Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De 7 gelijkenissen in Mattheüs 13

Dovnload 102.98 Kb.

De 7 gelijkenissen in Mattheüs 13



Pagina3/6
Datum28.10.2017
Grootte102.98 Kb.

Dovnload 102.98 Kb.
1   2   3   4   5   6

2. Het onkruid op de akker - 13:24-30


24 Een andere gelijkenis hield Hij hun voor. Hij zei: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan iemand die goed zaad zaaide in zijn akker. 25 Maar toen de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid tussen de tarwe, en ging weg. 26 Toen het gewas opkwam en vrucht voortbracht, kwam ook het onkruid tevoorschijn. 27 De slaven van de heer des huizes gingen naar hem toe en zeiden: Heer, hebt u niet goed zaad in uw akker gezaaid? Waar komt dan dit onkruid vandaan? 28 Hij zei tegen hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. De slaven zeiden tegen hem: Wilt u dan dat wij erheen gaan en het verzamelen? 29 Maar hij zei: Nee, opdat u bij het verzamelen van het onkruid misschien tegelijk ook de tarwe niet uittrekt. 30 Laat ze allebei samen tot de oogst opgroeien, en in de oogsttijd zal ik tegen de maaiers zeggen: Verzamel eerst het onkruid en bind het in bossen om het te verbranden, maar breng de tarwe bijeen in mijn schuur.

In de tweede gelijkenis wordt het Koninkrijk der hemelen ge­noemd. “Een andere gelijkenis stelde Hij hun voor, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk geworden aan een mens, die goed zaad in zijn akker zaaide. Doch terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid midden onder de tarwe, en ging heen. Toen nu het kruid opschoot en vrucht voortbracht, toen kwam ook het onkruid te voorschijn. En de slaven van de heer des huizen kwamen en zeiden tot hem: Heer! hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid! Vanwaar heeft hij dan het onkruid? En hij zeide tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. En de slaven zeiden tot hem: Wilt gij dan dat wij heengaan en het bijeenlezen? Maar hij zeide: Neen, opdat gij het onkruid bijeenlezende, niet te gelijk daar­mede de tarwe uittrekt, laat beide tezamen opwassen tot aan de oogst; en in de tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeg­gen: Leest eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijn schuur” (13:24‑30).

Nadat Hij eerst nog twee andere gelijkenissen gesproken had, lezen wij dat de Heer in antwoord op de vraag van Zijn discipelen, hun meedeelt wat deze gelijkenis betekent. “Toen liet Hij de scharen van Zich en ging in het huis; en Zijn discipelen kwamen tot Hem, zeggende: Verklaar ons de ge­lijkenis van het onkruid des akkers. En Hij antwoordende, zeide tot hen: Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen; en de akker is de wereld; en het goede zaad, deze zijn de zonen des Koninkrijks; en het onkruid zijn de zonen des bozen; en de vijand die het gezaaid heeft, is de duivel; en de oogst is de voleinding der eeuw, en de maaiers zijn de Engelen” (13:36‑39.)

Het verband met de eerste gelijkenis is duidelijk. We zien dezelfde Zaaier voor ons en het zaad is in de akker gezaaid die de wereld voorstelt. Maar de Heer zegt: “Het goede zaad zijn de zonen des Koninkrijks”. Dit kan slechts betekenen, dat het goede zaad gezaaid en gevallen in goede grond, zoals wij in de eerste gelijkenis zagen, vruchten voortbrengt, en het woord van het Koninkrijk brengt de zonen van dat Koninkrijk voort. Gelijk brengt gelijk voort; de vrucht is overeenkomstig het zaad. De hoofdgedachte van deze gelijkenis is echter de vijand en zijn boze arbeid. Het is een arbeid om te verstoren zoals nog dikwijls in Oosterse landen voorkomt. De vijand wacht totdat zijn gehate buurman zijn zaad aan de aarde heeft toevertrouwd en gaat dan in de nacht, terwijl de mensen sla­pen, het zaad van het onkruid uitstrooien. Niet voor het goede zaad opkomt en groeit, ontdekt het slachtoffer het verderfelijk werk van de vijand. De vijand is de duivel, zegt de Heer. Zoals van uit het goede zaad de zonen des Koninkrijks voort­komen, levert het verkeerde zaad de zonen van de boze.

Het is van belang te letten op het tijdstip en de manier waarop de vijand het werk van de Zaaier, de Zoon des mensen, tracht­te te verstoren.

Wat de tijd betreft, onmiddellijk nadat de Zaaier het goede zaad gestrooid had, nam hij de kans waar; en het gebeurde “terwijl de mensen sliepen”. Zodra de Heer de waarheid had gebracht en de Heilige Geest gegeven had, begon de vijand zijn werk. In de dagen der Apostelen werd het werk van de vijand aangekondigd en het verkeerde zaad dat aan het eind van deze bedeling volledig is gegroeid, kan gemakkelijk in het begin van de bedeling opgemerkt worden. De verborgenheid der goddeloosheid begon toen haar werk en het gaat voort tot het eind van de bedeling bereikt is, wanneer het volkomen openbaar zal komen. Terwijl de mensen sliepen, deed de vijand zijn werk. De Zaaier sliep niet: Hij sluimert of slaapt nimmer, maar de mensen sliepen. Zulk een onwaakzame toestand open­baarde zich spoedig in het begin der bedeling. De eerste liefde werd verlaten en de vijand deed zijn werk.

Zijn wijze van werken was een namaak‑zaad in de akker te deponeren. Het zaad van de dolik (een vergiftige grassoort op korenvelden) lijkt veel op tarwe. Als het opgroeit, kan het van het koren niet onderscheiden worden, maar het is verderfelijk onkruid. De dolik vertegenwoordigt de leugen die in de akker door de duivel werd gezaaid. Het is de verkeerde leer, een namaaksel van het geloof, dat eens en voor altijd de heiligen werd overgeleverd. De loochening van de Godheid van Jezus Christus, de loochening van de opstanding en van de inspiratie van de Bijbel, behoort tot het onkruidzaad dat in het eerste begin van het Christendom in de akker viel. In zeker opzicht gaat dit proces nog voort. Als de waarheid verkondigd en het Woord geleerd wordt, duurt het niet lang of de vijand brengt de namaak als de mensen slapen. Een andere les uit deze ge­lijkenis is het karakter van deze gehele bedeling. Het is boos. Satan is de god van deze eeuw, totdat het einde eraan komt. De vermengde toestand van goed zaad en verkeerd zaad, de zonen van het Koninkrijk en de zonen van de boze, blijft tot het eind bestaan. De knechten van de heer des huizes waren bereid het onkruid uit te roeien, maar dat werd hun niet toe­gestaan. Het is een niet te verwezenlijken droom, om de wereld te hervormen, het aanstotelijk kwaad uit te roeien, dronke­manschap en onzedelijkheid uit te bannen, de staat en de politiek te reinigen. Over dergelijke pogingen wordt nergens in het Woord van God gesproken. Mensen van Christelijke belijdenis nemen dergelijke arbeid uit zichzelf op en zij beseffen niet dat zij zondigen en Christus onteren. Verkeerde leer en haar vruchten zullen met het goede zaad en haar kostbare vruchten opgroeien tot de tijd van de oogst. Voor wij verder spreken over de oogsttijd een enkel woord in betrekking tot de plaats waar het goede zaad en het onkruid samen opgroeien. Er wordt wel eens gezegd: “We kunnen geen zuivere gemeen­schapskring hebben, want de Heer Zelf heeft gezegd dat de bozen altijd bij ons zullen zijn en dat wij hen niet kunnen uitroeien die zonen des bozen zijn.

Dat is en wordt gezegd in de veronderstelling dat de Heer spreekt van de Gemeente. De Gemeente, de Vergadering des Heren, staat echter in ‘t geheel niet voor de aandacht van Hem. Hij spreekt over het Koninkrijk der hemelen en dat is, zoals reeds herhaaldelijk gezegd: niet de Gemeente. Als de openbaring betreffende de Gemeente gegeven wordt, zegt de Heer dat het boze in de Gemeente niet getolereerd mag wor­den.

“Maar indien uw broeder tegen u zondigt, ga heen, bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, hebt gij uw broeder gewonnen. Maar indien hij u niet hoort, neem nog een of twee met u, opdat door de mond van twee of drie ge­tuigen alle woord besta. En indien hij naar hen niet horen wil, zo zegt het aan de gemeente; en indien hij naar de gemeente niet wil horen, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar” (hoofdstuk 18:15‑17). Dit is de manier waarop het boze in de Gemeente behoort behandeld te worden. In de Brieven vinden wij talloze vermaningen dat boze leer en boze wandel tegen het Evangelie in de Gemeente niet kan worden toege­staan. De Gemeente moet het boze oordelen. Tot de Gemeente wordt niet gezegd: “Laat beiden tezamen opwassen”. De akker is niet de Gemeente, maar de wereld en in de wereld vindt plaats, wat in de gelijkenis wordt voorgesteld, in dat deel van de akker waar het goede zaad is gezaaid, in de gehele sfeer van het belijdend Christendom.

De oogst is het einde der bedeling. De oude en nieuwe vertaling heeft in vers 40 “voleinding der wereld”. Dat heeft velen in de war gebracht.

Het einde van de wereld is nog een heel eind verwijderd. Het einde van de eeuw (bedeling) waarin wij leven, nadert met rasse schreden. Wat zal er dan geschieden? De Heer zegt: “Gelijk dan het onkruid bijeengelezen en met vuur verbrand wordt, zo zal het ook zijn in de voleinding dezer eeuw. De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk bijeenlezen al de ergernissen, die ongerech­tigheid doen; en zij zullen hen in de oven des vuurs werpen; daar zal wening zijn en knersing der tanden. Dan zullen de rechtvaardigen blinken gelijk de zon in het Koninkrijk huns Vaders. Wie oren heeft om te horen, die hore!” (13:40‑43). Tevoren zegt de Heer in de gelijkenis: “In de tijd des oogstes zal Ik tot de maaiers zeggen: Leest eerst het onkruid bijeen, en bindt het in hossen om het te verbranden; maar brengt de tarwe samen in Mijn schuur”.

De voleinding der eeuw is dezelfde zaak als in Mattheüs 24, toen de discipelen vroegen, wat is het teken van Uw komst en van de voleinding der eeuw? Het einde der eeuw zal Joods zijn; de Joodse geschiedenis begint opnieuw met de gebeur­tenissen die in de laatste week van Daniël vallen, in de 70e week. Van dit einde spreekt de Heer. De engelen zullen dan de maaiers zijn. Dit komt overeen met wat wij in Openbaring 14:14‑20 lezen. “En ik zag, en zie, een witte wolk, en op de wolk zat één, de Zoon des mensen gelijk, hebbende op Zijn hoofd een gouden kroon, en in Zijn hand een scherpe sikkel. En een andere Engel kwam uit de tempel, roepende met grote stem tot Hem die op de wolk zat: Zend uw sikkel en maai! want de ure om te maaien is gekomen; want de oogst der aarde is overrijp geworden”.

Sommigen die de onschriftuurlijke leer verkondigen, dat de Gemeente op aarde zal blijven tot het einde van de wereld en door de grote verdrukking moet gaan, hebben deze gelijkenis gebruikt om hun inzichten te ondersteunen. Wij herhalen, dat de gelijkenis met de Gemeente niets heeft uit te staan. Toen de Heer sprak van het binden van het onkruid in bossen en het verzamelen van de tarwe in de schuur, leerde Hij niet dat de tarwe de Gemeente voorstelt2, en dat de inzameling van de Gemeente Zijn laatste handeling in deze bedeling zou zijn. De tarwe is natuurlijk het goede zaad, het goede zaad zijn de zonen van het Koninkrijk. Dat alle ware gelovigen het goede zaad zijn en als zodanig zonen des Koninkrijks, zal niemand betwijfelen.

Nadat de Gemeente van de aarde is weggenomen, vóór de vol­einding der eeuw begint, zal er zoals de profeten voorzegd heb­ben, tarwe zijn op de aarde. Er zal zaaiing zijn. Dan zal wer­kelijk het woord des Koninkrijks gepredikt worden. Het Evangelie van het Koninkrijk zal gedurende het einde der eeuw geproclameerd worden en het zaad zal opkomen. Een grote menigte zal uit de grote verdrukking komen, die hun klederen gewassen hebben in het bloed des Lams. Deze menigte zal bij­eenvergaderd worden ten tijde dat het onkruid bijeenverzameld wordt om te verbranden. De tarwe, de zonen van het Konink­rijk, zullen in Zijn schuur verzameld worden, bewaard en be­hoed voor het Koninkrijk dat op de aarde zal opgericht wor­den. “Dan zullen de rechtvaardigen blinken gelijk de zon in het Koninkrijk huns Vaders”. Dit herinnert zeer sterk aan de uitspraak van Mattheüs 25:34, “Komt gezegenden Mijns Vaders, beërft het Koninkrijk dat u bereid is van de grondleg­ging der wereld”.

Deze woorden zijn niet tot de Gemeente gericht, maar tot de vele duizenden die uit alle volken komen (Openbaringen 7) en het Koninkrijk is niet de hemelse heerlijkheid, maar het aardse Koninkrijk.

De Gemeente met haar hemelse roeping en bestemming, wij herhalen het, wordt in deze tweede gelijkenis niet gezien.

Laten we de drie grote feiten die deze gelijkenis leert, vast­houden. Ze zijn:

1. De vijand, de duivel begint zijn werk in het begin van de bedeling.

2. Het is een vermengde bedeling, goed en kwaad groeit tezamen op. Deze toestand verandert niet gedurende de bedeling.

3. De vermengde toestand zal ophouden bij de voleindiging der eeuw (bedeling). De zonen van het Koninkrijk zullen het Koninkrijk beërven. Het onkruid wordt in bossen ge­bundeld en verbrand.

De twee volgende gelijkenissen, van het mosterdzaad en het zuurdeeg, openbaren nog meer de verborgenheden van het Koninkrijk. Zij behoren bij elkaar: Uit de voorstelling van deze gelijkenissen leren wij, hoe de populaire uitlegging van vele uitleggers uit het Christendom alles onderste boven ge­keerd hebben. De fout van deze onjuiste uitlegging komt voort uit de grote fundamentele vergissing, dat de Heer de Ge­meente op het oog zou hebben gehad toen Hij sprak over het Koninkrijk der hemelen en dat de Gemeente dat Koninkrijk is. Daarom wordt aangenomen dat als de Heer over het mosterd­zaad spreekt dat een grote boom wordt, die bescherming biedt aan de vogels, een profetie is over de uitbreiding der Gemeente. Het zuurdeeg wordt daarom beschouwd het Evangelie te be­tekenen met zijn alles doorzurende kracht. Dit alles is radicaal verkeerd.

1   2   3   4   5   6


Dovnload 102.98 Kb.