Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De begrotingsstaten van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII), onderdeel Media, voor het jaar 2009

Dovnload 302.82 Kb.

De begrotingsstaten van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII), onderdeel Media, voor het jaar 2009



Pagina6/7
Datum05.12.2018
Grootte302.82 Kb.

Dovnload 302.82 Kb.
1   2   3   4   5   6   7
Remkes (VVD): Ik begrijp wat de minister zegt over de voorbereiding op de volgende concessieperiode. Maar is het niet de regering die in dat proces het voortouw moet nemen, ook in het debat? De heer Vendrik en Van der Ham hebben eveneens gezegd dat het hieraan ontbreekt. Wij zouden deze minister graag handelend zien optreden.
Minister Plasterk: Ik snap wat de heer Remkes zegt, maar ik heb geprobeerd duidelijk te maken dat volgens mij de reden voor de verandering van het systeem niet is gelegen in onvrede over het huidige systeem, maar in de technologie, die op een gegeven moment een andere werkelijkheid doet ontstaan. Ik kom zo terug op het onderwerp van de programmaraden en het aanbod van kanalen. Als er dadelijk een model is met 250 kanalen, vervalt deze discussie. Bij meer onderwerpen zul je zien dat discussies door de technologie verschuiven of verdwijnen. Ik heb geen glazen bol. Ik kan dus niet zien wat eraan komt. Ik zeg toe dat ik mijn uiterste best zal doen om met nieuwe, interessante ontwikkelingen, ondersteunend en richtinggevend bezig te zijn.

Dat geldt bijvoorbeeld voor de Multimediawet, waarin wij proberen te zorgen voor regels die het mogelijk maken dat omroepen ook actief zijn op internet, nieuwe media en mobiele telefoons, zonder tegen beperkingen aan te lopen. Ik probeer daarin wel voorop te lopen, maar ik vind dit niet het moment om alles op de schop te nemen.

Diverse leden vroegen naar de Omroepmededeling van de Europese Commissie. Vorige week hebben wij daar uitgebreid over gesproken met de vaste commissies voor BZ en voor OCW ter voorbereiding van de OJC-raad. Eigenlijk heeft de bijeenkomst van de OJC-raad niet veel verandering gebracht in hetgeen wij tijdens dat algemeen overleg hebben besproken. Een grote meerderheid van de lidstaten, 19 in totaal, heeft EU-commissaris Kroes gevraagd om bij het vaststellen van de Omroepmededeling goed rekening te houden met de Nederlandse bezwaren en dus niet het argument van markttoets zo fijnmazig toe te passen dat je het functioneren van de publieke omroep nodeloos belemmert. Ik heb tijdens het algemeen overleg vorige week ook aangegeven dat de Commissie een autonome bevoegdheid heeft om die Omroepmededeling vast te stellen. In antwoord op vragen van de Kamer heb ik toen gezegd dat als de Commissie niet luistert naar een grote meerderheid van de lidstaten en de mededeling vaststelt, er verder geen beroep openstaat. Je kunt dan alleen nog maar tegen die mededeling ingaan en dan kijken wat er uiteindelijk bij het Europese Hof van Justitie gebeurt. Het zijn echter wel de geldende spelregels.

Ik heb tijdens de OJC-raad echter wel een klemmend beroep op de Commissie gedaan om juist in een tijd waar wij Europa voor veel onderwerpen -- te denken valt aan de kredietcrisis -- hard nodig hebben, niet in te gaan tegen de wens van een grote meerderheid van de lidstaten om het op dit terrein zelf te regelen.


De heer Atsma (CDA): Dit is natuurlijk buitengewoon relevant. Ik ben blij dat u een klemmend beroep op de Commissie hebt gedaan. Als de Commissie miljoenen Nederlanders tegen de haren strijkt, dan weet je ook niet welke consequenties dat kan hebben. Heeft EU-commissaris Kroes, afgezien van het feit dat zij snel weg moet -- zeker als ze met zulke plannen komt -- een doorkijkje gegeven in de tijd? Wanneer neemt zij beslissingen?
Minister Plasterk: De commissaris die aanwezig was bij de OJC-raad was de EU-commissaris voor cultuur. Mevrouw Kroes, EU-commissaris voor mededinging was niet aanwezig.
De heer Atsma (CDA): Dan moeten ze beide weg.
Minister Plasterk (CDA): Mevrouw Kroes heeft er niet op gereageerd. Het antwoord op uw specifieke vraag weet ik echter. Op 15 januari moeten namelijk de bezwaren binnen zijn. Op basis daarvan moet de Commissie dan de uiteindelijke Omroepmededeling vaststellen. Er bestaat dus geen twijfel wanneer de mededeling wordt vastgesteld, hooguit over de mate waarin de Commissie rekening houdt met de bezwaren.
De heer Jasper van Dijk (SP): U zegt: als 19 lidstaten, waaronder de grootste zoals Frankrijk, Duitsland en Engeland, iets willen, dan nog kan de Europese Commissie een mededeling doen die tegen die wens ingaat. Is dat geen aanleiding om die systematiek in die raad aan de orde te stellen? Het is toch hoogst merkwaardig dat de grote meerderheid van de Europese Unie iets niet wil, maar dat de Commissie ongeacht die opvatting gewoon kan doorgaan?
Minister Plasterk (CDA): Op dat onderwerp ben ik in dit kabinet geen portefeuillehouder. Dat heeft niets meer met de media te maken, maar met de Europese spelregels. De EU-commissaris voor mededinging heeft een eigen bevoegdheid om mededelingen vast te stellen.

Ik heb dit voorstel zelf aan mijn collega's in de OJC-raad gedaan. 19 ervan, waaronder Frankrijk, Duitsland en Engeland, hebben aangegeven mijn vraag aan de commissaris te ondersteunen. Ik hoop dus dat serieus geluisterd wordt naar die oproep. Dit is de situatie zoals die thans voorligt.


De heer Van Dam (PvdA): De eurocommissaris kan formeel die bevoegdheid hebben, maar de Raad van Ministers heeft in ieder geval de bevoegdheid om regels en wetgeving voor te stellen. Als de commissaris dit doorzet -- zij heeft dat her en der al aangekondigd -- kunnen die 19 lidstaten dan zelf een regel vaststellen die haar besluit vervolgens terugdraait?
Minister Plasterk (CDA): Dat kan ik zo niet overzien. Ik wil daarop niet vooruitlopen. In dit hele dossier gaat het natuurlijk over de interpretatie van de vraag waarvoor lidstaten zelf nog wel en waar niet verantwoordelijk zijn.

Ons recht op een publieke omroep -- wij hebben dit vorige week uitgebreid besproken -- betwist de Commissaris niet. Ik betwist het niet dat de Europese Commissie het recht heeft om erop toe te zien dat ook de publieke omroep geen dingen doet die marktvervalsend zijn. Het is bijvoorbeeld niet de bedoeling dat de publieke omroep gymschoenen op de markt brengt. Daar hebben wij geen publieke omroep voor. De vraag is iets subtieler dan "ja" of "nee" publieke omroep. De vraag is met welke mate van fijnmazigheid de Europese Commissie mag toezien op het publieke karakter. Ik vind dat men moet zeggen dat er in Nederland een publieke omroep is, ook multimediaal beschikbaar en op mobiele telefoons enzovoorts. Wij hebben een goed systeem van toezicht via het Commissariaat voor de Media om ervoor te zorgen dat de omroep blijft doen waarvoor hij er is. Daar zou men tevreden mee moeten zijn in Brussel, terwijl daar het standpunt is: nee, wij gaan per nieuwe activiteit opnieuw toetsen of die geen inbreuk op de markt maakt. Daarover gaat de discussie op dit moment.

Voorzitter. Een aantal opmerkingen raakt de erkenningenwet. De heer Vendrik en anderen spraken over drempels en glijdende schalen. Ik stel voor om dit gesprek te voeren als het wetsvoorstel in de Kamer aan de orde is. Terecht werd gevraagd waar het blijft. Het wetsvoorstel heeft bij de Raad van State gelegen. Kennelijk is er heel degelijk aan gewerkt. Het wetsvoorstel is nu terug bij mij. Het zal uiterlijk begin december bij de Kamer worden ingediend. Er zit wel enige tijdsdruk op, want in april is de teldatum voor de ledenaantallen. Dan moeten de erkenningen worden aangevraagd voor de nieuwe periode, 2010 tot 2015. Wij hebben er in een eerder stadium al een gesprek over gehad, voordat het naar de Raad van State ging. Er zal volop ruimte zijn -- de heer Slob vroeg hiernaar -- om daar serieus mee aan de gang te gaan.
De heer Vendrik (GroenLinks): Ik vind het wel een beetje vreemd dat wij een wetsvoorstel met een materiële betekenis op zo'n korte termijn -- de afrekening is op 1 april 2009 -- nog niet hebben. Ik zie dat toch goed? De minister zegt eigenlijk tegen ons: zorg er maar voor dat dat ding voor kerstmis in de Eerst Kamer ligt. Dat is bijna een schoffering van het veld. Of zie ik het verkeerd?
Minister Plasterk: Nee, dat ziet u verkeerd. De wet gaat ook niet in per april 2009. Dan is de peildatum voor het aantal leden. Zij is bedoeld voor de nieuwe concessieperiode, pas in 2010.
De heer Vendrik (GroenLinks): Dat snap ik, maar de afrekening met de omroepen -- het gaat daarbij ook om nieuwe initiatieven -- is per 1 april 2009. In dit wetsvoorstel wordt geregeld waar zij op worden afgerekend. Dat zie ik toch goed?
Minister Plasterk: Het wetsvoorstel regelt de relatie tussen het aantal leden en de hoeveelheid zendtijd dan wel het budget, zaken die gekoppeld zijn.
De voorzitter: Wij gaan niet nu debatteren over iets wat begin december naar de Kamer komt. De minister heeft het tijdpad aangegeven. Er ligt nog een gigantische stapel andere vragen.

**
De heer Van der Ham (D66): Ik heb toch een punt van orde. Wij gaan straks een wet behandelen in een periode waarin wij ook precies weten over welke omroepen wij beslissen, want dan gaan wij met de systematiek van die wetgeving aan de slag. Wij zullen eisen stellen waarbij wij precies weten hoe zij uitvallen omdat de meting al is geweest. Het meest zuivere is dat wij tevoren eisen stellen en aan het einde van het proces zien wij wie daaraan voldoen. Dan krijg je bijna een omgekeerde volgorde. Dat maakt wettechnisch en voor het vertrouwen in de overheid wel degelijk wat uit.


Minister Plasterk: Ik begrijp wat u zegt. Overigens is dit tijdpad eerder aangegeven, maar er is enige vertraging omdat het voostel vier maanden bij de Raad van State heeft gelegen. Dat scheelt een of twee maanden ten opzichte van de planning die wij in gedachte hadden. Ik ben het met u eens dat het onwenselijk is dat over de schaal wordt gesproken op het moment dat je al precies weet hoeveel leden de omroepen hebben. Wij zullen een oplossing moeten zoeken. Ofwel wij doen de behandeling voordien, waarbij wel afstemming moet plaatsvinden met de Kamer, want zij moet voldoend tijd hebben om er serieus naar te kijken, dan wel zal de peildatum opgeschoven moeten worden. Dat wil ik afstemmen met de omroepen, want zij hebben op de datum van 1 april aangedrongen. Ik ben het met u eens dat het een beetje gek wordt als je een soort schimmendiscussie voert, terwijl je precies weet over welke omroepen je het dan hebt.

Voorzitter. Ik kom op het grote onderwerp de regio. Ik dank allereerst de heer Atsma voor zijn nota. Hij was zo vriendelijk om die mij een paar dagen eerder al in concept te geven, zodat ik er kennis van heb kunnen nemen.

Vooropstaat dat ik veel sympathie en waardering heb voor wat de regionale omroep doet. Ik geloof dat ook alle woordvoerders dat hebben gezegd. Het aantal kijkers naar de regionale omroep is veel groter dan men een paar jaar geleden had gedacht.

Vervolgens heeft de heer Atsma gevraagd om meer samenwerking tussen de landelijke publieke omroep en de regionale omroepen. Overigens kom ik daar op een ander moment nog op terug, maar ik wil er nu alvast een paar opmerkingen over maken. De samenwerking is er wel en ik kan daar een rijtje van noemen. Ik stel de Kamer voor dat ik dit per brief nog eens nader uiteenzet, zodat zij het precies kan zien. De samenwerking vindt plaats bij onder meer nieuwe media en evenementen, zoals de marathon van Rotterdam, waar het sportdeel door de landelijke omroep wordt gepakt en het lokale deel door de lokale omroep. Men is gesprek over regiocrimi's. Het populaire genre van de crimi wordt dan samen met de regionale omroep gemaakt, toegespitst op de regio. De landelijke publieke omroep heeft daarbij ook het voornemen om eerder in het traject te gaan samenwerken. Men wacht niet totdat de series klaar zijn, waarna men deze voor een vrij laag bedrag koopt. Er gebeurt dus veel.

Ik zeg graag toe dat ik een gesprek aanga met het IPO, onder meer over de archieven en de toegang tot Beeld en Geluid. Ik zet er een grote kanttekening bij, die de heer Van Dam ook gemaakt heeft. Voor mijn tijd heeft de Kamer besloten om een onderverdeling te maken waarbij de lokale omroep de verantwoordelijkheid is van de gemeentelijke overheid, de regionale omroep van de provinciale overheid en de landelijke publieke omroep van de landelijke overheid. Daar houd ik aan vast. Daarmee zijn het budget en de verantwoordelijkheid bij die verschillende bestuurslagen gelegd. That's it. In het nu voorliggende plan zet ik bij pagina 15, de pagina met de financiering, nog wel vraagtekens. Er wordt 15 mln. voor een fors deel vanuit de landelijke publieke omroep overgeheveld naar de regionale omroep. Daar ben ik op voorhand niet voor. De heer Atsma zegt in zijn toelichting dat het gaat om samenwerking die vrijwillig aangegaan wordt, waarbij van twee kanten wat wordt ingebracht. Dat vind ik een ander verhaal. Zomaar overhevelen lijkt mij echter niet verstandig. Ik vind dat de provinciale besturen daarin hun verantwoordelijkheid moeten nemen. 15 mln. is €1 per provincie per inwoner per jaar. Wanneer het provinciaal bestuur daaraan hecht, vind ik het terecht dat men het geld daarvoor inzet. Ik wil het graag doen, ik ga het overleg aan, maar ik zeg op voorhand dat het niet het karakter moet krijgen dat wij een deel van het budget voor de landelijke omroep naar de regionale omroep overhevelen.
De heer Atsma (CDA): Ik denk dat de rekensom van de minister niet helemaal klopt, maar ik vind niet dat het nu het moment is om daar inhoudelijk op te gaan. Ik vind het belangrijk dat de minister aangeeft dat hij het gesprek wil aangaan met de provincies en ROOS, het collectief van regionale omroepen, opdat hij de knelpunten kan inventariseren. Vervolgens kom je automatisch op de vraag wat een rijksverantwoordelijkheid is en wat een primaire provinciale verantwoordelijkheid. Ik heb vorig jaar al bij de begroting gezegd dat je juist door slim samen te werken een belangrijk deel van de problemen kunt oplossen. Dit kan miljoenen schelen aan beide kanten. Als de minister er inhoudelijk op terugkomt in een brief, dan vind ik dat prachtig. Wij gaan dan begin volgend jaar de discussie hierover aan. Wij hebben dan allemaal erover nagedacht en gesprekken gevoerd. Ik denk dat dit voldoende is om een vervolgstap na de jaarwisseling te zetten.
Minister Plasterk: Dit zeg ik toe.

Voorzitter. De heren Remkes en Bosma hebben, wellicht in iets verschillende toonzetting, een kanttekening geplaatst bij de aard van de publieke omroep. Ik zei er in mijn algemene inleiding al iets over. Wij verschillen van mening, kennelijk ook met de fractie van GroenLinks, over de rol die de publieke omroep in het bestel zou moeten hebben. Ik blijf voorstander van een krachtige publieke omroep en niet van een aanvullende. Ik wil ook bij de diverse onderwerpen die dan aan de orde komen, zoals het recht op reclame, dit wel in het achterhoofd houden.

Het is natuurlijk heel makkelijk om reclame maar te verbieden, zoals Sarkozy doet. Je krijgt dan interessante coalities in de Kamer tussen de SP-fractie, die kritisch is op reclame, en de heer Remkes, die kritisch is op de rol van de publieke omroep in het bestel. Als je daarvoor kiest, denk ik dat je een heel zuivere publieke omroep krijgt, maar ook een heel kleine. Ik zou dat jammer vinden. Om die reden ben ik er niet voor. Ik ben daar zelfs niet voor als Sarkozy en de SP daar alle twee voor zouden zijn, hoewel ik zowel Sarkozy als de SP een belangrijk baken vind in mijn denken.
De heer Jasper van Dijk (SP): Dat hangt ervan af. Sarkozy heeft er juist door extra financiering voor gezorgd dat de publieke omroep niet kleiner wordt.
Minister Plasterk: Het gaat daarbij wel om 200 mln.
De heer Jasper van Dijk (SP): Dat weet ik. Ik heb u daarom voorgesteld om er stapsgewijs toe over te gaan.
Minister Plasterk: 39f-omroepen hebben strikt gesproken niet te maken met de erkenningenwet, maar hierover kan ook nu worden gesproken. Over de scheiding van kerk en staat merk ik op dat de Staat geen invloed heeft op de inhoud van die programma's. Op zichzelf worstel ik daar niet mee. Ik ben zelf niet kerkelijk en ik kijk eerlijk gezegd nooit naar die programma's. Men zendt kerkdiensten en missen uit, of hoe de sessies bij de verschillende denominaties ook mogen heten, voor mensen die misschien slecht ter been zijn, die er misschien zelf niet naartoe kunnen, die bedlegerig zijn of die er de moeite niet voor willen nemen om er naartoe te gaan, maar er toch kennis van willen nemen. Voor een betrekkelijk klein budget worden de 39f-omroepen daartoe in de gelegenheid gesteld op momenten dat het eigenlijk niemand heel erg in de weg zit. Mijn liberale neiging is dan om te zeggen: laat gaan, wees blij. Zelfs in Engeland, waar een heel ander systeem bestaat, heeft men wel een dergelijke functie.

Er werd wel een interessante vraag opgeworpen hoe de omvang van de zendtijd wordt gemeten, zoals die door het Commissariaat voor de Media wordt toebedeeld. Men heeft daarvoor een toverformule gevonden die ook voor de rechter overeind is gebleven bij de gelegenheden waar deze werd aangevochten. Als ik zeg "toverformule", kan ik kan mij echter voorstellen dat de Kamer dat geen bevredigend antwoord vindt. Als de Kamer wat preciezer wil weten hoe het Commissariaat voor de Media de zendtijd aan de 39f-omroepen toebedeelt, dan zal ik dat navragen en schriftelijk laten weten.


De heer Remkes (VVD): Ik wil niks afdoen aan datgene wat wordt uitgezonden en aan de waarde die dat voor mensen heeft. Als vanuit het katholicisme of vanuit wat dan ook de waarde ergens van wordt ingezien, waarom wordt dat dan niet tot gewoon tot de verantwoordelijkheid gerekend van de aan de zuilen verbonden ledenomroepen? Ik zeg dit met de heer Van der Ham. Dat is eigenlijk de kern van mijn betoog.
De heer Van der Ham (D66): De minister zegt dat hij nog wel even wil kijken hoe het precies wordt gewogen. Er was wel een aanbeveling van ECORYS om naar de wegingssystematiek te kijken. Ik leg die aanbeveling neer bij de minister en vraag hem of hij daarmee iets kan doen. Ik vraag hem niet alleen om deze aanbeveling in kaart te brengen. Er wordt blijkbaar geconstateerd dat daarover wel discussie kan zijn. Ik vraag dus om niet alleen te kijken, maar ook om te heroverwegen.
Minister Plasterk: Tegen de heer Remkes zeg ik dat ik mij de redenering voor de omroepen van katholieken en protestanten nog wel kan voorstellen. Onder 39f-omroepen weten echter ook hindoes, boeddhisten, enz. en zelfs de humanisten hun toegang te vinden. Van die laatste groep kun je zeggen dat hij genoeg andere profane omroepen heeft om zijn producten te slijten. Het geldt in ieder geval niet voor alle denominaties dat zij die vanzelfsprekende weg hebben. Op de vraag van de heer Van der Ham zeg ik: laat mij even vragen wat daarvoor de criteria zijn. Die stuur ik de Kamer toe met wat ik daarvan vind. De heer Van der Ham kan dan altijd nog bekijken of er aanleiding is om daarop nog terug te komen. Kan de heer Van der Ham zich daarin vinden?
De heer Van der Ham (D66): Ja. Ik wil gewoon dat u uiting geeft aan de tekst die door ECORYS is geschreven. Er moet worden overwogen of dat wel een goede wegingssystematiek is.
Minister Plasterk: Ik geef uiting aan mijn eigen tekst. Ik zeg toe dat ik de feiten opvraag. Vergezeld van mijn commentaar stuur ik die naar de Kamer. Meer kan ik niet toezeggen.
De heer Atsma (CDA): Ik vind prima dat de heer Van der Ham zegt dat er uiting aan die tekst moet worden gegeven. Maar er zijn ook andere fracties die daar iets van vinden.

Minister Plasterk: Ik ben altijd graag in de positie dat ik zeg dat ik iets oplos of zal doen, maar ik zeg in alle eerlijkheid dat ik de kwestie van de programmaraden ingewikkeld vind. Wat is er namelijk gebeurd? Er was ooit een kabel, die in het bezit was van de overheid. Die kabel is geprivatiseerd en om te zorgen dat de burger toch invloed kan hebben op wat er via de kabel komt, zijn programmaraden ingesteld. Die programmaraden functioneren heel erg matig. Er is toch geen burger in de zaal die de door hem gekozen vertegenwoordiger in de programmaraad belt wanneer Animal Planet wordt vervangen door Discovery Channel? Het is geen erg toegankelijke manier van democratie. Het is een mengvorm tussen markt en publiek domein. Eigenlijk is het natuurlijk markt, maar het is geprivatiseerd en er zit een vorm van toezicht in die lijkt op iets in het publieke domein. Ik heb geprobeerd om daarvoor modellen uit te werken -- er is een motie over aangenomen -- maar dat is lastig.

Er komt bij dat de Europese Commissie nog een inbreukprocedure heeft lopen tegen de huidige programmaraden. Men gaat helemaal in de gordijnen als wij het model gaan uitbreiden naar het digitale pakket en ik denk dat wij daarmee uiteindelijk nat zouden gaan bij het hof. Het is echt een ingewikkeld onderwerp, anders had ik het wel gedaan. Ik ben er ook druk mee bezig geweest. Wij moeten er op terugkomen. U zegt dat er toch enige vorm van toezicht moet zijn op wat dadelijk op al die kabels en digitaal wordt aangeboden. Ik zal de Kamer begin volgend jaar informeren over de modellen die ik heb en dan moeten wij daarover een open gesprek hebben. Ik ben het met de Kamer eens dat je de consument idealiter grip zou willen geven op wat er op televisie komt, maar het moet technisch kunnen, het moet binnen de regels passen en de Kamer moet het ermee eens zijn.
De heer Jasper van Dijk (SP): De minister wil er dus in januari op terugkomen. Dat kan, maar ik wil graag een aparte reactie op mijn voorstel over Digitenne. Die neemt namelijk een aparte positie in. Er is nu helemaal niets voor en Digitenne heeft een kleiner aanbod van zenders dan andere digitale aanbieders, dus er moet urgent iets voor bedacht worden.
Minister Plasterk: Ik zal Digitenne in mijn reactie betrekken. Overigens geldt voor Digitenne ook dat het niet gemakkelijk zal zijn om een oplossing te vinden voor hoe wij het kunnen sturen, met dat verschil dat het misschien wat minder prangt omdat digitaal soms meer kanalen aangeboden kunnen worden.
De heer Jasper van Dijk (SP): Dat is bij Digitenne nu juist het punt, het gaat om 23 zenders.
De heer Vendrik (GroenLinks): Het lijkt mij prima dat de minister in januari met een reactie komt. Misschien kan hij daarin aan twee punten extra aandacht besteden.

Het eerste punt is, dat dit debat al heel vaak gevoerd is, vanuit het idee dat wij in een soort tussentijd leven, maar dat de schaarste op een gegeven moment voorbij zal zijn en dat iedereen dan alles krijgt via elke infrastructuur. Dat perspectief blijkt elke keer tegen te vallen. Ik heb behoefte aan een wat reëler perspectief van het kabinet. Welke infrastructuren concurreren nu precies met elkaar en wat zijn de perspectieven daarvan? Hoe zit het met de ontvangst van welke kanalen via diverse vormen van infrastructuur?

Ten tweede loopt daaroverheen een discussie over must carry. De vraag is of daar geen kapstok zit om te borgen dat alle Nederlanders -- ik zeg het maar even heel kort door de bocht -- zoveel mogelijk ontvangen via zoveel mogelijk infrastructuur. Dat zou namelijk het mooiste zijn. Welke ruimte is daarvoor?
De heer Atsma (CDA): Dat was ongeveer mijn vraag aan de minister. Kan in de januaribrief, waarin inhoudelijk wordt ingegaan op de eerder aangenomen motie en dat wat nu is gesuggereerd, ook worden ingegaan op de must-carryverplichting in het digitale kabeldomein -- nu niet geregeld -- en in het digitale etherdomein? Dan heb je een deel van het probleem opgelost, maar niet het deel waarover collega Van Dijk begon.
Minister Plasterk: De heer Vendrik heeft gelijk dat het een deel van het probleem is dat iedereen het onbestemde gevoel heeft dat het om een tussenprobleem gaat. Het is dus lastig om een nieuwe democratische toezichtsvorm te creëren voor een medium waarvan je denkt dat het toch niet zo kan zijn dat we over vijf jaar nog steeds met die 23 kanaaltjes zitten. Dus wie ga je daarvoor krijgen, wie gaan er in zitten en hoe gaat dat in de praktijk werken? Dat is een deel van het probleem. Tegelijkertijd kan je niet zeggen: het is maar voor een paar jaar, dus wij doen niets. De burger kan dan namelijk niet de tucht van de markt doen laten gelden. Hij kan dan niet een andere kabelaar nemen. Het is ook niet de tucht van de omroep. Hij kan ook er ook niet via Kamervragen invloed op hebben. Er moet evenwel toch een manier zijn om er invloed op te hebben.

De heer Vendruk stelde een specifieke vraag over de kanalen. Het punt van de frequenties ligt primair op het beleidsterrein van collega Heemskerk.


De heer
1   2   3   4   5   6   7

  • Plasterk
  • Jasper van Dijk
  • Van der Ham
  • Atsma

  • Dovnload 302.82 Kb.