Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri

Dovnload 0.67 Mb.

De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri



Pagina4/22
Datum12.03.2017
Grootte0.67 Mb.

Dovnload 0.67 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22

II. HET SACRAMENT VAN DE DOOP


Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, die naar de rijkdom van Zijn barmhartigheid althans dit éne sacrament in zijn kerk bewaard heeft, ongedeerd en niet bezoedeld door instellingen van mensen en het vrij heeft gemaakt voor alle volken en alle standen onder de mensen en niet heeft geduld dat ook dit sacrament door zeer afschuwelijke misgeboorten van winzucht en de meest goddeloze wangedrochten van bijgelovigheden werd overweldigd; en dat wel niet dit doel, dat Hij de kleine kinderen, die niet ontvankelijk zijn voor de zonde van hebzucht en bijgeloof, hierdoor heeft willen inwijden [in zijn heilige kerk] en door een zeer eenvoudig geloof aan de waarheid van zijn Woord laten heiligen; de kinderen, wie ook allermeest nu de doop tot voordeel kan zijn. Want, indien aan volwassenen en anderen dit sacrament moest worden toebediend, dan zou het naar alle uiterlijke schijn onmogelijk zijn geweest dat ook zijn kracht en heerlijkheid het had uitgehouden tegen de tirannie van hebzucht en bijgeloof die ons alle goddelijke dingen heeft ter aarde geworpen. Het lijdt geen twijfel of ook hier zou de scherpe blik van ons vlees zijn voorbereidingen en waardigheden uitgevonden hebben, vervolgens zijn verschillende manieren van voorbehoud en zijn beperkingen, en indien er meer dergelijke netten zijn om er geld in te vangen, door welke het water niet goedkoper zou verkocht zijn, dan nu aflaatbrieven worden verkocht. Maar, nu de Satan de kracht van de doop in kleine kinderen niet heeft kunnen vernietigen, heeft hij toch dit overwicht verkregen, dat hij die bij alle volwassenen heeft vernietigd, zodat er nu bijna niemand is, die ooit aan zijn doop terugdenkt, nog veel minder er in roemt, daar er immers zoveel andere wegen zijn gevonden om vergeving van zonden te verkrijgen en in de hemel te komen. Tot deze meningen heeft de weg gebaand het bekende gevaarlijke woord van de heilige Hiëronymus - hetzij het verkeerd is gezegd, hetzij het verkeerd is begrepen - dat hij de boetedoening noemt: “de tweede plank na de schipbreuk”, alsof de doop niet boetedoening zou zijn! Want dàt is er de oorzaak van dat zij die in zonden gevallen waren, in vertwijfeling over de eerste plank of het schip, dat ze verloren achtten, uitsluitend op de tweede begonnen te vertrouwen, en hun vertrouwen gaven aan die tweede, dat is aan de boetedoening. Hieraan danken hun ontstaan die bekende talloze lasten, bestaande in geloften, geestelijke orden, werken, genoegdoeningen, bedevaarten, aflaten en secten en met betrekking tot deze een vloed van boeken, vragen, meningen en menselijke overleveringen, welke heel de wereld niet meer kan bevatten, zodat deze tirannie de kerk van God veel erger plaagt dan zij ooit de [Joodse] synagoge of enig volk onder de hemel geplaagd heeft. Het was evenwel de taak van de bisschoppen al deze dingen uit de weg te ruimen en dc christenen met alle zorgvuldigheid tot de zuiverheid van de doop terug te roepen, opdat zij mochten verstaan wie zij waren en wat christenen moeten doen. Maar hun eigen taak is het tegenwoordig om de volken zo ver mogelijk van de doop af te voeren en allen in de zondvloed van hun tirannie onder te dompelen en te maken dat Christus' volk (zoals de profeet het noemt) Hem voortdurend vergeet. O al die ongelukzaligen, die heden ten dage beschouwd worden als behorende tot de categorie van de bisschoppen, die niet weten en niets verrichten van wat bisschoppen betaamt, maar ook geheel onwetend zijn ten aanzien van de vraag wat zij moeten weten en doen. In hen komt tot vervulling het woord. uit Jes. 55: “De wachters zijn blind, zij allen hebben geen kennis, zij zijn herders die niet weten acht te geven, zij wenden zich allen naar hun eigen weg”. Vooreerst is dus in de Doop in acht te nemen de Goddelijke belofte, die zegt: “wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden”. Deze belofte is onvergelijkelijk hoger te achten dan alle praal van werken, geloften, geestelijke orden en wat ook, als zuiver menselijk, is ingevoerd. Want van haar hangt heel ons heil af; want zó moeten we er ons aan houden, dat we geloof in haar onderhouden, in het geheel niet twijfelende dat we behouden zijn nadat we zijn gedoopt. Want, als dit geloof niet aanwezig is of verkregen wordt, baat de doop geenszins, ja zelfs: is hij een sta-in-de-weg en schaadt niet alleen dan wanneer hij wordt aanvaard, maar ook door het gehele latere leven. Een ongelovigheid toch van die aard beticht de goddelijke belofte ervan dat zij leugen is, en dit is de ergste zonde van alle. Indien we deze oefening in het geloof ons eigen maken, zullen wij terstond begrijpen, hoe moeilijk het is om deze goddelijke belofte in het geloof te aanvaarden. Immers voor de menselijke zwakheid, van haar zonden zich bewust, is het aller-moeilijkste om te geloven dat zij behouden is of behouden zal worden, en toch, tenzij zij gelooft, zal zij niet behouden kunnen worden, omdat zij niet gelooft de goddelijke waarheid, welke de behoudenis, de zaligheid, toezegt. Deze verkondiging had men het volk met grote ijver moeten naprenten; deze belofte had men voortdurend, haar aanprijzend, moeten prediken, steeds had men de doopsbediening moeten herhalen, het geloof zonder ophouden opwekken en voeden. Immers zo als, nu deze goddelijke belofte eenmaal ons geschonken is, haar waarheid tot de dood toe standhoudt, zó moet ook het geloof aan haar nooit onderbroken werden, maar tot de dood toe zich voeden en sterken door het zich voortdurend weer te binnen brengen dat deze belofte in de doop ons is gedaan. Daarom, indien wij van de zonden opstaan [tot een nieuw leven] oftewel: berouw hebben en boete doen, dan doen wij niets anders, dan dat wij tot de kracht en het geloof van de doop, waarvan wij waren afgevallen, terugkeren en tot de belofte, toen gedaan, teruggaan, die wij in een zondige weg hadden verlaten. Want te allen tijde blijft de waarheid van de eenmaal geschiede belofte, die, als wij tot haar terugkeren, bereid staat om ons met een tot ons uitgestrekte hand te ontvangen. En dat willen, als ik mij niet bedrieg, ook zij die, zij het in onduidelijke taal, zeggen dat de Doop het eerste en het fundament is van alle sacramenten, zonder hetwelk ook geen van de andere sacramenten kan worden verkregen. Daarom zal het in niet geringe mate nuttig zijn, indien een berouwvol zondaar, die tot boete wil komen, vóór alle dingen de herinnering dat hij gedoopt is, aangrijpt en de goddelijke belofte, waaraan hij ontrouw was geworden, met vertrouwen zich weer te binnen brengt, haar weer belijdt voor het gezicht van de Heere, zich verheugt dáarover dat hij tot nog toe zózeer in de bescherming van het heil heeft geleefd, dat hij gedoopt is, en terwijl bij zijn goddeloze ondankbaarheid verfoeit, daarin bestaande dat hij van het geloof en van de waarheid ervan is afgevallen. Want dan zal zijn hart wonderlijk vertroost worden en tot een hopen op ontferming worden bemoedigd als hij er acht op geeft dat de goddelijke belofte hem is gedaan, die onmogelijk kan liegen, die onverlet en onveranderd is gebleven en niet veranderd kan worden door enige zonden; zoals Paulus zegt in 2 Tim. 2: “Indien wij niet geloven, Hij blijft getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet”. Deze waarheid van God, zeg ik, zal hen behouden, zo dat, wanneer al het andere in puin stort, nochtans deze waarheid, als hij ze maar gelooft, hem niet in de steek zal laten. Immers door haar heeft hij iets wat hij de tartende tegenstander tegenwerpt, wat hij de zonden, die het geweten in de grootste verwarring willen brengen, tegenvoert; iets dat opgewassen is tegen de schrik voor de dood en de angst voor het oordeel; heeft hij, eindelijk, iets dat als troost dient bij alle beproevingen en verzoekingen. Namelijk: deze éne waarheid, die ons zegt: God is waarachtig en betrouwbaar in zijn beloften, waarvan ik het teken en zegel heb ontvangen in de doop; zo God vóór mij is, wie zal tegen mij zijn? Want indien de kinderen Israëls, indien ze [tot God] wilden terugkeren om boete te doen, het eerst van alle dingen de uittocht uit Egypte zich herinnerden, en, door hieraan te gedenken tot God, Die ze uitgeleid had, terugkeerden en dit zich-herinneren en deze hun verleende redding zelf hun zó dikwijls door Mozes werd ingescherpt en David dit herhaalde - hoeveel te meer betaamt het dan ons dat wij gedenken aan de uittocht uit ons Egypte en door deze herinnering daartoe uitgedreven, terugkeren tot Hem, Die ons heeft uitgeleid door het bad van de wedergeboorte, waaraan te gedenken juist dáártoe ons bevolen is? En dit kan het allerpassendst gebeuren in het sacrament van brood en wijn. Want zó werden eertijds die drie sacramenten: boete, doop, brood tegelijk tot hetzelfde doel gebruikt en het ene sterkte het andere. Zo leest men van een zekere heilige maagd, die, zo dikwijls zij in enige verzoeking kwam, alleen met haar doop tegenstand bood en heel kernachtig zeide: “ik ben een christin”; want dan begreep de vijand dadelijk welk een kracht er was gelegen in haar doop en in haar geloof, dat steunde op de waarachtigheid van de belovende God - en hij vluchtte van haar weg!

Zo ziet u hoe rijk een christen oftewel een gedoopte is die, zelfs al zou hij het willen, zijn behoudenis niet kan verliezen door hoeveel en hoe grote zonden ook, tenzij hij niet langer zon willen geloven. Generlei zonde toch kan hem verdoemen, dan alléén het ongeloof. Alle andere toch, indien het geloof terugkeert tot of staande blijft in de goddelijke belofte de dopeling gedaan, worden in een ogenblik verzwolgen, door datzelfde geloof, ja, door de waarheid van God, die Zichzelf niet kan verloochenen, indien u Hem had beleden en aan Hem als de belovende God met vertrouwen u had vastgeklemd. Berouw echter en belijden van zonden in de biecht en genoegdoening geven en al dergelijke door mensen uitgedachte ijverige pogingen, zullen u plotseling in de steek laten en nog ongelukkiger maken, indien deze goddelijke waarheid bij u in het vergeetboek was gekomen en u uw vertrouwen had gevestigd op die dingen van ú. Immers ijdelheid der ijdelheden en vermoeienis des geestes is al wat nagejaagd wordt buiten het geloof aan de waarheid van God om. Tevens ziet u dan hoe gevaarlijk, ja onwaar het is om te menen dat de boete “de tweede plank na de schipbreuk” zou zijn en hoe verderfelijk de dwaling moet heten, indien men de overtuiging is toegedaan dat door de zonde de kracht van de doop is vernietigd en dit schip op de rots is lekgeslagen. De kracht van de doop blijft, als één, solide, niet te verbrijzelen schip en het wordt nooit tot een stel planken uitééngeslagen; en in dit [heel gebleven] schip varen allen, die varen naar de poort van het heil, en dit heil is de waarheid van God, Die in de sacramenten ons haar beloften doet. Dit geschiedt stellig wel: dat velen uit het schip onbezonnen, roekeloos in de zee springen en omkomen; het zijn dezen die het geloof aan de belofte verzaken en zich voorover in de zonde storten. Maár: het schip zelf blijft en gaat gaaf verder in zijn vaart. Maar indien hij die er uitsprong door enigerlei genade weer [naar het schip] mag terugzwemmen, wordt hij niet door de ene of andere plank, maar door het schip zelf, ten leven gedragen; dit is dan degene die tot de standvastig-trouwe en blijvende belofte van God door het geloof wordt teruggevoerd. Vandaar dat Petrus in 2 Petr. 1 hen díe zondigen ervan beschuldigt dat zij de reiniging van hun vroegere zonden hebben vergeten; terwijl God dan zonder twijfel de ondankbaarheid, daar zij toch de doop ontvangen hebben, en de goddeloosheid van hun ongeloof, straft.

Wat baat het derhalve om zoveel over de doop te schrijven, maar dit geloof aan de belofte niet door levend onderwijs aan te bevelen? Alle sacramenten zijn dáártoe ingesteld dat zij het geloof zullen versterken; maar van dat geloof reppen zij zelfs niet, die, goddeloze mensen als ze zijn, zelfs verzekeren dat een mens niet zeker behoeft te zijn van de vergeving van zonden, of van de genade van de sacramenten; door welke goddeloosheid zij de gehele wereld waanzinnig maken en het sacrament van de doop, waarin de voornaamste roem van ons geweten gelegen is, gevangen nemen [en ons daardoor ontroven], ja zelfs het grondig vernielen. En ondertussen razen zij tegen de armzalige zielen, met hun “verbrijzelingen van het hart”, angstige biechten, omstandigheden, genoegdoeningen, werken en talloze dergelijke beuzelachtigheden. Wees dus een verstandig lezer, en vooral een verwerper van de Magister sententiarum [Leraar van stellingen en gevoelens, Petrus Lombardus] het vierde boek, en van allen die in dezelfde trant schrijven als hij, die alléén over inhoud en vorm van de sacramenten schrijven, àls ze nog op z'n best iets ervan schrijven; dat is: het dan hebben over de dode en dodende letter van de sacramenten. Het overige, de geest, het leven, het rechte gebruik, dat is: de waarheid van de goddelijke belofte en ons geloof - dat alles laten ze verder onaangeroerd. Daarom zie toe, dat de uiterlijke pracht en praal van de werken u niet bedriege noch de bedriegerijen van menselijke overleveringen, opdat u geen onrecht mag doen aan de goddelijke waarheid en aan uw geloof. Met het geloof aan de sacramenten moet u beginnen, zonder enige werken, als u wenst behouden te worden; op dit geloof zullen de werken zelf zeker volgen; alleen maar: houd het geloof toch niet voor een waardeloos ding, want juist dit geloof is van alle werken het voortreffelijkste én het moeilijkste werk, waardoor alléén u behouden zult worden, al zou u ook zelfs noodzakelijkerwijze al de overige werken moeten ontberen. Want het is een werk van God en niet van een mens, zoals Paulus ons dit leert. De andere werkt Hij met ons en door ons, dit alleen in ons en zonder ons.

Hieruit kunnen we duidelijk onderkennen, welk onderscheid er is tussen de menselijke bedienaar van de doop en God, die hem heeft ingesteld. De mens immers doopt en doopt niet; hij doopt, in zover hij het werk volbrengt als hij de dopeling onderdompelt; hij doopt niet, in zover hij bij dat werk niet “werkzaam is op eigen gezag, maar staande in de plaats van God. Derhalve moeten we de doop uit de handen van een mens op geen andere wijze ontvangen dan alsof nu Christus-Zelf, ja God-Zelf met Zijn eigen handen ons doopte. Want de doop, hoewel we die uit de hand van een mens ontvangen, is niet van een mens, maar van Christus en van God. Gelijk ook elk ander schepsel, dat we gebruiken door eens anders hand, alleen van God is. Denk er dus aan dat u bij de doop niet zó onderscheidt, dat u het uitwendige aan de mens toeschrijft maar het inwendige dankt aan God, maar dank beide alléén aan God en neem de persoon van hem die u de doop toebedient als een plaatsvervangend instrument van God, door welk instrument de Heere, Die in de hemel zit, u als met Zijn eigen handen in het water dompelt en op aarde de vergeving van zonden toezegt, door de stem van een mens tot u sprekende, door de mond van Zijn dienstknecht. Dit zeggen u ook de woorden zelf, als hij zegt: “Ik doop u in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, Amen”. Hij zegt niet: “Ik doop u in mijn eigen naam”. Alsof hij wilde zeggen: “Dat wat ik doe, doe ik niet op mijn eigen gezag maar in plaats en in naam van God; opdat u het voor niets anders zult houden dan alsof God Zelf het zichtbaar had gedaan. Auteur en dienstknecht zijn onderscheiden, maar beider werk is hetzelfde, of liever: het is het werk alléén van de Auteur, door mijn dienst”. Want ik houd het daarvoor dat “in naam van” betrekking heeft op de persoon van een Auteur; dat het niet alleen betekent: de naam van de Heere er vóór spannen of die naam erbij inroepen, bij het werk, maar: het werk zelf ten einde toe afwerken als een ons vreemd werk, in naam van een ander en in zijn plaats. Op dezelfde wijze als het de bedoeling van Christus is wanneer Hij zegt, Matth. 24: “Velen zullen komen in mijn naam” en van Paulus in Rom. 1: “door Wien wij genade en het apostelschap ontvangen hebben om gehoorzaamheid des geloofs te bewerken voor Zijn naam onder al de heidenen”.



Dit gevoelen maak ik zo héél graag tot het mijne, omdat het zo overvol is van vertroosting en een zo krachtig hulpmiddel tot het geloven zich gedoopt te weten niet door een mens, maar door de Drieënige God Zelf, zij het: door de dienst van een mens, die in Zijn naam bij ons het werk verricht. Zien we het zó, dan zal die nutteloze twist ophouden waarmee zij vechten over de vorm van de doop (zoals zij de woorden zelf noemen); als de Grieken zeggen: “een dienstknecht van Christus wordt gedoopt” en de Latijnse: “Ik doop u ...”. Op dezelfde wijze weer anderen, onverzettelijk in het leuteren, veroordelen ten strengste dat gezegd wordt: “Ik doop u in de naam van Jezus Christus”, naar welke ritus het zeker is dat de Apostelen hebben gedoopt, zoals we in de Handelingen van de Apostelen lezen, en zij willen niet dat in het vervolg een andere ritus geldigheid zal hebben dan deze: “Ik doop u in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, Amen”. Maar hun strijd is ijdel, want zij bewijzen niets en geven slechts uiting aan wat niet meer dan hun droomdenkbeelden zijn. Op welke wijze de doop ook bediend wordt, als hij maar niet in de naam van een mens, maar in de naam van de Heere bediend wordt, maakt hij waarlijk zalig; ja zelfs ik wil er niet aan twijfelen: indien iemand in de naam van de Heer de doop aanvaardt, zelfs indien een goddeloos bedienaar die doop niet zou gegeven hebben in de naam van de Heere, dan zal hij waarlijk in de naam van de Heere gedoopt zijn. Want niet zozeer in het geloof of het gebruik van hem die toebedient, maar in het geloof en gebruik van hem die aanvaardt, rust de kracht van de doop. Zoals men leest van het voorbeeld van een komediant, die in scherts gedoopt was. Met deze en dergelijke kleingeestigheden, strijdvragen en kwesties hebben zij ons opgescheept die van het geloof niets, maar van de werken en riten alles verwachtten; terwijl wij alles aan het geloof en niets aan de riten, de gebruiken, moeten toeschrijven; het geloof, dat ons in onze geest vrij maakt van al die bezwaren, bezorgdheden en meningen.

Het tweede, dat tot de doop behoort, is het teken of het sacrament, dat is: de indompeling-zelf in het water, waaraan de doop ook zijn naam ontleent. Want “baptiso” naar het Grieks is gelijk aan “mergo” in het Latijn en de baptisma is de mersio: de indompeling in het water. Want, zoals gezegd is: naast de goddelijke beloften werden ook tekenen gegeven die datgene wat de woorden betekenden, moesten afbeelden; of, zoals men in later tijd zeide: “afbeelden, wat het sacrament in zijn krachtdadigheid betekent”. En hoe het hier nu mee staat, zullen we bezien. Zeer velen hebben gemeend dat er enige verborgen geestelijke kracht school in het woord en in het water, die in de ziel van de ontvanger Gods genade inwerkte. Anderen, dit tegensprekende, houden staande dat er geen enkele kracht in de sacramenten is te vinden, maar dat de genade alleen door God wordt gegeven, die naar Zijn raad en wil, bij de sacramenten, die Hij heeft ingesteld, Zich werkzaam loont. Allen echter stemmen hiermee in dat de sacramenten werkzame tekenen en zegelen van de genade zijn, tot welke instemming zij zich laten dringen door dit enige argument, dat anders niet is in te zien in welke zin de sacramenten van het Nieuwe Testament van groter waarde zouden zijn dan die van het Oude, indien zij alleen iets aanduidden en afbeeldden [en niet iets werkten]. En door deze gedachte geleid werden zij er toe gedreven om zóveel toe te kennen aan de sacramenten van het Nieuwe Verbond, dat zij meenden te mogen vaststellen dat deze sacramenten van voordeel waren ook ten gunste van hen die in de staat van doodzonde verkeren, en dat geloof en genade niet een vereiste was, maar dat het voldoende mocht heten, niet een hinderpaal in de weg te hebben gelegd, bestaande in: een werkzaam voornemen om opnieuw te gaan zondigen. Voor deze beweringen nu, omdat ze goddeloos en ongelovig zijn, in strijd met het geloof en met de ware aard van de sacramenten, moet men zich ijverig wachten en men moet ze ontvlieden. Immers het is een dwaling te menen dat de sacramenten van het Nieuwe Verbond verschillen van die van het Oude, wat betreft de uitwerking van wat ze betekenden. Beider betekenis toch was enerlei. Dezelfde God toch, Die ons nu door doop en brood behoudt, heeft Abel de behoudenis geschonken vanwege zijn offer, Noach door de ark, Abraham door de besnijdenis en alle anderen door hún tekenen. In niets derhalve verschilt het sacrament van het Oude van dat van het Nieuwe Verbond, wat de betekenis ervan aangaat; behalve dat men zegt tot het Oude Verbond te behoren al wat God in de dagen van de patriarchen en anderen ten tijde van de Wet heeft gedaan. Want die tekenen, die in de tijden van de patriarchen en de vaderen gegeven zijn, moeten scherp onderscheiden worden van de dingen die Mozes in zijn wetgeving ingesteld heeft, als daar bijv. zijn: de ceremoniële gebruiken van de priesters, gewaden, vaten, spijzen, huizen en dergelijke. Van deze immers zijn niet alleen zeer ver verwijderd de sacramenten van het Nieuwe Verbond, maar ook de tekenen zelf die, overeenkomstig de toenmalige tijdsomstandigheden, God gegeven heeft aan de vaderen die in de bedeling van de Wet leefden, als daar waren: Gideon in het vlies, Manóach in zijn offer, en wat Jesaja aan Achaz, Jes. 7, aangeboden heeft. Immers bij alle deze werd tegelijk iets beloofd, waardoor geloof in God werd geëist. Hierin derhalve zijn de bijzonderheden van de wetgeving van de nieuwe en oude tekenen onderscheiden, dat aan die bijzonderheden van de wetgeving niet een beloftewoord verbonden is, dat geloof eist zodat ze niet tekenen van de rechtvaardiging zijn, omdat ze niet sacramenten van het geloof zijn, die alleen rechtvaardigen, maar ze zijn sacramenten alléén van het werk. Heel haar kracht en aard was het werk, niet het geloof. Wie dus die dingen deed, die volbracht ze, zelfs als hij er in werkzaam was zonder enig geloof. Maar met de tekenen of sacramenten van ons en onze vaderen is het woord van de belofte verbonden, dat geloof eist, en door geen ander werk kan volbracht worden; daarom zijn zij tekenen of sacramenten van de rechtvaardiging, omdat zij sacramenten zijn van het geloof dat rechtvaardigt en niet van enig werk. Vandaar ook dat heel hun werkkracht het geloof zelf is en niet een werk. Want wie ze gelooft, die volbrengt ze, ook wanneer hij generlei werk doet. Vandaar het bekende gezegde: niet het sacrament, maar het geloof bij het sacrament behorende, rechtvaardigt. Zo heeft ook de besnijdenis Abraham en zijn zaad niet gerechtvaardigd, en nochtans noemt de Apostel haar een zegel van de gerechtigheid van het geloof. Omdat immers het geloof aan de belofte, met welke de besnijdenis was verbonden, rechtvaardigde en datgene vervulde wat de besnijdenis betekende. Het geloof toch was de besnijdenis van de voorhuid van het hart in de geest, die afgebeeld werd door de besnijdenis van het vlees in de letter. Zo ook rechtvaardigde Abels offer hem in het geheel niet, maar: zijn geloof, waarmee hij zich God geheel tot Zijn dienst wijdde, hetwelk het uitwendige offer [dat hij bracht] afbeeldde. Juist zó rechtvaardigt de doop niemand, noch ook is hij iemand tot voordeel, maar het geloof aan het woord van de belofte, waaraan de doop toegevoegd wordt; immers dit geloof rechtvaardigt en brengt tot vervulling datgene waarvan de doop het teken is. Het geloof toch is de onderdompeling van de oude mens en het omhoog duiken van de nieuwe mens. Daarom is het onmogelijk dat de nieuwe sacramenten verschillen van de oude sacramenten. Want zij hebben in gelijke zin goddelijke beloften en dezelfde geest van het geloof, hoewel zij van de bijzondere dingen [der wetgeving] zoveel verschillen dat vergelijking onmogelijk is, vanwege het woord van de belofte, dat het enige en meest doorslaggevende middel is om de rechte onderscheiding te treffen. Zo kunnen ook nu in deze tijd de pracht van de gewaden, de plaatsen, de spijzen en talloze ceremoniën zonder twijfel treffelijke dingen afbeelden, die in de Geest tot vervulling moeten worden gebracht; en tóch, omdat geen woord van goddelijke belofte erbij aanwezig is, kunnen ze op generlei wijze met de tekenen van doop en brood vergeleken worden, en ook rechtvaardigen zij niet of zijn, in welke zin ook, tot voordeel, daar het tot vervulling brengen ervan is: het gebruik dat ervan gemaakt wordt of het werk dat er mee gedaan wordt, maar zonder geloof; immers terwijl zij geschieden of gedaan worden, komen zij reeds tot hun vervulling. Gelijk dan ook de Apostel in Col. 2 ervan zegt: “dat alles zijn dingen die door het gebruik teloor gaan, zoals het gaat met voorschriften en kringen van mensen ... enz.” Maar sacramenten worden niet tot vervulling gebracht terwijl ze plaats vinden, maar terwijl zij worden geloofd.

Zo kan het ook niet waar zijn dat “een werkzame kracht ter rechtvaardiging in de sacramenten inwoont” of dat zij “werkzame tekenen van de genade” zijn. Want al die dingen worden alleen gezegd ten koste - met opoffering van - het geloof, uit onwetendheid ten aanzien van de goddelijke belofte; behalve dan, dat men ze in déze zin krachtdadig zou kunnen noemen, dat, indien een geloof hetwelk geen twijfelingen kent, aanwezig is, zij heel zeker en met het krachtigst gevolg de genade met zich meebrengen. Maar dat men niet in déze zin hun krachtdadige werkzaamheid toeschrijft, wordt hierdoor bewezen dat zij beweren: de sacramenten zijn van nut ook de goddelozen en ongelovigen, als ze maar geen hinderpaal in de weg leggen, alsof juist deze ongelovigheid zelf niet de halsstarrigste en vijandigste hinderpaal was van alle, die we op de weg van de genade kunnen leggen! Zozeer hebben zij het aangedurfd van het sacrament een gebod en van het geloof een werk te maken. Want, als het sacrament mij de genade geeft omdat ik het aanvaard, dan verkrijg ik toch zeker die genade ten gevolge, van mijn werk en niet uit het geloof en dan neem ik de belofte in het sacrament niet aan maar alleen het door God ingestelde en bevolen teken. Zo ziet u duidelijk dat de sacramenten in het geheel niet begrepen zijn door de theologen van de sententies, omdat ze bij de sacramenten in het geheel geen rekening hebben gehouden met het geloof of met de belofte, maar zich slechts vastklemden aan het teken en het gebruik daarvan en terwijl zij ons wegsleurden uit het geloof naar het werk, uit het woord naar het teken-als-zodanig. En daarmee - ik heb het reeds gezegd - hebben zij de sacramenten niet slechts gevankelijk weggevoerd en dus ons ervan beroofd, maar hebben zij die, voorzover het in hun macht was, grondig vernietigd. Wij willen derhalve de ogen openen en meer het woord dan het teken, meer het geloof dan het werk of het gebruik leren beschouwen, in de wetenschap dat overal waar de goddelijke belofte is gegeven, het geloof wordt gevraagd en dat deze beiden zó noodzakelijk zijn dat onmogelijk één van beide, zonder het andere, van kracht kan zijn. Want niemand kan geloven, als er geen belofte is en de belofte verkrijgt geen vastigheid, tenzij zij wordt geloofd; maar staan zij beiden niet elkaar in wisselwerking, dan geven zij aan de sacramenten de ware en de zekerste krachtdadigheid. Daarom: de krachtdadige werking van het sacrament buiten de belofte en het geloof te zoeken, is: een zich tevergeefs inspannen en de veroordeling vinden. Zo zegt Christus: “wie gelooft en zich laat dopen zal behouden worden, maar wie niet gelooft zal veroordeeld worden”, Marc. 16. Hierdoor toont Hij aan dat het geloof in het sacrament zózeer iets noodzakelijks is, dat het ook zonder sacrament kan behouden; vandaar dat Hij er niet aan heeft willen toevoegen: “wie niet zal geloofd hebben en niet gedoopt zal zijn”. De doop heeft dus tweeërlei betekenis: dood en opstanding, dat is: een volledige en volbrachte rechtvaardiging. Immers, dat de bedienaar een kind in het water indompelt, dit betekent: de dood; dat hij het er echter daarna weer uitneemt, dit betekent het leven. Zo legt Paulus het uit in Rom. 6: “Wij zijn dan met Christus begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij, in nieuwheid des levens zouden wandelen”. Deze dood en opstanding noemen. wij “een nieuw schepsel”, “de wedergeboorte”, “de geestelijke geboorte”, die we niet maar allegorisch moeten verstaan van de dood van de zonde en het leven van de genade, zoals velen dit plegen te doen, maar van de ware dood en opstanding. Want de doop is niet een verzonnen teken. En niet geheel en ál sterft de zonde of staat de genade op [tot een nieuw leven], óók “het lichaam der zonde”, dat we in dit leven met ons omdragen, afgebroken wordt, zoals de Apostel terzelfder plaatse zegt. Want zolang wij in het vlees zijn, drijven ons voort en worden zelf gedreven de lusten van het vlees. Daarom, van het ogenblik dat wij beginnen te geloven, beginnen wij tegelijkertijd aan deze wereld te sterven en God te leven in toekomstig leven, opdat het geloof waarlijk moge zijn: dood en opstanding; d.w.z.: die geestelijke doop waarin wij ingedompeld worden en waaruit wij omhoogstijgen.

Derhalve, wat betreft dat aan de doop wordt toegeschreven de afwassing van de zonden, zo geschiedt dat weliswaar naar waarheid. Maar déze betekenis aan de doop te hechten is een te lauwe en zwakke, dan dat ze de betekenis, die de doop heeft, ten volle zou tot uitdrukking doen komen. Immers hij is veelmeer een symbool van het sterven én het weder opstaan. Door deze overweging geleid zou ik gaarne willen dat de dopelingen geheel in het water werden ingedompeld, zoals het woord-zelf dit ook aangeeft en het mysterie [van de doop] deze zin heeft. Niet dat ik het volstrekt noodzakelijk acht, maar omdat het iets moois zou zijn als het teken [de afbeelding] van een zo volmaakte en [door God] gevulde zaak ook vol en volmaakt zou zijn, zoals het ook zonder twijfel zó de instelling van Christus is. Want de zondaar moet niet zozeer afgewassen worden als wel: sterven, opdat hij geheel vernieuwd worde tot een ander schepsel en opdat hij in overeenstemming moge zijn met Christus Die stierf én opstond, met Wie hij door de doop mede sterft en mede opstaat. Want ofschoon men van Christus zeggen kan dat Hij is afgewassen van de sterfelijkheid, inzover Hij gestorven is en weder opstond, zo zou dit toch een zwakkere manier van zeggen zijn dan wanneer u zei: Hij is geheel en al veranderd en vernieuwd; zó is het een sterkere wijze-van-spreken als we belijden dat de doop ons “betekent” dat we geheel en al sterven èn weder opstaan tot een eeuwig leven; dàn [wanneer we belijden] dat we van de zonden worden gereinigd.



Hier ziet u wederom dat het sacrament van de Doop, óók wat betreft het teken, niet is de handeling van een ogenblik, maar één, die voortduurt. Want hoewel de handeling van de bediening zelf heel spoedig voorbijgaat, duurt nochtans de betekende zaak zelf tot aan de dood toe, ja tot de opstanding op de jongste dag. Want zolang we leven, doen we steeds datgene wat de doop betekent, dat is: sterven wij en staan wij weer op. Wij sterven, zeg ik, niet slechts wat aangaat een stemming van de ziel en geestelijk, waardoor wij afsterven van de zonden en van de ijdelheden van de wereld, maar in waarheid: wij beginnen dit lichamelijke leven te verlaten en het toekomstige leven aan te grijpen, opdat er moge zijn een reële (gelijk men het noemt) en ook lichamelijke overgang uit deze wereld tot de Vader. Daarom moeten we ons hoeden voor zulken die de kracht van de doop in die mate hebben verzwakt en verkleind, dat zij zeggen: wel wordt in die doop de genade in ons ingegoten, maar later wordt zij door de zonde weer uit ons uitgegoten; en dan moet men over een andere weg, juist alsof de doop nu geheel en al ongeldig was geworden, naar de hemel gaan. Deze mening moet u niet tot de uwe maken, maar u moet begrijpen dat dit de betekenis van de doop is dat u daardoor sterft en leeft; en dat u dus niet door boetedoening of langs welke andere weg ook kunt terugkeren, dan alleen als u terugkeert tot de kracht van de doop en dan daarna dat gaat doen, tot hetwelk te doen u gedoopt bent en dat wat uw doop betekende. De doop wordt nooit ongeldig, al zou u vertwijfelen en zou weigeren terug te keren tot het heil. Wel kunt u een tijdlang van het leven afdwalen maar daarom is het teken als zodanig nog niet ongeldig! Zo bent u éénmaal gedoopt op sacramentele wijze, maar te allen tijde moet u gedoopt worden door het geloof; altijd moet u sterven, en altijd moet u leven. De doop heeft het gehele lichaam in zich opgenomen èn weer teruggegeven; zó moet de kracht van de doop heel uw leven met lichaam en ziel in zich opnemen en teruggeven in de jongste dag, omkleed met het gewaad van luister en onsterflijkheid. Daarom zijn wij nooit zonder de doop, hetzij zonder het teken ervan, hetzij zonder de zaak, de kracht, ervan; ja, steeds meer en meer moeten wij gedoopt worden, totdat wij het teken op volmaakte wijze zullen tot vervulling brengen in de jongste dag.

U begrijpt dus dat wat wij in dit leven doen in zover het van kracht is tot doding van het vlees en tot levendmaking van de geest, tot de doop behoort en dat we, in hoe korter tijd wij uit het leven worden weggenomen, wij te spoediger onze doop tot vervulling brengen en dat, hoe vreselijker dingen we moeten doorstaan, wij op des te gelukkiger wijze met de idee van de doop in overeenstemming zijn, en dat dus de kerk tóén het gelukkigst is geweest, toen martelaren dag aan dag gedood werden en geacht werden als schapen ter slachting; immers tóén kwam in de kerk de kracht van de doop tot heerschappij, in volle heersersmacht; die wij heden ten dage in het geheel niet kennen, vanwege de menigte van werken en van leervoorstellingen. Immers al wat we leven, - [wat ons leven kenmerkt en vult] - moet “Doop” zijn, en moet zijn: een het teken of het sacrament van de doop in vervulling doen gaan, als we, van alle andere dingen bevrijd, alléén die éne doop toegewijd zijn, dat is: toegewijd aan sterven en wederopstaan. Dat deze heerlijkheid van onze vrijheid en dit inzicht in het wezen van de doop heden ten dage in gevangenschap verkeert, van wie kunnen wij het als ontvangen boeken dan alleen van de tirannie van de Paus te Rome? Hij, zoals dit een Opperheer betaamt, had als de éne uit allen het méést prediker en handhaver van deze vrijheid en dit inzicht moeten zijn, zoals Paulus zegt in 1 Cor. 4: “Zo moet men ons beschouwen: als dienaren van Christus, aan wie is toevertrouwd het beheer van de geheimenissen - of sacramenten - Gods”. Maar hij jaagt alleen dit na, om met zijn decreten en rechten te onderdrukken en in de tirannie van zijn macht gevankelijk te verstrikken. Ik bezweer u: met welk recht (opdat ik niet zeg: hoe goddeloos en veroordelenswaardig het is dat hij nalaat deze mysteriën tot inhoud van zijn leeronderricht te maken) ontwerpt hij wetten over ons? Wie gaf hem het recht en de macht om deze onze vrijheid, ons gegeven door de doop, aan banden te leggen? Eén ding (gelijk ik gezegd heb) in het hele leven is ons als taak gesteld, nl. dat we ons laten dopen, d.i. dat wij gedood worden en leven door het geloof in Christus; en uitsluitend dit geloof had men ons moeten leren, en wel 't meest had de Opperherder dit moeten doen. Maar nu, terwijl over 't geloof volstrekt gezwegen wordt, is de kerk verdelgd door ontelbare wetten betreffende werken en ceremoniën; is de kracht van het inzicht in de doop weggenomen en het geloven in Christus belemmerd. Daarom zeg ik: noch een Paus noch een Bisschop noch enig mens heeft het recht om ook maar een syllabe, een letter, vast te stellen over een christen, tenzij dat het geschiedt met diens toestemming. Alles wat op een andere wijze gedaan wordt, geschiedt in tirannische geest. Daarom: de korte gebeden, de vasten, de schenkingen en al die dingen welke de Paus in alle zijn zo talrijke als onrechtvaardige geboden verordent en opeist, eist hij en verordent hij volstrekt zonder enig recht en hij zondigt tegen de vrijheid van de kerk, evenzo dikwijls als hij één van deze dingen beproeft. Vandaar dat het er toe gekomen is dat de tegenwoordige kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders voortvarende beschermers zijn van de kerkelijke vrijheid, maar dat is dan: van de stenen en het hout en de akkers en de vermogens (op deze wijze immers worden heden ten dage kerkelijke goederen [ecdesiastica] voor geestelijke dingen [spiritualia] gehouden!), maar met dezelfde gehuichelde woorden nemen zij de ware vrijheid van de kerk niet alleen gevangen, maar richten die ook geheel en al te gronde, zelfs meer nog dan de Turk het doet, tegen het woord van de Apostel in, die zegt: “wordt niet dienstknechten van mensen”. Immers dit is inderdaad knechten van mensen worden: om zich te moeten onderwerpen aan hun verordeningen en tirannieke wetten.

Deze goddeloze en verdorven tirannie van de Paus wordt bevorderd door de leerlingen van de Paus, hierbij verdraaiend en misvormend het woord van Christus: “wie u hoort, hoort Mij”. Immers met bolle wangen blazen zij dit woord op ten gunste van hun overleveringen; terwijl Christus dat heeft gezegd tot de Apostelen, toen die uitgingen om het Evangelie te verkondigen, en dit woord dus alleen tot het Evangelie in betrekking mag worden gebracht; maar met terzijdestelling van het Evangelie maken zij dit woord van pas alleen ten gunste van hun fabeltjes. Want Hij zegt in Joh. 5: “Mijn schapen horen naar mijn stem, maar naar de stem van vreemden horen zij niet”. Daarom is ook het Evangelie achterwege gelaten waardoor de Bisschoppen de stem van Christus hadden moeten laten weerklinken; maar ze laten hun eigen stemmen weerklinken en willen nu toch dat zij gehoord worden. Ook de Apostel zegt dat hij gezonden is niet om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen; derhalve is niemand in onderworpenheid afhankelijk van pauselijke overleveringen en inzettingen; en het is ook niet betamelijk naar hem te luisteren zo hij niet het Evangelie van Christus leert; en het past hem niet iets anders te leren dan het geheel vrije geloof. Indien echter Christus zegt: “Wie ulieden hoort, die hoort Mij” - waarom hoort dan de Paus ook niet naar anderen? Immers Hij zegt niet alleen tot Petrus: “wie u [enkelvoud] hoort ...” Ten slotte: daár waar het ware geloof is, dáár moet noodzakelijk óók het woord van het geloof zijn. Waarom dan hoort een ongelovige Paus niet, wanneer ook, naar zijn gelovige dienstknecht indien deze het woord van het geloof heeft [en laat horen]? Blindheid, blindheid heerst bij het Pausdom! Anderen evenwel - nog veel onbeschaamder! - matigen uit de bekende tekst in Matth. 16 voor de Paus het recht en de macht aan om wetten uit te vaardigen. Dáár lezen we: “Alles wat gij gebonden zult hebben” enz.; terwijl toch Christus daar van zonden spreekt, om ten aanzien van die te binden en te ontbinden; niet echter van enig recht om de gehele kerk in gevangenschap te zetten en door wetten te onderdrukken. Zo is die tirannie met alles in de weer, door middel van haar eigen verzonnen woorden, terwijl zij met geweld verdraait en verminkt de woorden van God. Dit geef ik stellig toe, dat deze vervloekte tirannie door christenen moet verdragen worden, zoals welke andere geweldpleging ook die van deze wereld uitgaat, overeenkomstig het bekende woord van Christus: “wie u een slag geeft op de rechterwang, keer hem ook de andere toe”; maar hierover beklaag ik mij dat de goddeloze Pausen er zich op laten voorstaan dat zij dit met recht kunnen doen en doen en beweren dat zij door dit hun Babel de christelijke zaak dienen; terwijl zij ook zelfs dit waandenkbeeld iedereen trachten op te dringen. Immers indien zij die dingen deden in het bewustzijn onvroom én tyrannisch te handelen of wij van ditzelfde gezichtspunt uit hun tirannie ondergingen, dan konden we dat rustig rekenen onder de dingen die behoorden tot de doding van dit leven en tot het in vervulling doen gaan van onze doop; terwijl dan onze wetenschap dat we mochten roemen, wijl onrecht ons was aangedaan, onverlet bleef. Maar nu willen zij zó 't bewustzijn van onze vrijheid verstrikken, dat we er toe zouden komen te geloven dat zij alles wat ze deden wél hadden gedaan en dat het niet geoorloofd zou zijn er 'n berispend woord over uit te spreken of ons te beklagen dat, wat gedaan werd, op onrechtvaardige wijze werd gedaan. Terwijl zij wolven zijn, willen ze herders schijnen; terwijl ze Antichristen zijn willen ze geëerd worden als waren ze Christus. Wel te verstaan: ten goede van deze vrijheid en van dit bewustzijn vrijen te zijn roep ik luid en roep ik moedig: aan christenen kan niets wettelijks met enig recht opgelegd worden, hetzij door mensen, hetzij door engelen, dan alleen in zoverre zij er mee instemmen; immers wij zijn vrij van allen.

Maar indien er bepaalde dingen worden opgelegd, moeten wij ze zó dragen dat ons bewustzijn van vrijen te zijn onverlet blijft; opdat we weten en met zekerheid kunnen bevestigen dat ons onrecht geschiedt, hetwelk we roemend kunnen dragen. Zó zullen we er ons voor hoeden om de tiran te rechtvaardigen maar ook om te murmureren tegen de tirannie. Want “wie zal kwaad doen”, vraagt Petrus, “als gij u beijvert voor het goede?” “Alle dingen werken de uitverkorenen mede ten goede”. Maar, omdat slechts weinigen deze heerlijkheid van de doop en deze gelukzaligheid van de christelijke vrijheid kennen, en vanwege de pauselijke tirannie niet kunnen kennen, bevrijd ik mij hier en koop mijn geweten vrij en ik zou gaarne de Paus en alle papisten tot de overtuiging dwingen dat, indien zij hun [vermeende] rechten en overleveringen niet opheffen en aan de kerken van Christus haar vrijheid teruggeven en die tot voorwerp van leeronderricht maken, zij zich bezondigen aan alle zielen, die door deze ellendige gevangenschap omkomen, en dat het pausdom in waarheid niets anders is dan het rijk van Babel en van de echte Antichrist. Inuners wie is “de mens der zonde” en “de zoon der verderfenis” anders dan hij die door zijn leringen en instellingen de zonden en het verderf van de zielen in de kerk vermeerdert, hoewel hij nochtans in de kerk ten troon zit als ware hij een god. Maar dit alles heeft de pauselijke tirannie, reeds vele eeuwen lang, meer dan overvloedig tot vervulling gebracht; zij die het geloof heeft vernietigd, de sacramenten verduisterd, het Evangelie onderdrukte, maar haar eigen niet slechts goddeloze en heiligschennende, maar ook barbaarse en heel domme wetten heeft opgelegd en eindeloos vermenigvuldigd. Zie derhalve de ellende van onze gevangenschap: “Hoe zit u eenzaam neder, de eens volkrijke stad; als een weduwe is zij geworden, die eens machtig was onder de volken; de vorstin onder de landschappen is onderworpen aan herendienst ... Niemand is er die haar troost ... al haar vrienden werden haar ontrouw ...” enz. Zóveel orden, zóveel riten [gebruiken], zóveel secten, zóveel geloften, zóveel bemoeienissen, zóveel werken, waarmee heden ten dage de christenen zich bezig houden, dat zij hun doop vergeten en niemand, vanwege de menigte van deze sprinkhanen, rupsen en kevers, zich vermag te herinneren dat hij gedoopt is of wat hij in de doop heeft verkregen. Want wij hadden moeten zijn als kleine, jonge dopelingen, die door generlei zich beijveren en door geen werken bezet en bezig gehouden, tot alles vrij zijn, veilig en behouden door de heerlijkheid van de doop alléén. Immers ook wij zelf zijn kinderen in Christus, steeds opnieuw gedoopt.



Misschien zou iemand tegenover de dingen die ik gezegd heb, willen stellen de doop van de kinderen, die de belofte van God niet begrijpen noch het geloof dat bij de doop hoort kunnen bezitten; [met de conclusie]: dus: of het geloof wordt [bij de doop] niet vereist, òf de kinderen worden tevergeefs gedoopt [hun doop is een ijdele ceremonie]. Hier zeg ik, wat allen zeggen, dat het geloof van “vreemden” die kleinen te hulp komt; het geloof van hen, die de kinderen ten doop aanbieden. Want zoals het woord van God machtig is, als het weerklinkt, om ook het hart van een goddeloze te veranderen, dat niet minder doof en onontvankelijk is, dan enig klein kind, zo wordt ook het kleine kind door het gebed van de kerk die het ten doop aanbiedt en die gelooft, en voor welke alle dingen mogelijk zijn, door de ingieting van geloof veranderd, gereinigd en vernieuwd. Ik zou er niet aan willen twijfelen dat ook een volwassen goddeloze, wanneer diezelfde kerk voor hem bad en hem tot het sacrament toebracht, in elk sacrament tot een ander mens zou kunnen worden gemaakt, gelijk we van de verlamde knaap in het Evangelie lezen, dat hij genezen werd door het geloof van anderen [die hem tot Jezus brachten]. En op deze grond zou ik gaarne willen erkennen dat de Sacramenten van het Nieuwe Verbond krachtdadig zijn tot het geven van genade, niet slechts hun ten goede die geen hinderpaal in de weg leggen, maar zelfs voor zulken die op de hardnekkigste wijze wèl een hinderpaal in de weg leggen. Immers wat zou het geloof van de kerk en het gebed van het geloof niet uit de weg kunnen ruimen, zo men mag geloven dat Stephanus door deze kracht de Apostel Paulus heeft bekeerd. Maar dan doen de sacramenten datgene wat zij doen niet uit eigen kracht, maar uit kracht van het geloof, zonder hetwelk zij, gelijk ik gezegd heb, in het geheel niets doen. Ook is nog de vraag opgeworpen of een nog niet geboren kind op een uit het lichaam van de moeder uitgestoken arm of beentje gedoopt mocht worden. Hierover wil ik niet zo maar, op goed geluk, een oordeel vellen; ik belijd dat ik het niet weet. Ik weet ook niet of dit genoeg is, wat men dan als grond aangeeft, dat nl. de ziel geheel aanwezig zou zijn in welk deel van het lichaam ook. Immers niet de ziel, maar het lichaam wordt uitwendig gedoopt met het water. Maar hierover vel ik geen oordeel, als men zegt, dat hij niet wedergeboren kan worden, die nog niet geboren is; ook al zou deze bewering geldende kracht schijnen te hebben. Daarom laat ik deze kwesties over aan de leerschool van de Geest, terwijl ik intussen ieder toelaat vast te staan in zijn eigen mening.

Eén ding nog voeg ik hieraan toe, met de wens: mocht ik allen hiervan kunnen overtuigen en hiertoe overreden, nl. dat volstrekt alle geloften werden opgeheven of vermeden. Hetzij die dat men de gelofte doet tot de geestelijke stand te willen behoren, hetzij die om bedevaarten te zullen doen of [in het algemeen] die tot het doen van welke werken ook, en dat we bleven in de allergeestelijkste en aller-werkzaamste vrijheid van de doop. Men kan niet in woorden tot uitdrukking brengen hoezeer dit meer dan te veel geprezen waandenkbeeld, dat het goed zou zijn allerlei geloften te doen, de doop tot schade verstrekt en verduistert; opdat ik nog zwijge van de onuitsprekelijke en eindeloze gevaren voor de ziel, welke deze gril om maar geloften te doen en deze onbezonnen lichtzinnigheid nog dagelijks meerder maakt. O u goddeloze pausen en onzalige herders, die rustig snurkt en uw lusten botviert en u geenszins bekommert omtrent deze schadelijke en gevaarlijke “verbreking van Jozef”. Hier had men door een algemene verordening, òf de geloften, en voornamelijk de blijvend-geldige moeten opheffen en allen terugroepen tot de geloften van de doop, en ijverig vermanen, dat niemand op goed geluk af een gelofte zou afleggen, niemand daartoe uitnodigen, veelmeer bezwaren opgeven en traag zijn in het toelaten van geloften. Immers we hebben een overvloed van geloften gedaan in de doop en méér dan we in vervulling kunnen doen gaan, en zullen werk genoeg hebben als we alle krachten inspannen om die alleen al na te komen. Maar nu “trekken we zee en land rond” om vele bekeerlingen te maken en vullen de wereld met priesters en monniken en nonnen en we kerkeren die allen in, in altijddurende geloften. Hierbij kunt u er aantreffen, die beweren en staande houden, dat een werk onder beslag van een gelofte gedaan zoveel voortreffelijker zou zijn dan één buiten en zonder gelofte gedaan, en dat zulk één in de hemel ik weet niet hoeveel hoger zou worden aangeslagen en zoveel hoger loon zou ontvangen dan andere. De blinde en goddeloze farizeeërs, die naar de grootte en veelheid of een andere hoedanigheid van werken de gerechtigheid en de heiligheid zouden afmeten, die bij God alleen naar het geloof wordt afgemeten; bij Hem is geen onderscheid tussen de werken, dan alleen voorzover er onderscheid is tussen geloof en geloof. Goddeloze mensen pogen met grote mond voor hun verzinsels een goede dunk te verwerven en ze blazen de werken van mensen op, om het domme gepeupel te verleiden, dat zich in de regel door de schijn van werken laat leiden, tot groot nadeel van het geloof, tot een vergeten van de doop, en tot een schade doen aan de christelijke vrijheid. Immers omdat de gelofte een soort wet en eis is, worden, in de mate dat de geloften vermenigvuldigd worden, ook de wetten en werken vermenigvuldigd; maar door de vermenigvuldiging van deze wordt het geloof vernietigd en de vrijheid van de doop in de gevangenis opgesloten. Met deze goddeloze verleidelijkheden niet tevreden voegen anderen hieraan nog toe: het intreden in een religieuze orde is als een nieuwe doop, die men daarna zoveel malen mag vernieuwen, als het plan van zulk een orde opnieuw wordt hernieuwd. Zó hebben die mensen van de geloften zichzelf alleen gerechtigheid, heil en zaligheid toegekend, de gedoopten evenwel niets overgelaten waardoor ze zich met hen zouden kunnen vergelijken. Ja, de Paus van Rome, de bron en auteur van alle bijgelovigheden, bevestigt, keurt goed en eert met prachtige bullen en aflaten deze levenswijzen, maar niemand keurt de doop enige herinnering waard. En, gelijk ik gezegd heb: met deze verblindende praal drijven zij het volgzame volk van Christus in welke Symplegaden zij maar willen, zodat zij, zonder enige dank voor hun doop, voor zeker aannemen dat zij door hun werken betere dingen tot stand brengen, dan anderen door hun geloof. Daarom bewerkt God van Zijn zijde: “de verkeerden zich een tegenstander tonende”, om de ondankbaarheid en de hoogmoed van de mensen van de geloften te straffen, dat zij hun geloften niet houden of ze alleen met ontzaglijk grote moeite houden en er in weggezonken blijven, terwijl ze nooit de genade van het geloof en van de doop onderkennen en dat zij, daar hun geest niet vertrouwd is met God, voor immer in hun huichelachtigheid volharden en eindelijk de hele wereld tot een voorwerp van spot zijn, omdat ze steeds op de gerechtigheid jacht maken maar nimmer tot de Gerechtigheid komen, opdat ze het bekende woord in Jes. 2 tot vervulling brengen: “ook is zijn land vol afgoden”.

Stellig zou ik het niet willen pogen te verhinderen en het niet bestrijden indien iemand voor zichzelf naar eigen goedvinden de ene of andere gelofte wilde afleggen; [dit erken ik] om de geloften als zodanig niet volstrekt te verachten of te veroordelen; maar dat er een algemene levenswijs mee zou worden vastgelegd en dat die bestendigd zou blijven, dit zou ik geheel en al ontraden. Voor een ieder zij het voldoende dat er een persoonlijke vrijheid voor hem is om een gelofte te doen, voor eigen rekening en op eigen risico; maar dat het zou aanbevolen worden er een algemene levenswijze van te maken om geloften af te leggen, houd ik voor verderfelijk voor de kerk en voor de eenvoudige zielen. Vooreerst omdat het in niet geringe mate tegen de [ware] aard van het christelijk leven indruist, in dit opzicht dat de gelofte een soort ceremoniële wet en een menselijke traditie of inbeelding moet heten, van welke de kerk door de doop is bevrijd; een christen immers is aan geen andere wet toegewezen dan aan de goddelijke. Ten tweede, omdat er geen Schriftuurlijk voorbeeld is, in het bijzonder niet ten aanzien van de gelofte van de “kuisheid” [de ongehuwde staat], de armoede en de altijd durende gehoorzaamheid. Wat nu echter in de Schriften geen voorbeeld heeft, is gevaarlijk, niemand zonder meer aan te raden, veel minder als algemene en publieke levensregel te verordenen, al kan het ook aan een ieder overgelaten worden om op eigen risico te ondernemen, wat hij wil. Want sommige werken werkt de Geest in enkele weinigen, welke in genen dele als tot voorbeeld gesteld of tot een algemene levensregel gegeven zijn te noemen. Maar ik vrees zéér dat de bekende levensregels van de kloostergeloften te rekenen zijn tot het getal van die, van welke de Apostel heeft voorzegd: Er zullen er zijn “die leringen uitgeven in de huichelarij van leugensprekers, het huwelijk verbiedende en het genot van spijzen, welke God toch geschapen heeft om met dankzegging te worden gebruikt”. En niemand mag mij tegenwerpen [het voorbeeld van] de heilige Bernardus, Franciscus, Dominicus en dergelijken, die orden hebben gesticht of het getal ervan hebben vermeerderd. Want te vrezen en wonderbaar is God in Zijn raadsplannen ten aanzien van de mensenkinderen. Kon Hij een Daniël, een Ananias, een Azarja, een Misaël in het bestuur van het Babylonische Rijk (dat is: midden in de goddeloosheid) in heiligheid bewaren - waarom had Hij ook dezen niet in een gevaarlijke wijze van leven kunnen heiligen of door een bijzonder werk van zijn Geest kunnen leiden en regeren, zonder dat Hij echter nog wilde dat dit tot een voorbeeld voor anderen zou strekken? En dit is zeker dat geen van hen door zijn geloften afleggen en zijn religieuze orde behouden is, maar door het geloof alléén, in hetwelk allen behouden worden, waartégen echter het meest van alle deze door 'n uiterlijke schijn misleidende servituten strijden.



Maar laat een ieder hier in ruime mate zijn eigen gevoelen hebben; ik wil verder vervolgen wat ik begonnen ben uiteen te zetten; daar ik voor de vrijheid van de kerk en voor de heerlijkheid van de doop nu spreek, moet ik in het algemeen belang overwegen wat ik door de lessen van de Geest heb leren begrijpen. Daarom geef ik de machthebbers in de kerken de raad om al die geloften of de levenswijze van door geloften gebondenen op te heffen of althans: niet goed te keuren en te prijzen. Of, indien zij dit niet doen, raad ik allen, die meer vrij van vrees begeren behouden te worden, zich van het doen van alle geloften, vooral de zwaarwichtige en de voortdurend-bindende, te onthouden, in 't bijzonder de opgroeienden en de jongeren. Dit raad ik in de eerste plaats daarom, daar deze levenswijze, gelijk ik reeds gezegd heb, geen getuigenis en voorbeeld heeft in de Schrift, maar alleen door menselijke - pauselijke - bullen (ja waarlijk bullen, dat is: waterblazen) is opgeblazen; en in de tweede plaats, wijl zij een neiging toont tot huichelarij, vanwege haar uiterlijke schijn en het buitengewone dat haar eigen is, waaruit hoogmoed geboren wordt en een geringachten van het gewone christelijk leven. En indien er geen enkele andere reden was om de geloften op te heffen, dan zou deze, toch een genoegzaam gewicht in de schaal leggen dat door haar geloof en doop worden neergehaald en de werken worden verheerlijkt, die niet kunnen verheerlijkt worden zonder dat dit verderfelijk werkt. Want onder de vele duizenden is er nauwelijks één die niet in de Orden de werken hoger aanslaat dan het geloof, in welke dwaasheid zij ook nog wederkerig om de voorrang strijden, als strengeren en meer-laksen, gelijk zij het noemen! Derhalve raad ik niemand aan om intrede te doen in een religieuze orde of in het priesterambt - ja veelmeer: ik ontraad het - zo hij niet van te voren versterkt is en veilig gesteld door deze wetenschap dat hij inziet dat de werken van monniken en priesters, hoe heilig en bezwaarlijk te verrichten ze ook mochten zijn, in de ogen van God volstrekt niet hoger staan aangeslagen in waarde dan de werken van een boer die op zijn akker werkt, of van een vrouw die in haar huis verzorgt wat om haar zorg roept, maar dat alles door Hem alléén naar de maatstaf van het geloof wordt gemeten, zoals Jer. 5 zegt: “Heere, Uw ogen letten op het geloof” en Jezus Sirach 32: “Geloof bij elk werk, krachtens het geloof dat in uw ziel leeft, want dát is het houden van Gods geboden”; ja, dat het veelvuldiger geschiedt dat een gering, huiselijk werk van een dienstmeisje of knecht [God] méér welaangenaam is dan alle vasten en werken van een monnik en een priester, vanwege het ontbreken van het geloof. Daar het dus waarschijnlijk is dat heden ten dage de werken slechts dienen tot een pralen met en verwaand zijn op de werken, staat het te vrezen dat nergens minder van de kerk en van het geloof aanwezig is dan bij priesters, monniken en bisschoppen en dat zij zelven juist heidenen en hypocrieten zijn, die zichzelf de kerk wanen te zijn of [zelfs] het hart der kerk en de geestelijken en de leiders der kerk, terwijl ze in waarheid niets minder dan dat zijn. Het staat te vrezen dat dit nu inderdaad het in ballingschap gevoerde volk is, onder hetwelk alle dingen in gevangenschap leven die ons in de doop als vrije Godsgeschenken gegeven zijn; terwijl het arme en eenvoudige landvolk [in het land] achtergebleven is, dat, gelijk het de gehuwden vergaat, in hun ogen een volk van geringen schijnt.

Hieruit leren wij twee in het oog vallende dwalingen van de Paus te Rome kennen. I. De eerste is deze dat hij van geloften dispensatie verleent en dat doet alsof hij alleen, boven alle andere christenen uit, daartoe de macht en het gezag heeft; zó groot is de lichtzinnigheid en euvelmoed van goddeloze mensen. Want indien van een gelofte dispensatie kan worden verleend, dan kan iedere mogelijke broeder ten opzichte van zijn naaste en ook ten aanzien van zichzelf dispensatie verlenen en kan de naaste geen dispensatie verlenen, dan heeft ook de Paus er generlei recht toe. Vanwaar toch zou hij de macht daartoe hebben? Uit de sleutelmacht? Maar deze sleutels zijn allen gemeen en hebben slechts geldende kracht ten opzichte van de zonden, Matth. 18. En als zij nu zelf erkennen, dat de geloften tot het goddelijk recht behoren, wat bedriegt en verderft hij dan de arme zielen, dispensatie verlenend in zaken van goddelijk recht van welke geen dispensatie kán worden verleend? Hij leutert wel over de titel [het hoofd]: “Over de geloften en losmaking van geloften” dat hij in geloften veranderingen kan aanbrengen, zoals oudtijds de wet toestond dat het eerstgeboren veulen van een ezel tegen een schaap kon worden uitgewisseld - alsof het eerstgeboren veulen van een ezel hetzelfde zou zijn als een gelofte, ten aanzien van welke hij zo standvastig overal eist dat er uitvoering aan moet worden gegeven; of alsof, indien een heer in zijn verordeningen bepaalt dat een schaap mag verruild worden tegen een ezel, terstond daarop ook de Paus, die toch maar een mens is, in de zaak van een wet, die niet de Zijne is, van God maar eenzelfde macht zou hebben! Niet de Paus heeft dit decreet gemaakt, maar een voor een Paus ingeruilde ezel - zó aanwijsbaar waanzinnig en goddeloos is het.



II. De tweede [dwaling] is deze dat hij van de andere kant verordent dat een huwelijk mag ongeldig verklaard en verbroken worden, indien de één, ook zelfs tegen de wil van de andere partij, in een klooster wil gaan, indien het huwelijk nog niet voltrokken is. Ik bezweer u: welke duivel geeft de Paus deze monsterlijke dingen in? God beveelt de mens trouw te blijven en jegens elkander de waarachtigheid in ere te houden. En vervolgens, dat een ieder met het zijne het goede zal doen. Immers Hij haat het dat een geroofde buit Hem ten brandoffer wordt aangeboden, zoals Hij zegt door de dienst van Jesaja. Maar de ene echtgenoot is de ander door de gedane belofte trouw verschuldigd en is niet [meer] zijn eigen eigendom; en hij heeft geen enkel recht die trouw te breken en wat hij met zichzelf doet, doet hij met iets dat geroofd is, indien het tegen de zin van de ander indruist. Of waarom zou niet naar deze zelfde regel een mens die door een geldelijke schuld in druk verkeert, [maar rustig] in een religieuze orde intrede doen en daarin opgenomen worden, opdat hij van zijn schulden moge worden bevrijd, als het vrij zou staan trouw te breken? O blinden, blinden die u bent! Wat is méér: trouw, door God bevolen of een gelofte, door een mens uitgedacht of uitgekozen? Bent u een zieleherder, u Paus? En bent u leraars in de heilige Godgeleerdheid, die deze dingen tot voorwerp van uw onderricht maakt? Waarom toch leert u dit? Is het niet hierom dat u de gelofte een luister hebt bijgezet alsof zij een beter werk dan het huwelijk zou zijn; maar niet het geloof, dat alle dingen heerlijk maakt, nee, de werken verheerlijkt, die niets zijn voor God, of: alle gelijk in betekenis zijn, wat de verdienste [ervan] aangaat? Derhalve: ik voor mij twijfel er niet aan: bij de geloften, indien ze recht zijn, kunnen noch mensen noch engelen dispensatie verlenen. Maar ik ben er voor mijzelf nog niet geheel zeker van of al die dingen die heden ten dage onder “de geloften” worden betrokken, wel onder “de geloften” vallen. Daar is bijvoorbeeld dat wonderbaar belachelijke en dwaze doen, dat ouders omtrent een kind, hetzij zelfs nog niet geboren, hetzij nog heel jong en klein, de gelofte doen dat het [later] in een religieuze orde zal treden of dat het voortdurend kuis [levend in de ongehuwde staat] zal blijven; ja zelfs veelmeer, dit is toch wel zéker dat zo iets onder geen “gelofte” mag vallen en het schijnt in een bepaalde zin een bespotting van God te zijn, daar zij een gelofte doen omtrent dingen die op generlei wijze in hun macht staan. - Ik kom nu tot hen, die tot een religieuze orde behoren. Hoe meer ik hun drie geloften bezie, hoe minder ik ze begrijp; en ik vraag mij met verwondering af vanwaar deze invordering van geloften gekomen is, die zich [in de kerk] heeft vastgezet. En dit begrijp ik nog veel minder, in welk levensjaar zulke geloften kunnen worden gedaan zodat ze wettig en rechtmatig zijn en geldende kracht bezitten. Ik ben van mening dat zij in dit stuk allen overeengekomen zijn dat hun geloften vóór de jaren van volwassenheid geen geldende kracht bezitten, ofschoon zij hier een groot aantal van kinderen misleiden, dat onwetend is zowel omtrent de jaren van hun ouderdom als omtrent de zaak die ze in hun gelofte betrekken, want bij het opnemen in de orden houdt men geen rekening met de jaren van volwassenheid, en dan, als ze de gelofte officieel hebben afgelegd, houdt men hen, in een wrede pijniging van het geweten, gevangen, alsof de toestemming later ware gevolgd, en men neemt hen gretig [in hun orden] op; alsof de gelofte, die ongeldig is geweest, eindelijk tot een geldende werd door de voortgang van jaren! Maar het komt mij dwaas voor dat de termijn waarop een gedane belofte rechtskracht verkrijgt, van te voren vastgesteld zal worden door anderen, die voor zichzelf niets van te voren kunnen vaststellen. Ook zie ik niet in waarom een gelofte op het achttiende levensjaar afgelegd, rechtsgeldigheid zou hebben en een die op het tiende of twaalfde jaar is afgelegd, niet. Dit geeft mij ook geen voldoening dat [iemand zou beweren dat] men op het achttiende jaar zijn vleselijke begeerten voelt werken. Wat zal men dan zeggen, als hij die op zijn twintigste of dertigste jaar nog nauwelijks gevoelt? Of op zijn dertigste jaar méér dan toen hij nog maar twintig was? Of waarom stelt men ook voor de armoede en de gehoorzaamheid niet op gelijke wijze een bepaalde termijn? Maar wat voor een tijd wilt u bepalen, waarop een mens zich hebzuchtig of hoogmoedig gevoelt, indien het vaststaat dat de allerheiligsten deze gevoelens nauwelijks bij zich waarnemen? Derhalve zal enige gelofte, welke ook, nooit wettig zijn en rechtskracht hebben, dan alleen wanneer we geestelijke mensen zullen zijn geworden, maar dán geen geloften meer nodig hebben! - U ziet daarom dat die dingen onzeker en heel gevaarlijk zijn. En daarom zou de raadgeving heilzaam zijn, om deze verheven levenswijzen, van geloften vrij, alleen aan de Geest over te laten, zoals ze vroeger dat waren en ze in geen geval zó te veranderen in een soort bevelschrift voor het gehele leven. Intussen echter zij dit nu genoeg gezegd over de Doop en zijn vrijheid. Te bestemder tijd zullen wellicht de geloften in bredere behandeling komen; een zodanige bredere behandeling zou er inderdaad heel nodig voor zijn.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22


Dovnload 0.67 Mb.