemen, moet het wel een grote wagen geweest zijn. Aannemelijker is, dat er een tweede vrachtwagen bij betrokken was.

Johan Hofman werd door Van Est met de revolver geslagen en gedwongen te zeggen, waar weduwe Gielen, Martinus Hendriks en Gerard Mooren in Meerlo woonden. Daarna ging het naar spoorwegbeambte Grad Versleijen op Spoorstraat 47. Ze hadden bij postbode Janssen moeten zijn, die op nummer 55 woonde. Na lang kloppen werd open gedaan en bleek dat men verkeerd was.

Ook buurman Martien van Leest op Spoorstraat 45 moest openmaken. Stavast kwam binnen en deelde mede dat er een jodenkind in huis was.

Die stond niet op de lijst van de verrader, zodat aangenomen kan worden, dat een tweede verrader actief moet zijn geweest. Elisabeth Antonia Cornelia (Liesje) van Oorschot de echtgenote van Martien van Leest zou later verklaren, dat Stavast een getypte lijst met kinderen had. Ook Stolk en Van Est zijn binnen geweest. In de keuken liet één van de dienders per ongeluk een blaadje vallen. Toen hij dat opraapte, zag hij een radio staan. Daarop werd besloten verder huiszoeking te doen. Rebecca Aldewereld (1924) werd na lang zoeken op zolder in een kinderwagen ontdekt, verscholen onder allerlei kleren.

Een triomfantelijke kreet weerklonk: “Dort ist das Schwein”. Deze kreet is Rebecca haar hele leven bijgebleven. Rebecca bood bij de arrestatie de diender duizend gulden. Stavast greep de echtgenote bij de keel en zei: Waar zijn die duizend gulden. Moeder van Leest zei dat het kind dat geld niet had. Toen Van Leest naar de wc moest, bleef Stolk bij de deur staan.

Van Leest en Rebecca moesten mee met de vrachtwagen, die inmiddels achter de personenwagen aangereden was. De radio werd in beslag genomen.

Volgens echtgenote Elisabeth van Oorschot (Lieske) zijn Stavast, Stolk en Van Est bij hen binnen geweest en zijn de agenten nog enkele keren langs gekomen om te controleren of Martien thuis was.

Van Leest sprong van de wagen, toen die halt hield voor het toenmalige café Het Oude Tolhuis op Spoorstraat 12. Hij rende tussen de huizen van Spoorstraat 19 en 21 door, de vrijheid tegemoet. Rebecca riep hem nog na: “Goed zo oom, tot ziens”. Achterna gezeten door twee agenten sprong Martien over een heg en verdween over de Meerlose Baan richting Venlo. Zijn achtervolgers sprongen hem na, maar niet hoog genoeg, zodat ze achter een draad bleven hangen en met de neus op de grond terechtkwamen. Ze zagen het nutteloze van hun achtervolging in en keerden naar de overvalwagen terug. August Knoops kwam Van Leest daarna zo snel mogelijk opzoeken in de boerderij van Hoeijmakers, op de kruising van de Meerlose Baan en de weg van Melderslo naar Lottum. Martien van Leest verbleef daarna lang in Tilburg en durfde pas na de bevrijding in Tienray terug te keren. In Tilburg woonde zijn schoonvader.

Wiel Huberts werd met fiets en al opgepakt. Volgens zijn broer Teuntje omdat hij een revolver had. Wiel is meegenomen naar Vught en later vrijgelaten.

Daarna ging het naar Anselm van de Voort op Spoorstraat 8. Deze treuzelde zo erg, dat Nico Dohmen in een door timmerman Peeters uit Swolgen gemaakte kast kon kruipen. In de kast was een geheime bergplaats. Cathrien van de Voort had de tegenwoordigheid van geest om in het bed van Nico te gaan liggen. Een zevental lieden van de staatspolitie uit Eindhoven onder leiding van luitenant Van Est viel het huis binnen. Hanna werd gearresteerd en in de vrachtwagen gestopt. Een uitgeholde bijbel met driehonderd bonkaarten werd over het hoofd gezien. Nadat de agenten het pand hadden verlaten, wist Nico te ontsnappen en zag hij kans enkele pleeggezinnen te waarschuwen.

Nico ging allereerst langs de Groote Molenbeek naar boomkweker Len Bartels, Kloosterstraat 16. Daarna ging hij naar Meerlo en Swolgen.


Lien Emons-Bartels: Bij de razzia heeft Nico Dohmen ons tijdig weten te waarschuwen door op het raam te tikken. Onze Piet verstopte zich snel met Elly Hamme in een korenveld. Hij verbleef daarin de hele nacht. Bij de razzia moesten mijn broertjes en zusjes op de gang in een rij gaan staan. Vader vond dat verschrikkelijk. Toen Elly niet gevonden werd, werden alle slaapkamers doorzocht. Piet had tijdens zijn vlucht gauw een deken over het hondje, dat bij hem in bed lag, gegooid. Toen de agenten op die kamer kwamen en de deken wegtrokken, blafte het hondje gemeen.
Er werden bij Bartels nog eieren gegeten en koffie gedronken, waardoor nog velen gewaarschuwd konden worden. Daar waren bij: Van Est, Stolk, Lieberman in burger en nog één persoon in burger.
Volgens Nico Dohmen werd het te gevaarlijk voor Elly. Daarom werd ze na de razzia met paard en wagen in een lege gierton naar familie in de Schadijk bij Meterik gebracht.

Vervolgens ging het naar Hendriks, Tienrayseweg 29 in Meerlo, destijds de buurman van Bartels.

Stolk en Van Est stapten uit en gingen naar binnen.

Dat was echter een vergissing, want ze moesten bij Hendrikx op de Spoorstraat nummer 6 zijn, of in de zogenaamde winkel achter de kerk.

Vanuit Meerlo ging het naar de Nieuwe Baan, waar Heintje Hendriks woonde. Om 5.30 uur mocht Johan Hofman naar huis.

De overvalwagen stond weer op het erf van Frans Janssen. Moeder Cruijsberg-Huberts ging er naar toe. Zij wist de agenten ervan te overtuigen, dat ze zo´n oude man niet konden meenemen. En zowaar Frans mocht van de vrachtwagen en werd vrijgelaten. De angst zat er bij hem zo erg in, dat hij zeker veertien dagen niet naar huis durfde en in de “vier huus” op de Nieuwe Baan onderdook.

Volgens Elisabeth Theodora Huberta Dietz (Lies 33), echtgenoot van Wiel Cruijsberg is haar schoonvader echter na twee dagen uit Eindhoven teruggekeerd net als de andere mannen.

Na de razzia gingen de wagens richting café De Nieuwe Lind aan de Venrayseweg in Horst. Van daaruit reed een wagen naar Broekhuizenvorst, om de broertjes van Louis op te halen.

Zijn broer Dick van tien jaar werd daar bij Jos van Wanroy (1902) opgepakt. Zijn oudere broertje van twaalf ontsprong de dans, omdat Louis en Dick het adres niet wisten, maar ook omdat meester Coenders tijdig gewaarschuwd was.

Josephus Theodorus van Wanroy: Op 15 november 1943 kwam Dick van Wezel bij ons. Op 1 augustus 1944 kwamen om 8.30 uur drie personen bij ons thuis. Een ervan ging voor het huis staan, de tweede erachter en de derde ging de stal in. Dick werd in de keuken aangetroffen.

Twee mannen waren Van Est en Eickhout. Stavast kneep het kind in de kin en zei: Jij bent een jood. Het kind ontkende. De drie agenten vonden dat het een jood was en het kind werd gearresteerd. Het hele huis werd nog doorzocht. Van Wanroy vroeg aan Eickhout of hij thuis kon blijven. Eickhout vroeg ook nog of hij Hanna van de Voort kende.

Maria Jacoba Johanna Hermans (1906) echtgenote van Van Wanroy: Ik was op 1 augustus 1944 naar de kerk geweest en ontmoette tussen 8.00 uur en 8.30 uur iemand die vertelde dat er in Tienray een razzia was geweest. Toen reed een luxe wagen onze oprijlaan op en stopte aan het begin. In de wagen zat behalve de chauffeur Wietje van Wezel. Bij het huis kwamen drie mannen met zwarte broeken aan. Stavast, de grootste smeerlap, deed het woord. Ze waren op zoek naar jodenkinderen, In de keuken stond Dick van Wezel.

Eickhout zocht verder in het huis. Plotseling ging zijn pistool af. Mevrouw Van Wanroy moest alle kleren meegeven, want die moesten ook mee. Toen bleek dat haar man met Dick mee moest, ging ze boterhammen klaarmaken. Stavast wilde ook brood, maar ze weigerde en zei: Ik zal je brood geven, als je mijn man hier laat. Hij zei: Daar denk ik nog niet aan. Die gaat mee.

Van Wanroy en Dick moesten mee naar Eindhoven. Daar moest Van Wanroy een signalement geven van Nico Dohmen. Dat deed hij direct, alleen klopten de gegevens niet en waarschuwde hij Nico later voortaan niet meer op een damesfiets te rijden.

De groep haalde niet alleen de Tienrayse kinderen op, maar ook ook in America bij Janssen in villa Paula een joods echtpaar.
Op de vrachtwagen drukte Hanna de gezinshoofden op het hart vol te houden, niets anders te hebben geweten, dan dat het kinderen uit Rotterdam waren.

Gonnie Niessen-van Geffen: Toen Hanna opgepakt was, werd er voor haar een noveen gebeden in de kerk.

Dick van Wezel riep in Eindhoven tegen Van Wanroy: Wietje is ook hier. Van Wanroy hield zijn vinger op de mond en het kind begreep dat. Stavast zei in Eindhoven: Je kon toch wel aan het bidden zien dat het een jood was. Van Wanroy zei: Dan haal het kind eens en laat het bidden.

Stavast: Ik weet genoeg, we zullen je een jaartje vasthouden.


Bij de razzia heeft Harry Dietz zich snel aangekleed en is naar de kamer van de joden gegaan. Met zijn vieren zijn ze de lange tuin in gevlucht. Ratzker wilde het bos in aan de Meerlosebaan. Harry is toen meegelopen. Net over het beekje kwamen ze enkele personen tegen: Nico Dohmen, Curt Löwenstein, Hand van de Pas en Volleberg van Castenray. Zij hadden een revolver. Zij waren van plan een overal te plegen op degenen die met de razzia bezig waren. Harry is met het drietal naar Lottum gevlucht. Achter het klooster van de Ursulinen verstopten ze zich tussen de braamstruiken. Harry klom over de muur. De zusters die aan het brevieren waren schrokken zich een aap. Hij legde uit waarvoor hij kwam. Harry moest mee naar moeder overste. Die durfde de joden niet op te nemen. Er zaten ook Duitsers in het klooster. Ze adviseerde hem bij de mensen aan de andere kant van de weg te vragen. Die man was bij de ondergrondse. Het antwoord was nee. De drie joden mochten één dag in het klooster blijven en Harry kreeg een fiets mee om naar huis te gaan. Moeder nam het toen over en ging met de fiets van de zusters terug naar Lottum. Ze nam het drietal mee naar Poels op de Gun in Swolgen. Daar hadden ze een kippenhok. Enkele dagen na de razzia zijn er nog agenten bij hen geweest.
Na de razzia
John Blom werkte mee op het land en in de stallen bij het kasteelke op de Gun in Swolgen. Hij vond het fijn werk. Na de razzia in Tienray op 1 augustus 1944 raakte mevrouw Custers behoorlijk van streek. Haar man wilde de jongen niet aan zijn lot overlaten en bracht John naar de vervallen schaftkeet van de kleistekers van de steenfabriek uit Tienray. De luiken van de keet waren dichtgespijkerd. In het pakje dat hij bij zich had, zat behalve een broek en een bloes een studieboek: “Electrotechniek. Licht- en Krachtinstallaties”.

Hij is daar de hele maand augustus gebleven. Iedere dag kwam de heer Custers of één van de kinderen hem eten en drinken brengen. In het pakje, dat John bij zich had, zaten wat kleren en een boek over elektrotechniek. Omstreeks 1 september 1944 kwam Nico Dohmen poolshoogte nemen en trof hem in de schaftkeet aan. Nico kwam hem de volgende dag ophalen en bracht hem onder bij de familie Willemse in Sint Hubert.


Na een dag lang in Eindhoven te zijn verhoord, werden de mannen en Lena van Oosten vrijgelaten en konden ze terugkeren naar Tienray. Hun verhaal kwam blijkbaar heel geloofwaardig over.

Wimke en Floortje de Paauw en Louis en Dick van Wezel hebben twee dagen en nachten bij Hanna in de cel gezeten. Daarna zijn ze met Rebecca ondergebracht in een hotel in Assen en werden daarna via Westerbork naar Auschwitz in Polen gebracht.

In het dossier van de verrader bevindt zich ook een brief van mevrouw Betsy Halberstadt, de moeder van Louis en Dick van Wezel. Zij was in Westerbork en haar twee kinderen kwamen daar ook, zoals U hebt kunnen lezen. Jacobsohn en echtgenote, kennissen van de moeder, adopteerden de twee kinderen en vertrokken met hen op 4 september 1944.

Hanna zat negen dagen vast. De verhoren moeten vreselijk geweest zijn. Het wachten op transport naar een concentratiekamp was voor haar een kwelling.

Zo snel mogelijk nam Nico contact op met de verzetsgroep in Amsterdam.

Onder de meisjesstudenten, die geregeld kinderen naar Tienray brachten, was er één, waarvoor Hanna veel bewondering had. Dat was de medisch studente Mieke Mees. Zij beloofde naar Eindhoven te gaan en haar best te doen om Hanna vrij te krijgen. Mieke Mees had blond haar en blauwe ogen. Door haar charme wist ze de hoogste officier van de Sicherheitsdienst te verleiden daags voordat Hanna naar Ravensbrück gebracht zou worden.

Beide dames gingen met de trein naar Horst-Sevenum en vandaar naar Tienray.

Na een telefoontje over Hanna´s vrijlating stond heel Tienray haar met bloemen op te wachten en ging er een zucht van verlichting door het dorp.



Opgepakt en in Eindhoven terechtgekomen waren:

Jan van Geffen, George Meuffels, Pierre Nabben, Hanna van de Voort, Lena van Oosten, J. van Wanroy, Wiel Huberts, Floortje en Wimke de Paauw, Louis en Dick van Wezel en Rebecca Aldewereld.


De razzia in Venray
De heer Van der Linden werd meegenomen om te wijzen waar Loogman met het Duifje Gans woonde.

Jan Loogman was getrouwd met Hendrika van Lunteren. Samen hadden ze vier dochters en één zoon: Petronella, Theodora, Jan, Riki en Paula. Vader Loogman was leraar wiskunde aan Jerusalem. Zoon Jan was geboren op 12 maart 1922 en is overleden in een concentratiekamp aan tyfus op 18 januari 1944. Hij ligt begraven in Grossbeeren in Duitsland. Hij was bij het verzet en staat vermeld op het monument voor Venrayse oorlogsslachtoffers.

Theodora Loogman, een ongehuwde onderwijzeres van 28 jaar: Op 16 augustus 1944 werd om 23.30 uur aangebeld en door een oudere zus van mij opengedaan. Drie personen in politie-uniform kwamen naar binnen. Een ervan was in burgerkleren. Duifje Gans kwam net van de wc. af. Die moeten we hebben” zei één van de drie. Thea deelde mee, dat het een Rotterdams kindje was. Duifje moest toch mee naar Eindhoven. Bij deze razzia moest ook Toontje Peters mee. Toontje moest naar een concentratiekamp en stierf vlak na de bevrijding aan de ontberingen.
Jan Loogman sr. werd geïnterneerd. Met Kerstmis kwam hij thuis.


      1. Wat gebeurde er na de bevrijding

Harry Dietz: Na de bevrijding gingen de twee joodse jongens Peres de huizen af om in goud te handelen. De familie heeft nooit meer iets van de familie Ratzker gehoord. Menno is professor geworden.

(Mau Peres was geboren op 11 februari 1923 en zijn broer Daud Peres was geboren op 8 juli 1921, eveneens in Amsterdam).

Na de bevrijding van Swolgen op 25 november 1944 kreeg de familie Nabben van de bevrijders een zak rijst. De Britten richtten in de schuur hun veldkeuken in en toen ze hoorden, dat er drie joodse kinderen verpleegd werden, kreeg de familie: mik, rozijnen, jam, sardientjes, corned beef enzovoorts.


Op 25 februari 1945 werd in huize Van de Voort in Tienray het poerimfeest gevierd. Alle joodse kinderen waren uitgenodigd. Bij die gelegenheid is een lijst opgesteld van kinderen, die door Hanna en Nico ondergebracht waren. Helaas is die lijst verloren gegaan.
Na de bevrijding van Nederland brak een moeilijk moment aan. In januari 1945 kreeg Hanna het dringende verzoek om naar Eindhoven te gaan en een bezoek te brengen aan het kantoor van Bram de Jong van de Joodse Coördinatie Commissie. Hanna voelde zich door de spanningen van de laatste maanden daartoe niet in staat. Nico ging in haar plaats. De heer De Jong eiste onmiddellijk de lijst met joodse kinderen. Nico deelde mede, dat hij geen lijst had in verband met de gevaarlijke situatie. De joodse kinderen moesten zo snel mogelijk uit het gevaarlijk gebied in Noord Limburg. Nico vroeg wat er dan met de andere kinderen zou gebeuren, die ook in hetzelfde gevaarlijke gebied woonden. Daar was de heer De Jong niet in geïnteresseerd. Nico kreeg een shock en rende naar buiten om niet meer terug te komen. In Tienray kreeg hij een ernstige zenuwinzinking en moest ongeveer drie weken met kalmeringsmiddelen in bed blijven.

Er moest afscheid genomen worden van de kinderen, die wees geworden waren. Ten behoeve van de hereniging werd in Eindhoven een bureau opgericht, dat volgens Nico Dohmen veel te fanatiek te werk ging. Men wilde direct de kinderen ophalen. Twee derde deel van alle kinderen was wees geworden. Er ontbrandde een heftige strijd tussen twee stromingen:

De groep van Sandor Baracs was gematigd en wilde deze kinderen bij de pleegouders laten.

De andere groep Le-Ezrath-Hajeled (Het kind der hulpe) won uiteindelijk. Verschillende “weeskinderen” kwamen in Israël terecht.

De pleegouders moesten afstand doen van "hun" kinderen. Er bleven slechts enkele kinderen bij de pleegouders. Een daarvan was Max Schrijver, die in Blitterswijck bij Lei en Ida de Swart een veilig onderdak gevonden had. Na de oorlog wilde de Stichting Hulp aan Oorlogskinderen hem komen ophalen, maar Max wilde echter niet mee en verborg zich.
De ouders van Mirjam Dasberg (Rietje) hadden de oorlog overleefd en in augustus kwamen zij hun dochtertje halen. Lei Nabben kon de moed niet opbrengen het meisje naar Tienray te brengen. Hanna zou daar het kind aan de ouders teruggeven. Op de weg naar Tienray kwamen ze de ouders tegen en werd Rietje teruggegeven. Het meisje herkende haar ouders niet en weigerde hen een hand te geven. Ik geef geen hand, ik steek ze nog veel liever in de tes, zei ze. Ze wilde alleen achter op de fiets van Lei Nabben naar Blitterswijck om samen met haar ouders haar broertje op te halen. Ze wilde niet in Blitterswijck blijven, maar wilde weer terug naar “moet” (moeder) in Swolgen. Lei en Truuke hebben daarna nooit meer iets gehoord van Rietje. Wel bleef haar moeder schrijven. Rietje is geëmigreerd naar Israël, trouwde er en kreeg twee kinderen.
Sraar van Berlo: Na de oorlog kwam de familie Deen hun zoon Klaas ophalen en kocht de nodige kistjes sigaren in om die in Amsterdam te verkopen. Waardering voor het werk van mijn ouders was er in het geheel niet. De handel was belangrijker. Dat vonden mijn ouders heel erg. Mijn zus heeft nog wel contact met de familie Deen gehad.
Wat verder gebeurde
Op 21 juni 1946 werd op verzoek van Hanna van de Voort proces verbaal opgemaakt met betrekking tot het oppakken van Duifje Gans. Het proces verbaal werd ondertekend door de rayonchef der PRA te Venray de heer W.J. Steerneman en wachtmeester N. Vroon. Hij voegde een schrijven toe van luitenant Stavast over een brief van 24 augustus 1944 aan Kupers, groepsleider van de NSB te Venray. Tevens werd een proces-verbaal opgemaakt te Drachten op verzoek Betsy Halberstadt betreffende de vermissing van de kinderen Van Wezel.

  1   2   3

  • Enkele voorvallen
  • Wat gebeurde er na de bevrijding

  • Dovnload 217.97 Kb.