Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De 7 gelijkenissen in Mattheüs 13

Dovnload 102.98 Kb.

De 7 gelijkenissen in Mattheüs 13



Pagina6/6
Datum28.10.2017
Grootte102.98 Kb.

Dovnload 102.98 Kb.
1   2   3   4   5   6

Inleiding op de schat in de akker en de ene schone parel


“Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een schat. in de akker verborgen, welke een mens gevonden hebbende, verbergde; en van blijdschap daarover gaat hij heen, en ver­koopt al wat hij heeft en koopt die akker. Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een koopman die schone parelen zoekt en ene parel van grote waarde gevonden heb­bende, ging hij heen, en verkocht al wat hij had en kocht haar” (13:44‑46).

In beide gelijkenissen wordt een mens genoemd, die verkoopt al wat hij heeft, om datgene te verkrijgen wat hij kostbaar acht. In de eerste vindt hij de schat in de akker en hij verbergt hem daar, terwijl hij de akker koopt om de schat in bezit te krijgen. In de tweede verkoopt hij al wat hij heeft voor de parel van grote waarde. Bij grote overeenkomst is er natuurlijk ook onder­scheid. De schat is verborgen in de akker, die gekocht wordt, waardoor ook de schat eigendom wordt. De éne parel komt uit de zee, haar waarde is groter dan die van de schat, waar­van niet gezegd wordt dat hij grote waarde heeft. Een schat kan groter of kleiner worden, er kan van worden afgenomen of bijgevoegd; de éne parel evenwel is compleet, waarde en schoonheid zijn vastgesteld.

Bij de uitlegging van deze gelijkenissen moeten we dezelfde gedragslijn volgen als bij de vorige. We zullen het ontleedmes opnieuw moeten hanteren om de fouten aan te tonen in de ver­klaring, die bij het Christendom ingang heeft gevonden, maar niet in overeenstemming is met de bedoeling van de Schrift. We willen beginnen met een aanhaling uit “Luthers verklaren­de aantekeningen op de Evangeliën” (Blz. 82).

“De gelijkenis van de schat bedoelt, dat wij tevergeefs het Koninkrijk van God zoeken door onze werken en inspanningen of de werken der wet. Want wij zijn niet geboren uit den bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans. De Joden bezaten de akker, maar zagen de schat daarin niet. De Heidenen (volkeren) kochten de akker met de schat, dat is de wet met Christus... De verborgen schat is het Evangelie, dat ons genade en gerechtigheid geeft zonder onze verdienste. Als iemand die vindt, veroorzaakt hij vreugde, dat is een goed en vrij geweten, wat door goede werken niet kan worden ver­zekerd. De gelijkenis van de parel is bijna van dezelfde soort als de voorgaande, behalve dat in de eerste gesproken wordt van vinden, in deze van zoeken. Hier moet gedacht worden: aan een groeiend geloof, waarmee aangegeven wordt, dat de parel niet onbekend was, dat men er van gehoord had als zijnde van grote waarde. Het verlangen van de koopman is, om de parel te mogen bezitten. Iets dergelijks geldt voor het Christelijk leven, Hij die het begonnen is, denkt dat hij niets heeft, maar hij strekt zich er naar uit, voortdurend voorwaarts dringend om het te verkrijgen”.

Andere verklaarders van de Schrift zijn Luther hierin gevolgd. H. W. A. Meijer, een leidende figuur onder de uitleggers van het Nieuwe Testament, zegt: “Het Koninkrijk, de meest waar­devolle bezitting, moet genomen worden door met vreugde alle aardse bezittingen te offeren”. Prof. Holtzmann getuigt: “De schat en de parel zijn beelden van de grote waarde van het Koninkrijk der hemelen. Om ze te bezitten moet men alle andere goederen opofferen”.

Bij deze wijze van uitleggen komt het dus hier op neer, dat de mens degene is, die alles verkoopt om de schat te bezitten, en de koopman de onbekeerde zondaar voorstelt. Het Evan­gelie, de zaligheid, de genade van God, of zoals sommigen zeg­gen de “religie”, wordt volgens deze Schriftkundigen voorge­steld door de schat en de éne parel van grote waarde. Dat deze verklaring onhoudbaar is, in strijd met de kern van het Evangelie, wordt niet aangenomen. In toespraken met een Evangelische strekking wordt de zondaar vermaand alles op te geven, alles te verkopen, met het doel Christen te worden, zichzelf en de wereld op te geven, en dan de parel van grote waarde te vinden. Wij vragen ons af of dat het Evangelie is en antwoorden: neen! De zondaar heeft geen offerande te brengen. Al zijn pogen om zichzelf te verzaken en de wereld op te geven, kan hem nooit het eeuwige leven of de genade Gods verzekeren. “Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?” werd eens gevraagd door een eigengerechtige Fari­zeeër, een jonge overste. De Heer antwoordde hem, die tot Hem kwam overeenkomstig de wet, omdat hij onder de wet stond, en zei hem alles te verkopen, de opbrengst aan de armen te geven en Hem te volgen. Dit is echter niet het Evangelie, maar de wet, die eist: “Doe dit en gij zult leven”. Bij de verkon­diging van het Evangelie aan zondaren hebben wij niet te zeggen wat zij moeten doen, dat zij alles moeten opgeven om te ontvangen; het Evangelie der genade vraagt de zondaar niet alles te verkopen om daarvoor de genade van God en het eeuwige leven te verkrijgen, het biedt aan elke zondaar het eeuwige leven aan als Gods gave, als een vrije gift in Christus Jezus. Het Woord van God spreekt ongetwijfeld van kopen, maar het is een kopen zonder geld en zonder prijs. “O, alle, gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet; ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk” (Jes. 55:1). Het prijsgeven, opgeven volgt als iemand gered is en de genade Gods heeft ontvangen, maar nooit daarvoor.

Ook aan de akker wordt door velen een uitleg gegeven, die nooit door de Heer bedoeld kan zijn, trouwens Hij heeft ons zelf de sleutel gegeven. “De akker is de wereld”. Dit is de betekenis in de eerste twee gelijkenissen.

Indien de zondaar bedoeld wordt door de man, die de akker koopt, zou de consequentie zijn, dat de zondaar de wereld heeft te kopen. Er is geen enkele reden om aan deze twee gelijkenissen zulk een uitleg te geven.

In de eerste twee gelijkenissen wordt van één persoon gespro­ken: de zaaier, de man die het goede zaad zaaide. Deze Man is de Heer Zelf. In de gelijkenissen, waarmee we nu bezig zijn, wordt met de man, die de akker kocht met de schat erin en de koopman, die alles verkocht wat hij had om de éne parel van grote waarde te bezitten, ook de Heer Zelf bedoeld. Het is niet de onbekeerde zoekende en redding vindende ‑ maar de Zaligmaker, die de zondaar zoekt. Hij koopt de akker met de schat erin, en geeft alles prijs om de parel van grote waarde te bezitten. Als wij zó de gelijkenissen bezien, valt het ware licht erop en bezitten wij het gezegende Evangelie. Hij, die rijk was; werd arm om onzentwil, opdat wij door Zijn armoede rijk zouden worden. Hij, die Gode evengelijk is, ontledigde Zichzelf. Hij daalde neer, gaf alles prijs, was gehoorzaam tot de dood, ja tot de dood des kruises. Beide gelijkenissen leren dezelfde grote waarheid, dat Christus, de Zaligmaker, die kwam om te zoeken wat verloren was, de akker en de gevonden schat kocht en alles prijs gaf om de parel van grote waarde te bezitten.

Rest misschien nog de vraag waarom er twee gelijkenissen nodig zijn om dit duidelijk te maken?

Als de zoekende en vindende koopman onze Heer voorstelt. waarom wordt het alles prijsgeven en kopen tweemaal ge­noemd? Waarom wordt eerst de schat en daarna de parel genoemd? Waarom is de gekochte schat verborgene terwijl de éne parel van grote waarde blijkbaar het eerst in bezit komt van de koopman?

5. De schat in de akker - 13:44


44 Het Koninkrijk der hemelen is ook gelijk aan een schat, in de akker verborgen, die iemand vond en verborg; en van blijdschap daarover gaat hij heen en verkoopt alles wat hij heeft, en koopt die akker.

De Heer spreekt hier ongetwijfeld van een tweevoudige ver­borgenheid van het Koninkrijk der hemelen en van twee ver­schillende voorwerpen, die Hij verkreeg door Zijn verlossings­werk. Als Hij de schat noemt, verborgen in de akker, die Zijn eigendom wordt door koop, bedoelt Hij Zijn aardse volk Israël. De éne parel van grote waarde, schoon en volledig, gehaald uit de zee, wijst op de Gemeente, het éne lichaam. De twee gelijkenissen openbaren dus de verborgenheid van Israël en die van de Gemeente; van beide verborgenheden geeft de Heilige Geest in de Brieven door de Apostel der Heidenen, getuigenis aan wie de verborgenheden bekend gemaakt waren. Israël is de schat in de akker. “Uit alle volkeren zult gij Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. (Exodus 19:5). “Want de Here heeft Zich Jakob verkoren, Israël tot Zijn eigendom”5 (Ps 135:4).

Toen Hij van de hemel kwam, vond Hij Zijn volk op de akker. Hij kocht de gehele wereld en daarmee het volk dat Zijn aardse schat is. “Dat Jezus sterven zou voor het volk”, wordt in Joh. 11:51 meegedeeld. Wij lezen echter niet dat Hij de schat in bezit kreeg, krijgen meer de gedachte dat de gevonden schat nog verborgen wordt in de akker, die Hij terwille van het be­zitten van de schat kocht voor zulk een grote prijs.

Israël is de bijzondere schat des Heren. Hij heeft Zijn aardse volk gekocht, dat in de toekomende eeuwen op de aarde al de deugden van Hemzelf zal openbaren. Het zal gerechtvaar­digd zijn, een afgezonderd met de Geest vervuld volk. In de profetieën van Bileam voorzegt de Geest van God wat Israël in Gods ogen is door het verlossingswerk van Jahweh. De Heer stierf voor dat volk, en nóg zijn de resultaten van Zijn dood niet geopenbaard. Israël is in de akker, in de wereld verborgen. De Heer zal nog eens terugkeren tot de akker, de wereld. Hij komt om Zijn erfenis in bezit te nemen. Dan zal Hij de schat te voorschijn halen. Zijn recht op Zijn volk Israël doen gelden en het zal zich in Zijn verlossing verheugen. Gedurende deze tijd, de bedeling van Zijn afwezigheid, is Israël in de akker ver­borgen. Dit is een van de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen. Het stemt overeen met Rom. 11:25: “Want ik wil niet, broeders! dat u deze verborgenheid onbekend zij, op­dat gij niet wijs zijt bij uzelf, dat er voor een deel over Israël verharding gekomen is, totdat de volheid der volkeren zal ingegaan zijn; en alzo zal geheel Israël behouden worden, gelijk geschreven staat: “Uit Sion zal de Verlosser komen. Hij zal de goddeloosheden afwenden van Jakob”. Helaas! het Christen­dom is wijs in haar eigen inzichten en heeft deze verborgenheid volkomen genegeerd. Het verklaart dat “God Zijn volk ver­worpen heeft en er geen hoop voor Israël is”. Het Christendom vergeet dat Israël de schat is, in de akker verborgen, gekocht door het kostbaar bloed van de Zoon van God, en dat Hij dus gelijk is aan de mens, die naar een ver land is gegaan, terug komt om Zijn rechten op de aarde te doen gelden en Israël, Zijn schat, te voorschijn te halen.


6. De éne parel van grote waarde - 13:45-46


45 Ook is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een koopman die mooie parels zoekt. 46 Toen hij één parel van grote waarde gevonden had, ging hij heen en verkocht alles wat hij had, en hij kocht hem.

Deze éne parel is de Gemeente. “Hij heeft de Gemeente lief­gehad en Zichzelf voor haar overgegeven”, staat er geschre­ven en in de gelijkenis verklaart Hij Zelf deze waarheid: De parel wordt uit de zee genomen. Op de duistere bodem van de oceaan is haar schuilplaats, in het huis van een schaaldier en door zijn werk wordt de kostbare parel geproduceerd. Een korreltje zand, zo vertelt men, raakt tussen de schelp en het dier, en veroorzaakt door zijn aanwezigheid een wondje in de zijde van het dier. Op dit nietig korreltje zand deponeert het dier een dun laagje schitterend materiaal. Dat wordt telkens en telkens herhaald, hoe dikwijls kan niemand zeggen, totdat ten­slotte in de zijde van het dier de schoonste parel gevonden wordt, een parel van grote waarde, waarin de kleuren van de regenboog en de tinten van de hemel worden weerkaatst.

Opeens wordt het duidelijk, waarom de Heer de parel gebruik­te als een type van de gemeente, die Hij liefheeft en waarvoor Hij Zichzelf overgaf. Zoals Eva genomen werd uit de zijde van Adam, zo werd Zijn zijde geopend en van daaruit is de Gemeente gebouwd. Evenals deze parel is de Gemeente een éénheid, bestaande uit ontelbaar velen door Hem alleen gekend. Deze éne parel wordt nog voortdurend uit Zijn zijde opge­bouwd. De éne parel bevindt zich nog in de duistere wateren van de zee. Hoe vele leden nog tot deze éne parel zullen wor­den toegevoegd weten wij niet. Hoe lang het zal duren, voor de Heer haar tot Zichzelf in de lucht opneemt, om Zichzelf met deze kostbare parel te kronen, kan niemand zeggen. De Gemeente behoort Hem en zal met Hem in de hemelen zijn. Van hoe grote waarde moet deze éne parel voor Hem geweest zijn dat Hij alles voor haar over had! Wat zal het bezit van die parel een heerlijkheid schenken aan de hemelse en eeuwige Koopman.

Als Hij komt om bezit van Israël, de schat en de wereld te nemen, zal de Gemeente bij Hem zijn. Laten wij ons verheu­gen in die liefde, die prijs gaf al wat zij bezat, om ons te ver­lossen uit ons verderf en verlorenheid en ons maakte tot voor­werpen van Zijn onbegrensde genade.


7. De gelijkenis van het visnet - 13:47-58


47 Het Koninkrijk der hemelen is ook gelijk aan een net, uitgeworpen in de zee, dat allerlei soorten vissen bijeenbrengt. 48 Als het vol geworden is, trekken de vissers het de oever op. Ze gaan zitten en verzamelen de goede vissen in vaten, maar de slechte gooien zij weg. 49 Zo zal het aan het einde van de wereld zijn: de engelen zullen uitgaan en de slechten uit het midden van de rechtvaardigen afzonderen, 50 en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal men jammeren en tandenknarsen. 51 Jezus zei tegen hen: Hebt u dit alles begrepen? Zij zeiden tegen Hem: Ja, Heere. 52 Hij zei tegen hen: Daarom, ieder schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes die uit zijn voorraad nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt.

53 En toen Jezus deze gelijkenissen beëindigd had, gebeurde het dat Hij van daar vertrok. 54 En Hij kwam in Zijn vaderstad en onderwees hen in hun synagoge, zodat zij versteld stonden en zeiden: Waar heeft Deze die wijsheid en krachten vandaan? 55 Is Hij niet de zoon van de timmerman? En heet zijn moeder niet Maria, en zijn broers Jakobus en Joses, en Simon en Judas? 56 En zijn zusters, zijn zij niet allen onder ons? Waar heeft Deze dan dit alles vandaan? 57 En zij namen aanstoot aan Hem. Maar Jezus zei tegen hen: Een profeet is niet ongeëerd, behalve in zijn vaderstad en in zijn huis. 58 En Hij deed daar niet veel krachten vanwege hun ongeloof.

“Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een net, dat in de zee geworpen werd en van allerlei soort samen­bracht; hetwelk zij, toen het vol geworden was, aan de oever optrokken en nedergezeten zijnde, lazen zij de goeden in de vaten bijeen, maar de kwaden wierpen zij weg. Zo zal het zijn in de voleinding der eeuw: de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden; en zullen hen werpen in de oven des vuurs; daar zal wening zijn en knersing der tanden” (13:47‑50). Dit is niet het Evangelie­net zoals het dikwijls genoemd wordt.

Nadat de éne parel is opgenomen, begint het einde der bede­ling. Het visnet wordt in de zee geworpen, die zoals wij zagen, de volkeren vertegenwoordigt. De gelijkenis verwijst naar de prediking van het eeuwig Evangelie zoals dat gedurende de grote verdrukking zal plaats vinden (Openb. 14:6 en 7). Het scheiden van de goeden en de kwaden wordt door de engelen gedaan. Dit alles kan niet op de tegenwoordige tijd noch op de Gemeente wijzen, maar op de tijd wanneer het Koninkrijk ongeveer zal worden opgericht. Dan zullen de engelen gebruikt worden, zoals duidelijk in het boek der Openbaringen beschre­ven wordt. De bozen zullen in de vurige oven worden gewor­pen en de rechtvaardigen zullen op de aarde overblijven voor het duizendjarig Koninkrijk. Dit alles in bijzonderheden te vol­gen zou ons in de geschiedenis van de 70e week van Daniël voeren. Het is hetzelfde “einde der eeuw” dat in Mattheüs 24 beschreven wordt.

Uit deze zeven gelijkenissen hebben wij de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen leren kennen, beginnende met de apostolische eeuw, terwijl ons de toestand wordt getoond, die tot het einde zal voortduren. Het is opmerkelijk, dat de laatste drie gelijkenissen, die ons bepalen bij de verborgenheid van Israël, van de Gemeente en van het einde der bedeling, uitge­sproken werden in het huis voor de discipelen. De grote menig­te kreeg ze niet te horen, ze bevatten waarheden voor de Zijnen, aan wie door de Geest van God het gegeven is de ver­borgenheden van het Koninkrijk te weten.

Daarom lezen wij: “Jezus zeide tot hen; Hebt gij al deze dingen verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heer! En Hij zeide tot pen: Daarom is iedere schriftgeleerde die een discipel van het Koninkrijk gemaakt is, gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn schat, nieuwe en oude dingen voortbrengt”. De oude dingen zijn de in het Oude Testament geopenbaarde, en de nieuwe dingen die van de nieuwe bedeling.

Na deze verklaring volgt een symbolische handeling van de Heer. “En het geschiedde, toen Jezus de gelijkenissen Beëindigd had, dat Hij van daar vertrok”. De Onthuller van de verborgenheden heeft Zijn openbaring gegeven en verdwijnt dan van het toneel, wat ons herinnert aan Zijn afwezigheid gedurende deze bedeling.

Het einde van dit hoofdstuk is geheel in overeenstemming met het begin en de onderwijzing van het gehele hoofdstuk. “En in Zijn vaderland gekomen, leerde Hij hen in hun synagogen, zodat zij verslagen stonden, en zeiden: Vanwaar heeft deze die wijsheid en die krachten? Is deze niet de zoon des timmer­mans? Is zijn moeder niet Maria genaamd, en zijn broeders Jukobus, en Jozef, en Simon en Judas? En zijn zusters, zijn zij niet allen bij ons? Vanwaar heeft deze dit alles? En zij werden aan Hem geërgerd. Doch Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeëerd dan in zijn vaderland en in zijn huis. En Hij deed aldaar niet vele krachten vanwege hun ongeloof” (13:54‑58). Wat anders is dit dan Zijn algehele verwerping. De Zijnen kenden Hem niet. Zij spraken van Zijn aardse re­laties. Voor hen is Hij “deze mens”. Zij kenden Zijn Vader niet. Zij noemden Hem “de zoon van de timmerman”. En zo wordt Hij nog steeds door Zijn aardse volk verworpen en helaas, velen van degenen, die zich naar Zijn naam in deze eeuw noemen, behandelen Hem niet beter. In het volgende hoofdstuk, zullen we verder getuige zijn van Zijn verwerping.

E-mail: verhoevenmarc@skynet.be

Homepage: http://users.skynet.be/fa390968/index.htm of http://www.verhoevenmarc.be/index.htm



Ga hier naar de Nieuwste Artikelen

1 Griekse Grondtekst: ho speirón. (M.V.)

2 Darby en Kelly menen beiden dat de tarwe de ware ge­lovigen, de Gemeente, voorstellen die in de hemel zullen worden opgenomen (Noot van de vertaler).

3 Hoererijen worden hier natuurlijk in geestelijke zin bedoeld.


1   2   3   4   5   6

  • 5. De schat in de akker - 13:44
  • 6. De éne parel van grote waarde - 13:45-46
  • 7. De gelijkenis van het visnet - 13:47-58

  • Dovnload 102.98 Kb.