Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri

Dovnload 0.67 Mb.

De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri



Pagina5/22
Datum12.03.2017
Grootte0.67 Mb.

Dovnload 0.67 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22

III. HET SACRAMENT VAN DE BOETE


In de derde plaats moet ik iets zeggen over het sacrament van de boete. Daarover heb ik reeds enige tractaten en disputaties het licht doen zien, waardoor ik reeds tamelijk vele lezers aanstoot heb gegeven. Ik heb reeds in den brede uiteengezet welk gevoelen dienaangaande het mijne is. Maar nu moet ik dat in het kort herhalen, om de tirannie in het volle licht te stellen, die hier in niet mindere mate ruw te werk gaat, dan in het sacrament van het brood. Immers daar bij deze beide sacramenten winstbejag en de zucht om er voordeel uit te trekken een grote rol spelen, heeft de hebzucht van de priesters gewoed tegen Christus' schapen - ofschoon, zoals we reeds ten aanzien van de geloften hebben opgemerkt, ook de doop, opdat die zou worden dienstig gemaakt aan de hebzucht, voor de volwassenen jammerlijk in zijn graf is neergelegd. Het eerste en voornaamste euvel is bij dit sacrament, dat men het sacrament als zodanig geheel en al heeft uitgewist, vernietigd, zodat men zelfs geen spoor ervan heeft overgelaten. Want terwijl het zelf, evenals die twee andere, bestaat uit het woord van de belofte en ons geloof daaraan, heeft men beide onderstboven geworpen. Immers het woord van de belofte, als Christus zegt in Matth. 16: “wat gij [Petrus] op aarde zult binden ...” enz., en in Matth. 18: “wat gij [de discipelen] op aarde bindt ...” enz. en Johannes, in het slot: “Wie gij [de discipelen] de zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden ...” enz., door welke woorden het geloof van hen die boete willen doen wordt geëist en opgeroepen, opdat zij de vergeving van zonden mogen verkrijgen, hebben zij pasklaar gemaakt voor hun tirannie. Want met en in al hun boeken, studies, preken, ging het er hun niet om, dat zij zouden leren (onderrichten) wat de christenen in deze woorden als belofte was toegezegd, wat zij moesten geloven en hoeveel troost daarin voor hen lag opgesloten, maar hierom hoe breed en lang en diep zij zelf met hun macht en geweld tirannie zouden uitoefenen; totdat sommigen zelfs er mee begonnen om de Engelen in de hemel opdrachten te geven, en zij er in ongelooflijke en verwoede goddeloosheid prat op gingen dat zij met deze woorden heersersrechten in hemel en op aarde hadden ontvangen, en zelfs macht bezaten om in de hemel te binden. Zo zwegen ze dan geheel over het heilzaam geloof van het volk, maar leuterden op alle mogelijke wijze over de tyrannische macht van de Pausen, terwijl het bij Christus [en Zijn woorden] in het geheel niet gaat om enige macht, maar uitsluitend om het geloof. Immers niet rijken en machten en heerschappijen, maar diensten heeft Hij in Zijn kerk ingesteld, zoals wij dit van de Apostel lezen, als hij zegt: “Zo moet men ons beschouwen: als dienaren van Christus, aan wie het beheer van de geheimenissen van God is toebetrouwd”. Daarom, gelijk Hij daar, waar Hij zegt: “Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden”, het geloof van de dopelingen heeft willen eisen en oproepen, opdat door dit belofte-woord de mens er zeker van moge zijn dat, als hij gelooft en gedoopt wordt, hij de zaligheid zal deelachtig worden - waar [dus] in het geheel geen macht is toebedeeld, maar alléén van zulken die dopen is ingesteld - zó ook hier, als Hij betuigt: “Wat gij zult gebonden hebben ...” enz. roept Hij om, en wekt Hij, het geloof van de boetvaardige, opdat hij door dit beloftewoord ervan verzekerd zij dat, indien hij gelooft en “ontbonden” wordt, hij zéker “ontbonden” is in de hemel; daar, waar in het geheel niets dat ook maar zweemt naar macht, maar alleen de dienst van hem die “ontbindt” fungeert. En het is heel wonderlijk, wat die blinde en zich zoveel aanmatigende mensen overkomen is, dat zij uit de doopbelofte zich niet evenzeer een tyrannisch optreden hebben aangematigd; of, indien ze het hier niet deden, waarom ze dan ten aanzien van de beloften van de boete wèl hebben gemeend het te kunnen doen, terwijl toch op beide terreinen het een gelijke dienst is en een gelijksoortige belofte, en dezelfde grond voor het sacrament, zodat men niet kan ontkennen, dat indien de doop niet alleen voor Petrus bestemd is, dan de sleutels alléén door een goddeloze tirannie voor de Paus alleen zouden gereserveerd blijven. Zo wanneer Hij zegt: “Neemt, dit is Mijn lichaam dat voor u overgegeven wordt”; “Dit is de beker in Mijn bloed ...” enz. eist Hij het geloof van en wekt het in hen die eten; opdat zij, met een door het geloof aan de waarheid van deze woorden bekrachtigd geloofsbewustzijn, er zeker van zijn dat zij de vergeving van zonden verkrijgen, als zij gegeten zullen hebben. Hier hoort u niets van macht, maar alleen van dienst. Maar de doopbelofte is, hoe dan ook, in elk geval nog bij de kinderen gebleven; de belofte van brood en beker is vernietigd, in de knechtschap, de dienstbaarheid, van hebzucht overgegaan en uit het geloof is het werk, uit het testament het offer geboren. De belofte die bij de boete behoort is overgegaan in de gewelddadigste tirannie en in de oprichting van een meer dan wereldlijke heerschappij. Daarmee nog niet tevreden heeft ons Babylon ook het geloof alzó vernietigd, dat het met een gelaat zonder schaamte heeft ontkend dat het in dit sacrament noodzakelijk zou zijn, ja met antichristelijke goddeloosheid verklaard dat het een ketterij zou zijn, indien iemand staande hield dat het geloof noodzakelijk was. Wat heeft deze tirannie méér dan dit kunnen doen en niet gedaan? Waarlijk: “Aan Babels stromen, daar zitten wij, ook wenen wij, als wij u, o Sion, gedenken. Aan de wilgen aldaar hangen wij onze citers”. Moge de Heere die onvruchtbare wilgen bij deze rivieren vervloeken, Amen! Zo dan de belofte en het geloof tot de vergetelheid gebracht en vernietigd zijn, laten we zien wat zij in de plaats daarvan hebben gesteld. Drie delen gaven zij aan de boetedoening: de verbrijzeling, de biecht, de genoegdoening, maar zo, dat ze uit ieder van die, wat er goed in was, wegnamen en in plaats daarvan hun lust en tirannie vestigden.

Vooreerst hebben zij omtrent de verbrijzeling [van het hart, of: het berouw] zulke leringen opgesteld dat zij die de voorrang verleenden vóór het geloof aan de belofte en ze haar tot iets veel geringers maakten, nl. als een zaak die niet was een geloofswerk, maar een verdienste; ja zij denken daarbij aan het geloof zelfs niet. Want zó zijn zij in de werken blijven hangen en hebben ze alléén gelet op die voorbeelden van de Schriften, waarbij van velen verhaald wordt dat zij vergeving zijn deelachtig geworden vanwege harteverbrijzeling en verootmoediging, dat ze echter niet hebben gelet op het gelóóf dat de verbrijzeling van en de droefheid in het hart heeft gewerkt, zoals in Jona 3 geschreven staat: “En de mannen van Ninevé geloofden God en riepen een vasten uit ...” enz. - Zij die nog euvelmoediger en slechter waren hebben verzonnen dat [inplaats van een contritio] een attritio voldoende was, die door de werking van de sleutelmacht (van welke zij geen ware kennis hebben) in contritio, verbrijzeling, kan overgaan; en deze schenken zij dan aan de goddelozen en ongelovigen, zodat op deze wijze de gehele contritio vernietigd werd. O, de niet te dragen toorn van God [daartegen ontwaakt] om iets dergelijks in de kerk van God te leren! Zo stappen we rustig voort, terwijl we èn het geloof èn het werk waartoe het leidt, hebben afgeschaft; we gaan voort in onze menselijke leringen en waandenkbeelden en we gaan ten verderve! Een verbrijzeld hart is een zaak van groot belang, maar alleen als de vrucht van een geloof dat brandt van liefde tot de goddelijke belofte en van vrees voor de goddelijke bedreiging, die met het gezicht op de onwankelbare waarheid van God, het geweten doet beven, verschrikt en zó verbrijzelt èn - als het verbrijzeld is - ook weer opbeurt en vertroost en bewaart, dat de waarheid van de dreiging oorzaak is van de verbrijzeling en de waarheid van de belofte oorzaak van de vertroosting, indien men deze belofte gelooft en de mens in de weg van dit zijn geloof de vergeving van zonden verdient. Daarom moet men vóór alle dingen het geloof leren en er toe opwekken; immers hebben we het geloof verkregen, zo zullen de verbrijzeling en de vertroosting, als onvermijdelijk gevolg ervan, vanzelf komen. Daarom, al heeft het enige waarde wat zij leren, die zeggen dat zij, uit wat zij noemen de samenstelling en de beschouwing van hun zonden, zich de verbrijzeling van het hart bereiden, is deze hun leer toch gevaarlijk en verkeerd, omdat zij niet eerst de gronden [principia] en oorzaken van de verbrijzeling leren, nl. de onveranderlijke waarheid van de goddelijke dreiging en van de belofte die tot geloof opwekt; opdat zij inzien dat zij met veel grotere geestelijke inspanning op de goddelijke waarheid het oog moeten richten, om daardoor èn verootmoedigd èn bemoedigd en opgebeurd te worden, dan op de grote menigte van hun zonden, die, indien ze zonder de waarheid van God worden beschouwd, veel meer wonden zullen openrijten en de lust om te zondigen vermeerderen, dan dat ze tot verbrijzeling zullen voeren. Ik zwijg hier van de onoverkomelijke chaos van arbeid en moeite, die zij ons hebben opgelegd, nl. dat wij over al onze zonden berouw zouden moeten hebben; onoverkomelijk, omdat dit onmogelijk is en wij maar van een klein deel van onze zouden afweten; eindelijk, omdat ook goede werken bevonden worden zonden te zijn, volgens het woord dat we lezen in Ps. 143: “Ga niet in het gericht met Uw knecht”, als wij smart gevoelen over die zonden die ons kwellen omdat ons geweten er ons nu over aanklaagt en zij in het gezichtsveld van ons geheugen staan en dan licht worden gekend. Want wie in deze stemming van de ziel verkeert, die is zonder twijfel bereid over al zijn zonden smart te gevoelen en daarom te vrezen, en hij zal droefheid hebben en vrezen als zij in toekomstige tijden openbaar worden. Wacht u er dus voor om op uw verbrijzeling te vertrouwen, of aan uw smartgevoel de vergeving van zonden toe te schrijven. God zal u daarom niet aanzien, maar Hij ziet u [in genade] aan om uw geloof, waarmee u Zijn dreigingen en beloften geloofd hebt en dat in u een zodanige smart heeft gaande gemaakt. En daarom moet datgene wat goed in de boetedoening is geweest niet op rekening van de ijver in het optellen van zonden worden geschreven, maar op die van de waarheid van God en van ons geloof. Al die andere dingen zijn werken en vruchten die als vanzelf volgen en zij maken de mens niet goed, maar zij geschieden door een reeds tevoren door het geloof aan de waarheid van God goedgemaakte mens. Zo steeg rook op in Zijn toorn, omdat Hij, vertoornd zijnde, de bergen deed sidderen en in brand stak, gelijk Ps. 18 zegt. Eerst is er de schrik voor Zijn dreiging, die de goddelozen in brand steekt; maar het geloof neemt deze schrik in zich op en maakt er de rook en de nevel van de verbrijzeling van.

[Ten tweede: de biecht]. De verbrijzeling van het hart [het berouw] is minder blootgesteld [ten prooi gevallen] aan tirannie en winzucht, dan geheel en al aan goddeloosheid en verderfelijke leringen. Maar de biecht en de genoegdoening zijn bijzonder geschikte werkplaatsen geworden voor gewin en geweld. Eerst dan: over de biecht. Het is aan geen twijfel onderhevig dat belijdenis doen van zonden noodzakelijk is en van Godswege geboden, Matth. 3: 6: “Zij lieten zich in de rivier, de Jordaan, door Johannes dopen, onder belijdenis van hun zonden”. Vgl. 1 Joh.: 9, 10: “Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Indien wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en Zijn woord is in ons niet”. Indien het dan de heiligen niet geoorloofd is te ontkennen dat zij zondaren zijn, hoeveel te meer betaamt het dan hun die schuldig zijn aan openbare of zware zonden, die te belijden. Maar op de overtuigendste wijze wordt in Matth. 18 bewezen dat de belijdenis van zonden een goddelijke instelling is, als Christus daar leert de broeder die zondigt te vermanen, [aan de gemeente] bekend te maken, in staat van beschuldiging te stellen, en, als hij [u] niet hoort, buiten te sluiten. Immers dan zal hij horen, wanneer hij, naar de vermaning zich voegend, zijn zonde erkent en belijdt. De geheimblijvende biecht echter, die sinds kort door velen wordt gezocht, ook al zou er geen aanwijzing toe in de Schrift te vinden zijn, bevalt mij verwonderlijk goed en is nuttig, ja zelfs noodzakelijk en ik zou niet graag willen dat zij niet bestond; ik verheug mij er veelmeer in dat zij in de kerk van Christus in gebruik is, daar juist zij voor ontruste gewetens het enige redmiddel is. Nl. in zóverre als, nadat wij aan onze broeder een blik in ons geweten hebben gegund en het kwade dat wegschool hem in een vertrouwelijk gesprek hebben bekend gemaakt, wij uit de mond van onze broeder, maar als door God uitgesproken, het woord van de vertroosting ontvangen, waardoor, indien we het in het geloof aannemen, wij vrede verwerven in de barmhartigheid van God, die door de dienst van onze broeder tot ons spreekt. Dit alleen wijs ik af en verfoei ik, dat deze biecht is ingekerkerd in de tirannie en geldinvordering van de pausen. Immers ook de geheime zonden bewaren zij voor zichzelf ter bestraffing en vervolgens geven zij aan door hen met name genoemde biechtelingen de opdracht om die zonden openbaar te maken, nl. om de gewetens van de mensen te kwellen; zodat ze wel “de priester uithangen”, maar de ware plichten van predikers als daar zijn: het Evangelie verkondigen en verzorgers zijn van de armen, ten enenmale verwaarlozen. Ja, deze goddeloze tyrannen behouden het liefst die zonden voor zich, die van minder belang zijn, maar de zware laten zij in de regel over aan de grote hoop van de priesters. Zo zijn daar die belachelijke en verzonnen zonden die genoemd worden in de Bul coenae domini. Maar daartegenover - opdat de goddeloosheid van hun verkeerde zin des te duidelijker openbaar worde - die dingen, die indruisen tegen de dienst van God, het geloof en de voornaamste geboden, behouden zij zich niet alleen niet voor, maar zij leren ze en keuren ze goed, als daar zijn: het overal heentrekken om bedevaarten te doen, de verkeerde verering van heiligen, de leugenachtige legenden omtrent heiligen in omloop, allerlei goed vertrouwen hebben in en zich inspannen tot het doen van allerhande werken en ceremoniële gebruiken, door welke alle het geloof in God wordt vernietigd en de afgoderij begunstigd. En zo staat het er dan heden ten dage zó voor, dat wij geen andere bisschoppen hebben dan zulke als Jerobeam weleer in Dan en Berseba heeft aangesteld, dienaren van gouden kalveren, mensen die niet afweten van de wet van God en het geloof en datgene wat behoort tot het weiden van Christus' schapen, maar die alleen hun verdichtsel, met vrees aanjagen en geweld, het volk opdringen. En ofschoon ik de overtuiging tracht bij te brengen dat men de gewelddadigheid van dit voorbehoud moet dragen, gelijk ook Christus ons beveelt de gezamenlijke uitoefening van tirannie van wie ook te verdragen en Hij ons leert zulke gewinzuchtigen te gehoorzamen, toch geloof ik niet dat zij dit recht van voorbehoud hebben en ook geloof ik niet dat ze een jota of tittel kunnen aanvoeren om te bewijzen dat zij het hebben. Ik wil echter het tegendeel bewijzen. Vooreerst: Indien Christus in Matth. 18 van de openbare zonden zegt dat wij de ziel van onze broeder hebben gewonnen, als hij naar onze vermaning luistert en hij alleen dan aan de gemeente moet worden bekend gemaakt, als hij niet heeft willen horen en zó de zonde tussen broeders tot een goed einde gebracht kan worden - hoeveel te meer zal het dan waar zijn ten aanzien van de geheime, verborgen zonden, dat die uit de weg kunnen worden geruimd indien de broeder ze vrijwillig aan zijn broeder zal hebben beleden, zodat het niet nodig is dit bekend te maken aan de gemeente, dat is dan: aan de prelaat of aan de priester (zoals zij zelf wauwelen, als ze ons deze dingen trachten uit te leggen)? Tot dit gevoelen hebben wij ook nog een andere gezagsuitspraak van Christus, die in dezelfde plaats zegt: “wat gij zult binden op de aarde zal ook in de hemelen gebonden zijn en wat gij ontbinden zult op de aarde, zal ook in de hemelen ontbonden zijn”. Dit toch wordt tot alle christenen en tot een ieder van hen gezegd. En daar ter plaatse zegt Hij nogmaals hetzelfde: “Wederom zeg ik u, dat, als twee van u op de aarde iets éénparig zullen begeren, het zal hun ten deel vallen van Mijn Vader, Die in de hemelen is”. Maar een broeder die aan een broeder zijn verborgen zonden bekend maakt en om vergeving vraagt, is zeker met zijn broeder op de aarde één van gevoelen, in de waarheid, die Christus is. Met betrekking daarop zegt Christus in dezelfde plaats, met nog duidelijker bevestiging van wat Hij even te voren betuigd had: “Immers voorwaar zeg Ik u: waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn naam, daar ben Ik in het midden”. Daarom twijfel ik er niet aan dat een ieder van zijn verborgen zonden de kwijtschelding heeft verkregen, die, hetzij na vrijwillige belijdenis, hetzij na vermaand te zijn, vergiffenis heeft gevraagd en de zaak tot een goed einde heeft gebracht, in het verborgen onder vier ogen, ten opzichte van welke broeder ook. En dan doet het er niet toe wat pauselijke gewelddadigheid hiertegen in dwaasheid opmerkt, indien toch immers Christus onmiskenbaar zeker [de macht tot] het vergiffenis schenken aan een ieder van Zijn gelovigen heeft geschonken. Voeg nog dit bewijsje hieraan toe: indien enig voorbehoud zou moeten gelden voor de verborgen zonden, nl. dat men zonder vergiffenis van deze te erlangen er geen zaligheid zou mogelijk zijn, dan zouden juist die dingen die ik hierboven genoemd heb: juist die goede werken en afgoderijen, die heden ten dage door de pausen noodzakelijk worden genoemd, het meest het zalig worden in de weg staan; maar indien deze zeer zware zonden de zaligheid niet in de weg staan, dan heeft men toch zoveel te minder reden om op de meest dwaze wijze de zoveel lichtere tot een zaak van voorbehoud te maken. Maar in waarheid: de onwetendheid en de blindheid van de herders werken deze monsterachtig fantastische voorstellingen in de kerk uit.

Daarom zou ik deze vorsten van Babel en deze bisschop-pen van Beth-Aven willen vermanen, dat zij zich ervan zullen onthouden om van enige gevallen zich een voorbehoud te maken. Het ware wenselijk dat zij de bevoegdheid om de belijdenis van verborgen zonden aan te horen voortaan toebetrouwen aan alle broeders en zusters, opdat een zondaar zijn verborgen zonde zou mogen bekendmaken aan wie hij maar wilde, om vergiffenis en vertroosting, dat is: het woord van Christus uit de mond van zijn naaste te verkrijgen. Immers zij [de Pausen en Bisschoppen] bereiken niets met hun onbezonnenheden, dan dat zij de gewetens van de zwakken zonder oorzaak verstrikken, hun eigen goddeloze tirannie in stand houden en met de zonden en het verderf van hun broeders hun eigen hebzucht voeden. Want zó bezoedelen zij hun handen met het bloed van de zielen en de kinderen worden door de ouders verslonden en Efraïm verslindt met wijdgeopende mond Juda en Syrië Israël, zoals Jesaja zegt. Aan deze kwade dingen hebben zij nog toegevoegd de “omstandigheden”; eveneens moeders, dochters, zusters, verzwagerden, takken en vruchten van zonden, die namelijk zijn uitgedacht door zeer scherpzinnige en vlijtige mensen die ook in de zonden een soort stamboom van bloedverwantschap en aanverwantschap vonden; zó vruchtbaar is de goddeloosheid en de onwetendheid. Immers deze gedachte, van welke windbuil ze ook afkomstig was, is overgegaan in een algemene wet, gelijk ook vele andere. Want zó waken de herders over Christus' kerk, dat van welke bijgelovigheid of van welk nieuw werk die zeer dwaze “mensen van de geloften” ook hebben gedroomd, zij dit spoedig in 't openbaar bekend maken, versierd met aflaten en versterkt door bullen; zover is het er vandaan. dat zij het tegenhielden en ten goede van het volk van God het ware geloof en de vrijheid bewaakten. Immers wat voor gemeenschap heeft de vrijheid met de Babylonische tirannie? Ik echter zou gaarne de goede raad willen geven om wat men ook van “omstandigheden” spreekt, daarmee niets van doen te willen hebben. Onder Christenen is er één “omstandigheid”, nl. dat de broeder gezondigd heeft. Want geen corporatie is te vergelijken met de corporatie van de christelijke broederschap. En de beschouwing van plaatsen, tijden, dagen, personen of zo er enige andere bijgelovige bombast is, heeft geen ander gevolg dan dat het die dingen verheerlijkt die waardeloos zijn, tot groot nadeel van die dingen die alles zijn; alsof er iets van meer gewicht of groter betekenis zou kunnen zijn dan de heerlijkheid van de christelijke broederschap. Zó binden zij ons aan plaatsen en dagen en personen, opdat het hoog-denken van de broeder-naam tot iets waardeloos zou worden en wij in plaats van door de vrijheid door de gevangenschap ons zouden laten beheersen; wij, voor wie alle dagen, plaatsen, personen en al wat tot de uitwendigheden behoort, dingen zijn van volstrekt gelijke waarde.



De genoegdoening Op hoe onwaardige wijze zij zich over de genoegdoening hebben uitgelaten, heb ik in den brede uiteengezet toen ik schreef over de zaken van de aflaat. Die genoegdoening hebben zij op zeer bijzondere wijze misbruikt, tot een verderven van de christenen, naar lichaam en ziel. Vooreerst hebben zij het onderricht in de ware aard van de genoegdoening zó gegeven, dat het [gewone] volk die ware aard van de genoegdoening in het geheel niet verstond - die immers is: de vernieuwing van het leven. Vervolgens leggen zij er zich zó op toe en verklaren haar zó noodzakelijk, dat zij voor het geloof in Christus geen plaats overlaten, maar zij martelen op de ellendigste wijs de gewetens dood door hun bezorgdheid, terwijl de één naar Rome loopt, de één hierheen, de ander daarheen, deze naar de Karthuizers, gene naar een andere plaats; terwijl de één zich met roeden geselt, de ander zich met waken en vasten doodt, terwijl allen in één razernij roepen: “Zie hier is Christus en zie dáár is Hij” en menen dat het Rijk van God, dat in ons is, zal komen op waarneembare wijs. Deze wangedrochten hebben wij aan u te danken, Stoel te Rome en uw mensen-moordende wetten en riten, waardoor u de gehele wereld zozeer hebt verdorven dat de mensen nu menen dat zij God genoegdoening kunnen verschaffen door hun werken; Hem, Wie alleen genoeg wordt gedaan door het geloof dat woont in een verslagen hart. Maar door uw in verwarring brengende woorden maakt u niet alleen dat dit geloof wordt doodgezwegen, maar gij onderdrukt het ook, alleen opdat uw onverzadigbare bloedzuiger er hebbe, tot wie hij roept: “breng [geld] binnen, breng het aan!” en hij de zonden verkoopt. Uit hun getal zijn sommigen zóver voortgeschreden tot het toebereiden van werktuigen om de zielen tot vertwijfeling te brengen, dat zij vaststelden dat alle zonden door de biechteling nog eens opnieuw moesten worden opgebiecht, die zonden nl. voor welke de opgelegde genoegdoening niet was ingelost. En wat zouden zulken ook al niet durven doen, die daartoe geboren zijn, om alles in een tienvoudige gevangenschap te brengen? Verder vraag ik: welk deel van de mensen is doordrenkt van de overtuiging dat zij “in staat van behoudenis” zijn en voor de zonden genoegdoening geven, indien ze door de priester hun opgelegde korte gebeden woord voor woord hebben na-gemurmeld? Ook al zouden zij onderwijl er zelfs niet aan dènken om hun levenswijze te verbeteren. Immers zij geloven dat in het éne ogenblik van berouw en biecht hun leven veranderd is en dat nu alleen nog overbleef dat zij voor de verleden zonden genoegdoening moesten geven. Hoe zouden zij er anders over denken, als 't hun nooit anders is geleerd? Maar zó denkt men in het geheel niet aan de doding van het vlees, en het voorbeeld dat Christus geeft is hun van geen waarde die toch, de echtbreekster vergiffenis schenkende, tot haar zeide: “Ga heen en zondig niet meer”, met welke woorden Hij haar immers het kruis van de doding van de leden van het lichaam oplegde. Niet geringe aanleiding tot dit verkeerde doen heeft het feit gegeven, dat wij de zondaren de kwijtschelding van de zonde geven vóórdat de genoegdoening ten volle is aangebracht. Dit heeft tengevolge dat zij zich meer laten gelegen liggen aan het volbrengen van de genoegdoening, die duurzame gevolgen heeft, dan aan de verbrijzeling van hart [de contritio], omdat men gelooft dat deze onder het belijden geschiedt maar van voorbijgaande aard is; terwijl toch geheel integendeel de absolutie, de kwijtschelding - gelijk het in de oude kerk de gewoonte was - ná de genoegdoening moest vallen, als zij geheel was aangebracht. Immers dit had tot gevolg dat als 't werk achter de rug was men zich daarna meer in het geloven en in de vernieuwing van het leven oefende. Maar, omtrent deze dingen heb ik hier nu wel genoegzaam herhaald wat ik vroeger in mijn geschriften over de aflaat meer in den brede heb gezegd. En hiermee is nu in het algemeen voorlopig weer genoeg gezegd over die drie sacramenten, waarover gehandeld - en niet gehandeld! - is in zoveel en schadelijke hoeken, die gewagen van sententies en van het recht. Nu blijft over om ook over de andere sacramenten nog iets in het midden te brengen, opdat het niet de schijn zou hebben als had ik die zonder reden verworpen.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22


Dovnload 0.67 Mb.