Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri

Dovnload 0.67 Mb.

De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri



Pagina3/22
Datum12.03.2017
Grootte0.67 Mb.

Dovnload 0.67 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22

Ik ga nu echter mijn gevoelen nader uiteenzetten. Vooreerst: ik wil niet luisteren naar noch ook van enig belang achten het doen van hen die luid zullen roepen dat dit is de leer van Wiclif en van Huss en ketterij en indruisend tegen de beslissing van de kerk - omdat zij aleen dit zullen doen, van wie ik op velerlei wijs heb bewezen dat zij ketters zijn in het stuk van de aflaten, van de vrije wil, van de genade van God, de goede werken en de zonden, enz., zodat indien Wiclif éénmaal een ketter was, zij tienmaal ketters zijn en het iets moois is door zulke ketterse en slechte drogredenaars beschuldigd en belasterd te worden, terwijl het de grootste goddeloosheid zou zijn hem te behagen. Daar komt nog bij dat zij hun meningen door niets anders kunnen trachten waar te maken, noch ook een er aan tegengesteld gevoelen om een andere reden kunnen verwerpen, dan door te zeggen: dit is Wiclifiaans, Hussiaans, ketters. Want dit flauwe smoesje zit hun voortdurend op de spits van hun tong, en niets anders; immers, zo u Schriftbewijs vraagt, zeggen zij: “Wij zijn van dit gevoelen en de kerk (dat is: wijzelf) heeft het zo bepaald”; zó durven deze mensen, verworpenen in de zaak van het geloof en ongeloofwaardigen, ons hun fantasiebeelden, gedekt door het gezag van de kerk, als waren het geloofsartikelen, voor te stellen. Er bestaat echter een sterk argument voor mijn gevoelen: in de eerste en voornaamste plaats dit, dat aan de goddelijke woorden geen geweld mag worden aangedaan, noch door enig mens, noch door een engel, maar, voorzover mogelijk, moeten we die in de allereenvoudigste zin ervan op hun plaats laten staan, en, indien er geen omstandigheid is die daartoe heel duidelijk dwingt, moeten we ze verstaan naar de grammaticale en hun eigen betekenis, opdat er geen gelegenheid zij voor tegenstanders om de gehele Schrift te verijdelen. Volgens dit juiste inzicht en naar deze maatstaf is indertijd Origenes terecht afgewezen, omdat hij omtrent de bomen en al wat van het paradijs geschreven staat, de grammatische zin had verworpen, en het alles allegorisch had opgevat; [dit is afgewezen] omdat hieruit kon worden afgeleid dat de bomen niet door God geschapen waren. Zo ook hier, omdat de Evangelisten duidelijk schrijven dat Christus het brood genomen en gezegend heeft en het Boek: De Handelingen der Apostelen en Paulus het daarna ook brood noemen, moet men daaronder waar brood en echte wijn verstaan, zoals ook een echte beker. Want van die beker zeggen zij zelf niet dat er een wezensverandering bij plaats vindt! Daar het echter niet noodzakelijk is te stellen dat er een transsubstantiatie, een wezensverandering, heeft plaats gevonden, door goddelijke macht bewerkstelligd, moeten wij haar houden voor een verzinsel van mensen, omdat zij op geen enkele Schriftplaats en op geen redelijke grond steunt, zoals we zullen zien. Het is dus een nieuw staaltje van iets in te leggen in de gewone woordzin, om onder “het brood” te verstaan: wat op brood gelijkt, of: de accidentiën, de bijkomstigheden, en onder “wijn”: wat op wijn gelijkt, of: de bijkomstigheden. Waarom zullen we dan niet onder al het andere de schijn van die dingen en 't bijkomstige verstaan? Maar al zou dat nu van al die overige dingen vaststaan, dan zou het nóg ongeoorloofd zijn aan de woorden van God zozeer afbreuk te doen en ze met zó groot onrecht aan hun wezenlijke zin; zó te ontledigen.

Maar ook heeft de kerk meer dan twaalf honderd jaren rechtzinnig geloofd en nergens en nooit maken de Heilige Vaders - het is immers ook een wonderbaarlijkonnatuurlijk woord en droomdenkbeeld! - van zulk een transsubstantiatie gewag; totdat de voorgewende filosofie van Aristoteles ruw begon te werk te gaan in de kerk; in deze laatste driehonderd jaar, gedurende welke ook vele andere dingen in verkeerde zin zijn besloten en verordend, als daar zijn: “dat het goddelijke wezen noch gegenereerd werd noch genereerde”, of: “dat de ziel een wezenlijke vorm van het menselijk lichaam is”, en dergelijke; beweringen die in het geheel niet staande zijn te houden door bewijzen genomen uit de rede of uit enig oorzakelijk verband, zoals zelfs de kardinaal van Cambray zelf erkent. Misschien zullen zij zeggen dat het gevaar van er afgoderij mee te bedrijven, ertoe drong om niet van waar brood en echte wijn te spreken. Dit is echter zeer belachelijk. Want leken zouden nooit een zo ragfijne, subtiele, filosofie over het wezen en de bijkomstigheden hebben begrepen en zelfs als ze er in onderricht werden, hadden ze die toch niet kunnen vatten en dat gevaar zou even groot zijn indien we van accidentiën spreken, die zij zien, als [wanneer we spreken] van een substantie, die ze niet zien. Indien ze immers de accidentiën niet aanbidden, maar de daar verborgen Christus, waarom zullen zij het brood aanbidden, dat zij niet zien? Waarom echter zou Christus Zijn lichaam niet kunnen doen ingesloten zijn binnen de substantie van het brood, even goed als binnen de accidenties? Zie hier: vuur en ijzer, twee substanties; zij worden zó onderéén vermengd in het gloeiend ijzer, dat welk deel óók èn ijzer èn vuur is. Waarom zou niet des te meer het verheerlijkt lichaam van Christus juist zó in elk deel van de substantie van het brood kunnen zijn? Wat zullen zij doen? Christus is - zo gelooft men - uit de schoot van zijn moeder geboren, welke schoot daarbij ongeschonden bleef. Zij zouden ook hierbij kunnen zeggen dat dit vlees van de maagd intussen vernietigd was geworden, of, zoals gewoonlijk op meer gepaste wijze gezegd wordt, getranssubstantieerd, zodat Christus, in haar accidentiën ingewikkeld, tenslotte door deze accidentiën ter wereld kwam. Hetzelfde zou te zeggen zijn van de “gesloten deur en de “gesloten poort” van het graf, door welke, terwijl zij ongeschonden bleven, Hij inkwam en uitging. Maar hieruit is ontstaan het Babel van die filosofie inzake de voortdurende hoeveelheid onderscheiden van de substantie, totdat het zóver gekomen is, dat zij zelf niet meer weten wat de accidenties zijn en wat de substantie is. Want, wie heeft ooit met zekerheid aangetoond dat warmte, kleur, koude, licht, gewicht, vormen, accidentiën zijn? Eindelijk hebben zij zich genoodzaakt gezien te verzinnen dat voor die accidentiën op het altaar een nieuw wezen door God is geschapen; vanwege de uitspraak van Aristoteles die zegt: “het zijn van een accidens is: in iets anders te zijn”. En talloze zulke monsterachtigheden, van welke alle zij ontslagen zouden zijn, indien ze maar heel eenvoudig toegaven dat het brood een waar brood is. En ik verheug mij er ten zeerste in dat althans bij het gewone volk het eenvoudige geloof dat het sacrament zó is [als ik het zie], is gebleven. Want daar het 't niet begrijpt, maakt het er ook geen strijdvraag van, of de accidentiën er zijn zonder de substantie, maar met een eenvoudig geloof neemt het aan dat Christus' lichaam en bloed daar worden ingesloten, en het laat die lediggangers de moeitevolle bezigheid over, om er over te disputeren wat het is, dat dit lichaam en bloed des Heeren in zich bevat30. Maar wellicht zullen zij zeggen: “Wij leerden van Aristoteles dat subject en praedicaat [onderwerp en gezegde] van een bevestigend oordeel op hetzelfde moeten slaan”; of - om de woorden van het beest-zelf uit het VIe boek der metafysica neer te schrijven: - “Voor een bevestigend oordeel wordt het verbonden-zijn van de uitersten vereist.” Onder dit “verbonden zijn van de uitersten” verstaan zij: het betrekking hebben op hetzelfde. Vandaar dat, wanneer ik zeg: “Dit is mijn' lichaam”, het subject [het onderwerp, nl. “dit”] niet betrekking kan hebben op “brood”, maar op “het lichaam van Christus”.

Wat zullen we hierover zeggen? Wanneer maken wij Aristoteles en menselijke leervoorstellingen tot beoordelaars van zulke verheven en goddelijke zaken? Waarom - met verwerping van zulke wijsneuzigheid - blijven wij niet eenvoudig staan bij de woorden van Christus, bereid om onze onwetendheid te belijden met betrekking tot wat daar geschiedt en er mee tevreden [het er voor te houden] dat door de kracht van de [instellings-] woorden het ware lichaam van Christus daar aanwezig is? Of is het soms noodzakelijk ons de wijze waarop het goddelijk werk geschiedt, geheel en al te begrijpen? Maar, wat zullen zij met betrekking tot Aristoteles zeggen? Hij schreef aan alle categorieën van de accidenties een dragend subject toe, ook al was zijns inziens de substantie het eerste dragende subject. Zodat dus volgens hem “dit witte”, “dit grote”, “dit wat-dan-ook” subjecten zijn, van welke iets gezegd wordt. Zijn deze dingen nu waar, dan vraag ik: indien dáárom de transsubstantiatie geleerd moet worden, opdat niet van het brood naar waarheid zal worden verzekerd dat het “het lichaam van Christus” is, waarom leert Rome dan niet óók een transaccidentatio, opdat ook niet van het accidens (het bijkomstige) gezegd zal worden, dat het “het lichaam van Christus” is? Immers: hetzelfde gevaar blijft bestaan, indien iemand onder het subject verstaat: “dit witte” of “dit ronde” [en dan zegt]: “[het] is mijn lichaam” en om dezelfde reden, waarom men van een transsubstantiatie wil spreken, moet men dan ook van een trans-accidentatio spreken, vanwege dat in de plaats stellen van het één ten aanzien van het ander. Indien u nu echter, boven het begrip uit, het accidens uitzondert, zodat u niet wilt aanvaarden dat het subject er mee vereenzelvigd wordt, als u zegt: “Dit is mijn lichaam” - waarom klimt u dan niet met hetzelfde gemak34 op tot de substantie van het brood, zodat u ook van. dit brood niet wilt aanvaarden dat het subject er mee vereenzelvigd wordt, opdat “dit mijn lichaam” niet minder in de substantie dan in het accidens zij; voornamelijk, daar het een werk is van almachtige kracht, die even zo sterk en op gelijke wijze in de substantie als in een accidens kan werkzaam zijn?



Maar, opdat we niet al te veel met filosoferen ons bezig houden: Schijnt het niet dat Christus deze wijsneuzigheid op treffende wijze is tegemoet getreden, inzover Hij niet van de wijn gezegd heeft: “Dat is Mijn bloed”, maar: “dit is Mijn bloed”; en nog veel duidelijker toen Hij het woord “beker” gebruikte en zei: “Dit is de beker van het Nieuwe Testament, in Mijn bloed”? Lijkt het er niet heel veel op dat Hij ons heeft willen houden bij het eenvoudige geloof, alleen opdat wij zullen geloven dat Zijn bloed in de beker is? Ik voorzeker, indien ik het niet kan bevatten, op welke wijze brood het lichaam van Christus zou zijn, geef nochtans mijn verstand gevangen in de gehoorzaamheid van Christus; ik ga op Zijn woorden zeer eenvoudig af en geloof vast, dat niet alleen het lichaam van Christus in het brood is, maar ook dat het brood het lichaam van Christus is. Immers daartoe zullen mij zijn woorden steunen, als er geschreven staat: “Hij nam het brood, dankte, brak het en zei: Neemt, eet, dit (dat is: dit brood dat Hij genomen en gebroken had) is mijn lichaam”. Zo vraagt ook Paulus: “Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap met het lichaam van Christus?” Hij zegt niet: “het is in het brood”, maar: “het brood zelf is een gemeenschap met het lichaam van Christus”. Wat zou het, indien de filosofie dit niet begrijpt? De Heilige Geest is méér dan Aristoteles. Begrijpt zij soms de transsubstantiatie, die zij leren? Zijzelf erkennen dat die leer de hele filosofie omverwerpt.. In zover nu echter in het Grieks en in het Latijn het voornaamwoord “dit” op “het lichaam” wordt toegepast, wordt hier [in deze beide talen] de gelijkheid van het geslacht in acht genomen”36; maar in het Hebreeuws, dat geen onzijdig geslacht kent, heeft het betrekking op “brood”, zodat men kan zeggen: “Dit [brood] is mijn. Lichaam”; gelijk ook het spraakgebruik en het gewone mensenverstand bevestigt, dat nl. het subject heenwijst naar, betrekking heeft op het brood en niet op het lichaam, als Hij zegt: “Dit is mijn lichaam”: “das ist meyn leyp”, dat is: “dat brood daar is mijn lichaam”. Daarom: zó als het met deze zaak gesteld is in Christus, zó is het óók in het sacrament. Immers tot lichamelijke inwoning van de godheid is niet nodig dat de menselijke natuur een wezensverandering ondergaat, zodat de Godheid begrepen zou zijn onder de accidentia van de menselijke natuur. Maar terwijl elk van die twee naturen volkomen gaaf en dezelfde blijft, wordt toch naar waarheid gezegd: “Deze mens is God, deze God is mens”. En al begrijpt de filosofie dit nu niet,, het geloof begrijpt het wel. En groter is het gezag van Gods Woord, dan het bevattingsvermogen van ons verstand. Zó is het in het sacrament, opdat er een waar lichaam en waar bloed zij, niet nodig dat er met brood en wijn een wezensverandering plaats vindt, zodat Christus onder de accidentia begrepen zou zijn. Maar, terwijl beide dezelfde blijven, wordt naar waarheid gezegd: “Dit brood is mijn lichaam, deze wijn is Mijn bloed”, en omgekeerd. Zó moge ik het voorlopig verstaan, tot eer van de heilige woorden van God, aan welke ik niet wil dat door menselijke redenerinkjes geweld zal worden aangedaan en dat ze verdraaid zullen worden tot andere betekenissen dan die ze blijkbaar hebben; maar ik sta toe dat anderen een andere mening huldigen, die in een pauselijke zendbrief met het aanvangswoord Firmiter is vastgelegd; als zij maar niet dwingend voorschrijven dat (gelijk ik gezegd heb) hun meningen, als waren het geloofsartikelen, door ons moeten worden aanvaard.

De derde gevangenschap van hetzelfde sacrament is dat verre het meest goddeloze misbruik, waardoor het ze, ver is gekomen dat bijna niets in de kerk heden ten dage méér aanvaard en méér tot geloofsovertuiging is geworden dan dat de Mis een goed werk en een offer is. En dit misbruik heeft vervolgens ons overspoeld met een oneindig aantal andere misbruiken, totdat, nadat het geloof aan het sacrament geheel was teloor gegaan, men van het goddelijk sacrament weekmarkten, kroegbezoek en winstgevende handelszaken heeft gemaakt. Hieruit werden weer deelgenootschappen, voorbeden, verdiensten, jaarlijkse feesten, gedenkdagen geboren; en dat soort zaken werden in de kerk verkocht, ingekocht, verhandeld en geregeld en daaruit wordt het gehele levensonderhoud gewonnen van de priesters en de monniken. Een moeilijke zaak grijp ik hier aan en die het misschien onmogelijk is omver te werpen, omdat zij geconsolideerd is door de machtige gewoonte van eeuwen her en aller goedkeuring heeft verkregen; en daardoor is zij zó ingeworteld en ingeburgerd, dat het nodig zou zijn om het grootste deel van de boeken, die heden in tel zijn en bijna de gehele gedaante van de kerk op te heffen en te veranderen, en een totaal ander soort ceremoniën in te voeren of liever: weer te herstellen. Maar mijn Christus leeft en zorgvuldiger moet men het Woord van God in acht nemen dan de denkbeelden van alle mensen en engelen samen. Ik voor mij, ik wil mijn dienst waarnemen zó, dat ik de zaak, waar het om gaat, in het licht hoop te stellen en “om niet”, gelijk ik haar gratis heb ontvangen, wil ik de waarheid aan anderen meedelen, zonder haat of nijd. Overigens hebbe een ieder zijn wijze van zalig worden; maar voor het oordeel van Christus, dat over mij gaan zal, wil ik er trouw moeite toe doen dat niemand de schuld van zijn ongelovigheid en gebrek aan waarheidskennis op mij zou kunnen afwentelen.



Ten eerste, opdat wij tot een ware en vrije kennis van dit sacrament op een veilige weg en op gelukkige wijze mogen komen, moeten wij er vóór alles voor zorgen dat wij eerst alles terzijde stellen, wat bij de oorspronkelijke en eenvoudige instelling van dit sacrament door menselijke hartstocht en onstuimigheid is toegevoegd, als daar zijn: klederen, versierselen, gezangen, gebeden, orgels, lampen en heel die praal van zichtbare dingen, om oog en hart te verpanden alléén aan de zuivere instelling-zelf van Christus, en op niets anders de blik richten dan op het woord van Christus Zelf, met hetwelk Hij het sacrament heeft ingesteld en volmaakt en ons bevolen heeft. Want in dat woord en verder in niets anders is de kracht, de aard en heel het wezen van de Mis gelegen. Al die andere dingen zijn menselijke bemoeisels, die bij het woord van Christus bijkomen maar zonder welke de Mis heel best kan bediend worden en bestaan. De woorden nu, waarmee Christus dit sacrament heeft ingesteld, zijn deze: “En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit en gaf het aan Zijn discipelen en zeide: Neemt, eet, dit is mijn lichaam, dat voor u overgegeven wordt. En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide: Drinkt allen daaruit. Deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed dat voor u en velen uitgegoten wordt tot vergeving der zonden. Doet dit tot Mijn gedachtenis”. De Apostel in 1 Cor. 11 geeft deze woorden door en legt ze breder uit. En op deze woorden moeten wij steunen en er op bouwen als op een vaste rots, indien we niet door elke wind van leer willen om en om gevoerd worden, gelijk we tot nog toe heen en weer in 't rond geslingerd zijn door de goddeloze leerstellingen van mensen die de waarheid tegenstaan. Want in deze woorden is niets onaangeroerd gelaten, dat tot de gaafheid, het rechte gebruik en de vrucht van dit sacrament behoort; en er is niets in neergelegd dat voor ons overtollig en niet noodzakelijk zou zijn om het te weten. Want wie met een terzijdelaten van deze woorden over de Mis òf nadenkt òf leert, zal afschuwelijke goddeloosheden doceren, gelijk dat is geschied door hen die een opus operatum, een werk waarvan het voldoende is dat het gewerkt wordt, en een offer ervan, hebben gemaakt. Het moge dus vóór alle dingen onbedrieglijk vaststaan dat de Mis, of: het sacrament van het altaar, het testament van Christus is, dat Hij, stervende, ons naliet, om het uit te delen aan allen die in Hem geloven. Want zei betuigen Zijn woorden het: “deze beker is het nieuwe verbond (testament) in mijn bloed”. Moge, zeg ik, deze waarheid vaststaan, als een onwrikbaar fundament, waarop wij alles wat gezegd moet worden, zullen bouwen. Want dit zult u zien, dat wij ondersteboven zullen werpen alle goddeloosheden van mensen, waarmee Zij dit allerzoetste sacrament hebben aangevallen. De waarachtige Christus zegt dus naar waarheid: Dit is het nieuwe verbond in Zijn bloed, voor ons vergoten. Niet voor niets scherp ik u deze dingen in; het is waarlijk geen kleine zaak, maar één die diep in 't hart moet worden weggelegd.

Laten we ons dus afvragen wat een testament is en dan zullen wij tegelijk weten wat de Mis is, hoe die moet worden gebruikt, hoe die kan worden misbruikt en welke vruchten zij draagt. Een testament is zonder twijfel de belofte van een stervende, waarin hij de erfenis beschrijft en zijn erfgenamen benoemt. Een testament derhalve onderstelt (involveert) ten eerste de dood van de erflater, vervolgens de belofte van een erfenis en de benoeming, de aanwijzing, van erfgenamen. Zó immers ook handelt Paulus in Rom. 4 en Gal. 3 en 4 en Hebr. 9, op verschillende plaatsen uitvoerig over een testament. En dat staat ook in die aangehaalde woorden van Christus duidelijk te lezen: Christus vermaakt - bij wijze van testament - Zijn dood, als Hij zegt: “Dit is Mijn lichaam dat overgegeven wordt; dit is Mijn bloed, dat wordt uitgestort”. De erfenis omschrijft Hij en wijst Hij aan, zeggende: “tot vergeving der zonden”. En de erfgenamen benoemt Hij, met deze woorden: “voor u en voor velen, dat is: die de belofte van de erflater aannemen en er in geloven”. Het geloof immers maakt hier tot erfgenamen, zoals wij zullen zien. U ziet dus dat de Mis (zoals we haar gewoon zijn te noemen) een belofte van zondevergeving is, door God ons gedaan en zúlk een belofte, die door de dood van de Zoon van God is vastgemaakt. Want belofte en testament verschillen in niets anders, dan inzover het testament tevens involveert de dood van de erflater. En deze erflater is dezelfde als degene die de beloften doet, terwijl Hij sterven gaat; en Hij die de belofte doet is (om mij zó uit te drukken) een erflater die gaat leven! Dit testament van Christus is voorafgeschaduwd in al de beloften van God, van het begin van de wereld af gedaan. Ja zelfs, meer nog: alle beloften van de oudheid waren, inzover zij geldige waarde hadden, alléén van kracht in die nieuwe, destijds nog toekomstige, belofte van Christus en waren daarvan afhankelijk. Zó komt het dat die bekende woorden: toezegging, verbond, testament van de Heere in de Schriften zó gebruikelijk zijn, zó dikwijls voorkomen. Daardoor werd aangeduid dat God eenmaal sterven zou. Want, gelijk we in Hebr. 10 lezen: waar een testament is, daar is het noodzakelijk dat de dood van de erflater tussenbeide komt. God nu hoeft een testament gemaakt, daarom was het noodzakelijk voor Hem te sterven. Maar Hij kon niet sterven, tenzij hij een mens was. Daarom staat in dezelfde woorden van het testament, zo kort mogelijk samengevat, èn de vleeswording èn de dood van Christus opgetekend. Volgens deze dingen wordt nu uit de aard van de zaak reeds openbaar welke het juiste gebruik van de Mis is en hoe men haar kan misbruiken; hoe zij op waardige en hoe zij op onwaardige wijze wordt bediend. Indien zij immers een belofte is, zoals ik gezegd heb, dan komt men tot haar niet door de verdienste van enig werk, niet in eigen krachten, niet op grond van enige verdiensten, maar alléén door het geloof. Immers dáár waar het woord is van de belovende God, daar is nodig: het geloof van de mens, die deze belofte aanneemt; zodat het duidelijk is dat het begin van ons behoud het geloof is, dat rust op het woord van de belovende God, die buiten al onze inspanning om, door gratuite en onverdiende barmhartigheid bewogen, ons vóórkomt en het woord van Zijn belofte ons aanbiedt. Want “Hij heeft zijn woord gezonden en hen alzó genezen”. Maar Hij heeft niet ons werk aangenomen en in die weg ons genezing geschonken. Het woord van God is het eerste van alle dingen, en daarop volgt dan het geloof, en op het geloof de liefde. En dan vervolgens doet de liefde elk goed werk, omdat zij niet iets slechts doet; zij is immers veelmeer “de vervulling der wet”. En niet langs enige andere weg kan de mens met God samenkomen of iets doen dan door het geloof. Dit betekent dat niet de mens door enige van zijn werken, welke ook, maar dat God door Zijn belofte de Auteur is van ons behoud, de Bewerker van onze zaligheid. Zodat alles afhangt van, gedragen en bewaard wordt door het woord van Zijn kracht, waardoor Hij ons heeft voortgebracht om in zekere zin eerstelingen te zijn onder Zijn schepselen. Zo heeft Hij Adam na zijn val, om hem er uit op te richten, deze belofte gegeven, toen Hij zei tot de slang: “Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, tussen uw zaad en haar zaad; zij (Ipsa) zal u de kop vermorzelen en gij zult u vastbijten in zijn hiel”. In het woord van deze belofte is Adam met de zijnen als in Gods schoot overgebracht en door het geloof in de waarheid ervan bewaard, terwijl hij geduldig wachtte op de vrouw, die de kop van de slang zou vermorzelen, gelijk God had beloofd. En in dit geloof en in deze verwachting is hij ook gestorven, niet wetend wanneer zij zou komen en wie zij zou zijn, maar zonder dat hij twijfelde dat zij komen zou. Want zulk een belofte, omdat zij een stuk waarheid van God is, redt ook in het dodenrijk hen die geloven en haar verwachten. Na deze is een andere belofte gevolgd die aan Noach is geschied, tot aan Abraham toe en als teken van Gods verbond is hem gegeven de regenboog en door het geloof aan deze belofte heeft hij en hebben zijn nakomelingen een genadige God gevonden. Na dezen heeft Hij aan Abraham beloofd dat in zijn zaad alle volken zouden gezegend worden. Dit nu is “Abrahams schoot”, waarin zijn nakomelingen opgenomen zijn. Daarop heeft Hij aan Mozes en aan de kinderen Israëls, voornamelijk aan David, de duidelijkste belofte omtrent Christus gegeven, door Wie Hij eindelijk heeft geopenbaard, welke belofte de Ouden was gegeven.

Zo was de weg gebaand tot de allervolmaaktste belofte van alle, die van het Nieuwe Testament, waarin met zoveel woorden het leven en de zaligheid om niet worden toegezegd, die gegeven worden aan allen die de belofte geloven. En door een belangrijk kenmerk onderscheidt Hij dit Testament van het Oude, als Hij het noemt: het Nieuwe Testament. Immers het Oude Testament, door Mozes gegeven was een belofte, niet van de zondevergeving of van eeuwige goederen, maar: van tijdelijke, nl. het land Kanaän, waardoor niemand zó, geestelijk, vernieuwd werd dat hij de hemelse erfenis zou deelachtig worden; daarom moest ook een onvernuftig dier als afschaduwing van Christus gedood worden, in welks bloed dat Testament bevestigd werd, opdat het zou zijn: zó het bloed, zó het Testament; gelijk het offer, zó ook de belofte. Maar hier zegt Hij: “het Nieuwe Testament in Mijn bloed”, - niet het bloed van een vreemde, maar - “in Mijn eigen bloed”; waardoor, door de Geest, tot vergeving van zonden, tot een in bezit nemen van de erfenis, de genade wordt beloofd. Derhalve is de Mis, naar haar wezen, feitelijk niets anders dan de voornoemde woorden van Christus: “Neemt, eet ...” enz., alsof Hij wilde zeggen: “Zie, u zondige en veroordelenswaardige mens, uit zuivere en om niet geschonken liefde, waarmee Ik u liefheb, volgens de wil van de Vader der barmhartigheid, beloof Ik u met deze woorden, vóór al uw verdienste en begeerte, de vergeving van al uw zonden en het eeuwige leven. En opdat u van [de waarachtigheid van] deze Mijn onherroepelijke belofte toch maar volkomen zeker zult zijn, zal Ik Mijn lichaam geven en Mijn bloed [laten] vergieten, om door die dood zelf deze belofte te bevestigen en beide u tot teken van en gedachtenis aan diezelfde belofte na te laten. Zo dikwijls u die bij herhaling zult gebruiken, moet u aan Mij gedenken en mijn liefde jegens u en mijn mildheid verkondigen en prijzen en Mij daarvoor danken”. Uit deze dingen merkt u op dat tot het op waardige wijze de Mis vieren, niets anders vereist is dan het geloof waarmee u in goed vertrouwen op deze belofte steunt, Christus in Zijn woorden acht waarachtig te zijn en niet twijfelt dááraan dat deze geweldig grote goederen geschonken zijn. Op dit geloof zal dan terstond als vanzelf de zoetste toegenegenheid van het hart volgen, waardoor de geest van de mens (dat is: de liefde, door de Heilige Geest, in geloofséénheid met Christus, hem geschonken) in de ruimte gezet en op Hem geworpen wordt, zodat hij naar Christus heengetrokken wordt als naar een zó mild en goedertieren Erflater en hij een door en door veranderd en vernieuwd mens wordt. Want wie zou niet innig wenen, ja zelfs van vreugde in Christus bijna buiten zichzelf zijn, als hij met een geloof dat niet twijfelt mag verzekerd zijn dat deze onschatbaar-rijke belofte van Christus hèm geldt? Hoe zal hij zulk een Weldoener niet weder-liefhebben, die aan een onwaardig mens en die geheel andere dingen verdiend heeft, zulk een rijkdom en deze eeuwige erfenis in voorkomende liefde aanbiedt, toezegt en schenkt? Daarom is het onze geheel enige ellende dat wij zoveel Missen in de wereld hebben, maar niemand van ons of weinigen deze beloften en de erin voorgestelde rijkdom kennen, beschouwen en ons toeëigenen, terwijl toch in der waarheid in de Mis het ons om geen andere of grotere zaak moet gaan, ja, waarop alleen we ál onze belangstelling samentrekken, dan dat we déze woorden, deze beloften van Christus, die inderdaad de Mis zelf zijn, ons voor ogen zullen stellen en zullen overdenken en “herkauwen”, telkens weer genieten, opdat we daardoor ons geloof in die woorden oefenen, voeden, vermeerderen en sterken, door dit dagelijks gedenken. Dit is het toch wat Hij bevolen heeft, toen Hij zei: “Doet dat tot Mijn gedachtenis”. En juist ditzelfde moet de prediker zich ten doel stellen, nl. dat hij deze belofte het volk met getrouwheid inprent en aanbeveelt en aannemelijk maakt om toch maar hun geloof aan haar steeds weer op te wekken en uit te lokken. Maar nu, welk deel [van de kerkleden] weet dat de Mis de belofte van Christus is? (opdat ik maar zwijge van die goddeloze fabeltjes-vertellers die menselijke leringen in de plaats van een zo grote belofte onderwijzen). En indien ze al de woorden van Christus onderwijzen, dan doen ze het toch nog niet onder de naam van: belofte, of: testament; en op die wijze geven zij door deze hun leer nog geen onderwijs dat strekt tot verkrijging van het geloof.

Welaan dan, waarover wij ons beklag doen, ten aanzien van deze ballingschap, dat is: dat men tegenwoordig met alle ijver er voor op zijn hoede is dat niet één leek die woorden van Christus hoort, alsof ze te heilig zijn, dan dat ze ook aan het gewone volk behoren te worden doorgegeven. Want zó onzinnig zijn we en wij, priesters, matigen ons aan om de woorden van de consecratie (gelijk men ze noemt) voor ons alleen heimelijk uit te spreken, als raakten ze verborgenheden; zó evenwel, dat ze zelfs óns niet ten nutte komen omdat zelfs wij-zelf die woorden niet als beloften en als een testament aanmerken en verstaan, om het geloof er mee te voeden, maar, ik weet niet door welke bijgelovigheid en goddeloze mening, vereren we ze liever dan dat we ze geloven! Wat anders werkt de Satan, door deze onze ellende, onder ons uit, dan dat er niets van wat de Mis voor ons betekenen wil in de kerk overblijft; terwijl hij er intussen toch voor zorgt dat zelfs alle uithoeken van de wereld vol van Missen zijn, dat wil zeggen: vol van misbruik maken en aanfluiting van het testament van God; vol van de zwaarste zonden van afgoderij, opdat de wereld gestadig meer en meer er mee zou beladen worden tot vermeerdering van zwaarder oordeel. Immers: welke zonde van afgoderij kan ernstiger zonde zijn, dan dat men de beloften van God, door een geheel verkeerde mening er over te hebben, misbruikt en men aan het geloof eraan of voorbijgaat of zelfs het vernietigt? Immers (gelijk ik betoogd heb): God heeft Zich nooit anders tot de mensen in betrekking gesteld, of doet dat nog, dan door het woord van de belofte. En omgekeerd is het zó, dat wij ons nooit anders met God in betrekking kunnen stellen, dan in de weg van het geloof aan het woord van Zijn belofte. Om werken geeft Hij niets40 en Hij heeft die ook niet nodig. Met werken zijn we veelmeer bezig als we ons jegens mensen en met mensen samen en met onszelf inlaten. Maar dit heeft Hij nodig, dat wij Hem voor waarachtig houden in Zijn beloften, en Hem als de zodanige met geduldige verwachting in Zijn eer hooghouden en Hem met geloof en hoop en liefde dienen. Daardoor geschiedt het dat Hij Zijn eer in ons behoudt, omdat wij, niet daar wij lopen, maar omdat Hij de medelijden tonende, belovende en gevende God is, alle goederen ontvangen en bezitten. Zie, dit is de ware dienst en verering van God, die we in de Mis Hem moeten bewijzen. Wanneer echter de woorden van de belofte niet dóórgegeven worden, welke geloofsoefening kan men dan hebben? Maar wie kan hopen en liefhebben zonder geloof? En welke verering en dienst van God kan er zijn zonder geloof en hoop en liefde? Daarom is het aan geen twijfel onderhevig dat tegenwoordig de gezamenlijke priesters en monniken, samen met de bisschoppen en al hun oversten, afgodendienaars zijn en die leven in een staat van allergrootst gevaar, vanwege deze onkunde omtrent en misbruik en tot een aanfluiting maken van de Mis of het Sacrament of de belofte. Immers een ieder kan gemakkelijk begrijpen dat deze twee gelijk-op noodzakelijk zijn: de belofte en het geloof. Zonder belofte toch kan men niets geloven; daar echter waar het geloof ontbreekt is de belofte van geen nut, omdat zij door het geloof wordt bevestigd en gevuld. En omdat dit zo is kan een ieder evenzo gemakkelijk begrijpen dat men tot de Mis, omdat zij niets anders is dan belofte, kan toegaan, om haar herhaaldelijk te gebruiken, alléén door dit geloof. Want ontbreekt dit geloof, dan zijn al die dingen: korte gebeden, voorbereidingen41, werken, tekenen, gebaren, meer lokmiddelen tot goddeloosheid dan handelingen die vrome zin openbaren, daar het immers gewoonlijk zó er mee voorstaat dat zij het er voor houden dat, als deze dingen maar in orde zijn gebracht, zij langs wettige weg tot de altaren toegaan, terwijl zij in der waarheid te gener tijd en krachtens generlei arbeid er meer ongeschikt toe waren, vanwege het ongeloof dat ze met zich mee naar het altaar dragen. Hoevele offerpriesters ziet u niet op allerlei plaatsen en dag in dag uit, als ze of niet met het bij de gelegenheid passend gewaad gekleed of met ongewassen handen of indien ze bij het bidden even stotterden, ook maar de kleinste fout begingen, zich schuldig zouden achten aan een zware misdaad, de armzaligen! Maar, dat ze de Mis zelf, dat is: de goddelijke belofte, niet op de rechte waarde hebben geschat noch geloofd, dáárvan klaagt hun geweten hen niet in de allergeringste mate aan! O die onwaardige. religie, in onze eeuw, wel de meest goddeloze en ondankbaarste van alle!

Een waardige voorbereiding tot en een op gewettigde wijze gebruiken van de Mis is derhalve niet mogelijk of aanwezig als die niet bestaat juist in het gelóóf; dát geloof waarmee men aan de Mis gelooft als zijnde de goddelijke belofte. Daarom, wie tot het altaar wil toegaan of het sacrament ontvangen, die hoede zich dáárvoor dat hij niet leeg voor het aangezicht van de Heere verschijne42. Die hand zal echter ledig zijn, indien hij het geloof aan de Mis of aan dit Nieuwe Testament niet bezit. Welke ernstiger zonde dan die van dit ongeloof zou hij echter kunnen begaan tegen de goddelijke waarheid? Immers door deze zijn ongelovigheid beschuldigt hij haar, zoveel in hem is, van leugenachtigheid en van een ijdel beloven. De veiligste en zekerste weg zult u dus bewandelen, wanneer u tot de Mis niet met een andere gezindheid toetreedt, dan indien u wilde komen om een andere belofte van God, welke ook, aan te horen; dat wil zeggen: dat u mag bereid zijn niet veel te werken en aan God toe te brengen, maar alles te geloven en aan te nemen, wat u daar wordt beloofd of als het beloofde wordt verkondigd door de dienst van de priester. Indien u niet zou aangaan met zulk een gezindheid, hoedt u dat u niet aankomt, want zonder twijfel zou u dan aankomen. zó dat u een oordeel over u bracht. Vandaar dat ik met recht gezegd heb dat de gehele kracht van de Mis bestaat in de woorden van Christus, door welke Hij verzekert dat de vergeving van zonden wordt gegeven aan allen, die geloven dat voor hen Zijn lichaam is gegeven en Zijn bloed gestort; en dat, daarom, degenen die de Mis komen aanhoren niets meer nodig is dan dat zij die woorden zelf ijverig en met een volkomen geloof overdenken. Doen zij dit niet, dan is het alles tevergeefs wat zij dan wèl doen. Dit is zeker waar: God is bijna altijd gewoon, bij elk van Zijn beloften die Hij ons doet, het één of ander teken te voegen, óf als een gedenkteken óf als een herinneringsteken van Zijn belofte, waardoor deze met des te groter trouw wordt in acht genomen en met des te meer vrucht tot dit in acht nemen ervan zou opwekken. Zo gaf Hij bij de belofte, die Hij aan Noach deed, dat Hij de aarde niet door een tweede zondvloed zou verderven, Zijn boog in de wolken, waarmee Hij betuigde dat Hij zou gedenken aan Zijn verbond. En aan Abraham, na de belofte van de erfenis van zijn zaad, gaf Hij de besnijdenis tot een zegel van de gerechtigheid van het geloof. Zo gaf Hij aan Gideon het teken van het droge en bedauwde vlies, om te bevestigen Zijn belofte omtrent de Midianieten die hij overwinnen zou. Zo ontving Achaz door de dienst van Jesaja een teken, dat hij de koning van Syrië en die van Samaria zou overwinnen, opdat Hij daardoor het geloof aan Zijn belofte in zijn hart zou versterken. Vele van dergelijke tekenen van de beloften van God vinden we in de Schriften. Zó nu heeft Hij ook in de Mis, deze voornaamste van alle beloften, als gedenkteken van zulk een belofte, aan haar toegedaan Zijn eigen lichaam en Zijn eigen bloed, in brood en wijn, en heeft daarbij gezegd: “Doet dit tot Mijn gedachtenis”. Zo ook voegt Hij bij de woorden van de belofte het teken van de onderdompeling in het water. Daaruit bemerken wij dat in iedere belofte van God, welke ook, twee dingen ons worden voor ogen gesteld: woord en teken, opdat wij het zullen verstaan: het woord is het testament, het teken echter het sacrament, gelijk in de Mis het woord van Christus het testament is, en brood en wijn het sacrament zijn. En gelijk nu meer kracht in het woord is gelegen dan in het teken, zo ligt ook meer kracht in het testament dan in het sacrament. Daarom kan een mens het woord of het testament hebben en daarvan gebruik maken, zonder het teken of sacrament. “Geloof”, zei Augustinus, “en u hebt gegeten”. Maar wat anders zullen we geloven dan het woord van Hem Die wilde beloven? Zo kan ik dan dagelijks, ja ieder uur, de Mis hebben, aangezien ik, zo dikwijls ik maar wil, de woorden van Christus mijzelf kan in de herinnering terugroepen en mijn geloof aan de woorden kan voeden en versterken. Waarlijk, dit is geestelijk eten en drinken.

Hier ziet u wat en hoeveel de theologen van de Sententiën in dit stuk hebben gepresteerd: wat de hoofdzaak aangaat, nl. testament en woord van belofte - dit behandelt niemand van hen en op die wijze hebben zij het geloof en heel de kracht van de mis ons in vergetelheid gebracht. Vervolgens, het tweede deel ervan, nl. het teken of sacrament - dat bespreken zij alléén, maar nu zó dat zij ook in dit stuk niet het geloof in hun onderwijs op de voorgrond brachten, maar hun eigen voorbereidingen en de “opera operata” de deelgenootschappen en de vruchten, totdat ze in de diepte afdaalden en gingen leuteren over de transsubstantiatie en talloze andere bovennatuurlijke beuzelachtigheden en zij het afweten en het ware gebruik zowel van het testament als van het sacrament mét het geloof als zodanig terzijde stellen en deden verloren gaan en er de oorzaak van waren dat het volk van God, zoals de Profeet daarvan spreekt, gedurende talloze dagen zijn God vergat. U evenwel, láát anderen vele vruchten van het de-mis-aanhoren opsommen, maar richt u uw volle aandacht dáárop dat u met de Profeet zegt en gelooft dat u hier van Godswege tegen allen die u drukken, een tafel bereid is voor uw aangezicht, waaraan uw geloof geweid, gevoed en “vetgemest” wordt. Immers uw geloof wordt niet geweid of gevoed dan door het woord van de goddelijke belofte. Want de mens zal bij brood alléén niet leven, maar bij alle Woord Gods dat de mond Gods uitgaat. Daarom moet u in de Mis vóór alles met de grootste weetgierigheid acht geven op het woord van de belofte, als op een overvloedig gastmaal, weide van allerlei aard en uw heiligste verkwikking, opdat u dit boven alle andere dingen van waarde acht, 't meest dáárop vertrouwt en ten sterkste daarop steunt zelfs dwars door de dood en alle zonden heen. Doet u dit, dan zult u niet alleen die druppeltjes en kleine deeltjes vrucht van de Mis, waarvan sommigen bijgelovig fabelen, maar de hoofdbron van het leven zelf de uwe mogen noemen, dat is: het geloof aan het woord, waaruit alle goed vloeit, zoals het te lezen staat in Joh. 4: “Die in Mij gelooft, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien”, en wederom: “Wie zal drinken van het water, dat Ik hem geven zal - dit water zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven”. Nu zijn er twee dingen, die ons plegen te bestoken, opdat we toch maar de vruchten van de Mis niet zullen deelachtig worden. Het eerste is: dat wij zondaars zijn en door al te grote geringheid zulke zaken onwaardig. Het tweede: dat, al zouden wij ze ons ook waardig maken, de grootheid van die zaken een zódanige is dat onze heel klein van zichzelf denkende natuur ze niet zou durven begeren of er op hopen. Immers: vergeving van zonden en het eeuwige leven, wie verbaast zich er niet meer over dan dat hij die voor zichzelf zou durven verlangen, als hij naar waarde schat en afweegt de grootheid van de goederen die daaruit voortvloeien: nl. God als Vader te hebben, Zijn kind te zijn, erfgenaam van alle goederen die God schenkt. Tegen deze tweevoudige kleinmoedigheid, moet u het woord van Christus in 't geloof aangrijpen, en veel sterker op Hem zien dan deze overwegingen van uw zwakheid aankweken. Want “groot zijn de werken van de Heere, na te speuren door allen die er behagen in hebben”; Hij die machtig is te geven boven al ons bidden en denken. Indien zij immers onze waardigheid, ons bevattingsvermogen, ja heel ons begrip niet ver zouden te boven gaan, zouden zij niet goddelijk zijn. Zo bemoedigt Christus ons ook als Hij zegt: “Vrees niet, klein kuddeke, het heeft immers uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven”. Immers juist deze onbegrijpelijke. overvloed van God, door Christus over ons en in ons uitgegoten, maakt dat wij Hem wederom boven alles vurig liefhebben, met de grootste overgave aan Hem ons toevertrouwen, alles [dat ons van Hem zou aftrekken] verachten, bereid zijn om alle dingen voor Hem te lijden. Daaruit is het te verklaren dat, met recht en reden, dit sacrament wel is genoemd: een bron van liefde. Neem in dit stuk u een voorbeeld uit het menselijk leven. Indien een zeer rijk heer aan de één of andere bedelaar, of zelfs een onwaardige en slechte dienstknecht, duizend goudstukken zou vermaken, zou hij die stellig in 't geloof dat ze hem nu toekwamen opeisen en aannemen, zonder rekening te houden met zijn onwaardigheid of met de rijkdom van de testamentaire beschikking. En indien iemand zich tegen hem zou keren en hem zijn onwaardigheid zou tegenwerpen en zou wijzen op de grote waarde van de erflating, wat denkt u dat hij zou antwoorden? Hij zou zeggen: “wat gaat het u aan? Wat ik aanneem, neem ik niet aan op grond van mijn verdienste noch krachtens enig recht dat ik er op zou hebben; ik wéét mij een onwaardige en die aanstonds veel meer ontvang dan ik verdien, ja zelfs: die het tegendeel verdiend had; maar wat ik vraag te ontvangen, vraag ik naar het recht dat het testament mij er op geeft en krachtens de goedheid van een ander; indien het voor hem niet iets onwaardigs was dat hij mij, de zozeer onwaardige, zulk een schat legateerde, waarom zal ik dan, vanwege mijn onwaardigheid, het met geringschatting weigeren om die aan te nemen? Ja integendeel, om deze oorzaak zal ik te meer de genadig geschonken gave van een mij vreemde met blijdschap aanvaarden, te méér, naarmate ik die meer onwaardig ben. Met deze zelfde gedachten moet ook eens ieders geweten zich wapenen, tegen alle bezwaren en knagingen in; niet een geloof dat niet twijfelt moeten we ons aan deze belofte van Christus vastklemmen en met alle kracht die in ons is, ons er voor wachten dat niemand tot het altaar zou naderen met vertrouwen op de biecht, op zijn gebed, op de voorbereiding ertoe, maar [er op uit zijn], met een wanhopen aan de kracht van die alle (alléén toe te gaan) in een prachtig-verheven vertrouwen op de belovende Christus. Want, gelijk nu voldoende is in 't licht gesteld: het woord van Zijn belofte moet hier alléén heersen in een zuiver geloven, hetwelk enig en alleen de genoegzame voorbereiding is [om toe te gaan].

Hieruit zien wij als gevolg van hoe grote toorn van God het is geschied dat goddeloze leraars ons de woorden van dit testament verborgen hebben en daardoor het geloof zelf hebben vernietigd, zoveel aan hen stond. Het is nu gemakkelijk te zien, wat noodzakelijkerwijs op deze vernietiging van het geloof moest volgen, nl. het meest goddeloze bijgeloof inzake de kracht van de werken. Immers waar het geloof te gronde gaat en het woord van het geloof verstomt, daar rijzen spoedig de werken op in hun plaats en de overleveringen dat de werken nodig zijn. En door deze zijn wij als het ware uit ons land weggevoerd in een Babylonische ballingschap, terwijl daarbij gevangen werd genomen en geroofd al datgene wat ons was een zo begerenswaard bezit. Zo is het ook gegaan met de Mis, die door de leer van goddeloze mensen is veranderd in een goed werk, dat zij zelf noemen een opus operatum [dat reeds goed is vanwege het enkele feit dat dit werk gewerkt wordt], waardoor zij verwachten en beweren alles bij God te kunnen doen. Vandaar ging men voort tot een uiterste dwaasheid, nl. dat zij, omdat zij liegende beweerden dat de Mis uit kracht van “het gewerkte werk” geldende waarde had, er aan hebben toegevoegd dat zij, al zou zij een goddeloze priester die haar opdroeg, schaden, nochtans de overige mensen [aan of voor wie zij werd bediend] niet minder nuttig zou zijn. En op deze zandgrond hebben zij hun toepassingen, deelgenootschappen en broederschappen, jaarfeestdagen en dergelijke talloze zaken van voordeel en winst gebouwd46.



Tegen deze boosheden die krachtig zijn en vele en diep-ingeworteld, zult u nauwelijks kunnen standhouden en weerstand bieden, indien u niet met aanhoudende zorg er acht op geeft, wat de Mis eigenlijk is en u heel goed herinnert wat er tot dusver over is gezegd. U hoorde immers, dat de Mis niets anders is dan een goddelijke belofte en het testament van Christus, in het sacrament van Zijn lichaam en Zijn bloed aanbevolen en ons toebetrouwd. Is dit waar, dan begrijpt u dat dit sacrament op geen enkele wijze zelf een werk kan zijn en dat er niets in gebeurt en dat er door niemand met enige ijver in gehandeld wordt, dan alléén door het geloof; het geloof nu is niet een werk, maar de meester en het leven van de werken. Immers wie is ooit zo onzinnig dat hij een ontvangen belofte of een geschonken testament een “goed werk” zou noemen dat hij die het ontvangt krachtens dit ontvangen zijn erflater ten goede doet? Wie is zulk een erfgenaam die meent dat hij zijn vader, de erflater, een weldaad bewijst, wanneer hij de testamentaire verklaring, tezamen met het vermaakte erfdeel aanvaardt? Welke is derhalve onze goddeloze lichtzinnigheid [te menen] dat we kunnen toetreden [tot het altaar] om het goddelijk testament te ontvangen, maar dan met het doel om zódoende een goed werk te verrichten? Is niet zulk een onkunde omtrent [de ware aard] van het sacrament en het in gevangenschap gevoerd zijn van zúlk een sacrament niet meer dan beschreienswaard? Terwijl we voor ontvangen gaven dankbaar moeten zijn, komen wij trots om te geven wat we moeten ontvangen, zodat wij, in ongehoorde verkeerdheid, de ontfermende liefde van de Gever bespotten, daar we Hem geven als een werk, wat we ontvangen als gave, opdat de erflater niet meer een schenker van Zijn goede gaven, maar een ontvanger van de onze zou zijn? Ach, welk een goddeloosheid! Maar wie is ooit zo krankzinnig geweest om het er voor te houden dat de doop een goed werk zou zijn? Of dat de dopeling geloofde dat hij een werk deed, hetwelk hij voor zichzelf en voor anderen God aanbood om er Hem aan te doen deelhebben? Indien dus in het éne sacrament en testament generlei goed werk is dat we kunnen meedelen aan anderen, dan zal er ook geen zijn in de Mis, daar ook zij niet anders is dan een testament en sacrament. Vandaar dat het een klaarblijkelijke en goddeloze dwaling is om de Mis voor zonden, tot verzoening van zonden, voor afgestorvenen of welke noden ook van zichzelf of van anderen, ten offer aan te bieden of hun ten goede aan te wenden. U verstaat zeer gemakkelijk dat dit een klaarblijkelijke waarheid is, als u met kracht er aan vasthoudt dat de Mis een goddelijke belofte is, die niemand kan tot oordeel zijn, niemand ten goede kan worden aangewend, niemand kan begunstigen, en waarvan niemand deelgenoot kan worden gemaakt, tenzij hij zelf gelooft met een eigen geloof. Immers wie kan een belofte van God, die van ieder mens afzonderlijk geloof eist, voor een ander aannemen of hem ten goede van toepassing doen zijn? Kan ik ooit aan een ander de belofte van God geven, ook terwijl hij niet gelooft? Of zou ik voor een ander kunnen geloven? Of kan ik maken, dat een ander gelooft? Maar dit zou toch moeten geschieden, indien ik de Mis anderen kon doen ten goede komen en hem de vrucht ervan mededelen, daar in de Mis niet anders aanwezig zijn dan deze twee: de goddelijke belofte en het menselijk geloof dat aanneemt wat die belofte toezegt. En als die andere mening de ware is, dan kan ik ook voor anderen het Evangelie horen en geloven, dan kan ik voor een ander worden gedoopt, dan kan ik voor een ander kwijtschelding van zonden erlangen, dan kan ik ook voor een ander deelnemen aan het sacrament van het altaar, dan kan ik ook - om de rij van hun sacramenten, die doorlopend, op te sommen - voor een ander een vrouw trouwen, voor een ander priester worden, voor een ander het vormsel of de sacramenten van de stervenden ontvangen.

Eindelijk, waarom heeft Abraham niet voor alle Joden geloofd? Waarom wordt van de Joden, ieder afzonderlijk, het geloof geëist aan dezelfde belofte, die Abraham is toevertrouwd? Moge dus de onoverwinnelijke waarheid vaststaan: dáár, waar de goddelijke belofte is, daar staat ieder voor zichzelf, daar wordt zijn geloof geëist, daar zal ieder voor zichzelf verantwoording moeten afleggen en zijn eigen last moeten dragen, zoals we in het slot van het Evangelie naar Marcus lezen: “Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden, wie echter niet geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden”. Zo ook wat de Mis aangaat, een ieder zal haar slechts voor zichzelf nuttig kunnen doen zijn, door zijn eigen geloof en voor niemand kan hij op enigerlei wijs aan het sacrament deelnemen; zoals een priester aan niemand voor een ander het sacrament kan toedienen, maar hij ieder afzonderlijk hetzelfde sacrament uitreikt. Immers de priesters zijn tot het wijden en uitdelen onze dienstknechten, door welke wij niet een goed werk aanbieden, of actief aan het communiceren deelnemen, maar via hun dienst nemen wij de beloften en het teken ervan aan en wij communiceren passief, wat ook bij de leken tot dit ogenblik toe zó gebleven is. Want van deze zegt men niet dat zij iets goeds doen, maar dat ze het ontvangen. Maar de priesters zijn van de goede weg afgeweken tot hun goddeloosheden en zij hebben zich een goed werk gemaakt uit het sacrament en testament van God, om dat mee te delen en als offer aan te brengen, terwijl het had betaamd dat het als een goed werd aanvaard. Maar u zult zeggen: Wat? Werpt u zó niet omver het gebruik en het gevoelen van alle kerken en kloosters, door welke zij door zoveel eeuwen heen al sterker zijn geworden, daar toch op de Mis de jaarlijkse feestdagen, de voorbeden, de toepassing op anderen, de mededelingen enz., dat betekent: de vetste opbrengsten werden gegrond? Ik antwoord daarop: Dit is het nu juist, wat mij er toe heeft aangedreven om van de gevangenschap van de Kerk te schrijven. Want alzó is het eerwaardige testament van God gekluisterd in de slavernij van de meest goddeloze gewinzucht, door de meningen en overleveringen van goddeloze mensen, die Gods Woord terzijde hebben gesteld en de overleggingen van hun hart ons hebben voor ogen gesteld en de wereld hebben verleid tot het bewandelen van verkeerde wegen. Wat raakt mij de macht en de menigte van hen die dwalen? Sterker dan zij allen is de waarheid. Indien u Christus tot een leugenaar kunt maken, die leert dat de Mis een testament en een sacrament is, dan ben ik bereid te geloven dat zij gelijk hebben. Vervolgens, zo u kunt waarmaken dat hij een goed werk doet, die de weldaad van het sacrament ontvangt, of juist met dat oogmerk het sacrament van de belofte gebruikt, dan zal ik met genoegen mijn mening als onjuist veroordelen. Daar u echter dit geen van beide kunt, waarom aarzelt u de grote hoop, die zich tot het kwade toewendt, met verachting aan de kant te zetten, God de eer te geven en zijn waarheid te belijden? Nl. deze dat heden ten dage alle priesters in dwaling leven, de Mis als een werk beschouwen waarmee zij de noden en behoeften hetzij van zichzelf, hetzij van anderen, hetzij van de doden, hetzij van de levenden, te hulp komen. ik zeg dingen die u ongehoord schijnen en waarover men zich moet verbazen. Maar als u de Mis er op aanziet, wat zij eigenlijk is, dan zult u erkennen dat ik de waarheid heb gesproken. Dit heeft nu die te grote zekerheid teweeggebracht, waardoor wij de tegen ons voortschrijdende toorn van God niet hebben opgemerkt. Dit echter geef ik heel gaarne toe, dat de gebeden welke zij, die tot het ontvangen van de Mis ergens zijn samengekomen, tot God opzenden, goede werken zijn of ook weldaden, waarmee we elkander wederkerig begiftigen, die we op elkaar van toepassing doen zijn en waarvan we elkander deelgenoot maken en die we beurtelings voor elkaar tot God brengen; zoals Jacobus het ons leert dat we wederkerig voor elkander zullen bidden dat we zalig mogen worden. Ook Paulus, 1 Tim. 2, verordent dat er zullen zijn: smekingen, voorbeden en dankzeggingen voor alle mensen, voor koningen en alle hooggeplaatsten. Maar dit zijn niet Missen, maar werken bij de Mis behorende, indien althans de gebeden met hart en mond [tot God opgezonden] werken mogen of moeten heten, omdat ze geschieden uit een geloof dat in het sacrament is aangegrepen of er door is vermeerderd. Immers de Mis of de belofte van God wordt niet vol gemaakt door te bidden, maar alléén door te geloven. In het gelóóf toch bidden wij en doen wij het goede werk, welk óók. Maar wie van de priesters draagt in die zin de Mis op dat hij meent en bedoelt alléén zijn gebeden God aan te bieden, te offeren? Allen verbeelden zich dat ze Christus-Zelf God de Vader offeren, als een volkomen voldoenende offerande en dat zij een goed werk doen voor allen, wie zij zich voorstellen van nut te zijn, omdat zij vertrouwen op het “gewerkte werk”, welk vertrouwen zij niet op het gebed vestigen. Zo hebben zij, terwijl de dwaling langzamerhand groeide, dat wat de gebeden toekomt op het sacrament overgebracht en 't daaraan toegekend. En wat zij als een weldaad moeten ontvangen, dat brengen zij God als offer.

Daarom moet men met nauwkeurigheid onderscheid maken tussen het testament en sacrament zelf én de gebeden, die we tegelijkertijd tot God opzenden. En dit niet alleen, maar men moet ook goed weten dat deze gebeden in het geheel niets waard zijn, noch voor de bidder-zelf noch hen voor wie zij gebeden worden, indien niet éérst het testament door het geloof is in ontvangst genomen, opdat 't het geloof zal zijn, dat bidt; het geloof, dat ook alléén verhoord wordt, zoals Jac. 1 ons leert. Zózeer is het gebed geheel iets anders dan de Mis. Het gebed kan ik rekken, zolang ik wil; de Mis ontvangt niemand dan alléén wanneer hij voor zichzelf gelooft en in de mate waarin hij gelooft; en zij kan noch aan God noch aan de mensen gegeven worden, maar God alleen geeft haar door de dienst van de priester aan de mensen, die haar aannemen door het geloof alléén, zonder enige werken of verdiensten. Immers niemand mag het toch wagen om een zódanige dwaasheid te verkondigen, dat hij zou beweren een goed werk te doen, wanneer hij als arme en behoeftige kwam om een weldaad uit de hand van een rijke aan te nemen. Maar de Mis - zoals ik heb uiteengezet - is een weldaad van de goddelijke belofte, door de hand van de priesters alle mensen aangeboden.

Het is derhalve zeker, dat de Mis niet een werk is dat anderen kan worden meegedeeld, maar een voorwerp (een object, gelijk men het noemt) van geloof, om eens ieders eigen persoonlijk geloof te voeden en te sterken. Maar nu moet er nog een tweede steen des aanstoots worden weggenomen, die nog veel groter is en nog veel meer door uiterlijke schijn misleidend. En die steen is deze dat men wijd en zijd gelooft dat de Mis een offerande is, die men God aanbrengt. Met deze mening schijnen ook de woorden van de Canon overeen te stemmen, als het daar heet: “deze geschenken, deze giften, deze heilige offeranden”; en later: “deze aanbieding”. Evenzeer wordt in duidelijke bewoordingen begeerd dat “het offer moge, als welaangenaam, aangenomen worden, zoals het offer van Abel” enz. Vandaar dat Christus “het offer van het altaar” wordt genoemd. Hierbij komen uitspraken van de Heilige Vaders, zoveel voorbeelden en zulk een gewoonte-gebruik doorlopend over heel de wereld heen in acht genomen.

Tegenover alle deze dingen, moeten we, omdat ze zo hardnekkig hebben wortel geschoten, steeds weer opnieuw stellen de woorden en het voorbeeld van Christus. Immers indien we er niet aan vasthouden dat de Mis de belofte van Christus is, of Zijn testament, gelijk zijn woorden daarmee in overeenstemming zijn en dit geluid luid doen weerklinken, dan verliezen we het gehele Evangelie en al onze troost. Laten we toch niet toelaten dat iemand in enig opzicht zou trachten over deze woorden de overhand te verkrijgen, zelfs indien een engel uit de hemel iets anders zou leren. Want die woorden bevatten niets dat heenwijst naar enig werk of offer. Derhalve getuigt ook Christus' voorbeeld voor ons. Immers Christus heeft in het laatste Avondmaal toen Hij dit sacrament instelde en het testament stichtte, Zichzelf niet aangeboden, geofferd, aan God Zijn Vader of het als een goed werk God aangebracht, maar aan de tafel aanzittend heeft Hij de afzonderlijke personen hetzelfde testament voorgelegd en het teken aangeboden. Nu is de Mis des te christelijker, naarmate zij de eerste Mis van alle, die Christus aan Zijn tafel instelde, meer nabij komt en er meer gelijk aan is. Maar de Mis van Christus was allereenvoudigst, zonder enige praal van gewaden, gebaren, gezangen en andere ceremoniën. En indien het nu toch nodig was geweest haar aan te bieden als een offerande, dan zou Christus haar niet in volmaaktheid hebben ingesteld. Nu is het niet zo dat we de gehele kerk van kwade trouw moeten aanklagen; de kerk, die met vele andere riten en ceremoniën de Mis heeft gesierd en uitgebreid; maar dit begeren wij, dat toch niemand, door de uiterlijke gedaante van de ceremoniën op een dwaalspoor gebracht en in de veelheid van praalvertoningen verstrikt, de eenvoudigheid van de Mis uit het oog zou verliezen en zo inderdaad voor een zekere “wezensverandering” zou zorg dragen, immers indien hij het eenvoudige wezen van de Mis teloor zou laten gaan en zich zou vastbijten in de menigvuldige bijkomstigheden van de praal en pracht. Want, wat er buiten het Woord en het voorbeeld van Christus bijgekomen is, dat is een bijkomstigheid bij de Mis, en over die alle moeten we geen ander oordeel vellen dan we doen over de Monstransen, zoals men ze noemt, en de Pallia van het altaar waarin de hostie zelf wordt bewaard. Daarom, gelijk het een tegenstrijdigheid is: het uitdelen van een testament of een belofte aannemen èn een offer offeren, zo is het ook een innerlijke tegenstrijdigheid dat de Mis een offer zou zijn, omdat ze haar (de Mis) ontvangen, het offer echter geven. En men kan nu eenmaal onmogelijk hetzelfde tegelijkertijd ontvangen en offeren, gelijk het onmogelijk is dat iets door Dezelfde tegelijk gegeven en ontvangen, aangenomen wordt. Evenzo weinig als het gebed en de verkregen zaak hetzelfde kunnen zijn, gelijk het ook niet hetzelfde is om te bidden en datgene waarom we bidden te ontvangen.



Wat zullen we dan zeggen met betrekking tot de Canon en de gezaghebbende uitspraken van de Vaderen? Ik antwoord, vooreerst: wanneer men niets heeft om ervan te zeggen, dan is het veiliger en meer zeker om de waarheid van die alle te ontkennen, dan toe te geven dat de Mis een werk of een offer zou zijn en de waarheid van de woorden van Christus te ontkennen en het geloof tegelijk met de Mis te gronde te richten. Nochtans, om die uitspraken toch ook nog in ere te houden, laten we zeggen dat de Apostel in 1 Cor. 11 ons leert dat Christus' gelovigen, tot het vieren van de Mis saamgekomen, gewoon waren spijs en drank met zich mee te brengen, die ze collecten noemden, die zouden uitgedeeld worden aan allen die er behoefte aan hadden, naar het voorbeeld van de Apostelen, ons verhaald in Hand. 4, uit welke gaven genomen werd dat wat als brood en wijn gewijd werd voor de sacraments-bediening. En omdat nu alle deze dingen geheiligd werden door het woord en het gebed, volgens de Hebreeuwse ritus, die meebracht dat zij omhooggeheven werden, zoals Mozes het beschrijft; zijn de woorden en de ritus van het omhoogheffen of aanbieden gebleven ook nadat het gebruik om mee te brengen en aan te dragen de dingen waaruit men zou nemen om aan te bieden en omhoog te heffen reeds lang was afgeschaft. Zo beveelt Hiskia, Jes. 37, Jesaja om zijn gebed voor de overgeblevenen omhoog te heffen voor Gods aangezicht. En in Ps. 134 lezen we: “Heft uw handen omhoog tot het Heiligdom”. Evenzo, Ps. 63: “Tot U zal ik mijn handen omhoogver-heffen”. En in 1 Tim. 2: “Opheffend heilige handen in alle plaatsen”. Daarom moeten de woorden offer en het offeren niet in betrekking worden gebracht tot het sacrament en het testament, maar op de collecten zelf; vandaar dat ook het woord “collecten” is overgebleven, om er de gebeden mee aan te duiden die in de Mis worden opgezegd.

Ditzelfde heeft nu ook tengevolge dat de priester terstond na de consecratie van brood en beker die omhoogheft, waardoor hij niet te kennen geeft dat hij God iets aanbiedt of offert, daar hij bij die gelegenheid met geen enkel woord gewag maakt van de hostie of het offer. Maar ook dit is óf een overblijfsel van de Hebreeuwse ritus, krachtens welke de dingen die met dankzegging ontvangen en nu God weer terug werden gegeven, omhoog geheven werden, of het was een vermaan, tot ons gericht waardoor wij werden opgeroepen om aan dit testament te geloven; (dit testament) dat de priester daar met de woorden van Christus heeft naar voren gebracht en tentoongesteld, opdat hij tegelijk ook het teken ervan zou laten zien, en opdat het aanbrengen van het brood in het bijzonder zou corresponderen met dit aanwijzend woord “Dit is Mijn lichaam'', en ons, die er om heen staan, in zekere zin zou aanspreken met de taal van dit teken-zelf. Zo ook correspondeert het aanbieden van de beker in het bijzonder met dit aanduidend woord: “deze beker van het Nieuwe Testament...” en wat daar volgt. Immers de priester moet in ons het geloof opwekken, door die rituele gewoonte van het opheffen. En och of het zo ware dat, gelijk hij voor onze ogen openlijk het teken of het sacrament omhoogheft, hij zo ook tegelijk voor onze oren met een heldere en luide stem het woord of het testament verkondigde en dat in ieders landstaal, waardoor het geloof met veel rijker uitwerking zou worden opgewekt. Immers waarom zou het geoorloofd zijn de Mis in het Grieks of in het Latijn en Hebreeuws te bedienen en niet ook in het Duits of in welke andere taal ook? Daarom is het zo gewenst dat de priesters, in deze verdorven en zeer gevaarlijke tijd, als zij de Mis bedienen, dit in acht nemen: vooreerst dat zij de woorden van de grote en van de kleine Canon met de collecten, die heel duidelijk al te zeer van een offer gewag maken, niet op het sacrament betrekken, maar hetzij op het brood en de wijn die gewijd moeten worden, hetzij op hun gebeden. Want brood en wijn worden tevoren aangebracht om gezegend te worden, opdat zij door het woord en het sacrament zullen worden geheiligd. Nadat het echter gezegend en gewijd is, wordt het niet meer aangebracht, maar wordt het als gave van God ontvangen. En in deze gehele aangelegenheid moet de priester bedenken dat het Evangelie te stellen is boven alle canones en collecten, die. door mensen zijn in elkaar gezet, maar het Evangelie ons niet toelaat te menen dat de Mis een offer is, zoals u dit nu gehoord hebt. Vervolgens, hij die de Mis tot het einde toe bedient, stelle eerst bij zichzelf vast dat hij niets anders doet dan dat hij en anderen het sacrament ontvangt, door de Mis; dat hij tegelijk daarbij zijn gebeden voor zichzelf en voor anderen God aanbiedt; maar dat hij daarbij er zich voor heeft te hoeden dat hij het er niet voor houdt dat hij de Mis als offer aanbiedt. Wie evenwel alleen voor zichzelf [privatim] een Mis bedient, die stelle bij zichzelf vast dat hij zelf het sacrament ontvangt. Kortom, de private Mis verschilt in niets van een gewone en heeft geen rijker gevolg dan de gewone Mis, waarbij elke aanwezige leek uit de hand van de priester de ouwel ontvangt, met uitzondering van de gebeden en van het feit dat hij [alleen] voor zichzelf de wijding volbrengt en de Mis bedient. In waarheid zijn wij ten aanzien van de Mis allen gelijk, priesters en leken.

Wanneer door anderen verlangd wordt zogenaamde Votief-missen te bedienen, hoede zich de priester ervoor dat hij voor zulk een Mis geen beloning aanneemt, of anders in 't geheel geen Votief-mis aanvaardt, maar hij beijvere zich die geheel betrekking te doen hebben op de gebeden, die hij hetzij voor overledenen, hetzij voor nog levenden mag opzenden; en dan denke hij daarbij: “kijk, ik zal gaan en voor mijzelf alleen het sacrament bedienen, maar onder die bediening zal ik voor dezen of genen bidden”. Zó zal hij dan een beloning ontvangen, ten goede van zijn levensonderhoud en zijn kleding, vanwege zijn gebed; niet voor de Mis, die hij bediende. En dan late hij zich er niet door beïnvloeden, al zou nu heel de wereld van een ander gevoelen zijn en er een andere gewoonte op na houden. U hebt het allerzekerst Evangelie, waarop u vertrouwend gemakkelijk de gevoelens en meningen van mensen met verachting zult kunnen terzijde stellen. Maar indien u, naar mij niet horend, er mee doorgaat om de Mis te offeren en niet alleen gebeden, weet dan dat ik u getrouw gewaarschuwd heb en in de dag van het oordeel verontschuldigd zal zijn; uw eigen oordeel zult u dan dragen. Ik heb gezegd datgene waartoe ik gehouden was dat ik het u moest zeggen, als een broeder zijn broeder, tot uw heil; doet u ernaar, het zal u ten voordeel zijn, maar ten oordeel zo u het naast u hebt neergelegd. Maar als sommigen dit als onwaar zouden veroordelen, dan antwoord ik met het bekende woord van Paulus: “Slechte mensen en bedriegers zullen van kwaad tot erger komen; zij verleiden en worden verleid,” 2 Tim. 2. Daaruit kan een ieder gemakkelijk begrijpen wat Gregorius zegt in een zeer dikwijls aangehaald woord: dat de Mis bediend door een slecht priester voor niet minder waarde is te houden dan die van een goede en dat de Mis die Petrus opdroeg niet beter zou zijn geweest dan die van Judas de verrader, stel dat zij beiden er één bediend hadden. Immers met deze dekmantel bedekken sommigen hun goddeloosheden en daaruit stamt de onderscheiding die zij hebben uitgevonden tussen “het gewerkte werk” en “het werk van die het werkt”, waarvan ze verwachten dat zijzelf rustig slecht kunnen leven en toch aan anderen kunnen. weldoen. Evenwel, Gregorius heeft het goed gezegd, maar zij hebben hem verkeerd begrepen. Immers het is zéér waar dat door de dienst van goddeloze priesters niets minder van het testament en het sacrament gegeven en aangenomen wordt dan uit de handen van sommige zeer heilige. Immers wie twijfelt er aan dat [ook] door goddelozen het Evangelie gepredikt wordt? Welnu, de Mis is een deel van het Evangelie, ja de hoofdsom, de samenvatting van het Evangelie. Immers wat is het geheel van het Evangelie anders dan de goede boodschap van de vergeving van zonden? Maar al wat op te merken valt omtrent de vergeving van zonden op de breedvoerigste en rijkste wijze, is in het kort in het Woord van het Testament begrepen. Vandaar dat ook populaire predikingen niet anders zouden behoeven te zijn, dan uiteenzettingen van de Mis, dat is: het kenbaar maken van de goddelijke belofte van dit Testament. Want dit zou zijn: het geloof prediken en in waarheid de kerk bouwen. Maar zij die tegenwoordig de Mis uitleggen, die spelen en spotten maar zo'n beetje met haar, zich bewegend op het terrein van allegorieën van menselijke ceremoniën.

Dus, gelijk een goddeloos mens kan dopen, d.w.z. het woord van de belofte en het teken van het water over de dopeling brengen, zó kan hij óók de belofte van dit sacrament uitdragen tot en bedienen aan hen die het nuttigen, en tegelijk ook zelf het gebruiken, zoals Judas de verrader, toen hij aanzat aan de tafel van de Heere; het blijft er toch hetzelfde sacrament en testament om, dat in de gelovige zijn werk werkt, in de ongelovige een aan het sacrament vreemde werking uitoefent. Maar bij het aanbrengen van een offer ligt de zaak geheel anders. Aangezien immers niet de Mis, maar de gebeden God worden aangeboden als offer, is het duidelijk dat de offers van een goddeloze priester generlei waarde hebben. Maar (gelijk diezelfde Gregorius zegt), wanneer een onwaardige tot het doen van gebeden uitgezonden wordt, wordt de geest van de rechter tot ongunstiger oordeel geprikkeld. Deze twee moeten dus niet met elkaar verward worden: Mis en gebed, sacrament en werk, testament en offer, omdat het eerste van God komt tot ons door de dienst van de priester en om geloof vraagt, het tweede van de zijde van ons geloof door de dienst van de priester gaat tot God en vraagt om verhoring. Het eerste daalt neer, het tweede stijgt op. Het eerste vraagt niet noodzakelijkerwijze een waardig en vroom dienstknecht, het tweede vraagt zulk één wèl - omdat God de zondaars niet hoort en omdat Hij een God is die er van weet om door de dienst van slechte mensen heen wèl te doen en te zegenen, maar het werk van een kwaaddoener niet aanneemt, zoals Hij dit aan Kaïn heeft getoond en gelijk Spr. 15: 5 zegt: “Het offer der goddelozen is de Heere een gruwel” en Paulus in Rom. 14: 23: “al wat niet uit geloof is, is zonde”. Om nu echter een einde te maken aan dit eerste deel - wat er meer over te zeggen valt zal ik wel naar voren brengen, als soms een bestrijder van mijn gevoelen zou opstaan - wij maken de slotsom op uit al wat gezegd is en stellen vast voor wie de Mis gereed ligt, voor wie zij bedoeld is en wie waardig is er aan deel te nemen. Dat zijn dan nl. alléén zij, die een bedroefd, verslagen, ontrust, ontsteld en onzeker geweten hebben. Want, daar het woord van de goddelijke belofte in dit sacrament vergeving van zonden aanbiedt kan een ieder rustig toetreden, die door de knaging en de prikkel van zijn zonden wordt gepijnigd. Immers dit testament van Christus is een geheel-énige medicijn voor de schuld van verleden, tegenwoordige en toekomstige zonden. Zo u maar met een geloof dat niet twijfelt Hem aanhangt en gelooft dat u geheel gratis dat zal gegeven worden, waarvan de woorden van het sacrament een loflied zingen. Maar wanneer u niet gelooft, dan zult u uw geweten nergens en nooit, door geen werken of een u beijveren tot vrede kunnen brengen. Immers alléén het geloof is: vrede voor het geweten; het ongeloof echter alleen de verontrusting ervan.


1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22


Dovnload 0.67 Mb.