Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De 123 joodse kinderen van Hanna en Nico door Harrie Raaijmakers

Dovnload 217.97 Kb.

De 123 joodse kinderen van Hanna en Nico door Harrie Raaijmakers



Pagina2/3
Datum28.10.2017
Grootte217.97 Kb.

Dovnload 217.97 Kb.
1   2   3

De verrader (s)


Wie was eigenlijk de verrader? Hierover werd in Tienray druk gespeculeerd, maar bewijzen waren er vooralsnog niet. Uiteraard kreeg Rijksduitser Büns de schuld. Tegen hem pleitte, dat hij kringvoorzitter was van de N.S.D.A.P. Hij ontkende echter ten stelligste. Bovendien konden verschillende Tienraynaren bevestigen, dat Büns vaak kwam waarschuwen bij aanstaande razzia´s.

Opvallend was ook, dat alleen joodse kinderen opgepakt waren, terwijl in het dorp zóveel volwassen joden ondergedoken zaten, dat iemand opmerkte: “Je struikelde over de joden”.

Uit het verloop van de kinderrazzia kan ook afgeleid worden, dat er nog minstens één verrader moet zijn geweest. Uiteindelijk bleek Lucien Nahon de verrader te zijn.

Wie was Lucien Nahon?
Hij was geboren in Gulpen op 21 april 1903. Zijn vader was hoofd der school en zijn zus lerares M.O. Duits in Nijmegen. Nahon had een goede opleiding en sprak goed Frans.

Hij was in mei 1940 gescheiden van Maria Elisabeth Houberigs, vader van drie kinderen en van beroep importeur van landbouwwerktuigen. Aanvankelijk was hij in een hotel in Arcen getrokken, maar wegens plaatsgebrek was hij naar Tienray gereisd. Hij verbleef sinds 1942 in het hotel op Kloosterstraat 2 door bemiddeling van Tienraynaar Frans Janssen, die ook bij de Landstand was. Hij was volgens het onderzoek slechts enkele maanden controleur van de Landstand. De taak van de Landstand was om controle uit te oefenen op de productiviteit van de landbouwgrond. Het bleef echter voor Nahon beperkt tot prijscontrole.

Na drie maanden kreeg hij op 12 september 1942 ontslag met behoud van salaris tot 30 september 1942. Hij deed te weinig en werd tegen zijn zin gedwongen de Hitlergroet te brengen. Hij verwaarloosde zijn werk. Zijn “Ausweisz” had als nummer: 155. Dat bewijs had hij op 8 augustus 1942 ontvangen. Het verzoek om het terug te zenden was gedateerd op 12 september 1942. Nahon protesteerde tevergeefs tegen zijn ontslag op 20 september 1942.

Daarna heeft hij getracht met clandestiene handel in vlees een bron van inkomsten te verwerven.

Hij werd door Stessen, directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau benaderd om door te geven als Jan Hendrikx (Ambrosius) in Tienray was, om zijn moeder te bezoeken.

Zij kwamen beiden uit Gulpen en hadden elkaar toevallig in de trein getroffen. In het hotel werden de bonnetjes gecontroleerd. Die waren echter volgens Nahon door hem verbrand.


Nadat “Ambrosius” op 21 juli 1944 in Weert was opgepakt, nam diens broer Piet Hendrikx direct contact op met Nahon. Er werd hem ƒ 4.000,00 geboden om Jan vrij te kopen. Het geld werd op 9 september 1944 overhandigd door pater Lutterman, die de volgende dag later weer vertrok. Hij verscheen in Tienray in een “Engels pak” om niet op te vallen. Deze pater is waarschijnlijk een broer van Jan Hendrikx geweest, die als pater Ephraëm vanuit het Nijmeegse klooster naar Tienray was gekomen.

Nahon overhandigde de pater een door hem ondertekende kwitantie. Het grote bedrag was afkomstig van een overval op een postkantoor in Nijmegen door een knokploeg, onder leiding van Henk Brouwers, die het bedrag door N. de Vries in het klooster liet overhandigen.

Vanwege financiële problemen stak Nahon ƒ 2.000,00 in eigen zak, waarvoor hij een (valse) kwitantie uitschreef. (Deze kwitantie zou hem uiteindelijk noodlottig worden). Hij deed wel zijn best Ambrosius vrij te krijgen. Via zijn ex-echtgenote kwam hij bij J. de Laat in Tilburg terecht. Deze man was lid van de N.S.B. en zag op 15 september 1944 de situatie nog rooskleurig in. Jan Hendrikx zou naar Duitsland overgebracht worden, maar zou te zijner tijd wel vrijkomen. De Laat ondertekende een kwitantie van ƒ 1.500,00, gaf aan Nahon ƒ 200,00 en maakte ook nog onkosten om onder andere in totaal vier keer naar Amsterdam te gaan. Bij naspeuringen kwam na de oorlog een brief van De Laat te voorschijn betreffende deze transactie.

Daarop heeft men onderzoek gedaan naar Lucien Nahon in Tienray. Deze man werd als gevolg daarvan op 23 april 1945 aangehouden en op 26 april 1945 voorwaardelijk op vrije voeten gesteld in verband met deze verduistering en bleef gewoon in Tienray wonen. Op vrijdag 21 februari 1947 werd Nahon verhoord door postcommandant G.H. Peeters. Voor deze verduistering van geld en valsheid in geschrifte werd hij veroordeeld tot negen maanden celstraf.

Daarna werd er verder gespeurd en kwam aan het licht, dat Lucien Nahon, via zijn dorpsgenoot M.P.H. Stessen en korpschef Otto Couperus de adressen had doorgegeven waar joodse kinderen in Tienray waren ondergebracht.

Op woensdag 27 oktober 1948 werd Ger van Rijswick gehoord, geboren te Meerlo op 2 november 1913 en wonende op Spoorstraat 68. Tijdens de oorlog is Nahon niet veel in zijn café geweest. Na de oorlog wel. Toen ging hij veel om met Frans Janssen, die erg pro Duits was.

Bij zijn vriendin op Spoorstraat 65 werd hij daarvoor gearresteerd op zondag 21 november 1948 om 19.30 uur door G.H. Peeters en G. Martens respectievelijk opperwachtmeester en wachtmeester van de Rijkspolitie te Meerlo-Tienray groep Grubbenvorst. Uit de verhoren zou blijken, dat Nahon zijn geheugen kwijt zou zijn geraakt door de inval van de Duitsers. Uit het proces-verbaal van dezelfde dag blijkt verder, dat hij verdacht werd van verraad, de dood van meerdere personen tengevolge hebbende.

Nahon werd na zijn arrestatie overgebracht naar de kazerne van de Rijkspolitie in Arcen en aldaar om 21.00 uur ingesloten in een arrestantenlokaal.

Op maandag 22 november 1948 werd hij overgebracht naar Roermond. Op 9 mei 1949 bekende Nahon de joodse kinderen verraden te hebben, maar ontkende de namen doorgegeven te hebben aan Couperus. De dagvaarding was gedateerd op 19 september 1949.

De rechtszitting tegen hem vond plaats op 3 oktober 1949 voor de bijzondere strafkamer van de Arrondissementsrechtbank in Roermond.


Als getuigen waren opgeroepen:
– Antonie Verhagen (1886) adjudant der Rijkspolitie te Breda.

– Johanna, Maria, Catharina (Hanna) van de Voort geboren op 26 november 1904, kraamverzorgster van beroep. Zij noemde de kinderen, die in Tienray opgepakt waren. Hanna verklaarde, dat de kinderen bij haar bleven om ze te observeren, wat betreft hun karakter.

Johan Hofman, geboren op 9 augustus 1890, werd opgepakt en naar de overvalwagen gebracht. Hij werd gedwongen de adressen bekend te maken. Hofman beweerde ook, dat Van Est een lijst had. Hij vroeg steeds naar Gielen, Hendriks en Mooren.

– Otto Couperus (1909) voorheen korpschef van de politie in Venlo kende Nahon vanaf 1943. Hij beweerde, dat Nahon in aanwezigheid van Stessen de lijst overhandigd had. Couperus zou de lijst doorsturen. Hij verklaarde ook, dat in de nacht van 14 op 15 mei agent Dijkmans uit Horst beschoten was. Couperus verbleef tijdens de rechtszaak in de strafgevangenis in Vught.

– M.H.P. Stessen (Mathieu) (1906), verblijvende in het huis van bewaring in Roermond. Hij heeft als eerste de lijst gekregen en is samen met Nahon naar Couperus gelopen.

– P.J. Eickhout (Petrus) (6 augustus 1904) opperwachtmeester van de Staatspolitie te Amsterdam was geboren in Oeffelt. Hij nam deel aan de razzia, die met twee wagens werd uitgevoerd. Volgens hem werden vijftien tot twintig kinderen opgepakt en naar Eindhoven gebracht. Hij beweerde, dat volgens Van Est een Duitser in Tienray de kinderen verraden zou hebben. Tijdens het verhoor zat Eickhout in bewaring in Crailo te Laren, waar hij een gevangenisstraf uitzat van zeven jaren.


Tijdens de rechtszitting vroeg de rechter, waarom hij tot deze daad was gekomen. Nahon antwoordde, dat het hem gestoord had, dat de joodse kinderen op straat speelden, brutaal waren, naar school en vooral naar de kerk gingen. Daarover had hij vaak gemopperd in het café. Ze scholden hem bovendien uit voor “de hond”.

De rechter achtte hem twee weken later schuldig aan:

“Het gedurende de tijd van de oorlog een ander opzettelijk bloot stellen aan opsporing, enige straf of enige maatregel door of vanwege de oorlog en het opzettelijk in tijd van oorlog de vijand hulp verlenen”. Hij werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en levenslange ontzetting uit het actieve en passieve kiesrecht.
Nahon ging in cassatie, waarna op 31 mei 1950 de Bijzondere Raad van Cassatie in Den Haag bij arrest de straf verminderde tot vier jaar en drie maanden. Dat gebeurde waarschijnlijk door de volgende ontlastende verklaringen.
– Pastoor Dinckels uit Tienray sprak in zijn schrijven van 28 november 1949 allereerst zijn verbazing uit over het feit, dat Nico Dohmen niet als getuige was opgeroepen bij het proces. Lucien Nahon had op verzoek van de pastoor onderdak voor Franse krijgsgevangenen geregeld en hen afzonderlijk naar Grubbenvorst gebracht. Van pastoor Vullinghs had hij later vernomen, dat ze veilig de Belgische grens over waren gestoken. Bovendien zou Nahon de pastoor geholpen hebben met het in de war sturen van de uitreiking van de tweede stamkaart.
– Schoenmaker H. Reijnders uit Tienray maakte in zijn brief van 5 december 1949 duidelijk, dat hij sinds 1942 tot aan de arrestatie Nahon goed gekend had. Jan Hendrikx (Ambrosius) sliep regelmatig bij hem thuis met medeweten van Nahon. Deze laatste zei hem zelfs, dat Reijnders voorzichtig moest zijn met het verlenen van hulp aan Jan Hendrikx. Nahon fungeerde ook als postbode tussen Jan en zijn moeder. Hij was goed op de hoogte van het doen en laten van deze persoon.
– C.A.H. Deneer, journalist in Venlo reageerde eveneens op 5 december 1949.

Nahon had zijn relaties goed uitgebuit om degenen, die met de bezetter overhoop lagen te helpen. Voor Deneer had Nahon destijds bij Stessen om clementie gepleit voor de ambtenaren van de distributiekring in Bergen. Zij hoefden daardoor niet in Duitsland te gaan werken. Bovendien waren bij genoemde kring verschillende onderduikers werkzaam, die dankzij Nahon niet opgepakt werden.


– Op B. Geurts uit Meerlo had Nahon een goede indruk gemaakt, want hij had ervoor gezorgd, dat diens zoon niet opgeroepen werd voor tewerkstelling in Duitsland. Deze brief was gedateerd op 6 december 1949.
– J.H. Palmeijer uit Den Haag, arts inspecteur van het Staatstoezicht op krankzinnigen liet op 10 december 1949 weten, dat hij Nahon een slappe figuur vond, maar hem niet in staat achtte om kinderen te verraden. Palmeijer kwam regelmatig in Tienray op vakantie.
– Edelsmid Karel Krol uit Den Haag kwam ook regelmatig in Tienray op vakantie. Ook hij achtte Nahon in zijn brief van 11 december 1949 niet in staat tot zo iets gruwelijks.
Opvallend is ook dat in hotel Wijnhoven (of Joosten) ook de joodse familie Vervooren was ondergedoken. Over het aantal personen is niets bekend. Dit is des te opmerkelijker aangezien in hetzelfde hotel Lucien Nahon was ingeschreven.

Het gratieverzoek
De zus van Lucien Nahon, doctoranda A. Nahon, diende op 21 juni 1950 een gratieverzoek in. Zij sloot bij haar verzoek een verklaring in, waaruit bleek, dat haar broer geen gebruik had kunnen maken van de algemene gratieverlening in 1948. Ook Nahon zelf diende tevergeefs een verzoek om gratie in. Het verzoek werd op 3 april 1951 afgewezen.

J.H.L. Nahon kwam op 16 september 1950 in Vught terecht en vanaf 19 december 1951 verbleef hij in Norg. Op 30 juni 1952 werd hij overgeplaatst naar Haarlem (Middenlaan).

Op 29 september 1954 kwam hij vrij. Op 8 maart 1956 vertrok hij naar België, waar hij op 2 augustus 1974 in Duffel overleed en begraven werd.

1   2   3

  • Wie was Lucien Nahon
  • Als getuigen waren opgeroepen
  • Het gratieverzoek

  • Dovnload 217.97 Kb.