Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De 7 gelijkenissen in Mattheüs 13

Dovnload 102.98 Kb.

De 7 gelijkenissen in Mattheüs 13



Pagina4/6
Datum28.10.2017
Grootte102.98 Kb.

Dovnload 102.98 Kb.
1   2   3   4   5   6

3. De gelijkenis van het mosterdzaad - 13:31-32


31 Een andere gelijkenis hield Hij hun voor. Hij zei: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaad, dat iemand nam en in zijn akker zaaide. 32 Dat is wel het kleinste van al de zaden, maar als het opgegroeid is, is het het grootste van de tuingewassen en het wordt een boom, zodat de vogels van de hemel een nest komen maken in zijn takken.

“Een andere gelijkenis stelde Hij hun voor, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaad, dat een mens nam en zaaide in zijn akker; dat wel kleiner is dan al de zaden, maar wanneer het is opgewassen, is het groter dan de moeskruiden en wordt een boom, zodat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijn takken” (13:31 en 32).

Het gaat hier over de uitwendige ontwikkeling van het Ko­ninkrijk der hemelen in zijn groei en uitbreiding op onnatuur­lijke wijze en het wordt een schuilplaats voor de vogelen des hemels. De bijna algemene uitleg is, dat het mosterdzaad en zijn wonderbare groei, de uitbreiding der Gemeente voorstelt, terwijl de vogelen des hemels worden beschouwd als typen van de volken, die in de Gemeente (Kerk) bescherming vinden. Steeds maar groeiende, reikt de mosterdboom over de gehele aarde, zijn takken spreiden zich wijder en wijder uit, en spoe­dig, zo zegt men, zal de boom de gehele aarde bedekken zoals de wateren de zee.

Wanneer de Heer met de uit het mosterdzaad gegroeide grote boom, de Gemeente bedoelde, die Zijn lichaam is, dan zou deze gelijkenis in flagrante tegenspraak zijn met wat Hij en de Heilige Geest elders leert over de Gemeente op deze aarde, haar opdracht en haar toekomst.

In Zijn gebed zegt de Heiland van de Zijnen, van hen, die één zijn gelijk de Vader en de Zoon één zijn: “Zij zijn niet van de wereld gelijk Ik van de wereld niet ben” (Joh. 17:14). De Gemeente dan, omvattende alle ware gelovigen, is niet van de wereld gelijk Hij niet van de wereld is. De Gemeente is van boven en elke gelovige heeft zijn leven van boven. Nog een kleine tijd is de Gemeente in de wereld en na een weinig tijd zal de Gemeente boven zijn, waar Christus het verheerlijkte Hoofd van het lichaam is. Het mosterdzaadje, groeiend op de akker (vergeet niet dat de akker de wereld is), zich al dieper en dieper in de aarde wortelend en uitbreidend op onnatuur­lijke wijze; biedt schuilplaats aan de vogels en is een afbeelding van iets heel anders. Het laat ons een systeem zien dat in de aarde wortelt, dat beweert een grootheid te zijn in de wereld, zich uitbreidende over de aard. De Heer kan nooit bedoeld hebben, dat Zijn Gemeente geworteld en gegrond zou zijn in de akker, de wereld. Hij heeft haar niet geroepen om zulke proporties aan te nemen en niet bestemd voor zo’n abnormale groei op de aard.

Al wat van Christus is gezegd, geldt ook voor Zijn Gemeente. Lijden en heerlijkheid, na vernedering verhoging, kenmerkt de weg die Christus ging; eenzelfde weg is bestemd voor de Ge­meente. Zij behoort nederig te zijn, nu met Hem lijdend, ver­worpen en in de wereld miskend zoals Hij, niet nu regerend en heersend, maar geduldig met Hem wachtend op het ogenblik totdat Hij geopenbaard zal worden, en dan zal zij Zijn troon en heerlijkheid delen. De roeping en bestemming van de Ge­meente is hemels.

Haar taak is Hem te openbaren en uit te laten stralen, een getuigenis te zijn van Zijn genade, maar nooit om de wereld te beheersen en te overdekken. De Brieven aan de gemeenten gericht, maken dat voldoende duidelijk.

Het mosterdzaad en zijn groei heeft betrekking op het Konink­rijk der hemelen, en dit is, zoals wij gezien hebben, het be­lijdend Christendom. In dit licht gezien, is alles in overeenstem­ming met wat de Heer in dit hoofdstuk leert. Het kleine mosterdzaad, niet bestemd om een boom te worden maar slechts een struik, ontwikkelt zich tegen zijn natuur in tot een boom. Dat wat van de Zoon des mensen, de Zaaier kwam doen, toevertrouwd aan de handen van mensen, ontwikkelt zich tot iets onnatuurlijks ‑ men mag wel zeggen, tot iets wanstal­tigs ‑ want dit is een mosterdboom. Dat onnatuurlijk iets is het belijdend Christendom als een systeem der wereld, Christus belijdende zonder Hem en de Geest te bezitten. Hier bepalen wij de aandacht bij de derde zendbrief in de Openbaring aan de gemeenten, dat is de brief aan Pergamus, waarin de eeuw van het Christendom getypeerd wordt, beginnende met Con­stantijn de Grote in de vierde eeuw. De lijdende Kerk weid verheven tot Staatskerk. Het mosterdzaad werd spoedig een boom en sindsdien heeft de belijdende kerk zich verheugd door zichzelf te zien als een grote, zich vertakkende boom.

De vogels, die een schuilplaats in de boom vinden, stellen volgens de Kerk bekeerde volken voor. Vertegenwoordigen vogels ooit reine personen? Wij behoeven niet buiten de grens van ons hoofdstuk te gaan om deze vraag te beantwoorden. De vogels, die op het zaad aanvielen, dat bij de weg gezaaid werd, waren instrumenten van Satan. De vogelen des hemels, of pluimgedierte, betekenen in de Schrift nooit iets goeds. Abraham stond te midden van de stukken der offeranden om de vogels te verjagen, die op de stukken wilden aanvallen (Gen. 15). De geslachte dieren daar beeldden Christus af en de roofvogels het verkeerde. De vogels in deze gelijkenis be­tekenen onbekeerde mensen, volken en naties die uit zelfzuch­tige bedoelingen bescherming zoeken in de boom, het uitwendig Christendom. Maar zij verontreinigen de boom.

Ten slotte zal de boom volwassen zijn. Van de volwassen boom wordt gezegd: “Gevallen, gevallen is het grote Babylon! en het is geworden de woonstede der duivelen, en de bewaarplaats van elke onreine geest, en de bewaarplaats van elke onreine en gehate vogel” (Openb. 18:2).

Laten we niet vergeten dat er een boom is over de gehele aarde, die moet groeien en zijn takken uitbreiden, zijn sap door de wortels opzuigend.

Deze boom is Israël ‑ de goede olijfboom met zijn onver­woestbare wortels. Sommige van zijn takken zijn nu afge­broken en liggen op de grond. Romeinen 11 verzekert ons echter dat God machtig is ze weder te enten.

Tegenover deze olijfboom met zijn heilige wortel, zijn lang­beloofde toekomst, het verbond door een eed bevestigd, staat het hoog van zichzelf denkend Christendom, tegen de takken roemend en van zichzelf bewerend de boom te zijn die de gehele aarde overschaduwen zal, en zich aldus kerend tegen de aardse roeping van Israël: Helaas, de waarschuwing is in de wind geslagen “indien God de natuurlijke takken niet heeft gespaard ‑ Hij mocht ook u niet sparen” (Romeinen 11:21).

Welk een val zal het zijn als tenslotte de boom, de monster­achtige boom, zal vallen en uitgeroeid worden met wortel en tak.


1   2   3   4   5   6


Dovnload 102.98 Kb.