Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De achterkant van de mythe landschap en wereldbeeld in Aboriginal Australië

Dovnload 25.7 Kb.

De achterkant van de mythe landschap en wereldbeeld in Aboriginal Australië



Datum25.10.2017
Grootte25.7 Kb.

Dovnload 25.7 Kb.

De achterkant van de mythe

landschap en wereldbeeld in Aboriginal Australië
Ad Borsboom

Jean Kommers

Aanvankelijk dachten de Europeanen in Australië dat de oorspronkelijke bevolking, de Aborigines, geen geordend bestaan leidden. Ze zouden, zo was de overtuiging, door gebrek aan intellectueel vermogen nauwelijks iets begrijpen van de processen in de natuur. Daarom waren ze ook overgeleverd aan de grillen van de natuur en gedoemd een zwervend bestaan te leiden, voortdurend op zoek naar voedsel. Nu twee eeuwen later weten we wel beter. Aborigines samenlevingen hebben een ingewikkelde sociale structuur en elke groep daarbinnen heeft een fabelachtige kennis van het eigen land en de natuur daarop. Juist door hun grote kennis en het inzicht in de processen in de natuur hebben ze door de eeuwen heen effectieve strategieën ontwikkeld om - behoudens in zeer extreme omstandigheden – vrijwel altijd voorzien te zijn van ruim voldoende voedsel.

Die kennis is van generatie op generatie in de vorm van mythologische verhalen en gezangen doorgegeven en verfijnd. Centraal daarin staan de reizen van de mythologische voorouders die de markante punten in het landschap schiepen en er de typische dieren en planten achterlieten die er nu te vinden zijn. Die markante punten met hun ecologische karakteristieken zijn bakens aan de hand waarvan Aborigines zich oriënteren: in het dagelijkse leven bij het vergaren van voedsel, maar ook bij het construeren van hun kosmologie waarvoor die speciale plekken de bouwstenen vormen.

Hoe in deze mythische geografie die concrete kennis van het landschap en de natuur verweven is met kosmologische voorstellingen willen wij illustreren aan de hand van een voorbeeld uit Arnhem Land, noord Australië, waar deze inheemse kennis nog springlevend isi. Aboriginal samenlevingen daar zijn onderverdeeld in clans en elk van die clans heeft een eigen grondgebied en mythologische verhalen die daarbij horen.

De clan uit ons voorbeeld noemt zich Clan van de Wilde Honing. Op het grondgebied van deze clan is veel honing te vinden, een zeer geliefd maar ook schaars product. Aborigines kennen er geneeskundige werking aan toe, geloven dat het een rol speelt in de liefdesmagie en gebruiken het graag als smaakmaker bij voedselbereiding.

De mensen van de Wilde Honing clan verklaren de topografische en natuurlijke kenmerken van hun land aan de hand van een mythologisch verhaal uit de scheppingstijd. Toen was het land nog volstrekt vormloos en leeg, maar door de komst van de Djareware, de mythologische stichter van de clan, kreeg het clangebied zijn huidige structuur en vorm.

In de scheppingstijd reisde Djareware vanuit het zuidoosten richting noordwesten. Het land dat voor hem lag was nog volstrekt vormloos. Aangekomen aan de zuidoostelijke kant van het huidige clangebied richtte hij het daar het landschap in door de namen van de planten, dieren en landschappelijke kenmerken zingend te benoemen. Dank zij Djareware groeien en nu stringy bark bomen (Eucalyptus soorten) die aan het begin van de droge tijd bloeien zodat de bijen er nectar kunnen verzamelen. Die zetten ze in holle gedeelten van die bomen om in honing. Ook vonden dank zij Djareware’s activiteiten honingvogels een veilig thuis in de bloesem van de stringy bark bomen – vogels die een belangrijke rol in de kosmologie van de Wilde Honing Clan spelen.

Djareware vervolgde zijn reis en benoemde al zingend een andere type landschap: een duister jungleachtig gebied dat hij in gereedheid bracht als verblijf voor de geesten van de doden. Een nachtvogel en zwarte vlinders zijn daar als representanten van de dood nog steeds te vinden. Weer verder naar het noordwesten richtte hij het lager gedeelte van het clangebied in met beekjes en vennen, de woonplaats van vissen en andere waterdieren. In die omgeving ontmoette hij een ander belangrijk wezen, Watergoanna. Deze reisde in tegengestelde richting, namelijk van het zuidwesten naar het noordoosten. Hun ontmoeting resulteerde in de creatie van nog meer waterpoelen – belangrijk voor de dagelijkse voedselvoorziening. Dit waterrijke gebied vormt de westgrens van het grondgebied van deze clan. Vandaar uit trok Djareware verder naar het noordwesten, in de richting van de aanstormende moessonregens.


Tot zover een uiterst beknopte en schematische samenvatting van de belangrijkste scheppingsmythe van deze clan. Wat is nu de relevantie voor de Aborigines die in dat gebied wonen?

Mythen zijn voor ons westerlingen wonderbaarlijke verhalen over al even wonderbaarlijke gebeurtenissen. We kunnen ons nauwelijks voorstellen dat ze echt iets met de werkelijkheid te maken hebben. Maar het loont om te onderzoeken wat er achter die specifieke narratieve vorm schuilgaat. Dan blijken er een aantal lagen van betekenis aan ten grondslag te liggen – patronen - die het leven structuur en zin verschaffen. Welke zijn dan die patronen die schuil gaan achter het verhaal?

Het patroon dat het meest in het oog springt, is ruimtelijk van karakter. Het land van de mensen van de Wilde Honing krijgt vorm en structuur door de daden van Djareware. Was het eerst vormloos, nu kent het verschillende typen ecologie, met de bijbehorende planten en dieren. Er is onderscheid aangebracht tussen land en water en tussen verschillende bodemgesteldheden. Dat is nog allemaal voor de hand liggend, omdat het over concrete en zichtbare verschijnselen gaat. Moeilijker te ontdekken zijn abstracte ruimtelijke patronen die verborgen liggen in het Djareware-verhaal, namelijk een horizontale en een verticale as die dienen als coördinatiepunten van de driedimensionale ruimte waarin we leven.

Laten we eerst de verticale as zoeken, die verborgen gaat achter de wezens uit de mythe. Aan het begin van het verhaal spelen dieren een rol die zich hoog in de lucht bewegen, en die te vinden zijn in de toppen van de bomen die in bloei staan. De honing etende vogels en de bijen zijn daar het duidelijkste voorbeeld van.

Midden in het verhaal ligt de nadruk op wezens die zich aan de oppervlakte bevinden: de nachtvogel die in de jungle op de bodem rondscharrelt, evenals de geesten waarvan hij de boodschapper is. Aan het einde van het verhaal zijn het de vissen die prominent aanwezig zijn, levend onder het oppervlakte. Al deze wezens samen staan model voor de ruimtelijke indeling lucht - oppervlakte - onder de oppervlakte, oftewel de verticale as: hoog, midden en laag. De boom als symbool verbindt deze drie domeinen met zijn takken in de lucht, de stam stevig op de grond en de wortels onder de grond.

Dan de horizontale as achter de cyclus van Djareware. Die voert globaal van het zuidoosten, waar Djareware het clangebied binnenkomt, naar het noordwesten waar hij het land van de Wilde Honingclan weer verlaat. De keuze voor deze richting is niet toevallig, want ze komt overeen met de twee overheersende windrichtingen in tropisch Australië. De droge tijd ontstaat wanneer de wind lange tijd uit het zuidoosten waait; dat is van ongeveer mei tot oktober op onze kalender. Het andere grote seizoen is de regentijd van oktober tot mei wanneer de wind vanuit het noordwesten komt en de Aziatische moesson aanvoert. In combinatie met Watergoanna, die in Djareware’s scheppingsverhaal van het zuidwesten naar het noordoosten reist, ligt hier de basis voor de twee belangrijkste ruimtelijke indelingen, namelijk de assen zuidoost/noordwest en zuidwest/noordoost. Zonder een dergelijke indeling van ruimte zouden de Aborigines zich even hulpeloos voelen als wij zonder onze noord/zuid- en oost/westas. Het zijn virtuele coördinatiepunten die de basis vormen voor ruimtelijke oriëntatie en gevoel voor richting.

Behalve de indeling van ruimte ligt er ook nog een andere indeling verborgen onder de oppervlakte van Djareware’s creatieve daden, namelijk de indeling van tijd. Net zoals dat het geval is bij ruimte, deelt elk volk ook tijd in. In het christelijke scheppingsverhaal staat die indeling vrijwel vooraan, zo belangrijk is die voor ons. Dag en nacht worden geschapen, vervolgens een week van zes dagen en een zevende dag om te rusten. Later zijn daar maanden en jaren aan toegevoegd. Zonder het markeren van tijd zouden wij, net als zonder ruimtelijke indeling, hulpeloos ronddolen in het bestaan.

Ook Djareware schiep een tijdsindeling, maar die ligt eveneens verborgen onder de oppervlakte van het verhaal. Djareware kwam vanuit het zuidoosten, en het verhaal en de gezangen verwijzen naar kenmerken die typisch zijn voor het begin van het droge seizoen. De zachte zuidoostelijke wind die dit seizoen inluidt noemt men liefkozend honey-wind. Bovendien beschrijven de teksten gewijd aan de honingvogels en bijen hoe zij zich te goed doet aan nectar uit de bloesem van de stringybark bomen die in bloei staan. Het is de aangenaamste tijd van het jaar met milde temperaturen en een overdaad aan voedsel.

Hoe anders is de situatie in het tweede deel van het verhaal en de daarbij horende gezangen. Als Djareware voorbij de sinistere jungle is, komt hij bij de vissen. Deze zijn echter op sterven na dood omdat de poelen uitgedroogd zijn. Hier verwijzen de teksten naar het einde van het droge seizoen, zo’n zes maanden later, wanneer de hele natuur in de problemen komt. Voedsel wordt schaars en de mensen moeten in steeds kleinere groepen over steeds grotere gebieden rondtrekken om nog wat te vinden. De grond waarop ze blootsvoets lopen is gloeiend heet, het verdorde gras is vlijmscherp en de zon schijnt genadeloos. Het is de moeilijkste tijd van het jaar; mens en natuur snakken naar regen.

Dit is de sfeer die beschreven wordt in de teksten over de vissen. Maar zoals we gezien hebben is de redding nabij. Vanuit het noordwesten, de richting waarin Djareware vertrokken is, stuurt hij de regens van de noordwest moesson. Het water gutst uit de hemel en de natuur komt weer tot leven.

Zo staan de wezens uit de Djareware-cyclus ook model voor de seizoenen. Het begin van de droge tijd is een prachtige periode: het bos staat in bloei en er is honing in overvloed op komst – het symbool bij uitstek van weldadig leven. Als die droge tijd echter langer duurt, slaat weldaad over in bedreiging. De natuur verdort en de waterpoelen drogen uit, met alle gevolgen van dien. Wanneer de natuur het dreigt te begeven brengen de regens uit het noordwesten redding. Maar ook het regenseizoen mag niet de overhand krijgen want als het water in bakken naar beneden blijft komen, zou het leven voor mens en natuur ook onmogelijk worden. Gelukkig draait de wind wel weer naar het zuidoosten en begint de hele cyclus opnieuw.

Overigens kennen de Aborigines binnen deze twee voornaamste seizoenen - regen en droge tijd - tal van nuances. In feite bestaat hun seizoenskalender uit maar liefst elf perioden, die alle worden aangegeven door bepaalde kenmerken uit de natuur: wanneer de bloesem begint, wanneer bepaalde vruchten bloeien, wanneer de ganzen in overvloed eieren produceren, wanneer een hagedis bepaalde geluiden begint te maken en wanneer het gras platgeslagen wordt door de stormen.

Naast de indeling van ruimte en tijd worden er nog meer patronen zichtbaar als we de achterkant van het verhaal blijven bestuderen. Het belangrijkste daarvan is het religieuze. Nu is het hele verhaal in zekere zin religieus, omdat het gaat over de heilige scheppingstijd waarin wezens bovennatuurlijke gaven bezaten. Maar nadrukkelijk bevatten de verhalen ook informatie over de betekenis van geboorte en dood, de oorsprong van de menselijke ziel en de bestemming van de mensen en hun plaats in het grote geheel der dingen. Het is vooral hier dat de spirituele relatie tussen Aborigines en de natuur in haar volle omvang tot uitdrukking komt, vooral omdat elementen uit de natuur en het landschap de bouwstenen vormen waaruit de Aboriginal levensbeschouwing opgebouwd is.

In het eerste deel van Djareware's verhaal spelen wezens een rol die metaforen zijn voor vruchtbaarheid en ontluikend leven. De honingvogels zijn te vinden bij de bloesem van de eucalyptusbomen waar ze zich aan nectar te goed doen. De tijd van het jaar waarin dat deel van het verhaal zich afspeelt, bruist van het nieuwe leven. De regentijd is voorbij en heeft de natuur en alles wat er in leeft weer vruchtbaar gemaakt. De gezangen, dansen en verhalen staan hier bol van de symbolische verwijzingen daarnaar: bloesem, nectar, bijen, honing en honingvogels.

Op verschillende markante plekken in het landschap (rotsen, een kreek, een bijzondere waterpoel) liet Djareware delen van zijn eigen spirituele levenskracht achter. De honey-wind blaast over deze sacrale plaatsen en maakt partikels van Djareware’s spirituele kracht los die de flora en fauna, maar ook de foetussen van ongeboren kinderen bezielen. Deze plekken zijn tot de dag van vandaag bronnen van alle leven. Zo lang de mensen van de Wilde Honing Clan het land in stand houden, profiteren ze van die levensbronnen.

Naast de uitbundige nadruk op vitaliteit en ontluikend leven is ook de dood nadrukkelijk aanwezig in Djareware’s reis. De junglegebieden en de wezens die daarin thuishoren zijn in het verhaal en de gezangen duidelijk verbonden met de dood. Deze sinistere plekken bieden onderdak aan de geesten van de doden. Het sterven speelt ook nog een rol in het tweede gedeelte van Djareware's reis, wanneer hij tegen het einde van de droge tijd aankomt in het lagere gedeelte van het clangebied. Zoals gezegd: de natuur is op sterven na dood en de vissen happen naar zuurstof in de uitgedroogde waterpoelen. Maar hier overwint uiteindelijk opnieuw de idee leven door de komst van de noordwest-moesson. De jonge visjes die nu speels in het water dartelen zijn weer metaforen voor het nieuwe ontluikende leven.

Met de verschijnselen ruimte en tijd, en leven en dood, zijn belangrijke patronen achter de cyclus van Djareware blootgelegd. Maar daarmee zijn we er nog niet, want er is nog minstens een andere patroon te ontwaren: het economische. In het eerste deel van het verhaal draait alles om de productie van heilzaam voedsel: honing. De bomen, de bloesem en de bijen voorzien mensen van dit geliefd product. Tegelijkertijd biedt dit open bos voldoende mogelijkheden om ander voedsel te verschalken.

In het junglegedeelte is niets te vinden wat eetbaar is. Behalve dat de plekken zelf moeilijk toegankelijk zijn door hun dichte begroeiing, leeft er ook geen enkel wezen wat voor consumptie geschikt is. Dan komt weer het lagere, moerasachtige gebied. Ook al snakken de dieren naar water als Djareware er aankomt, spoedig zal er een overvloed zijn aan waterdieren en -planten die deel uitmaken van het gevarieerde traditionele dieet van Aborigines.


Tot zover de patronen achter de verhalen en gezangenii. Tijdens de levensloop van elk individu worden deze verhalen en gezangen talloze malen ten gehore gebracht – eerst in hun simpele vorm voor de kinderen en daarna in steeds groter detail. Uiteindelijk zal elke volwassene de complexiteit van die mythologische verhalen en gezangen kunnen doorgronden zodat niemand verdwaalt, noch in de natuur (de kennisdimensie), noch in het leven zelf (de religieuze dimensie).

Door de handelingen van de mythologische wezens heeft leeg en vormloos land structuur en betekenis gekregen. Ruimte wordt geordend en krijgt betekenis via benaming. Door naamgeving wordt vormloosheid en leegheid getransformeerd tot territorium – tot topografie. De ruimtelijke noties en begrippen zijn niet slechts descriptief, ze zijn ook intentioneel: ze hebben effect op het handelen en denken met betrekking tot de omgeving. Aborigines voelen zich moreel verwantwoordelijk voor het in stand houden van het land zoals ze dat van hun mythologische voorouders gekregen hebben. Tegelijk vormt deze verantwoordelijkheid naar de buitenwereld toe de inspiratiebron voor hun politieke strijd om landrechten die voor de Arnhem Landers tot nu toe een succes is gebleken.




i Voor een gedetailleerde uitwerking van dit artikel zie:

Borsboom, Ad 2006 De Clan van de Wilde Honing. Haarlem: Binkey Kok Publications.



Kommers, Jean, 1994 Mythische Geografie. Landschap en wereldbeeld in niet-westerse culturen. In: Driessen, H. & H. De Jonge (eds) In de Ban van Betekenis. Proeven van symbolische antropologie, pp46-70. Nijmegen: Sun

ii


 Omdat clans exogaam zijn bestaat het gemiddelde huisgezin uit leden van drie, meestal vier clans: een man (clan a), zijn echtgenote (clan b), zijn aanstaande schoonzonen die tijdelijk inwonen (clan c) en meestal schoonouders waarvan de vrouw een vierde clan vertegenwoordigt. Elk volwassen individu uit zo’n huishouden moet niet alleen de verhalen en gezangen van de eigen clan kennen, maar ook die van de andere clanleden. Zo leren Aborigines de ecologie van een veel groter gebied beheersen dan alleen dat van hun eigen clan. Dat biedt ook een veel grotere variatie aan voedsel dan wanneer men slechts op het eigen clangebied aangewezen was.






Dovnload 25.7 Kb.