Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri

Dovnload 0.67 Mb.

De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri



Pagina6/22
Datum12.03.2017
Grootte0.67 Mb.

Dovnload 0.67 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22

IV. HET VORMSEL


Het is wonderlijk, wat hun in de zin is gekomen - dat ze een sacrament van confirmatie, van het vormsel, hebben gemaakt uit de oplegging van de handen, waarmee Christus de kinderen heeft aangeraakt, zoals we [van Hem] lezen; waarmee de Apostelen de Heilige Geest hebben gegeven, en opzieners hebben aangesteld en zieken hebben genezen, zoals de Apostel schrijft aan Timotheüs: “Leg niemand overijld de handen op”. Waarom hebben zij ook niet uit het sacrament van het brood een “confirmatie” [letterlijk: bekrachtiging] gemaakt, gelijk er toch geschreven staat in Hand. 9: “en toen hij voedsel genomen had, werd hij versterkt”? En in Ps. 104: “Brood, dat het hart des mensen versterkt”? Zó zou de confirmatie drie sacramenten omvatten: het brood [het avondmaal] en de aanstelling in een ambt en het vormsel zelf. Indien 't soms ál “sacrament” is, wat de Apostelen hebben gedaan, waarom hebben zij niet veelmeer de woordverkondiging tot een sacrament gemaakt? Dit zeg ik niet opdat ik de zeven sacramenten zou veroordelen, maar om te ontkennen dat er schriftbewijs voor zou aanwezig zijn. Och, mocht er in de kerk een dergelijke handoplegging worden gevonden als er was in de tijd van de Apostelen, 't zij we die dan confirmatie of curatie [geneeskundige behandeling, genezing] zouden willen noemen. Maar nu is daarvan niets overgebleven, behalve zoveel als we zelf hebben uitgedacht om de ambten van Bisschoppen te sieren, opdat zo niet geheel en al zonder enige arbeid in de kerk zouden zijn. Want nadat zij de sacramenten die vele bezigheden meebrachten, tezamen met het Woord, aan anderen, lageren in rang, als [in hun ogen] nederiger [sacramenten] hadden overgelaten (zeker omdat wat goddelijke majesteit had ingesteld door de mensen veracht moest zijn!), was het behoorlijk, dat we iets gemakkelijks uitvonden, dat voor zulke verfijnde en grootmachtige helden niet onaangenaam-lastig zou zijn en dit in geen geval als iets gerings aan geringeren zouden toevertrouwen; want wat menselijke vrijheid heeft ingesteld, behoort bij mensen geëerd te zijn. Zo dan, zoals de priesters zijn, zulk een dienst en taak hebben zij. Immers een Bisschop die niet het Evangelie verkondigt en niet zorg draagt voor de zielen, wat is hij anders dan een afgod in de wereld, die alleen de náám van “bisschop” draagt en zijn uiterlijke gestalte vertoont? Wij echter zoeken in plaats hiervan sacramenten die van Godswege zijn ingesteld. En dan vinden wij geen enkele reden onder hun getal ook de confirmatie te rekenen. Tot het ingesteld zijn van een sacrament immers behoort vóór alles een woord van goddelijke belofte, waaraan het geloof zich vastklemt. Maar we lezen nergens dat Christus aangaande de confirmatie een belofte heeft gegeven, ofschoon Hij Zelf toch velen de handen opgelegd heeft en het Evangelie naar Markus in het slot ervan onder de tekenen ook dit noemt: “Op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden”. Maar dit heeft nog nooit iemand - zoals het ook onmogelijk is - in betrekking gebracht met een sacrament. Daarom is het voldoende om de confirmatie te houden voor een zeker kerkelijk gebruik en een sacramentele ceremonie, gelijk aan de andere ceremoniën van de wijding van het water en andere dergelijke dingen. Want indien alle andere schepselen geheiligd worden door woord en gebed, waarom zou het niet veel meer vrijstaan dat de mens geheiligd wordt door beide diezelfden, die echter, omdat zij geen goddelijke belofte hebben, niet sacramenten van het geloof kunnen heten. Ook werken zij de zaligheid niet. Maar de sacramenten bewaken en bewaren hen die de goddelijke beloften geloven.

V. HET HUWELIJK


Het huwelijk wordt niet alleen voor een sacrament gehouden zonder dat hiervoor enige Schriftuurlijke grond is op te geven, maar door diezelfde overgeleverde leringen, met welke men met ophef verkondigt dat het een sacrament is, is het tot een puur voorwerp van spot geworden. Wij hebben gezegd dat men in elk sacrament een woord van goddelijke belofte vindt, waaraan een ieder die het teken ontvangt geloof moet schenken, en dat niet een teken alleen op zichzelf een sacrament is. Men leest echter nergens [in de Schrift] dat hij die trouwt, in enig opzicht genade van God zal ontvangen. Ja zelfs, ook het teken in het huwelijk is niet een goddelijke inzetting. Immers men leest nergens dat het huwelijk door God is ingesteld opdat het iets zou betekenen, hoewel alle dingen, die in het zichtbare geschieden mogen worden verstaan als te zijn tekenen en zinnebeelden van onzienlijke dingen, Maar teken en zinnebeeld zijn niet sacramenten, op de wijze en in de zin, zoals wij van sacramenten spreken. Vervolgens, daar het huwelijk er is geweest van het begin van de wereld aan, en ook bij de ongelovigen tot de dag van heden bestaat, zijn er geen redenen waarom men er van zou kunnen zeggen dat het een sacrament zou zijn van het Nieuwe Verbond en van de kerk alleen. Immers de huwelijken van de vaderen waren niet minder heilig dan de onze en die van de ongelovigen niet minder echt dan die van de gelovigen en zij stellen toch bij hen geen sacrament. Bovendien zijn er ook bij de gelovigen goddeloze echtgenoten, die erger (goddeloos) zijn dan welke heidenen ook; waarom zou men dan hier van een sacrament moeten spreken en bij de heidenen niet? Of zijn we soms van plan om aangaande Doop en kerk in dier voege te leuteren dat, zoals sommigen raaskallen, alsof de wereldlijke heerschappij alleen bij de kerk zou worden gevonden, wij zó zouden moeten zeggen dat het huwelijk een sacrament zou zijn, alléén in de kerk te vinden? Dat zijn toch kinderachtige en belachlijke redeneringen, door welke wij onze onkunde en verkeerdheid van inzicht den ongelovigen tot een belaching maken. Maar - zullen zij zeggen - de apostel zegt toch maar in Efeze 5: “Die twee zullen tot één vlees zijn; dit geheimenis [sacramentum] is groot” - u zult toch een zo duidelijke uitspraak van de Apostel niet tegenspreken? Ik antwoord dat ook dit argument van grote slaperigheid getuigt en gevolg is van een onbezonnen en ondoordacht lezen. Want de gehele Heilige Schrift heeft deze naam: sacrament nergens in die betekenis, die wij, in ons gebruik maken van het woord, er aan hechten; integendeel zelfs. Want overal is de zin van het woord niet: “teken van een heilige zaak”, maar: “een heilige, heimelijke en verborgen zaak”. Zo spreekt Paulus ervan in 1 Cor. 4: “Zo moet men ons beschouwen als dienaren van Christus, aan wie het beheer van de geheimenissen (dat is: “sacramenta”) Gods is toebetrouwd”. Want als wij in het Latijn van “een sacrament” spreken, wordt in de Griekse taal het woord mysterium (mysterie, peilgeheim) gebruikt; welk woord de vertaler soms overzet in “geheimenis”, op een andere plaats laat hij het Griekse woord “mysterie” staan. Zó staat nu ook hier [Ef. 5: 32] volgens de Griekse tekst: “zij zullen tot één vlees zijn: dit mysterie, [dit sacramentum], dit geheimenis, is groot”. Hier was nu een aanleiding om er uit te begrijpen, dat het een sacrament van het Nieuwe Verbond zou zijn. Maar zij zouden iets heel anders hebben gedaan, als zij het woord “mysterie” [goed] gelezen hadden, gelijk dat woord toch staat in de Griekse tekst. Zo noemt 1 Tim. 3 Christus-zelf een sacrament, als hij zegt: “En buiten twijfel, groot is het geheimenis [sacrament, dat is: mysterie] van de godsvrucht: Die Zich Bijv. 1 Tim. 3: 16: “groot is het geheimenis der godsvrucht” geopenbaard heeft in het vlees - is gerechtvaardigd door de Geest - is verschenen aan de Engelen - is verkondigd onder de heidenen - geloofd in de wereld - opgenomen in heerlijkheid”. Waarom hebben zij hieruit niet een achtste sacrament van het Nieuwe Verbond ontleend, daar zij toch een zo duidelijk gezag er toe konden aanvoeren, nl. dat van Paulus? En als zij hier nu zich daarvan hebben onthouden; hier, waar zij buitengewoon geschikt overvloedig hadden kunnen zijn in het uitvinden van sacramenten, waarom zijn ze dáár dan zo uitgelaten-weelderig [in 't scheppen van “sacramenten”]? Natuurlijk, stellig dáárom, omdat de onkunde omtrent zaken én woorden hen heeft misleid, zodat ze op de klank van de woorden hun denkbeelden hebben geformeerd en daarin zijn blijven hangen. Immers toen ze eenmaal naar zuiver-menselijk oordeel het woord “sacrament” voor een teken zich hadden aangenomen, hebben ze vervolgens zonder enig oordeel of bezwaar er een teken uit gemaakt, wáár ze het ook in de Heilige Schriften hadden gelezen. Gelijk ze ook betekenissen van woorden in menselijke gewoonten en andere dingen in de Heilige Schriften hebben ingedragen en die in hun dromen hebben omgezet, terwijl zij ze van gedaante deden veranderen, wat ook fabricerend uit wat ook! Zo hebben ze voortdurend dwaas gedaan ten aanzien van deze woorden: goed werk, slecht werk, zonde, genade, gerechtigheid, kracht en van bijna alle dingen en woorden van voorname zin. Want ze hebben deze alle “gebruikt” naar eigen welgevallen en willekeur, gewonnen uit menselijke geschriften; en zij deden dit tot verderf van de waarheid Gods en ons heil.

Derhalve: sacrament en mysterie is bij Paulus: de wijsheid zelf van de Heilige Geest in het mysterie verborgen, zoals hij in. 1 Cor. 2 zegt, welke Christus is en die daarom ook de beheersers van deze eeuw niet bekend is, waarom zij Hem ook gekruisigd hebben; en tot heden blijft Hij hun een dwaasheid, een ergernis, een steen des aanstoots en een teken dat wedersproken wordt. De uitdelers van deze geheimenissen noemt hij verkondigers, die Christus verkondigen, de kracht en de wijsheid van God, maar zo dat, indien u het niet gelooft, u het ook niet zult verstaan. Daarom is een sacrament een mysterie en een verborgen zaak, die met woorden aangekondigd maar door het geloof van het hart aangegrepen wordt. Zo is het gesteld met datgene waarover wij op deze plaats nu spreken: “Twee zullen één vlees zijn, dit geheimenis [sacramentum] is groot”; waarvan zij menen dat het van het huwelijk gezegd is, terwijl toch Panlus zelf deze woorden heeft van toepassing verklaard op Christus en de kerk en zijn bedoeling duidelijk verklaard heeft, toen hij zei: “Ik zeg dit van Christus en de gemeente”. Zie hoe Paulus en zij overeenstemmen! Paulus zegt dat hij een groot “sacrament”, een groot geheimenis predikt met betrekking tot Christus en de gemeente; zij evenwel prediken het ten aanzien van man en vrouw! Indien het op zulk een wijs geoorloofd is naar eigen lust in de Heilige Schriften te vrijbuiteren, valt het dan te verwonderen als het zou vrijstaan in die Schriften hetzij welk sacrament ook, hetzij er zelfs wel honderd, te vinden? Derhalve: Christus en de gemeente is het mysterie, dat is: een verborgen en grote zaak, die zeker wel door het huwelijk als door een bepaald wezenlijk zinnebeeld kan en moet worden afgebeeld; maar daarom moet het huwelijk nog niet een sacrament heten! De hemelen vonnen een beeld van de Apostelenschaar, zoals Ps. 19 ons leert, en de zon [is een beeld van] Christus; de wateren: van de volken; maar daarom zijn ze nog geen sacramenten. Immers bij die allen ontbreekt het aan een instelling en belofte van Godswege, die een sacrament kenmerken. Vandaar dat Paulus in Ef. 5 de bekende woorden over het huwelijk in Gen. 2 gesproken òf naar eigen inzicht op Christus betrekt òf met een algemene uitspraak ons leert dat ook het geestelijk huwelijk van Christus [met Zijn gemeente] daarin is geschetst, als hij zegt: “Zoals Christus Zijn gemeente verzorgt, omdat wij leden van Zijn lichaam zijn, van Zijn vlees en van Zijn gebeente; daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn. Dit geheimenis is groot; ik zeg liet [echter] van Christus en Zijn gemeente”. U ziet hoe hij deze gehele uitspraak omtrent Christus wil gezegd zijn en opzettelijk vermaant hij de lezer dat hij het woord sacrament - het geheimenis - van Christus en Zijn gemeente zal verstaan en niet van het huwelijk.

Weliswaar erken ik dat er ook onder het Oude Verbond een sacrament van de boete heeft bestaan, ja van het begin van de wereld aan. Maar de nieuwe belofte van boete en de begiftiging met de sleutels is aan het Nieuwe Verbond eigen. Zoals we immers in de plaats van de besnijdenis de doop hebben, zo hebben we nu in de plaats van de offeranden of andere tekenen, bij de boetedoening behorende, de sleutels. Immers we hebben boven reeds betoogd dat dezelfde God naar de aard en de behoeften van verschillende tijden verschillende beloften en verschillende tekenen heeft gegeven, tot vergeving van zonden en tot de behoudenis van mensen en dat tóch allen dezelfde genade hebben ontvangen. Zoals we lezen in 2 Kor. 4: “Maar nu wij dezelfde Geest des geloofs hebben ... geloven ook wij en daarom spreken wij ook”. En in 1 Cor. 10: “Gij weet dat onze vaderen allen ... hetzelfde geestelijk voedsel aten en allen dezelfde geestelijke drank dronken. Want zij dronken uit een geestelijke rots ... en die rots was de Christus”. Juist zo staat het te lezen in Hebr. 11: “Deze allen zijn gestorven, zonder het beloofde te hebben verkregen, daar God iets beters met ons voorhad, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen.” Want Christus is gisteren en heden Dezelfde, en tot in eeuwigheid en Hij is Zelf het Hoofd van Zijn kerk van het begin van de wereld tot aan haar einde. Onderscheiden zijn daarom de tekenen, maar hetzelfde is het geloof dat bij hen allen behoort. Immers zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen; door dat geloof heeft ook Abel een welgevallen van God getrokken, Hebr. 11.

Het huwelijk wil dus een afbeelding zijn van [de verhouding tussen] Christus en de gemeente, maar niet een van Godswege ingesteld sacrament; veelmeer een uitvindsel van mensen, in de kerk; die op een dwaalspoor zijn gebracht door onkunde zowel omtrent de zaak zelf als omtrent het woord. En als zulk een onkunde het geloof geen hinderpaal in de weg legt is het in liefde te verdragen, zoals ook vele andere menselijke meningen, die aan zwakheid van verstand of onwetendheid te wijten zijn, in de kerk verdragen worden, zolang en mits zij aan het geloof en aan [de waarheid van de] goddelijke Schriften niet in de weg staan en die niet schaden. Maar wij zijn nu in de weer ten gunste van de stoerheid en de onbedorvenheid van het geloof en van de Schrift; opdat we niet - indien we hadden verzekerd dat het één of ander in de Heilige Schriften begrepen en in de artikelen van ons geloof opgesloten lag en men ons later overtuigde dat dit onjuist was -reden hadden gegeven dat ons geloof bespot werd, en wij, onwetenden bevonden in het stuk van onze eigen zaken, bij de tegenstanders én bij de zwakken in het geloof tot een ergernis werden, ja, erger nog: wij aan het gezag van de Heilige Schrift zouden afbreuk doen. Want een héél groot onderscheid moeten we maken tussen de dingen die van Gods wege in de Heilige Schriften zijn overgeleverd en de andere die door mensen in de kerk zijn uitgedacht, al hadden ze ook groot gezag vanwege hun heilige zin en geleerdheid.



[De zgn. beletselen voor een huwelijk]. Tot zover dan over het huwelijk zelf. Maar wat zullen we nu zeggen van de goddeloze menselijke wetten door welke deze van God ingestelde levenswijs ingewikkeld en op en neer geworpen is? Goede God, hoe huiver ik ervan, de ogen te richten op het verkeerde doen van de roomse tyrannen, die zozeer naar hun lust de huwelijken òf uit elkander scheuren òf in een dwangjuk samenpersen. Ik bezweer u, is dan het menselijk geslacht aan hun lust en willekeur overgegeven alleen dáártoe dat zij er zich aan vergrijpen en er mee spelen en op allerlei wijze misbruiken en er wat óók van maken om het verderfelijke van er geld uit te willen slaan? In veler handen is een boek gekomen dat bij menigeen in hoge achting staat waarvan de inhoud door vermenging is bijeengebracht uit allerlei menselijke overleveringen als uit een kwalijkriekend riool; een boek dat tot opschrift draagt: Summa Angelica - hoofdsom van als Engelen zo reine waarheden, terwijl het meer met de waarheid zou stroken het een meer dan duivelse Hoofdsom te noemen. Immers in dit boek, waardoor men biechtelingen meent te kunnen onderrichten, terwijl ze echter op de verderfelijkste manier worden in verwarring gebracht, worden, onder een ontelbare menigte wangedrochtelijke voorstellingen, achttien verhinderingen om te trouwen opgesomd, omtrent welke, zo u ze met een rechte en vrije geloofsblik beschouwt, u zult moeten erkennen dat ze voortkomen uit de gedachtenwereld van zulke lieden, aangaande wie de Apostel heeft voorzegd: er zullen er zijn die “boze geesten volgen, door de huichelarij van leugensprekers ..., het huwelijk verbieden ...” Wat betekent dat: “huwelijken verbieden”, indien dit geen “verbieden” is: om zoveel belemmeringen te verzinnen en strikken te leggen, opdat de lieden zich niet in een huwelijk verenigen, of, indien ze dat wel gedaan hebben, om dan die huwelijken weer te ontbinden? Wie gaf aan mensen deze macht of dit recht? Laat het zo zijn: laten ze heilige bedoelingen hebben gehad en door heilige ijver gedreven zijn geworden, wat zal de heiligheid van anderen mijn vrijheid teisteren? Wat zal de ijver van mensen mij aan banden leggen? Laat heilig en ijverig zijn wie dat wil en in de mate waarin hij het wil, mits hij aan zijn naaste geen schade berokkene en mijn vrijheid mij niet trachte te roven! Desondanks verheug ik mij erin dat die mens-onterende, schandelijke wetten toch de roem te beurt is gevallen die haar toekomt. Immers, zij hebben bewerkt dat de roomsen heden ten dage handelaars en sjacheraars zijn geworden. Wat verkopen ze dan? Omhulsels en schaamdelen. Inderdaad, een zeer waardige koopwaar voor deze handelaars, vanwege hun hebzucht en goddeloosheid alleronreinst en afzichtelijk. Want er is tegenwoordig niet één van die “hindernissen” die niet met hulp van de mammon een wettelijke is geworden, zodat het er op lijkt dat die menselijke wetten uit geen andere oorzaak geboren zijn dan om tenslotte de hebzuchtige en de roofzuchtige Nimrods als netten om geld te vangen en strikken voor de zielen te dienen en opdat in de kerk van God op de heilige plaats die Verfoeilijke zal staan, die aan de mensen van beiderlei geslacht openlijk “de schaamte” zal verkopen, of (gelijk de Schrift die noemt) de smaadheden en de schandelijkheden, die ze echter eerst vooraf in de weg van hun wetten zich hadden toegeëigend. Och wat een waardige handelszaak voor onze Pausen waarmee ze zich ophouden, in plaats van zich in dienst te stellen van het Evangelie, dat ze vanwege hun hebzucht en eerzucht verachten en terwijl ze daarom met grote smaad en schande tot een verkeerde, ondeugdelijke zin zijn overgegeven. Maar wat zal ik [nog verder] zeggen of doen? Zo ik de afzonderlijke punten één voor één zou nagaan, werd het een buiten alle maat lange “preek”. Want alles is zo te enenmale verward en “in de knoop” dat men niet weet waar men zal beginnen, langs welke weg men zal voortgaan en waar men halt zal houden. Dit weet ik zeker dat geen “gemenebest” door wetten [zonder meer] op gelukkige, doeltreffende wijze kan worden bestuurd. Want indien een overheid wijs is, zal zij alles met zegenrijker gevolg besturen door een leiding-geven naar de aard van de dingen, dan door wetten; en als zij die wijsheid niet bezit, zal zij door wetten niets bevorderen dan het kwaad, omdat zij die wetten niet op de juiste wijze weet te hanteren, en ook er niet van weet om ze naar de eisen van de tijd te regelen. Daarom moet men in “gemenebesten” er meer voor zorgen, dat goede en wijze mannen aan het hoofd ervan staan, dan dat er wetten worden uitgevaardigd; zij zelf immers zullen de beste wetten zijn, en zij zullen de gehele verscheidenheid van gevallen [die zich voordoen] met van leven tintelende rechtvaardige onpartijdigheid beoordelen. En als hier nu bijkomt een onderwijzing van de zijde van de goddelijke wet, gepaard aan een natuurlijke wijsheid, dan is het geheel overbodig, ja: schadelijk, om [daarnaast ook nog] geschreven wetten te hebben. Maar boven alle dingen is het de Liefde, die in het geheel geen wetten nodig heeft.

Ik zeg evenwel en ik doe ernaar zoveel het in mijn macht staat: ik vermaan en bid alle priesters en broeders: indien zij ergens enig beletsel zien, in hetwelk de Paus dispensatie kan verlenen, en waarover in de Schrift geen nadrukkelijke uitspraak is gegeven, dat zij zeker al die huwelijken bevestigen, die op enigerlei wijs tegen de kerkelijke en pauselijke wetten gesloten zijn. Laten zij zich dan wapenen met de goddelijke wet die zegt: “Wat God saamgevoegd heeft, scheidt de mens niet”. De vereniging toch van man en vrouw is een zaak van goddelijk recht, dat zijn plaats bezet houdt en aanblijft, op welke wijze het ook tegen wetten van mensen zou botsen; en dan moeten wetten van mensen voor dit goddelijk recht zonder enig bezwaar wijken. Want indien een mens zijn vader en moeder zal verlaten, om zijn vrouw aan te hangen, hoeveel te meer zal hij dan waardeloze en onrechtvaardige menselijke wetten met voeten treden, om zijn vrouw aan te hangen? En indien een Paus of een bisschop of een officiaal het één of ander, tegen een menselijke wet in, gesloten huwelijk ontbindt, is hij een Antichrist en een schender van de natuur en schuldig aan majesteit-schennis ten aanzien van God, omdat de uitspraak daar staat, onwrikbaar vast: “wat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet!” Voeg nu nog hier aan toe dat een mens geen recht heeft om dergelijke wetten uit te vaardigen en dat aan christenen door Christus een vrijheid is geschenen, die boven alle wetten van mensen staat, en dat wel héél in het bijzonder daar, waar een goddelijke wet tussenbeide komt; zoals we lezen in Markus 2: “De Zoon des mensen is een Heere, óók van de Sabbath. En de mens is niet gemaakt om de Sabbath, maar de Sabbath om de mens”. Vervolgens, dat zulke wetten te voren veroordeeld zijn door Paulus, toen hij voorzei dat er in de toekomst zouden zijn, die zouden verbieden te huwen. Daarom moet hier wijken de harde gestrengheid van de huwelijksverhinderingen die samenhangen met verzwagering, geestelijke of wettelijke verwantschap, en met bloedverwantschap, voorzover de Heilige Schriften die toelaten. Want in die Heilige Schriften vormt alleen de tweede graad van bloedverwantschap een verhindering, zoals er staat geschreven in Lev. 18, waar twaalf personen met name worden genoemd die een huwelijksverhindering opleveren, als daar zijn: moeder, stiefmoeder, natuurlijke zuster, schoondochter, schoonzuster: broersvrouw, schoonzuster: vrouwszuster, stiefdochter, tante: oomsvrouw. Bij deze wordt alleen de eerste graad van zwagerschap en de tweede van bloedverwantschap een beletsel om te huwen genoemd en toch weer niet zonder uitzonderingen, gelijk dat duidelijk is in te zien; want de dochter van broer of zuster of de kleindochter worden niet onder “de verboden graden” genoemd, hoewel hier toch sprake is van de tweede graad. Derhalve, indien eens ooit een huwelijk buiten deze graden was aangegaan, terwijl men nergens [in de Schriften] leest dat andere [huwelijken] door God verboden zijn, dan moet men in geen geval zulke huwelijken ontbinden omdat menselijke wetten het gebieden; daar immers het huwelijk zelf als goddelijke instelling in onvergelijkelijke mate hoger staat dan de wetten; zodat niet het huwelijk vanwege de wetten, maar de wetten vanwege het huwelijk naar recht moeten verbroken worden. Zo moet al die onzin van gemeenschappelijke vader- en moeder- en broeder- en zuster- en dochterschappen totaal verdwijnen, indien eenmaal het huwelijk gesloten is. Wie toch heeft die “geestelijke verwantschap” uitgevonden, dan alleen de menselijke bijgelovigheid? Zo het hem die laat dopen of uit de onderdompeling opheft niet geoorloofd zou zijn niet de gedoopte of uit het doopwater omhooggehevene te huwen, waarom is het dan wel geoorloofd dat een christen een christin huwt? Of is het soms een meer waardevolle verwantschap, zij die voortvloeit uit de ceremoniën of het teken, dan de verwantschap die voortvloeit uit de zaak zelf van het sacrament? Of is soms een christen niet de broeder van zijn zuster, de christin? Of is niet de gedoopte man de geestelijke broeder van iedere gedoopte vrouw? Wat zullen we toch dwaasheden bedenken en doen? Hoe zal het zijn, wanneer iemand zijn vrouw onderwijs geeft door middel van het Evangelie en ten aanzien van het geloof in Christus en hij juist daardoor in waarheid haar “vader in Christus” is geworden - zal het dan ongeoorloofd zijn dat zij zijn vrouw blijft? Zou het Paulus niet hebben vrijgestaan met een meisje uit de Corinthische gemeente te trouwen, terwijl hij er zich toch in beroemt dat hij alle leden ervan als zijn kinderen in Christus heeft “geteeld”? U ziet aan zulke voorbeelden, hoe de christelijke vrijheid door de blindheid van menselijke bijgelovigheid wordt in boeien geslagen.

Nog veel meer ijdel en ongegrond is de wettelijke, burgerlijke, verwantschap en nochtans heeft men die hoog verheven zelfs boven het van God gegeven huwelijksrecht. Ik zou ook mijn instemming niet willen betuigen met dit “beletsel”, dat men “de ongelijkheid in godsdienst” noemt, nl. dat het noch zonder meer, noch alleen onder voorwaarde van een eerst zich tot het geloof toewenden, geoorloofd zou zijn een niet gedoopt meisje te huwen. Wie, heeft dit verboden? God of een mens? Wie heeft de mensen het recht gegeven zulk een huwelijk te verbieden? Stellig de geest die werkt in “de huichelarij van leugensprekers”, gelijk Paulus hen noemt. Omtrent hen moet worden opgemerkt: “Mijn vijanden hebben mij fabeltjes verteld; maar het is niet naar Uw wet”. De heiden Patricius huwde met Monica, de moeder van de heilige Augustinus, een christin; waarom zou heden ten dage hetzelfde niet geoorloofd zijn? Een gelijke dwaze, ja, goddeloze gestrengheid, is het, om te spreken van een beletsel, voortvloeiend uit een misdaad; d.w.z.: indien iemand een vrouw trouwt, die hij tevoren heeft bezoedeld door de zonde van echtbreuk; of indien hij kwade plannen beraamd had om de ene echtgenoot te doden, opdat hij met de overlevende een huwelijk kon aangaan. Ik bid u, vanwaar komt de mensen deze gestrengheid tegen andere mensen toe, om eisen te stellen die God nooit heeft gesteld? Of veinzen zij er onwetend van te zijn dat Batseba, de vrouw van Uria, nadat beide misdaden waren begaan, dat is dus: na het bevlekt zijn door de zonde van echtbreuk en nadat haar man gedood was, toch door David, die allerheiligste man, tot zijn vrouw is genomen? Heeft de goddelijke wet dit toegestaan en gedaan, wat doen dan nu de tyrannische mensen tegen hun mede-dienstknechten?



Nóg een omstandigheid wordt voor een huwelijksbeletsel gehouden, nl. die men noemt: “het beletsel van het verband”; dit betekent: indien iemand met een ander verbonden is door huwelijksbeloften. Hier stellen zij vast: indien zulk een niet een tweede meisje huwelijksgemeenschap heeft, houdt zijn belofte, aan de eerste gedaan, op van kracht te zijn. Hier begrijp ik niets van. Ik ben van oordeel: hij die zich in de belofte heeft weggegeven, is niet meer zijn eigen heer. En daarom, volgens het goddelijk recht dat hem verhindert [anders te doen], hoort hij toe aan de eerste, niet wie hij niet in gemeenschap heeft geleefd, ook al heeft hij wèl alzó geleefd met de andere. Immers: hij kon niet geven, wat hij niet had; hij heeft haar bedrogen en in werkelijkheid echtbreuk gepleegd. En als anderen dit nu anders zien, komt het hiervandaan, dat zij meer op de vleselijke één-wording, die plaats vond, letten, dan op het goddelijk gebod, volgens hetwelk hij aan de eerste, aan wie hij [echtelijke] trouw beloofd had, ook altijd trouw moet blijven. Want wie iets wil geven, moet geven van wat hij heeft. En God wil niet dat iemand zijn broeder door misleiding zou ten val brengen in enige zaak die in ere is te houden meer dan en boven alle overleveringen van alle mensen. Daarom geloof ik dat zulk een man niet niet een goed geweten met de tweede kan samenleven en dat dit dusgenaamd beletsel te enenmale moet worden afgewezen. Want indien het afleggen van een gelofte om in een monnikenorde in te treden van een vrouw ontvreemdt, waarom dan niet de trouw, toegezegd en in de belofte terugontvangen, terwijl die toch is naar het goddelijk gebod en vrucht van de Geest, Gal. 5, gene echter [uitvloeisel] van een menselijke beschikking? En gelijk het een gehuwde vrouw vrijstaat een man voor zich op te eisen, terwijl de gelofte om in een orde te treden niet in de weg staat, waarom mag een verloofde dan niet haar bruidegom voor zich opeisen, ook al zou hij met een andere vrouw gemeenschap hebben gehad? Maar - we hebben boven reeds betoogd dat hij, die een meisje trouw heeft beloofd, niet een gelofte om in een monnikenorde intrede te doen afleggen mag, maar hij is verplicht met haar te trouwen, omdat hij onder de verplichting leeft om de trouw niet te schenden; die men niet mag verbreken met beroep op enige menselijke traditie, omdat zij door God geboden is. Nog des te meer moet het geschieden dat hij de eerste trouw blijft, omdat hij de overgave niet anders dan niet een leugenachtig hart aan de andere kon schenken en daarom die niet echt geschonken heeft, maar hij zijn naaste tegen Gods wil in heeft bedrogen. Daarom grijpt in zulk een geval “het beletsel van de dwaling” plaats; en moet het vaststaan dat de bruiloft niet de tweede van geen waarde, ongeldig, is. Ook het beletsel voortvloeiend uit het behoren tot de priesterstand is zuiver een verzinsel, vooral wanneer zij wauwelend beweren dat daardoor ook zelfs een eenmaal gesloten huwelijk wordt opgeheven, waarbij zij altijd weer hun overleveringen en beslissingen boven de goddelijke geboden verheffen in waarde. Ik wil hier nu niet een oordeel uitspreken over de priesterstand, zo als die heden ten dage is, maar ik lees hoe Paulus beveelt dat een opziener ener vrouwe man moet zijn, en dat daarom geen huwelijk van een diaken, een priester, en bisschop of van wie ook, van welke kerkelijke stand hij moge zijn, mag opgeheven worden. Hoewel Paulus dit soort priesters en deze geestelijke orden, die wij heden hebben, niet heeft gekend. Mogen daarom al die vervloekte inzettingen van mensen vergaan, die niet anders dan tot een vermeerdering van gevaren, zonden en kwaden, in de kerk intrede hebben gedaan. Een huwelijk van een priester met een vrouw is derhalve een waar huwelijk waarin geen scheiding mag plaats vinden; een huwelijk, door goddelijke geboden goedgekeurd. Wat dan, indien goddeloze mensen het willen verhinderen of ontbinden, door pure tirannie hunnerzijds? Laat het dan ongeoorloofd genoemd worden door mensen, het is evenwel geoorloofd van Godswege, Wiens gebod, indien het tegen menselijke inzettingen indruist, de overhand moet hebben! Een gelijkwaardig verzinsel is het dusgenaamde beletsel ontleend aan de openlijke eerbaarheid, waardoor gesloten huwelijken tot scheiding worden gevoerd. Die euvelmoedige goddeloosheid, zó gemakkelijk er toe te bewegen om te scheiden wat God saamgevoegd heeft, schrijnt en ergert mij. Hier merkt u het doen van de Antichrist op, die zich keert tegen alles wat Christus heeft gedaan en geleerd. Om welke reden, vraag ik, zou geen bloedverwant, zelfs tot in de vierde graad toe, van een verloofd man, die gestorven is vóór zijn huwelijk inging, niet de achtergebleven verloofde mogen trouwen? Hier is geen recht van publieke eerbaarheid, maar alleen onkunde. Waarom bestond onder het volk van Israël, dat verordeningen ontving en de beste goddelijke wetten, deze gerechtigheid uit hoofde van openbare eerbaarheid niet? Ja ook zelfs werd de naaste door een gebod van God gedwongen om de na de dood van haar man achtergebleven vrouw van zijn naaste te trouwen! Of betaamt het om het volk van de christelijke vrijheid met gestrenger wetten te bezwaren, dan het volk van de wettelijke dienstbaarheid? En, opdat ik tot een einde kom met het vermelden van deze dingen, die meer verzinsels omtrent dan [wettige] verhinderingen om te huwen zijn, zeg ik, dat mij tot nog toe geen verhindering onder de ogen kwam, die rechtens in een gesloten huwelijk tot scheiding zou nopen, dan alleen de impotentie van de man, liet onbekend zijn met een vroeger aangegaan [ander] huwelijk en de gelofte van kuisheid [niet te zullen huwen]. Omtrent zulk een gelofte echter ben ik zelf tot op deze dag niet tot een vaste overtuiging gekomen; in déze zin: dat ik niet weet op welke tijd die moet afgelegd zijn, zal zij geldende kracht bezitten, zoals ik ook boven gezegd heb toen ik handelde over het sacrament van de doop. Daarom, let bij de zaak van het huwelijk bovenal op deze ene zaak: hoe ongelukkig, ja hopeloos alle dingen zijn in verwarring gebracht, versperd, verstrikt en aan gevaren onderworpen door verdorven, ondeskundige en goddeloze menselijke tradities en instellingen, die in de kerk ingang vonden; zodat er geen hoop op herstel meer bestaat, tenzij dan dat men weer terugkeert tot het Evangelie van de vrijheid en wij weer volgens dit Evangelie - na eenmaal alle wetten van alle mensen terzijde gesteld. te hebben - alles beoordelen en besturen. Amen!

Over het geslachtelijk onvermogen moet ook iets gezegd worden, opdat men gemakkelijker raad kan geven aan zulken die aan het gevaar van misvatting blootstaan en daarmee hebben te worstelen. Dit zij echter vooropgesteld, dat alles wat ik van de verhinderingen, de beletselen, gezegd heb, ik wil doen doelen op de tijd dat het huwelijk gesloten is, nl. opdat door zulke beletselen geen enkel huwelijk tot ongeldigheid zou worden gebracht. Overigens zal ik over het huwelijk dat nog gesloten moet worden, in 't kort opmerken, dat ik boven reeds heb gezegd: indien de verliefdheid van de jeugd of enige andere noodzakelijkheid u dringt, die de reden is dat de Paus u dispensatie verleent, laat dan toch de één of andere broeder zijn broeder dispensatie verlenen, of u uzelf, opdat volgens deze raad uw vrouw gerukt moge worden uit de hand van de tirannieke wetten, op de wijze waarop 't maar zal kunnen. Want waarom zal mijn vrijheid worden van mij genomen door het bijgeloof en de onwetendheid van anderen? Of indien de Paus voor geld dispensatie verleent, waarom zal ik niet ten voordele van mijn heil aan mijzelf of aan mijn broeder dispensatie verlenen? Stelt dan de Paus de wetten vast? Die stelle hij dan maar vast voor zichzelf; als mijn vrijheid daarbij maar voor mij behouden blijft of in 't verborgen aan zijn macht ontrukt!



Laten we dus nu zien hoe het met het geslachtelijk onvermogen er voor staat. Ik wil een vraag stellen over een geval als bijv. dit: indien een vrouw gehuwd is met een man die aan geslachtelijk onvermogen lijdt, en zij kan niet, of wellicht: wil niet, met zoveel getuigenissen en rumoerige woorden, als het gerecht eist, rechtens het onvermogen van de man aantonen, en zij wil toch zo gaarne kinderen hebben of zij kan zich niet onthouden ... en ik zou haar dan aanraden dat zij scheiding van haar man moest zoeken te verkrijgen, om daarna met een andere man te trouwen, en zij zich dan daarmee moest tevreden en gerust stellen, dat het geweten en de ervaring van haar zelf en van haar man voldoende getuigenis gaven aan het feit van zijn onvermogen; maar de man zou het niet willen; en ik zou haar dan voorts raden dat zij, met bewilliging van haar man (daar hij toch eigenlijk haar “man” niet is maar een louter en van kracht beroofd mede-inwoner [van het huis]) zich zou geven aan een ander, bijv. aan de broeder van de man, echter in een geheim huwelijk, en een kind [dat geboren werd] zou toegerekend worden aan de vermeende man als ware die de vader - ik vraag: zou deze vrouw dan een behoudene mogen heten en geacht kunnen worden te verkeren in de staat van heil?- dan antwoord ik: ja. Want de vergissing en de onwetendheid omtrent het geslachtelijk onvermogen van de man verhindert hier het huwelijk, maar de tirannie van de wetten laat de scheiding niet toe; maar dan is de vrouw vrij krachtens de goddelijke wet en zij kan niet gedwongen worden tot de onthouding.

Daarom moet dan de man van zijn recht afstand doen en de ander zijn vrouw overlaten, die hij slechts naar de uiterlijke schijn als de zijne bezit. Verder: zou de man er geen genoegen mee nemen en wilde hij ook niet scheiden, dan zou ik, vóór ik haar zou toestaan zich door haar hartstocht te laten verteren of echtbreuk te plegen, haar raden dat zij een huwelijk met een andere man zou sluiten en met hem zou wegvluchten naar een onbekende ver-afgelegen plaats. Welke andere raad toch kan men geven aan één, die steeds in gevaar verkeert omdat ze zo grote moeite heeft met haar hartstochtelijke begeerten? Ik weet wel dat het sommigen ontroert en schokt, dat het kind, uit dit verborgen huwelijk geboren, een feitelijk hem niet toekomend erfstuk is van de vermeende vader. Indien het met zijn instemming geschiedde, zou er niets onbillijks in zijn. Indien het echter geschiedde buiten zijn weten of tegen zijn wil, dan moet in deze zaak het vrije en christelijke overleg de doorslag geven, ja meer nog: de liefde, [om te beoordelen] wie van beiden de ander de grootste schade doet lijden. De vrouw vervreemdt het erfstuk van de man, zij draagt het over aan een ander; maar de man heeft zijn vrouw bedrogen en berooft haar van heel zijn lichaam en van heel haar leven. Of zondigt soms een man niet méér, als hij zijn vrouw naar haar lichaam en leven te gronde richt, dan de vrouw, indien zij alleen tijdelijke zaken van de man aan een ander overdraagt? Daarom moet hij of in de scheiding willen toestenimen of verdragen dat hij vreemde erven krijgt; daar hij immers door zijn schuld een onschuldig meisje heeft bedrogen en geheel beroofd van het gebruik gelijkelijk van haar leven en lichaam, en bovendien haar een bijna onverdraaglijke aanleiding heeft gegeven om echtbreekster te worden. Laat die beide dan maar gelegd worden in een weegschaal, waarin ze tegen elkaar opwegen! Ongetwijfeld moet geheel naar recht [de schuld van] het bedrog op de bedrieger neerkomen, en het is zijn plicht de schade, die hij berokkende, te vergoeden. Welk onderscheid toch is er tussen zulk een man, en hem, die de vrouw van iemand met haar man gevangen houdt? Is zulk een man niet verplicht die vrouw en haar kinderen en haar man te onderhouden of hen vrij te laten gaan? Waarom dan zou het in het onderhavige geval dan niet op gelijke wijze geschieden? Daarom ben ik van oordeel, dat men deze man moet verplichten of te scheiden, of als erfgenaam het kind van een ander te onderhouden. Zonder twijfel zal de liefde tot dit oordeel dringen. In dit geval zal de man, die aan geslachtelijk onvermogen lijdt en feitelijk niet een “man” is, het kind van de vrouw met geen ander toegenegenheidsgevoel onderhouden, als wanneer eventueel zijn vrouw ziek was of bezocht met enig ongemak van andere aard en hij dan toch, alle en zware uitgaven, die het meebracht, zich getroostend, haar zou verzorgen. Immers het is zijn - en niet haar - schuld, dat zijn vrouw aan deze onaangenaamheid is ten prooi gevallen. Dit zeg ik naar mijn inzicht als man om bezwaarde consciënties te onderwijzen; met de begeerte dat ik mijn broeders in zulk een gevangenschap met enige vertroosting heb gediend.

De echtscheiding Inzake de echtscheiding moge de vraag nog worden opgeworpen, of zij geoorloofd mag heten. Weliswaar verafschuw ik de echtscheiding in die mate dat ik bigamie, een dubbelhuwelijk, nog boven echtscheiding zou verkiezen; maar of zij geoorloofd is, durf ik zelf niet niet zekerheid te zeggen. Christus Zelf, de Opperherder, zegt in Matth. 5: “Een ieder die zijn vrouw wegzendt om een andere reden dan ontucht, maakt dat er echtbreuk met haar wordt gepleegd; en al wie een weggezondene trouwt, pleegt echtbreuk”. Derhalve staat Christus echtscheiding toe, maar alleen in het geval dat er ontucht is gepleegd. Daarom moeten we stellig zeggen dat de Paus dwaalt, zo dikwijls hij op andere gronden echtscheiding wettig verklaart; daarom mag niemand zich maar op staande voet gedekt achten, wanneer hij meer door de bekende pauselijke lichtzinnigheid dan krachtens enige bevoegdheid die hij daartoe zou hebben, dispensatie heeft verkregen. Indien toch Christus scheiding voor geoorloofd verklaart in het geval van bedreven ontucht en Hij niemand dwingt ongehuwd te blijven en Paulus veel liever wil dat wij trouwen dan door hartstochten te worden verteerd, schijnt het volkomen geoorloofd te zijn dat men in de plaats van de gescheidene een andere trouwt. Het ware zeer te wensen dat deze zaak dóórgesproken en voor zeker vastgesteld was, opdat men raad zou kunnen geven in de zaak van de oneindige gevaren welke zulken bedreigen, die buiten hun schuld heden ten dage gedwongen worden ongehuwd te blijven. D.w.z. in het geval van hen of haar, wier vrouwen of mannen weglopen en de ander berooid achterlaten, en dat om eerst na zeg een tiental jaren, of nooit, terug te keren. Een geval als dit zit mij dwars en doet mij verdriet, daar de voorbeelden [schier] dagelijks zich herhalen, hetzij hier nu een bijzondere liederlijkheid van Satan of een verwaarlozen [van de lessen en waarschuwingen] van het Woord van God in het spel is.



Ik evenwel, die op mijn eentje tegen allen in, in deze aangelegenheid niets kan vaststellen, zou heel ernstig wensen dat het leven tenminste naar het bekende woord uit 1 Cor. 7 werd ingericht: “Maar indien de ongelovige haar verlaat, láát hij haar verlaten! De broeder of zuster is in dit geval niet gebonden”. Hier noemt de Apostel het geoorloofd dat men de ongelovige die weggaat, láát heengaan en laat glippen, en aangaande de gelovige partij verklaart hij dat het hem of haar vrijstaat een ander te nemen. Waarom zou dezelfde regel niet geldende kracht bezitten indien een gelovige, ik bedoel: een gelovige-in-naam, in feite gelijk aan een ongelovige, de echtgenoot verlaat, vooral wanneer hij het doet om nooit terug te keren? Ik kan echt tussen deze beide gevallen geen onderscheid ontdekken. Ik geloof evenwel: indien ten tijde dat de Apostel leefde de ongelovige, die de andere partij had verlaten, na verloop van tijd weer was teruggekeerd, zelf gelovig was geworden of beloofd had weer met de gelovige te willen samenwonen, dan zou hij niet toegelaten zijn maar dan zou hem het recht zijn gegeven een andere te trouwen. Maar ik breng in deze dingen (zoals ik reeds zei) niets tot een beslissing, hoewel ik niets liever zou wensen dan dat men wel tot een beslissing zou zijn gekomen; omdat heden ten dage niets mij, en vele anderen, meer bekommernis geeft dan juist deze zaak. Ik wil echter niet dat hierin een beslissing valt alleen op gezag van de Paus en de Bisschoppen; maar, indien twee geleerde en vrome mannen in Christus' naam te dezer zake zouden tot overeenstemming kunnen komen, dan zou ik hun oordeel en einduitspraak de voorkeur geven zelfs boven dat van kerkvergaderingen, gelijk men er nu zulke pleegt samen te brengen, terwijl men dan hoog opgeeft alléén van het groot getal van de deelnemers en het gezag dat men hun toeschrijft, zonder te letten op kunde en heiligheid. Daarom hang ik hier mijn harp aan de wilgen en houd op met spelen - totdat een ander, een wijzere dan ik, met mij er over van gedachten wisselt.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22

  • V. HET HUWELIJK

  • Dovnload 0.67 Mb.