Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De 7 gelijkenissen in Mattheüs 13

Dovnload 102.98 Kb.

De 7 gelijkenissen in Mattheüs 13



Pagina1/6
Datum28.10.2017
Grootte102.98 Kb.

Dovnload 102.98 Kb.
  1   2   3   4   5   6

De 7 gelijkenissen in Mattheüs 13

Arno C. Gaebelein (1865-1945)


Gedeelte uit ‘The Gospel of Matthew: An Exposition’ - Loizeaux Brothers, Neptune, New Jersey USA
(In het Nederlands uitgegeven onder ‘Zie, uw Koning komt’)

De in het blauw weergegeven Schriftgedeelten werden toegevoegd, uit de Herziene Statenvertaling HSV



Inhoud

1. De gelijkenis van de Zaaier - 13:1-23

2. Het onkruid op de akker - 13:24-30

3. De gelijkenis van het mosterdzaad - 13:31-32

4. De gelijkenis aan het zuurdeeg - 13:33-43

- Inleiding op de schat in de akker en de ene schone parel

5. De schat in de akker - 13:44

6. De éne parel van grote waarde - 13:45-46

7. De gelijkenis van het visnet - 13:47-58

Een van de meest belangrijke hoofdstukken in dit Evangelie vereist nu onze aandacht en dit te meer omdat de openbaring van de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen die de Heer hier geeft, verkeerd begrepen en uitgelegd zijn.

Wat de Heer juist niet bedoelde, heeft men in dit hoofdstuk willen lezen.

Twee verzen vragen allereerst onze aandacht. “Omdat het u gegeven is de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te verstaan, maar hun is het niet gegeven” (13:11). “Al deze dingen sprak Jezus tot de scharen in gelijkenissen en zonder gelijkenis sprak Hij niet, opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door de profeet, zeggende: “Ik zal Mijn mond opendoen in gelijkenissen; Ik zal dingen uitspreken die van de grondlegging der wereld af verborgen zijn geweest” (13:34 en 35). Deze verzen zeggen ons wat de Heer in dit hoofd­stuk bekend maakt, namelijk “de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen” ‑ “Dingen uitspreken die van de grondlegging der wereld af verborgen zijn geweest”. In Genesis lezen wij van iemand die Zafnath Paäneah genoemd werd, welke naam volgens Rabbijnse uitlegging betekent: Onthuller of Ontdekker van Verborgenheden. Het is Jozef, de He­breeuwse slaaf, door zijn broers verworpen, de meest vol­maakte type van de Heer Jezus. Na zijn verwerping werd Jozef de onthuller van de verborgenheden en dat door de wijsheid van God.

In dit hoofdstuk verschijnt Christus als de verworpene. Nadat het aanbod van het Koninkrijk en Hij Zelf als Koning even­eens verworpen is, wordt Hij de Onthuller van de verborgen­heden en laat Hij zien wat er plaats zal vinden na de ver­werping door Israël. “En op die dag ging Jezus uit het huis en zette Zich bij de zee”. Het huis verlaten betekent dat Hij Zich scheidde van de verbinding met Zijn volk, zoals we aan ‘t einde van het twaalfde hoofdstuk zien. De zee is het type van de volkeren. Plaats nemen bij de zee wijst er op, dat Zijn getuigenis de verborgenheden, die geopen­baard worden, voor wijder kring bestemd zijn, betrekking heb­ben op de volkeren. “En vele scharen verzamelden zich tot Hem zodat Hij in een schip ging en Zich nederzette; en de ganse schare stond op de oever”. Hij scheidt Zich af van de mensen, terwijl in het eerste gedeelte van dit Evangelie Hij Zich midden tussen de schare beweegt.

Wat Hij zegt, spreekt Hij in gelijkenissen en zonder gelijke­nissen sprak Hij niet. Hij gebruikt er zeven en in geen ander Evangelie vinden wij ze zo samen gevoegd als hier. Waarom? Gods plan van de bedelingen wordt hier geopenbaard als in geen ander Evangelie. Wij hebben al opgemerkt, dat de Heilige Geest in dit Evangelie, de Genesis van het Nieuwe Testament, Zich niet bindt aan een chronologische volgorde. Hij rangschikt alles zoals het Hem voor Zijn verheven doel geschikt lijkt.

Nadat het Koninkrijk aangeboden en verworpen werd, maakt de Heer bekend wat er na Zijn verwerping en gedurende de tijd van Zijn afwezigheid zijn zal.

Zes maal in deze gelijkenissen zegt de Heer: “Het Koninkrijk der hemelen is gelijk geworden”. Wat bedoelt Hij met deze uitdrukking? Dat het niet meer het Koninkrijk der hemelen is, zoals in het Oude Testament voorzegd, beloofd en aange­boden aan Israël, is bewezen. Het aanbod was gedaan en verworpen. De prediking van Hem en Zijn boodschappers die Hij uitzond, was: “Het Koninkrijk der hemelen is nabij ge­komen. Bekeert u”. Geen enkel woord horen wij hierover in het dertiende hoofdstuk, noch na dit hoofdstuk. Indien de Heer het oog had op het oudtestamentische Koninkrijk, beloofd aan Israël, toen Hij zei: “Het Koninkrijk der hemelen is gelijk geworden”, kon Hij niet gesproken hebben over din­gen, die van de grondlegging der wereld af verborgen waren, want het Koninkrijk in het Oude Testament is geen verbor­genheid, maar duidelijk geopenbaard. Sommigen menen, dat de Gemeente wordt bedoeld als Hij zegt: “Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan zuurdeeg, welke een vrouw nam en in drie maten meel verbergde enz.”. De Gemeente wordt echter nergens het Koninkrijk der hemelen genoemd.

Slechts eenmaal in dit Evangelie wordt het woord gebruikt en wel in Mattheüs 16, waar Hij zegt dat Hij Zijn Gemeente zal bouwen.

De Gemeente bestond niet in het Oude Testament, ook niet toen de Heer op aarde wandelde en nergens verwijst Hij naar de Gemeente als het Koninkrijk der hemelen, evenmin als de Heilige Geest het doet in verbinding met het Koninkrijk. Hij spreekt van de Gemeente als de woonplaats van God, een huis, een tempel, het lichaam en de Bruid van Christus, maar nooit als het Koninkrijk der hemelen.

Maar wat bedoelt de Heer dan als Hij zegt: “Het Koninkrijk der hemelen?” Het antwoord is zeer eenvoudig. Het Koninkrijk der hemelen was door Israël verworpen, maar God geeft nu Zijn Woord aan de Heidenen, een feit in het oudtestamentische profetische woord vermeld.

De genade en barmhartigheid, aangeboden aan Israël, gaan thans tot de volkeren, de Heidenen, terwijl de Koning afwezig is. Dit wordt uitgedrukt in de eerste gelijkenis eenvoudig door het gaan van de zaaier naar de akker, dat is de wereld. Daar waar de naam van Christus beleden wordt, is nu het Ko­ninkrijk der hemelen en over dat wat de Heer van de hemel bracht en op de aarde liet, spreekt Hij in deze gelijkenissen. Het “Koninkrijk der hemelen” staat dus gelijk met het “Christendom”. Het sluit de gehele kring van Christelijke belijders in, zowel bekeerden als onbekeerden, kortom, allen die zich naar de naam van Christus noemen. Daarom is de Gemeente niet het Koninkrijk der hemelen, hoewel ze zich wél in het Koninkrijk der hemelen bevindt.

De Heer onderwijst in de zeven gelijkenissen hoe het op aarde zal gaan terwijl Hij afwezig is, en hoe men zal handelen met wat Hij van de hemel bracht en aan de mensen toevertrouwde. Alvorens de gelijkenissen afzonderlijk te bespreken, willen wij eerst iets over het algemeen karakter opmerken. De zeven gelijkenissen zijn te verdelen in vier en drie. De eerste vier spreekt de Heer tot de scharen, om nadat Hij deze verlaten heeft en in het huis is gegaan de drie laatste te vertellen aan Zijn discipelen. Deze drie: de schat in de akker, de parel van grote waarde en het visnet, hebben een diepere geestelijke zin dan de eerste. Twee ervan verklaart de Heer Zelf aan Zijn discipelen; de andere legt Hij niet uit. Ze kunnen aldus ver­deeld worden:

1. De zaaier die uitging om te zaaien.

2. De vijand die onkruid tussen de tarwe zaait.

Deze verwijzen gedeeltelijk naar het begin van het Koninkrijk der hemelen in de handen van de mensen; de toestand hier geschilderd, duurt tot het einde, de tijd van de oogst.

3. Het mosterdzaad.

4. Het zuurdeeg.


De groei wordt beschreven; het is een onnatuurlijke en boze ontwikkeling.

5. De schat in de akker verborgen.

6. De ene parel van grote waarde.
Gods aardse volk verborgen in de aarde en de Gemeente de ene parel waarvoor Hij alles geeft. Eerst wordt de parel uit de diepte gehaald en dan de schat in het veld opgegraven.

7. Het visnet.


Deze gelijkenis verwijst naar het eind van het Koninkrijk der hemelen en zijn verborgen vorm.

Nog een andere wijze van beschouwen is mogelijk als men ze vergelijkt met de zeven brieven in Openbaringen 2 en 3. Hier spreekt de Heer opnieuw en die toespraak geschiedt van de heerlijkheid uit. In de zeven brieven lezen wij het begin, de voortgang en het einde van deze tegenwoordige Christelijke bedeling. Het is de geschiedenis van het Christendom.

1. De zaaier ‑ Efeze. De apostolische eeuw. Het begin van het verval, het verlaten van de eerste liefde.

2. Het boze zaad ‑ Smyrna, dat bitterheid betekent. De vijand geopenbaard.

3. Het mosterdzaad ‑ Pergamus, met de betekenis van Hoge toren en tweemaal gehuwd. De belijdende Kerk wordt groot, onder Constantijn de Grote. De grote boom en de on­reine vogels (de volkeren) vinden er beschutting in.

4. Het zuurdeeg ‑ Thyatira, degene die offert ‑ Rome en haar afschuwelijkheden. De vrouw Izébel de hoer, komt over­een met de vrouw in deze gelijkenis.

5. De schat in de akker ‑ Sardis ‑ de Reformatie‑eeuw, hebbende de naam van te leven, maar dood zijnde, doch er is een overblijfsel. Israël dood, maar Hem toebehorend die het veld kocht.

6. De kostbare parel ‑ Filadelfia ‑ de Gemeente, de éne parel. Het éne lichaam van Christus en de opneming der Ge­meente om met Hem te zijn.

7. Het visnet ‑ Laodicéa ‑ Oordeel. Ik zal u uit Mijn mond spuwen.

We hebben slechts aanwijzingen gegeven, die er wellicht toe mee kunnen werken om te weten in welke richting gezocht moet worden.

Nog eens vestigen wij de aandacht op de inleidende opmer­kingen in betrekking tot de bestudering van de verschillende gelijkenissen. De Zaaier in de eerste en tweede gelijkenis is de Zoon des mensen. Wat Hij zaait, is tarwe dat door de gehele Schrift heen wijst op zuiverheid, op Christus Zelf. Het goede zaad zijn de zonen des Koninkrijks, de akker is de wereld, de vijand is de duivel. De man in de zesde gelij­kenis, die de akker (de wereld) koopt, is dezelfde Zoon des mensen en de koopman die alles verkoopt voor het bezit van de ene parel, is dezelfde persoon als de Zaaier. Met deze beide mannen kan nooit de zondaar bedoeld zijn. Dat zou betekenen dat de zondaar iets te geven heeft, terwijl hij niets bezit; dat de zondaar de wereld (de akker) moest kopen!

De drie maten meelbloem komen natuurlijk van de tarwe en betekenen als zodanig altijd iets goeds, in tegendeel met zuurdeeg dat altijd het kwade aanduidt. Een nauwkeuriger be­studering van deze gelijkenissen zal dit duidelijk maken.


  1   2   3   4   5   6


Dovnload 102.98 Kb.