Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri

Dovnload 0.67 Mb.

De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri



Pagina2/22
Datum12.03.2017
Grootte0.67 Mb.

Dovnload 0.67 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22

I. HET SACRAMENT VAN HET BROOD


Ik wil dan eerst zeggen in hoeverre ik inzake de bediening van dit Sacrament, toen ik er over nadacht, verder gekomen ben. Want, ten tijde dat ik mijn sermoen over de eucharistie uitgaf, zat ik nog vastgeworteld in de algemene gewoonte, en bekommerde ik mij nog niet over de vraag of de paus hierbij in zijn recht stond, al dan niet. Maar nu, uitgedaagd en opgezweept, ja zelfs met geweld in dit strijdperk binnengesleept, zal ik vrijuit zeggen, wat ik er nu van denk; de papisten mogen er dan over lachen of er over huilen, zij allen tot de laatste man toe. Vooreerst moeten we het zesde hoofdstuk van het Evangelie naar Johannes geheel en al terzijde leggen, daar het zelfs met geen woord over het sacrament spreekt. Niet slechts om deze reden, dat het sacrament toen nog niet was ingesteld, maar veel meer nog omdat de gang van Christus' reden en al zijn uitspraken in dit hoofdstuk duidelijk bewijzen dat Hij daar spreekt (gelijk ik al vroeger gezegd heb) over het geloof in Hem als het Vleesgeworden Woord. Immers Hij zegt: “Mijn woorden zijn geest en leven” en daarmee toont Hij aan dat Hij over een geestelijk eten spreekt, waardoor hij, die eet, leeft; terwijl de Joden het er voor hielden, dat Hij van het vleselijk eten sprak en daarom daarover met Hem twistten. Maar generlei eten maakt levend dan alleen het eten van het geloof. Want dit is het ware en het geestelijke eten; gelijk Augustinus zegt: “wat maakt u uw maag en uw tanden gereed? Geloof; dan hebt u gegeten!” Want het gebruik van het sacrament als zodanig maakt niet levend, daar immers ook velen onwaardig eten; zodat wat Hij te dezer plaatse gezegd heeft niet kan verstaan worden van het sacrament. Zonder twijfel zijn er geweest die deze woorden bij hun leer aangaande het sacrament hebben misbruikt, zoals gedaan is in het Geestelijk Recht, in het decreet “Dudum”, en door vele anderen. Maar het is iets anders om de Schrift foutief, en iets anders om dezelfde Schrift zuiver te verstaan; anders zou Christus, toen Hij zei: “Tenzij gij Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, zult gij het leven niet hebben”, alle kinderen, alle zieken, alle afwezigen of die, uit welke oorzaak ook, verhinderd waren om het sacrament te gebruiken, verdoemen, door hoe groot een geloof ze ook zouden uitmunten - indien Hij te dezer plaatse het sacramentele eten gebiedend voorgeschreven had. Zo ook bewijst Augustinus in zijn tweede boek tegen Julianus met beroep op Innocentius, dat ook de kinderen, buiten het sacrament om, Christus' vlees eten en Zijn bloed drinken, dat wil zeggen: door hetzelfde geloof deel hebben aan [het leven van] de kerk. Zo moge dan dit gevoelen van kracht zijn dat het zesde hoofdstuk van het Evangelie naar Johannes niets te maken heeft met de zaak van het sacrament. Vandaar dan ook dat ik op een andere plaats geschreven heb dat de Bohemers zich niet met goed vertrouwen op deze plaats kunnen beroepen om te verdedigen dat het Sacrament onder beiderlei gestalte mag worden gebruikt. Het zijn dus twee plaatsen, die heel duidelijk over deze aangelegenheid handelen: de Evangeliën als ze ons spreken van het Avondmaal dat Christus instelde en Paulus in 1 Cor. 11. Laten we deze beide plaatsen bezien. Immers Mattheus, Markus en Lukas stemmen hierin overeen dat Christus aan al Zijn discipelen het gehele sacrament heeft gegeven en dat Paulus 't sacrament in beide gestalten overgeleverd heeft is zó zeker dat niemand ooit zo onbeschaamd is geweest om het anders voor te stellen. Voeg hier nu aan toe, dat Mattheus verhaalt, niet dat Christus van het brood gezegd heeft: “Eet allen daarvan”, maar wel van de beker: “Drinkt allen daaruit”. En Markus evenzo zegt niet: “Allen hebben [van het brood] gegeten”, maar wel: “Zij allen hebben uit die beker gedronken”; beide evangelisten dus verbinden de mededeling dat allen het sacrament gebruikten niet aan het brood, maar aan de beker. Het is alsof de Heilige Geest van te voren gezien heeft dat dit meningsverschil (deze scheur, dit “schisma”) in de toekomst zou komen, waarin de éne partij aan bepaalde mensen de gemeenschap aan de beker zou ontzeggen, terwijl Christus heeft gewild dat die voor allen gezamenlijk zou zijn. Met welk een woede zouden zij tegen ons razen, indien zij [in de Heilige Schriften] hadden gevonden dat het woordje “allen” bij het brood was vermeld en niet bij de beker; zij zouden ons geen uitweg, geen gelegenheid om te ontvluchten laten, zij zouden luid schreeuwen, zij zouden ons voor ketters uitmaken, zij zouden ons als schismatici, brekers van de kerk, verdoemen. Maar nu dit woordje vóór ons pleit, vlak tegen hen in, laten zij zich door geen syllogisme, door geen sluitrede vangen; deze mensen van de totale wilsvrijheid, om ook in de dingen, die van God zijn, veranderingen aan te brengen, opnieuw te veranderen en alles door elkaar te haspelen. Maar stel u nu eens een ogenblik voor: ik stond aan de tegenovergestelde zijde en ik ondervroeg mijn superieuren, de papisten [en zei tot hen]: “Het gehele sacrament, oftewel, de twee gestalten in het avondmaal des Heeren, is dat nu gegeven alléén aan de priesters of tevens ook aan de leken?” Indien alléén aan de priesters (immers zó willen zij het), dan is het toch in generlei wijze geoorloofd ook maar één van de beide gestalten te geven aan de leken. Want wij mogen niet brutaalweg iets geven aan zulken, wie Christus het bij de instelling van het avondmaal niet gegeven heeft. Anders toch, zo wij ons veroorloven in één instelling van Christus verandering aan te brengen, wel, dan maken wij àlle instellingen van Christus ongeldig en iedereen, wie ook, zal dan durven zeggen zich niet gebonden te gevoelen door enige wet of instelling [van Christus]. Want één individuele [op zichzelf staande] [opheffing] heft in de Schriften geheel en al àl het ingestelde op. Maar indien het sacrament tevens ook de leken is gegeven, dan volgt daar met onafwijsbare consequentie uit, dat het gebruik van beiderlei gestalte aan die leken niet mag worden ontzegd. Indien men dan zulken die het sterk begeren, het nochtans weigert, handelt men goddeloos en tegen begeren, daad, voorbeeld en instelling in. Ik beken dat ik door deze zienswijze en redenering, die mij onweersprekelijk voorkomt, ben overwonnen en dat ik nergens iets heb gelezen of gehoord of gevonden dat ik er tegen kan inbrengen, omdat hier Christus' woord en voorbeeld zo onwrikbaar vaststaat, daar Hij niet bij wijze van vergunning, maar gebiedend zegt: “Drinkt allen daaruit!” Indien dan allen moeten drinken en men dit niet zó kan verstaan dat het alléén van de priesters zou gelden, is het stellig goddeloos de leken, die er om vragen, ervan àf te houden, zelfs indien een engel uit de hemel het zou doen. Want als men nu zegt dat het aan het oordeel van de kerk overgelaten is om het sacrament uit te delen onder welk van beide gestalten zij dat maar zal willen, dan wordt dat zonder bewijskracht gezegd, zonder een dit woord dekkend gezag naar voren gebracht en het kan met hetzelfde gemak met verachting worden afgewezen als met toestemming aanvaard. Dit heeft ook geen betekenis tegen die tegenstander, die tegen ons opponeert met het woord en de daad van Christus; dan moet hij met een woord van Christus weerlegd worden, maar dát hebben we niet. Indien nu één van de beide gestalten van het Avondmaal de leken ontzegd mag worden, dan zal men hun óók een deel van de doop en van de boete mogen afnemen, volgens datzelfde oordeel van de kerk, daar het oordeel over deze dingen en de macht om er over te beschikken overal gelijk is. Daarom, juist zoals de gehele doop en de gehele absolutie, de kwijtschelding van de zondeschuld, zó moet men dan ook het gehele sacrament van het brood aan de leken geven, indien zij er naar verlangen en er om vragen. Het verwondert mij nu zeer, dat zij verzekeren dat het de priesters in geen geval vrijstaat in de Mis slechts één van de beide gestalten aan te nemen, te ontvangen; dit zou voor hen een doodzonde zijn; om geen andere reden, (gelijk zij allen eenparig getuigen) dan deze, dat, onder elk van beide gestalten ontvangen, het sacrament eerst het éne, volledige sacrament is, dat immers niet mag worden gedeeld. Maar ik bid hen dat zij mij zullen zeggen, waarom het dan wèl geoorloofd zou zijn het in tweeën te delen voor de leken en alleen hùn niet het éne gave, ongedeelde sacrament te geven? Erkennen zij nu niet door hun eigen getuigenis dat, één van beide: òf het sacrament ook aan de leken gegeven moet worden onder beiderlei gestalte, òf dat, onder één gestalte hun verstrekt, het sacramen hun niet als een volledig wettig sacrament wordt toebediend? Hoe is het mógelijk dat voor de priesters het sacrament, onder één gestalte hun gegeven, niet, en voor de leken wèl een volledig sacrament zon zijn? Wat geeft men hier dan hoog op van het oordeel van de kerk en het gezag van de Paus? Niet dáárdoor worden de woorden van God en de getuigenissen van de waarheid van kracht beroofd! Verder volgt hieruit dat, indien de kerk de leken de gestalte van de wijn kan ontnemen, zij dan óók de gestalte van het brood hun kan weigeren; derhalve: dan kan zij het gehele sacrament van het altaar de leken onthouden, en zo de instelling van Christus geheel en al voor hen vernietigen. Maar ik vraag: welke macht heeft zij daartoe ontvangen? Mag de kerk evenwel het brood of beiderlei gestalte niet ontroven, dan mag zij ook de wijn niet roven. Ook kan zij niet handhaven wat hier als tegenwerping tegen zou kunnen worden ingebracht, dit nl. dat er énerlei macht moet zijn, die zowel zeggenschap heeft over één gestalte als over elk van beide. Immers: heeft de kerk over één gestalte als over elk van beide. Immers: heeft de kerk met een willekeurig uit te oefenen zeggenschap over beide gestalten, dan ook niet over één van die beide! Ik zou héél graag willen horen wat de roomse vleiers hierover zouden willen opmerken.

Maar wat van de allergrootste en voor mij beslissende betekenis is: Christus zegt: “Dit is Mijn bloed dat voor u en voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden”. Hier ziet u op het allerduidelijkst dat Zijn bloed gegeven wordt voor allen, voor wier zonden het is gestort. Wie zou nu echter durven zeggen dat het niet voor de leken is vergoten? Of ziet u niet tot wie Hij spreekt als Hij de beker aanreikt? Geeft Hij die niet aan allen? Zegt Hij niet dat [zijn bloed] voor allen is vergoten? “Voor u,” zegt Hij - laten dit nu priesters zijn; “en voor velen” [voegt Hij er aan toe] - zij kunnen niet [allen] priesters zijn; en toch zegt Hij: “Drinkt allen daaruit.” Ik zou hier ook wel gemakkelijk onzinnigheden kunnen zeggen, en door mijn woorden een spel spelen met en mij vergrijpen aan de woorden van Christus, zoals mijn praatjesmaker doet; maar met de Schriften moeten zij weerlegd worden, die tegen ons op de Schriften steunen. Dit is het wat mij weerhouden heeft de Bohemers te veroordelen, die, hetzij ze er verkeerd voorstonden hetzij goed, toch zeker de woorden en daden van Christus hadden als vóór hen getuigende; wij echter hebben daar niets van, maar alléén dat ijdele menselijke verzinsel: “De kerk heeft het zó verordend”, terwijl echter niet de kerk, maar de tirannen van de kerken, buiten de toestemming van de kerk (dat is: van het volk van God) om, die verordeningen hebben vastgesteld. Maar ik bid u, wat is de noodzakelijkheid ervan; is er een godsdienstig bezwaar? welk nut werpt het af, om de leken het gebruik onder beide gestalten, dat is: het zichtbare teken, te weigeren, wanneer toch allen hun de inhoud van het sacrament toestaan, zonder het teken? Als zij de zaak, de inhoud, toestaan, het meerdere, waarom staan zij dan het teken, het mindere, niet toe? In elk sacrament immers is het teken, als teken, in onvergelijkbare zin, het mindere; zoveel minder dan de zaak, de inhoud, zelf. Maar wat is er dan op tegen, vraag ik, dat het mindere gegeven wordt wanneer het meerdere gegeven wordt; behalve dat het mij toeschijnt dat dit gebeurd is onder toelating van de vertoornde God, opdat het een oorzaak zou worden van scheuring in de kerk, opdat daardoor zou worden te kennen gegeven dat wij, na de inhoud van het sacrament reeds lang verloren te hebben, om het teken, dat is dus om het mindere, tegen de zaak die ons het grootst en het enige-van-betekenis moest zijn, gaan strijden, op de wijze van zulken, die vóór ceremoniën strijden, maar tegen de liefde. Ja, het schijnt dat dit verschrikkelijke begonnen is te dien tijde dat wij begonnen zijn terwille van de rijkdommen van deze wereld te woeden tegen de christelijke liefde, opdat God ons door dit vreselijk teken zou laten zien dat wij de tekenen hoger aansloegen in waarde dan de zaken zelf [die er door worden afgebeeld]. Welke (perverse) verkeerdheid zou, indien men toegaf dat hem die gedoopt zal worden, het geloof dat bij de doop hoort, gegeven wordt, evenwel weigeren hem het teken van dit geloof te geven, dat is dan: het water?

Ten slotte blijft Paulus de onoverwonnene als hij allen de mond snoert, uitroepend in 1 Cor. 11: “Ik heb van de Heere ontvangen, hetgeen ik u ook overgegeven heb”. Hij zegt niet, zoals de kloosterbroeder, uit 't hoofd aanhalend, liegend betuigt: “Ik heb u toegelaten”. 't Is ook niet zo, dat hij om hun strijdlustig hartstochtelijk begeren hun de beiderlei gestalte gegeven heeft. Nee; want, ten eerste, gelijk het tekstverband zelf aanwijst, er was geen strijd geweest over de beiderlei gestalte, maar over de verachting [van het sacrament] bij zulken die in overvloed leefden en de afgunst van hen die gebrek leden, zoals het tekstverband het heel duidelijk zegt: “De één is hongerig, de ander dronken en gij maakt degenen die niet hebben, beschaamd”. Vervolgens: hij spreekt niet van de eerste maal dat hij hun zijn overlevering gaf; want hij zegt niet: “Ik ontvang van de Heere en ik geef u over”, maar: “Ik heb ontvangen en ik heb u overgeleverd”, d.w.z.: in het begin van mijn prediking; lang vóór deze strijd; daarmee te kennen gevende dat hij het gebruik onder beiderlei gestalte hun overgeleverd bad; want het overleveren was: het gebieden; gelijk hij op een andere plaats [voor beide] hetzelfde woord gebruikt. Het betekent derhalve niets, wat de zotteklap van de kloosterbroeder hier bijeenhaalt en opéénstapelt over “toelating”', zonder Schriftbewijs, zonder gegronde reden en zonder oorzaak. Zijn tegenstanders vragen niet daarnaar wat hij voor droomdenkbeelden heeft, maar daarnaar wat de Schrift in deze oordeelt, uit welke hij zelfs geen letter kan aanvoeren ten bewijze dat zijn dromerij betrouwbaar kan heten; terwijl die tegenstanders woorden als bliksemstralen voor hun geloof naar voren brengen. Welaan dan, rijst hier op, u allen die vleiers van de Paus bent; staat hier op als één man, stelt u flink in het geweer, biedt weerstand aan uw goddeloosheid, aan uw tirannie, aan uw praktijk om de majesteit van het Evangelie te kwetsen, aan uw onrechtmatige daden om uw broeders met smaadreden te overladen; u, die er hoog van opgeeft dat zij ketters zijn, die niet wijs willen zijn in overeenstemming met een puur droomdenkbeeld dat in uw hoofden is opgekomen, tégen de zo klare en zware, bewijskrachtige, uitspraken van de Schriften in. Indien al sommigen ketters en scheurmakers moeten heten, dan zijn dat niet de Bohemers en niet de Grieken - deze immers steunen op het Evangelie - maar dan bent u, roomse christenen, de ketters en goddeloze scheurmakers, daar u op niets dan op uw eigen verzinsels alleen uw gevoelens en verwachtingen bouwt, tegen de zo duidelijke Schriften van God in. Wast u schoon van deze [vuile] dingen, mannen! Wat is evenwel méér belachelijk en het brein van deze kloosterbroeder méér waardig, dan dat hij heeft kunnen zeggen, dat de Apostel deze dingen aan een afzonderlijke kerk, te weten die van Corinthe, heeft geschreven en ze aan haar heeft toegestaan, maar niet aan de gehele kerk? Waar haalt hij het bewijs voor deze stelling vandaan? Uit zijn gebruikelijke voorraadschuurtje, nl. uit zijn eigen en goddeloze hoofd! Maar, als de gehele kerk deze Brief voor zich accepteert, leest, in alles er naar leeft, waarom dan niet ook wat aangaat dit onderdeel? Indien wij toegeven dat de ene of andere Brief van Paulus, of ook maar één plaats uit een willekeurig gekozen Brief van hem, niet betrekking heeft op de kerk in haar geheel, dan is héél het gezag van Paulus als Auteur vernietigd. Immers dan zullen de Korinthiërs zeggen dat hetgene Paulus inzake het geloof aan de Romeinen schrijft, hen niet raakt. Wat méér godslasterlijk en dwaas dan deze dwaasheid kan iemand uitdenken? Verre, verre zij het daarvandaan, dat er ook maar een letter in al wat ons van Paulus bewaard is gebleven zou staan, waarnaar niet héél de kerk zich zou moeten voegen en die zij niet zou moeten in ere houden. Zó is dan ook niet het gevoelen van de Vaderen geweest tot op deze gevaarlijke tijden, van welke reeds dezelfde Paulus heeft voorzegd dat er - later - godslasteraars zouden zijn en blinden en mensen zonder waarnemingsvermogen. Van welker getal dan deze broeder er één is; misschien is hij wel de voornaamste!

Maar: als we deze ontoelaatbare dwaasheid nu eens voor een ogenblik een plaatsje gunnen, [dan vragen we toch:] indien Paulus dan dat [waarover wij nadenken] aan een afzonderlijke kerk heeft toegestaan, dan doen de Grieken goed en dan handelen de Bohemers zuiver, ook volgens uw eigen woord; het zijn immers “afzonderlijke kerken”. En daarom is deze omstandigheid dan reeds voldoende om vast te stellen dat zij niet tegen Paulus in 't geweer komen, als hij het tenminste “toestaat”. Verder: Paulus kon niets toestaan tegen Christus' voorschrift in. Daarom, Rome, ik werp u en al uw vleiers deze uitspraken van Christus en Paulus tegen, die pleiten vóór de Grieken en vóór de Bohemers en gij zult geen greintje waarheid aan uw zijde hebben als u zou willen aantonen dat ú macht is gegeven om in deze dingen verandering aan te brengen, veel minder om als ketters te brandmerken anderen, die uw vermoeden van zich werpen. Maar u maakt het u waard van de misdaad van goddeloosheid en tirannie beschuldigd te worden. Wat deze dingen aangaat lezen we hij Cyprianus, die alléén al genoeg in zijn mars heeft om alle Roomsen het hoofd te kunnen bieden, hoe bij in het vijfde boek van zijn werken, in het sermoen “over de gevallenen” opmerkt dat in zijn kerk het de gewoonte was aan vele leken, ook aan kinderen, het sacrament te bedienen onder beide gestalten, ja zelfs het lichaam des Heeren hun in handen te geven, gelijk hij dit met vele voorbeelden toelicht. Onder meer berispt hij sommigen uit het gewone volk met deze woorden: “En omdat hij niet terstond het lichaam des Heeren met vuile handen mag aannemen of met een bezoedelde mond het bloed des Heeren mag drinken - daarover wordt de heiligsehenner op de priesters boos.” U ziet: hier spreekt hij over leken, die hij “heiligschenners” noemt, die het lichaam en het bloed [des Heeren] uit de handen van de priesters wilden ontvangen. Hebt u hier, armzalige vleier, reden om te keffen? Durf eens te zeggen dat ook deze heilige martelaar een begenadigd doctor van de kerk met een apostolische geest begaafd, een ketter is en in een afzonderlijke kerk van het recht, dat de “toelating” hem gaf, heeft gebruik gemaakt! Op diezelfde plaats [in zijn Boek] vertelt hij een geschiedenis, iets dat gebeurd is in zijn tegenwoordigheid en terwijl hij er dus getuige van was. Open en bloot maakt hij er melding van dat een diaken de beker aan een jong meisje had gegeven, dat zij evenwel terugdeinsde en weigerde te drinken en dat hij haar toen het bloed des Heeren in de mond gegoten had. Iets dergelijks lezen we van de heilige Donatus, wiens beker was gebroken - o de armzalige vleier, hoe “ijskoud” zoekt hij een uitvlucht! “Ik lees wel” - zegt hij - “dat de beker is gebroken, maar ik lees niet dat het bloed gegeven was!” Wat wonder? Wie, in de heilige Schriften lezend, er in leest wat hij wil, zal ook in historische geschriften lezen wat hij er in wil vinden. Maar hiermee zal toch de beschikking van de kerk niet bevestigd worden of zullen ketters worden weerlegd? - Maar, hiervan heb ik nu meer dan genoeg gezegd; want niet om hèm te beantwoorden, die geen antwoord waard moet heten, ben ik dit [betoog] begonnen, maar opdat ik de waarheid van de zaak openbaar zou maken. Ik maak dus de slotsom op: het sacrament in beiderlei gestalte de leken te weigeren is goddeloos en tyrannisch; staat dan ook niet in de macht zelfs van enige Engel, veel minder is enige Paus of welk concilieook er toe bevoegd. Ik geef daarbij ook niet om het Concilie van Constanz; want als de autoriteit van dit concilie voldoende rechtskracht aan een beslissing zou verlenen, waarom dan niet die van het concilie van Bazel, dat het tegendeel heeft vastgesteld nl. dat het de Bohemers zou geoorloofd zijn om het sacrament in beide gestalten te ontvangen, welke beslissing na brede bespreking daar genomen is, gelijk de nog voorhanden zijnde kronieken en de officiële stukken bewijzen. De vleier in zijn onwetendheid haalt deze aan ten bewijze van de juistheid van zijn droomdenkbeeld. Met zó wijs inzicht behandelt hij alles [waarover hij schrijft]!

Dit is dan nu dus de eerste gevangenschap van dit sacrament- met betrekking tot zijn wezen of, wil men: zijn zuiverheid - welke de tirannie van Rome ons met geweld ontnomen heeft. Het is niet zó, dat zij tegen Christus zondigen, die het sacrament in één van de gestalten gebruiken, want Christus heeft niet gebéden om ook maar één van beide te gebruiken, maar Hij heeft het aan ieders vrije wilsbeslissing overgelaten, daar Hij immers zei: “Zo dikwijls gij dit zult doen, doet het tot mijn gedachtenis”. Maar het is zó dat zij zondigen, die verhinderen dat aan zulken, die door zulk een wilsbeslissing het begeren te gebruiken, het sacrament in beiderlei gestalte gegeven wordt. De schuld ligt niet bij de leken, maar bij de priesters. Het sacrament is niet van de priesters, maar van allen, en de priesters zijn niet heersende heren, maar dienaren, die het sacrament in beiderlei gestalte moeten geven aan wie er om vragen, zo dikwijls als zij er om zullen vragen. Maar voorzover zij dit hun recht de leken hebben ontroofd en met geweld hebben ontzegd, zijn ze tirannen; en de leken ontberen buiten hun schuld hetzij één gestalte, hetzij beide, maar kunnen toch behouden worden door hun geloof en door hun verlangen om het gehele sacrament te ontvangen. Gelijk zij, als zelf [slechts] dienstknechten, de doop en de kwijtschelding van zondeschuld móéten geven aan wie er om vraagt, die er dan immers ook een recht op heeft; en als zij die niet zouden geven, dan heeft hij, die er om vraagt, toch de volle verdienste van zijn geloof, en zullen zij voor Christus als slechte, nietswaardige dienstknechten worden aangeklaagd. Zoals oudtijds heilige Vaders in de woestijn vele jaren lang onder geen van beide gestalten aan enige Sacramentsbediening hebben kunnen deelnemen. Ik wil dus volstrekt niet dit doordrijven, dat men met geweld het sacrament in beiderlei gestalte moet nemen, alsof we door de dwang van een gebod daartoe zouden worden gedwongen; maar ik onderricht ieders geweten, opdat men de tirannie van Rome [als 't moet] zal dulden, maar men dan goed wete, dat, indien met geweld zijn recht op het sacrament hem ontnomen wordt, dit [alléén] geschiedt door zijn eigen zonde. Maar dit alléén wil ik, dat niemand de roomse tirannie zal goedpraten, alsof zij juist en rechtvaardig zou handelen, als zij één van de gestalten de leken onthoudt; maar dat we haar vervloeken en het niet met haar ééns zijn; en toch haar verdragen, maar dan op geen andere wijs, als waarop wij ons bij de zaak zouden moeten neerleggen indien we bij de Turken in gevangenschap zaten en het ons dan [natuurlijk] niet mogelijk zou zijn onder énige gestalte het sacrament te gebruiken. Dit is het wat ik heb gezegd dat mij heel mooi toeleek: indien door het besluit van een Algemeen Concilie deze gevangenschap werd ontbonden en ons uit handen van de roomse tirannie die Christelijke vrijheid weer werd teruggegeven en aan een ieder zijn wilsbeslissing om het sacrament te vragen en te gebruiken werd overgelaten, zoals die bij doop en boete wordt vrijgelaten. Maar nu dwingt men ons jaar op jaar met dezelfde tirannie het sacrament onder slechts één gestalte te ontvangen en zo is de vrijheid, ons door Christus gegeven, vernietigd; zó heeft onze goddeloze ondankbaarheid het verdiend.

De tweede gevangenschap van hetzelfde sacrament is meer gematigd, wat een er tegen in te brengen gewetensbezwaar betreft, maar verre het gevaarlijkst is het om er ook maar aan te raken, laat staan: te veroordelen. Hier zal ik een aanhanger van Wiclef en onder duizend [verschillende] namen een ketter heten. Wat zou het? Sinds de bisschop van Rome heeft opgehouden een bisschop te zijn en een tyran is geworden, ben ik niet bang voor zijn algemene decreten, omdat ik weet dat hij geen bevoegdheid heeft om nieuwe geloofsartikelen op te stellen en uit te vaardigen en ook een Algemeen Concilie mag dat niet doen. Vóór enige tijd, toen ik de Scholastieke Theologie bestudeerde, gaf dit mij de gelegenheid te denken aan doctor kardinaal van Cambray22, die in het vierde boek van zijn Sententies zeer scherpzinnig uitéénzet dat het veel meer waarschijnlijk is en minder overtollige wonderen zou onderstellen, zo men betoogde dat op het altaar echt brood en echte wijn en niet alleen maar “accidentia” aanwezig zijn - indien niet de kerk het tegendeel had vastgesteld. Maar toen ik later inzag wat voor een kerk het was, die dit had vastgesteld, nl. de Thomistische, dat is de Aristotelische, ben ik stoutmoediger geworden en - terwijl ik eerst in de klem zat - heb ik eindelijk mijn geweten bevredigd door het eerstgenoemd gevoelen te aanvaarden, nl. door te stellen: het is stellig waar brood en ware wijn, in welke Christus' waarachtig vlees en Zijn waarachtig bloed aanwezig is, niet anders en niet minder dan zij [de roomsen] stellen, dat Hij is onder wat zij noemen hun accidentia. En dit heb ik gedaan, omdat ik zag dat de meningen van de Thomisten, hetzij ze door de Paus, hetzij door een Concilie zijn goedgekeurd, “meningen” blijven en niet geloofsartikelen worden, al zou ook een engel uit de hemel iets anders vaststellen. Immers, wat zonder de Schriften wordt beweerd of zonder wat bewezen is openbaring te zijn, mag men “als mening” aanvaarden, maar moet men niet noodzakelijk geloven. Deze mening van Thomas [van Aquino] nu is in die mate “zwevend”, niet gegrond op de Schriften of op redelijk denken, dat het mij toeschijnt dat hij noch zijn filosofie noch zijn dialectiek goed schijnt te kennen. Want geheel anders spreekt Aristoteles van accidentiën en subject, dan de heilige Thomas. Zodat het mij een droeve zaak toeschijnt voor zulk een man, dat hij zijn meningen inzake het geloof niet slechts uit Aristoteles genomen aan de kerk heeft overgeleverd, maar ook heeft getracht die te gronden op de man, die hij niet heeft begrepen. Een heel ongelukkig bouwwerk, rustend op een heel ongelukkig fundament. Ik laat dus toe, zo iemand het één of het ander wil, elk van beide meningen als de zijne te aanvaarden; hierom alleen is het mij nu te doen: de gewetensbezwaren uit het midden weg te nemen, dat toch niemand moge vrezen schuldig te staan aan een ketterij, indien hij gelooft dat op het altaar waar brood en echte wijn aanwezig is. Maar hij wete, dat het hem vrijstaat, buiten gevaar voor zijn zaligheid, het één of het ander zich voor te stellen, te menen en te geloven, omdat hier geen geloofsnoodzakelijkheid aanwezig is.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22


Dovnload 0.67 Mb.