Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri

Dovnload 0.67 Mb.

De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri



Pagina1/22
Datum12.03.2017
Grootte0.67 Mb.

Dovnload 0.67 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22

De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri


Originele titel

De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri

Vindplaats WA

WA 6, 484–373

Verschijningsjaar

1520

Vertaling

Nederlandse vertaling dr. C.N. Impeta

Deutsche Übersetzung ?

English Translation Philadelphia Edition


Overig

In de Duitse vertaling zijn sommige passages achterwege gelaten

( NV: 2-74, DÜ: 75-113, ET: 114-177)

De babylonische gevangenschap van de kerk, voorspel van Martin Luther


Maarten Luther, Augustijner brengt zijn vriend Herman Tulich zijn groet.

Of ik nu wil of niet, ik word welhaast gedwongen om dagelijks geleerder te worden daar zóvele en zó voorname Magistri om strijd zich tot mij wenden en mij bewerken. Over de aflaat heb ik twee jaar geleden geschreven, maar zó dat ik er nu buitengewoon veel spijt van heb dat ik het boekje heb uitgegeven. Immers toen ter tijd had ik me nog niet kunnen losmaken van een bepaalde grote bijgelovigheid ten aanzien van de roomse tirannie, zodat ik meende dat de aflaat niet volstrekt te verwerpen was, daar ik duidelijk opmerkte, dat hij met zo grote eenstemmigheid door allen werd goedgekeurd. En het was toch geen wonder, daar ik het toen alléén was die dit rotsblok niet gunstig gezind was. Maar later, ondersteund door de vriendelijkheid van Sylvester en de broeders, die hem krachtig verdedigden, heb ik leren inzien dat deze aflaten niet anders zijn dan zuiver bedriegerijen van roomse vleiers5, door welke zij èn het geloof in God te gronde richten èn de mensen het geld uit hun zak kloppen. En zelfs wilde ik graag dat ik van de boekverkopers kon gedaan krijgen, en allen die ze gelezen hebben kon overreden, dat ze al mijn boekjes, die over de aflaat handelen, verbrandden en in plaats van alles wat ik er over geschreven heb, alleen deze stelling zich inprentten: Aflaten zijn nietswaardigheden van roomse vleiers.

Daarna zijn Eck en Emser met hun saamgezworenen er mee begonnen om mij te onderwijzen inzake het primaat van de paus. En ook hier, opdat ik toch zo geleerde mannen niet ondankbaar moge zijn, erken ik dat hun werken mijn kennis aanmerkelijk verder hebben gebracht. Immers, terwijl ik had ontkend dat het pausdom aan goddelijk recht zijn oorsprong had te danken, had ik er wel van willen weten dat het die dankte aan menselijk recht. Maar nu ik de zó fijn-uitgesponnen spitsvondigheden van deze trosknechten, waarmee zij hun afgod kunstig-knap op zijn plaats zetten (want ik heb in deze zaken niet een verstandelijke aanleg die zich nooit en nergens wil laten leren) heb gehoord en gelezen, nú weet ik en ben ik er zelfs zeker van, dat het pausdom het rijk van Babel is en de heerschappij van Nimrod, de robuste, sterke jager. Daarom, opdat alles voor mijn vrienden heel voorspoedig moge aflopen, verzoek ik ook hier de boekhandelaars, en verzoek ik de lezers, dat zij wat ik over deze zaak heb uitgegeven, zullen verbranden en in plaats daarvan deze stelling aanvaarden: Het Pausdom bereidt de roomse paus een geweldig-uitgestrekt jachtterrein.

Dit wordt bewezen door de redeneringen en overwegingen van Eck en Emser en van de leraar in de Bijbelse theologie te Leipzig. Nu wordt mij college gegeven in het ontvangen van het avondmaal in beiderlei gestalte en in sommige andere zaken van hoog belang. Op dit punt is het voor mij zaak dat ik niet ook deze mijn Cratippi zonder vrucht aanhoor. Een zekere Italiaanse kloosterbroeder uit Cremona heeft geschreven een “Terug-roep van Maarten Luther naar de heilige Stoel”, d.w.z. niet een herroeping - revocatio - van mijn zijde, wat het woord toch eigenlijk betekent, maar een roep waarin hij mij terug-roept (zó nl. beginnen tegenwoordig de Italianen Latijn te schrijven!). En een andere, Duitse, kloosterbroeder uit Leipzig heeft tegen mij geschreven over “de beiderlei gestalte van het sacrament”; gelijk u weet: die lector in de canoniek van de gehele Bijbel, en die (naar ik hoor) nog groter en wonderbaarlijker wonderen zal doen. De Italiaan is zo wijs geweest zijn naam te verzwijgen, wellicht uit vrees dat het hem zó zou vergaan als het Cajetanus en Sylvester vergaan was7. Maar de man uit Leipzig, gelijk het een flinke, kloeke Duitser betaamt, heeft, onder hele rijen titels, van zijn naam, zijn leven, zijn heiligheid, zijn kennis, zijn ambt, zijn glorie, zijn eer, bijna ook van de maat van zijn schoenen, hoog opgegeven. Hier zal ik zonder twijfel niet onbeduidende dingen leren, daar aan de Zoon van God Zelf een brief geschreven is, waarin het boekje Hem wordt gewijd; zó vertrouwd zijn deze heiligen met Christus, Die in de hemel op Zijn troon zit. Vandaar dat het mij toeschijnt dat hier drie kwebbelaars spreken, de één in goed Latijn, de ander in nog beter Grieks, de derde in uitstekend Hebreeuws. Wat denk je, Herman, dat ik hier anders doen moet, dan de oren spitsen? De zaak wordt te Leipzig te berde gebracht onder observantie van het heilig kruis8.



Tot hiertoe heb ik dwaselijk gemeend, dat het heel mooi was indien een Algemeen Concilie zou besluiten dat het sacrament onder beide gestalten (brood en wijn) de leken moest worden toebediend. De meer dan geleerde broeder evenwel meent dat dit gevoelen een correctie moet ondergaan. Immers het is z.i. noch een bevel, noch een goede raad, hetzij door Christus, hetzij door de Apostelen gegeven, dat het sacrament onder beide gestalten aan de leken moet worden verstrekt. En daarom, zegt hij, is het overgelaten aan de beoordeling van de kerk, die we moeten gehoorzamen, wat hier gedaan of nagelaten moet wonden. Zó denkt hij erover. Nu zou u kunnen vragen, wat de man bezielt of tegen wie hij nu eigenlijk schrijft, daar ik immers het gebruik van het sacrament onder één gestalte niet veroordeeld heb en het aan het oordeel van de kerk heb overgelaten, het gebruik onder beiderlei gestalte te verordenen. Juist ten aanzien van datgene waarop hij voor zich zelf poogt aanspraak te maken, zal hij nu mij gaan bestrijden! Ik antwoord u dat deze manier van disputeren allen eigen is, die tegen Luther schrijven: dat ze voor zichzelf aanspraak maken op wat zij bestrijden, of verzinnen wat ze dan willen gaan bestrijden. Zó Sylvester, zó Eck, zó Emser, zó de theologen van Keulen en van Leuven; en ware deze kloosterbroeder van deze manier van strijden afgeweken, dan zou hij tegen Luther niet geschreven hebben. Maar deze man is iets gelukkigers boven de anderen overkomen. Want toen hij zou gaan bewijzen dat het gebruik in beiderlei gestalte noch voorgeschreven, noch aangeraden, maar aan het oordeel van de kerk overgelaten was, haalde hij de Schriften aan om daarmee te bewijzen dat volgens het gebod van Christus slechts één gestalte aan de leken is toegewezen. Zodat, indien dit waar zou zijn, volgens deze nieuwe Schriftuitlegger de éne gestalte niet en tegelijk wèl door Christus zou zijn geboden. U weet hoe deze dialectici uit Leipzig in het bijzonder zich bedienen van dit soort nieuwerwets disputeren. Is het niet zó dat Emser, terwijl hij in zijn eerste boekje openlijk verklaarde dat hij eerlijk en oprecht over mij wilde spreken, in een tweede boekje, nadat ik hem bewezen had dat hij zich had schuldig gemaakt aan de ergste verdachtmaking en de afschuwelijkste leugens, waarin hij mij weerleggen wil, mij beide volledig toegeeft, dat hij geschreven heeft èn met een zwarte èn met een blanke ziel? Een goede man natuurlijk, gelijk u weet. Maar hoor verder naar onze zwierige kleinhandelaar in pietepeuterigheden, voor wie het oordeel van de kerk en het gebod van Christus hetzelfde is en evenzo een gebod van Christus en niet een gebod van Christus - hoor met welk een handigheid hij wil beproeven te bewijzen dat slechts één gestalte van het Sacrament volgens het gebod van Christus, dat is, naar het goeddunken van de kerk, de leken gegeven is. Hierop maakt hij opmerkzaam op deze wijze dat hij met kapitale letters er boven schrijft: EEN ONBEDRIEGLIJK FUNDAMENT. Vervolgens handelt hij over het zesde hoofdstuk van het Evangelie naar Johannes met een wijsheid die ongelooflijk [zonderling] moet heten; het hoofdstuk, waarin Christus spreekt van het brood des hemels en het brood des levens, hetwelk Hijzelf is. Van deze woorden meent de geleerde man niet alleen dat zij betrekking hebben op het sacrament van het altaar, maar hij doet ook dit, dat hij - omdat Christus gezegd had: “Ik ben het levende Brood” en niet: “Ik ben de levende Beker” - hieruit de gevolgtrekking maakt dat slechts één gestalte van het sacrament op deze plaats voor de leken is verordend. Maar als er dan volgt: “Mijn vlees is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drank”, en evenzo: “Tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn bloed drinkt”, dan moest voor het verstand van de kloosterbroeder dit toch onweerlegbaar schijnen te pleiten voor de beiderlei gestalte en te strijden tegen de éne - hoe gelukkig en geleerd ontspringt hij de dans, op déze wijze dat hij beweert dat Christus met deze woorden niets anders heeft gewild dan [te zeggen], dat wie het sacrament onder één gestalte verkrijgt, onder die éne: beide: zijn vlees en zijn bloed, ontvangt. En dit zegt hij nu om als fundament te dienen voor zijn onbedrieglijk gebouw, dat een heilige hemelse beschouwing zó waardig moet heten. Leer ook u, bid ik u, nu met mij daaruit dat Christus in hoofdstuk 6 van het Evangelie naar Johannes één gestalte verordent, maar zó dat dit voor te schrijven gelijk staat met: het over te laten aan het oordeel en de beslissing van de kerk. En voorts, dat Christus in datzelfde hoofdstuk slechts spreekt van de leken en niet van de priesters. Want hún komt het levende woord uit de hemel niet toe, dat is: één gestalte van het sacrament, maar misschien het dode brood uit de hel. En dan, wat zal er geschieden met de diakenen en sub-diakenen, die noch leken noch priesters zijn? Zij moeten, volgens deze uitnemende schrijver, het sacrament noch onder de éne, noch onder de andere gebruiken. U begrijpt, beste Tulich, welke de nieuwe methode van de Observanten is om met de Schrift om te gaan. Maar ook dit zult u [van hen] leren, dat Christus in Joh. 6 van het sacrament van het Avondmaal spreekt, terwijl Hijzelf leert dat Hij spreekt van het geloof in het Vleesgeworden Woord, als Hij zich alzó uitdrukt: “Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Die, Die Hij gezonden heeft”. Maar dit moet men deze professor uit Leipzig in de Bijbelkunde vergeven, dat hij met wélke Schriftplaats ook, wát ook bewijst! Hij is immers een theoloog uit de school van Anaxagoras, veel meer nog: van Aristoteles, voor wie namen en woorden, als men ze verplaatst, hetzelfde èn alles betekenen. Want zó maakt hij, door heel zijn boek heen, getuigenissen van de Schrift van pas, dat hij, als hij wil bewijzen dat Christus in het sacrament aanwezig is, het aandurft om alsdán te beginnen: Een lezing over het Boek “De openbaring” van de apostel Johannes; want zó van pas als dit woord hier gebruikt wordt, zó staat het erbij met al wat hij zegt; toch meent deze verstandige man dat hij met een menigte aangehaalde Schriftuurplaatsen zijn dwaasheid luister kan bijzetten.

Het overige ga ik maar liever voorbij, opdat ik u niet langzaam doodmartel door het leegscheppen van dit wel zéér onwelriekend riool. Aan het slot haalt hij 1 Cor. 11 aan, waar Paulus zegt dat hij van de Heere ontvangen heeft en aan de Corinthiërs overgeleverd: het gebruik van brood en wijn. Hier leert onze kleinhandelaar weer, zoals overal een uitstekend gebruik makend van de Heilige Schrift, dat Paulus het gebruik van beiderlei gestalte heeft toegestaan, maar niet heeft overgeleverd en doorgegeven als bevel. U vraagt, hoe hij dit bewijst? Hij haalt het uit zijn eigen hoofd, evenals ook die mening over Joh. 6. Want het past deze lector niet om bewijzen te leveren voor hetgeen hij zegt, omdat hij behoort tot het genre van die lieden die uit de gezichten die ze ontvangen, alle dingen bewijzen en leren. Wij leren dus ook hier dat de Apostel op deze plaats niet aan de gezamenlijke Corinthiërs heeft geschreven, maar slechts aan de leken; dat hij dus de priesters daar niets heeft toegelaten, maar dat zij van het gehele sacrament beroofd zijn. Vervolgens dat volgens een nieuwe taalleer de uitdrukking: “Ik heb van de Heere ontvangen” geheel gelijk is aan deze andere: “Het is door de Heere voor geoorloofd verklaard”. En: “Ik heb u overgeleverd”, dat is: “Ik heb u toegestaan”. Ik bid u, dat u hiervan zeer ter dege nota neemt. Want, hieruit vloeit voort dat het [in het vervolg] niet alleen de kerk, maar ook hier en daar en overal de één of andere losbol, vrij zal staan - volgens deze Leraar - om van alle geboden, instellingen en verordeningen van Christus en de Apostelen “toelatingen” te maken. Ik zie dus dat deze man, door een engel van de Satan er toe aangedreven, en zij die met hem onder één hoedje spelen, dit nastreven dat zij door het geding met mij in de wereld een goede naam zullen verkrijgen, alsof zij waardig waren bevonden met Luther slaags te raken. Maar in deze hoop zullen ze worden teleurgesteld en ik zal hen verachten en hun namen nooit ofte nimmer noemen. Ik zal mij tevreden stellen met dit éne antwoord op al hun boeken. Zijn ze waardig door Christus tot een gezond inzicht te worden gebracht, dan bid ik dat Hij dit moge doen door zijn barmhartigheid bewogen. Zijn ze het niet waardig, dan bid ik, dat zij er niet mee zullen ophouden om zulke brieven te schrijven, en dat zij, vijanden van de waarheid die ze zijn, zich niet verdienstelijk maken om andere boeken te lezen. Want het wordt algemeen, en naar waarheid, gezegd: “Dit weet ik zeker, dat, als ik met mest vecht, ik altijd weer, hetzij ik overwin of overwonnen word, er mee bezoedeld word”. Vervolgens, daar ik zie dat zij overvloed hebben van vrije tijd en papier, zal ik er moeite toe doen dat zij tot schrijven overvloedige aanleiding hebben. Immers ik wil voorthollen, opdat, terwijl zij die mij, naar 't hun voorkomt, op zo allerroemvolste wijze overwonnen hebben in het bestrijden van de ene of andere ketterij van mij, ik intussen al weer een nieuwe opbouw. Want ook ik begeer dat zulke uitstekende aanvoerders in de krijg met vele eretitels worden getooid. Derhalve, terwijl zij er over murmureren dat de avondmaalsviering onder beiderlei gestalte door mij geprezen wordt en zij zich met deze zeer belangrijke en hun waardige zaak op de gelukkigste wijze bezig hielden, zal ik verder gaan en nu trachten aan te tonen, dat zij allen goddeloos zijn, die de avondmaalsviering onder beide gestalten de leken ontzeggen. En opdat ik dit te geschikter zal doen, zal ik een inleiding houden over de gevangenschap van de roomse kerk, om te zijner tijd nog weer heel veel te geven, wanneer de Papisten, de allergeleerdsten hunner, over dit boek de overwinning zullen hebben weggedragen.

En dit doe ik dáárom opdat niet, zo ergens een vroom lezer mij zou zijn tegemoet getreden, hij aanstoot zou nemen aan die door mij besproken woorden, die zijn als mest en drek en terecht er zich over zou beklagen dat hij niets las dat òf zijn verstand van dienst ware en hem wijzer zou maken òf althans hem stof zou bieden tot geleerde gedachten. Want u weet hoezeer mijn vrienden er misnoegd over zijn, dat ik mij inlaat met de gemene streken van die lieden, van welke zij zeggen dat, als men ze leest, de weerlegging ervan zich reeds meer dan voldoende aan ons opdringt, maar dat men van mij zoveel betere dingen verwacht, tegen welke de Satan door hen een barrière tracht op werpen. Ik ben eindelijk vast besloten hun goede raad op te volgen en de bezigheid van te twisten en te schelden aan die horzels over te laten. Van die Italiaan, de broeder uit Cremona, wil ik niets zeggen, dan dat deze eenvoudige en ongeleerde man mij met enige retorische gemeenplaatsen tracht terug te roepen tot de heilige Stoel, van welke ik mij nog niet bewust ben mij te hebben afgewend. Ook heeft niemand mij dit ooit aangetoond. Hij is immers met voorliefde in de weer met die belachelijke punten waaruit hij argumenteert dat ik mij moet laten leiden door de gedachte aan de gelofte van mijn orde en aan het feit dat het Keizerrijk aan de Duitsers is gekomen. Het heeft er ten volle de schijn van dat hij niet zozeer heeft willen schrijven om mij terug te roepen [tot de pauselijke Stoel], als wel om de lof te zingen van de Fransen en van de Paus te Rome. Men mag hem toestaan dat hij door dit boekje, hoedanig het zij, zijn gehoorzaamheid betuigt. En hij verdient niet om hard behandeld te worden, daar het er alle schijn van heeft dat hij niet door enige boosaardigheid wordt gedreven; hij verdient evenmin op geleerde wijze wederlegd te worden, daar hij uit puur onverstand en pure onwetendheid al wat hij zegt leutert. Vooreerst moet ik ontkennen dat er zeven sacramenten zijn en overeenkomstig de omstandigheden, waarin we nu verkeren, stellen dat er maar drie zijn: de Doop, de Boete en het Brood; en deze alle zijn ons door de roomse Curie in een ellendige gevangenschap gevoerd en de kerk is van heel haar vrijheid beroofd. Hoewel, indien ik volgens de gewoonte van de Schrift wilde spreken, dan zou ik maar één sacrament overhouden, en drie sacramentele tekenen; te zijner tijd zal ik daar breder over handelen. Nu allereerst over:


  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22

  • De babylonische gevangenschap van de kerk, voorspel van Martin Luther

  • Dovnload 0.67 Mb.