Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri

Dovnload 0.67 Mb.

De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri



Pagina7/22
Datum12.03.2017
Grootte0.67 Mb.

Dovnload 0.67 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   22

VI. DE GEESTELIJKE STAND (DE CLERUS) EN DE PRIESTERWIJDING


Dit sacrament [van de ordening of wijding tot de priesterstand] kent de kerk van Christus niet, maar het is uitgevonden, verzonnen, door de kerk van de Paus. Immers niet alleen heeft het geen enkele belofte van genade, ergens, wáár ook, haar gegeven; maar het gehele Nieuwe Testament spreekt er met geen enkel woord over. Belachelijk is het dan om te verzekeren dat het een sacrament van God is, terwijl men niet kan aantonen dat het ergens ooit door God is ingesteld. Ik wil niet zeggen dat ik dit ritueel gebruik, zoveel eeuwen lang in eer gehouden, te enenmale veroordelenswaardig acht te zijn, maar ik wil er niet van weten dat in heilige dingen verdichtsels van mensen worden verzonnen en het is ook niet geoorloofd de mening door bewijzen te pogen te steunen dat iets van Godswege is verordend, terwijl het van Godswege niet verordend is; opdat we een tegenstander niet tot een aanfluiting worden. En we moeten er naar staan, dat al die dingen waarvan we roemend betuigen dat ze geloofsartikelen zijn, ons zeker zijn en rein en door duidelijke Schrift-uitspraken bevestigd; iets evenwel, waarvoor we in dit sacrament, waarover we nu gaan spreken, niet in de geringste mate kunnen instaan. Ook heeft de kerk geen bevoegdheid om van nieuwe goddelijke genadebeloften vast te stellen dat ze kracht zullen betonen; zoals sommigen daarvan bazelen, die beweren dat alles wat door de kerk wordt vastgesteld, niet een minder gezag bezit dan datgene wat wordt vastgesteld door God; omdat zij wordt bestuurd door de Heilige Geest. Immers de kerk wordt geboren uit het belofte-woord, door het geloof aangenomen, en door datzelfde woord wordt zij onderhouden, gevoed en bewaard. En dit betekent nu: zijzelf wordt gesticht door de beloften van God en niet wordt de belofte vastgesteld door haar. Het Woord van God toch staat onvergelijkelijk hoog boven de kerk. En in dit Woord heeft de kerk niets vast te stellen, te verordenen, te verrichten, maar voor haar, die immers schepsel is, ligt alleen de taak om zich te láten vaststellen, gebieden en in te richten. Immers wie doet zijn ouders geboren worden? Wie heeft als eerste zijn Maker in 't leven geroepen? Dit zonder twijfel heeft de kerk [als voorrecht], dat zij het Woord van God kan onderscheiden van de woorden van mensen, zoals Augustinus belijdt dat hij het Evangelie heeft geloofd, daartoe bewogen door het gezag van de kerk, die als waarheid verkondigde dat dit het Evangelie was. Niet dat daarom de kerk boven het Evangelie zou staan, immers dan zou de kerk óók staan boven God, in Wie we geloven, omdat de kerk aangaande Hem verkondigt dat Hij God is. Maar het is, gelijk Augustinus op een andere plaats zegt: “Door de Waarheid zelf wordt de ziel zo in beslag genomen, dat zij bij háár licht over alle dingen met de grootste zekerheid een oordeel kan vellen, maar over de Waarheid oordelen kan zij niet, maar met een onfeilbare zekerheid wordt zij er toegebracht te zeggen: “Dit is de Waarheid!” Om een voorbeeld te nemen: ons verstand verklaart met onfeilbare zekerheid: drie plus zeven is tien, en toch kan het er geen rekenschap van geven waarom dit zo is, terwijl het toch niet kan loochenen dat het zo is - dat het “waar” is; immers ons verstand is door deze waarheid in beslag genomen en wordt meer door de waarheid als beoordelaarster beoordeeld dan dat het zelf beoordelaar van de waarheid zou zijn. Zó staat het nu óók in de kerk geschapen met het waarnemingsvermogen en de uitgesproken mening, onder voorlichting van de Heilige Geest, ten aanzien van de beoordeling en goedkeuring van de leervoorstellingen; de kerk kan wat zij waarneemt en uitspreekt niet bewijzen en houdt het al toch voor zéér zeker. Want zó als hij de filosofen niemand over de algemene begrippen een oordeel velt, maar allen juist er dóór geoordeeld wórden, zó is het bij ons ten aanzien van “de geestelijke mens”: hij beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij “door niemand beoordeeld”, gelijk de Apostel zegt. Maar over deze dingen spreek ik op een andere plaats. Dit zij dus onder ons zéker: de kerk kan niet genade toezeggen; dit is alléén Gods werk en behoort Hem alléén toe. Daarom kan de kerk ook niet een sacrament instellen. En ook zelfs wanneer zij dat heel goed kon doen, zou daaruit toch maar niet terstond de gevolgtrekking te maken zijn, dat de priesterwijding een sacrament zou zijn. Immers wie weet wèlke de kerk is die de Heilige Geest heeft, daar immers, als er een kerk wordt geïnstitueerd slechts enige weinige bisschoppen of geleerden daarbij plegen aanwezig te zijn? En het is mogelijk dat deze niet “van” de kerk zijn, en dat zij allen dwalen, gelijk maar al te dikwijls kerkvergaderingen gedwaald hebben; in het bijzonder het concilie van Konstanz, dat op de meest goddeloze wijze van alle tot dwalingen is vervallen. Dit toch alleen is op betrouwbare wijze vastgesteld, wat door de algemene kerk, niet alleen die van Rome, wordt vastgesteld en goedgekeurd. Daarom stem ik toe dat de priesterwijding een bepaalde kerkelijke ritus is, gelijk er ook vele andere zulke riten en gebruiken door de kerkvaders in de kerk zijn ingevoerd, als bijv. het inwijden van gereedschappen, huizen, gewaden, wijwater, zout, kandelaars, kruiden, wijnen en dergelijke, bij welke alle niemand het er voor houdt dat het een sacrament zou zijn, gelijk er ook bij die generlei belofte aanwezig is; en zó is ook het zalven van de handen van een man, het scheren van de kruin en de andere dingen van die aard die geschieden niet het geven van een sacrament, het verrichten van een sacramentele handeling, omdat er niets aan of bij is toegezegd; maar zij worden alleen, als werktuigen en instrumenten, ter beschikking gesteld, ten dienste gesteld, van bepaalde diensten.

Maar u zult wellicht zeggen: Wat zegt u dan wel met betrekking tot Dionysius die zes sacramenten opsomt in zijn boekje over “De kerkelijke hiërarchie” en onder die ook de priesterwijding noemt? Ik antwoord daarop: ik weet dat men deze auteur alleen uit het getal van de Ouden heeft tot een bewijs dat er zeven sacramenten zijn, hoewel hij, omdat hij van het huwelijk als sacrament niet spreekt, er slechts een zestal noemt. Maar overigens lezen we bij de overige Vaders over de sacramenten in het geheel niets. Zij hebben ook, zo dikwijls zij van die dingen gesproken hebben, ze nooit beoordeeld onder de naam van “sacramenten”. De vondst om ze “sacramenten” te noemen is van recente datum, is nieuw. En mij - opdat ik nog stoutmoediger worde - stuit het zeer tegen de borst dat men aan deze Dionysius, wie hij ook geweest moge zijn, zoveel gezag toeschrijft, terwijl hij toch bijna niets van een degelijke geleerdheid bezit. Want die dingen, die hij in zijn boek: “Over de hemelse hiërarchie onder de engelen” verzint - een boek waarop nieuwsgierige en bijgelovige vindingrijke mensen zich zozeer hebben afgetobd - ik vraag u: niet wiens gezag of met welke bewijsvoering maakt hij ze waar? Zijn het niet al te zamen bedenksels van hem zelf en haast zeer veel gelijkend op droomdenkbeelden, als u vrij van vooroordeel leest en oordeelt? Maar in de mystieke Theologie, welke enige zeer onwetende theologanten zozeer opblazen, is hij één van de verderfelijkste, meer sprekend overeenkomstig Plato dan zich houdend aan Christus, zó dat ik niet graag wil dat een gelovige ziel ook maar de geringste aandacht aan deze boeken zou schenken. Christus leert u daaruit zó weinig, zó in het geheel niet kennen, dat, zo u Hem al kende, u Hem dan zou verliezen! Ik spreek uit ervaring. Laten we liever naar Paulus luisteren, opdat we Jezus Christus leren kennen en Die gekruist. Hij toch is de Weg, de Waarheid en het Leven; Hij is de Ladder langs welke men tot de Vader komt. Zoals Hijzelf gezegd heeft: “Niemand komt tot de Vader, dan door Mij”. Zo in [het boek] “De kerkelijke hiërarchie”, wat doet [Dionysius] daar anders dan dat hij enige kerkelijke gebruiken beschrijft, terwijl hij met zijn allegorieën speelt, zonder ze te bewijzen? Op de manier waarop dat bij ons gedaan is door de man die zijn boek Rationale divinorum heeft uitgegeven. Zulke voóringenomen beoefening van de studie van allegorieën is alleen het werk van lediggangers. Of denkt u soms dat het mij moeilijk zou vallen ten opzichte van welk ook van de geschapen dingen met allegorieën te spelen? Heeft Bonaventura de vrije kunsten en wetenschappen niet op allegorische wijze pogen terug te voeren tot de theologie? Eindelijk, Gerson heeft “de kleine Donatus” gemaakt tot een mystiek theoloog. Het zou mij ook niet zwaar vallen een betere “hierarchie,” te schrijven, dan Dionysius deed, daar hij van een Paus en Kardinalen en Bisschoppen niets heeft afgeweten en de Bisschop heeft gemaakt tot de hoogste gezagsdrager. En wie is zo schraal van vernuft, dat hij zich niet aan allegorieën zou kunnen wagen? Ik zou willen dat niet één theoloog zich voor het gebruik van allegorieën moeite zou geven, vóór hij zich de rechte en eenvoudige zin van de Schrift volledig eigen had gemaakt; anders zal hij, zoals het Origenes is gegaan, niet buiten gevaar om, aan de theologie zich wijden.

Het behoeft dus niet dadelijk een sacrament te zijn, omdat Dionysius het één of ander beschrijft. Anders, waarom maakt men ook de processie, die hij terzelfder plaatse beschrijft, die tot heden toe voortbestaat, niet tot een sacrament? Ja, dán zouden er zoveel van hun sacramenten zijn, als de riten en ceremoniën in de kerk tot groter tal zijn gestegen. Maar, steunend op dit zo zwakke fundament, hebben zij karaktertrekken uitgedacht, welke zij aan dit hun sacrament hebben toegeschreven, welke zij de gewijden als onuitwisbare achtten te zijn ingedrukt. Vanwaar kwamen, wil ik vragen, zulke bedenksels? En welk gezag dekte ze? Door welke gronden werden zij gestabiliseerd, versterkt? Niet, dat wij hun willen ontzeggen vrij te zijn tot het verzinnen, uitspreken, verzekeren, wat hun beliefde; maar ook wij handhaven onze vrijheid; opdat zij zichzelf niet het recht aanmatigen, om uit hun bedenksels geloofsartikelen te maken, zoals zij tot nu toe dat hebben gedaan. Het is genoeg dat wij, omwille van de eendracht, ons aan hun riten en liefhebberijen aanpassen, maar wij willen niet ons laten dwingen door dingen die niet noodzakelijk zijn ter zaligheid, alsòf ze dat wèl waren. Laten zij zelf de dwingende eis van hun tirannie opgeven, dan zullen wij een vrijwillig-betoonde gehoorzaamheid bewijzen aan hun gevoelen, opdat wij alzo in wederkerige vrede met elkander leven. Immers het is iets schandelijks en onrechtmatig-slaafs dat een christenmens, die een vrij man is, aan andere overleveringen en leringen dan hemelse en goddelijke zou onderworpen zijn. Hierna wenden zij het uiterste van hun kracht aan. Zij herinneren er nl, aan, dat Christus bij het Avondmaal gezegd heeft: “Doet dat tot Mijn gedachtenis”. “En zie nu,” zo merken zij hierbij op, “hier heeft Christus hen tot priesters gewijd”. Hieruit hebben zij, onder andere, ook deze gevolgtrekking gemaakt: alleen aan de priesters moet het Avondmaal onder beiderlei gestalte worden uitgereikt. Tenslotte hebben zij hieruit gezogen wat zij maar wilden, als mensen die zich de vrije wil aanmatigden, om uit Christus' woorden, waar ook gesproken, wat hun maar lustte, te halen en te beweren. Maar is dit nu: het Woord van God uitleggen? Antwoord hierop, bid ik u! Christus belooft hier niets; Hij gebiedt alleen, dat het zal geschieden tot Zijn gedachtenis. Waarom komen zij niet tot de gevolgtrekking dat ook daar mensen tot priesters zijn gewijd, waar Hij hen met het ambt van de bediening van het Woord en van de Doop bekleedt en tot hen zegt: “Gaat heen in de gehele wereld en predikt het Evangelie aan alle creaturen, hen dopende in de naam ...”, daar het toch de taak van priesters is om te prediken en te dopen? Vervolgens, daar immers heden ten dage het zelfs het voornaamste en [naar men zegt] hem niet te ontnemen werk van een priester is om de Canonische uren te lezen, waarom hebben zij dan niet uitgesproken dat het sacrament van de priesterwijding in dat ogenblik ingesteld werd, toen Christus gebood dat men moest bidden - gelijk op vele andere plaatsen, zo heel in het bijzonder in de Hof, dat zij niet in verzoeking zouden vallen? Indien zij nl. zich niet uit deze moeilijkheid vrijmaken, dat zij zeggen: 't gaat niet om een gebod van het gebed, immers het is voldoende om de Canonische uren te lezen, zodat alzo met geen Schriftuitspraak zou kunnen bewezen worden dat dit een priesterlijk werk is en dientengevolge zulk een gebeds-priesterschap niet uit God zou zijn, gelijk het ook inderdaad niet is.

Wie echter van de oude vaders heeft ooit beweerd dat met deze woorden mensen tot priesters zijn gewijd? Maar indien niet één van hen, waar komt dan dit nieuwe inzicht vandaan? Zeker hiervandaan, dat men met deze handigheid er naar heeft gestreefd dat men een kweekplaats van onverzoenlijke tweedracht zou hebben, opdat daardoor geestelijken en leken verder van elkaar of zouden komen te staan dan hemel en aarde van elkaar verwijderd zijn, tot ongelooflijk grote schade van de doopsgenade en tot een verwarring aanbrengen in de evangelische gemeenschap. Immers, hieruit begon voort te spruiten die verfoeilijke tirannie van geestelijken (clerici) ten opzichte van de leken. Want in hun groot vertrouwen op de lichamelijke zalving, waarmee hun handen waren gewijd, en verder op het geschoren zijn van hun hoofdkruintje en op hun gewaden, hebben zij zich niet alleen in hun waan hoog gesteld boven de overige christenen, de leken, die met de Heilige Geest zijn gezalfd, maar hielden zij deze welhaast voor onwaardige honden, die met hen tot de kerk werden geacht te behoren. Dat is de reden dat zij van alles durven te gebieden, te eisen, te dreigen, op allerlei dingen aan te dringen en te benauwen. Kortom: het sacrament van de priesterwijding was en is een zeer voortreffelijk werktuig tot het in stand houden van al de monsterachtigheden, die tot nu toe zijn geschied en tot heden toe nog geschieden in de kerk. Hier is de christelijke broederschap te gronde gegaan; hier zijn uit herders wolven, uit dienstknechten tyrannen, uit geestelijken erger dan wereldlijken geworden. Indien men deze kon dwingen heen te gaan, zouden wij allen in gelijke zin priesters zijn, zovelen wij gedoopt zijn, zoals we inderdaad zijn; en zou voor hen alleen een ambtelijke dienst overblijven, die hun met onze vrijwillig-gegeven toestemming was opgedragen, en dan zouden zij tevens weten dat zij generlei zeggenschap over ons zouden hebben, dan in zover wij vrijwillig die hun hadden toegekend. Zo immers staat het te lezen in 1 Petr. 2: “Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom”. Daarom zijn wij allen priesters, zovelen wij christenen zijn. Maar die wij “priesters” noemen, zijn dienaren, uit ons getal uitgekozen, die in naam van ons alles doen. En een priesterambt is niets anders dan een dienst. Zo lezen we in 1 Cor. 4: “Zo moet men ons beschouwen: als dienaren van Christus, aan wie het beheer van de geheimenissen Gods is toebetrouwd”. Hieruit vloeit voort dat hij, die het Woord niet verkondigt, terwijl hij toch juist hiertoe door de kerk geroepen is, in het geheel geen priester is. En: dat het sacrament van de priesterwijding niet iets anders kan zijn, dan een zeker gebruik om de verkondigers van het Woord in de kerk te kiezen. Zó immers omschrijft God Zelf door de dienst van Maleachi 2: 7, de priester: “De lippen van de priester bewaren kennis en uit zijn mond zoekt men onderricht in de wet, want een bode van de HEERE der heerscharen is hij.” Daarom moet u er zeker van zijn: hij die niet een bode van de HEERE der heirscharen is of tot iets anders dan (om het zo te zeggen) tot het een-boodschapbrengen geroepen wordt, is in het geheel geen priester, zoals het luidt bij Hosea 4: “Omdat gij de kennis verworpen hebt, verwerp ik u dat gij geen priester meer voor mij zult zijn”. Vandaar immers dat zij óók herders worden genoemd, omdat zij moeten weiden, dat is: leren, onderwijzen. Daarom [moet u óók hiervan zeker zijn] dat zij, die slechts de priesterwijding ontvangen om Canonische uren te lezen en missen op te dragen, wel paapse priesters zijn, maar niet christelijke, omdat ze niet alleen niet het Woord verkondigen maar daartoe óók niet geroepen worden. Ja zelfs, juist dit beoogt men dat zulk een priesterambt een ander ambt is dan dat van de Woordverkondiger. Daarom zijn zij dagtijden- en mispriesters, dat is: in een bepaalde zin: levende afgoden, die wel de naam van “priester” dragen, maar niets minder dan dit zijn, op de wijze gelijk Jerobeam te Beth-aven tot priesters heeft gewijd: mensen uit de onderste heffe van het volk, niet behorend tot het geslacht van de Levieten.

Derhalve: zie waarheen en tot hoever de heerlijkheid van de kerk van haar is geweken: de gehele wereld is vol priesters, bisschoppen, kardinalen en clerus, van wie evenwel, voorzover het zijn ambt raakt, niemand het Woord verkondigt, tenzij hij weer krachtens een andere roeping, buiten de sacramentele priesterwijding om, er toe geroepen wordt. Maar hij denkt dat hij in overvloedige zin aan de roeping die zijn sacrament voor hem meebrengt, voldoet, indien hij het geklapper van de gebeden, die hij moet lezen, mompelt en missen opdraagt. En verder bidt hij die dagtijden eigenlijk nooit, of als hij ze bidt, bidt hij ze voor zichzelf; en zijn missen - en dit is het toppunt van verkeerdheid - biedt hij aan als een offer (terwijl toch de mis een gebruiken van het sacrament moet zijn), zodat het ten volle duidelijk is dat de priesterwijding die, als ware het een sacrament, dit soort mensen tot geestelijken wijdt, in waarheid en louter en geheel en al een verzinsel is, in een menselijk brein geboren, in het brein van zulke mensen die niets begrepen van de zaak van de kerk, niets van het priesterambt, niets van de dienst van het Woord en van de Sacramenten - opdat, zoals het sacrament is, het ook zulke priesters moge hebben. Door deze dwalingen en blindheden is dat blijk van nog zwaarder gevangenschap er nog bijgekomen: opdat zij zich toch maar nog verder van de overige christenen, als de profanen, zouden afscheiden, hebben zij zichzelf, zoals de Galliërs die priesters van Cybelê waren, ontmand en zich bezwaard met een zeer gehuicheld ongehuwd leven. En het was voor de huichelarij en de werkzaamheid van deze dwaling nog niet genoeg het dubbel-huwelijk te verbieden; dat is: dat iemand twee vrouwen tegelijkertijd had, gelijk dit ten tijde van het Oude Verbond wel geschiedde (want wij weten dat het woord digamie [bigamie] dit betekende); maar zij hebben dat woord digamie evenzeer toegepast op het geval dat iemand na elkaar met twee meisjes huwde; ook kon er éénmaal een weduwe bij zijn. Ja zelfs, deze allerheiligste heiligheid van het allerheiligst sacrament heeft een dergelijke waarde dat, wie zulk een jonkvrouw heeft gehuwd, niet tot priester kan worden gewijd, zolang deze vrouw leeft. En opdat dit nu tot de allerhoogste top van heiligheid zou reiken, wordt ook hij van het priesterambt geweerd die buiten zijn weten en in het geval van een louter ongeluk een gevallen vrouw heeft gehuwd. Maar wanneer iemand zeg zeshonderd publieke vrouwen had bevlekt of hoeveel vrouwen en meisjes ook had verkracht, of ook zelfs als een Ganymedes zich vele zulke had “onderhouden”, het zou geen verhindering voor hem zijn gewéest om òf Bisschop òf Kardinaal òf Paus te worden. En dan leggen zij het bekende woord van Paulus: “hij zij de man van één vrouw” zó uit dat het zou betekenen: de prelaat van één kerk! Daaruit vloeiden de onverenigbare prebenden voort, tenzij de Paus, de grootmachtige verlener van dispensaties, aan één [“vrouw”] drie, twintig, honderd “vrouwen” dat is: kerken, wilde verbinden, wanneer hij, door geld of gunst omgekocht, dat heette dan: “door heilige liefde bewogen” en “door zorg voor de kerken gedreven”, zo handelde.

O gij waardige Pausen, die [mede] waardigheid ontleent aan dit eerwaardige sacrament van de priesterwijding! O u vorsten, niet van katholieke kerken, maar van satans-synagogen, ja: vorsten van de duisternis! Ik gevoel mij gedrongen hier met Jesaja 28: 14 te roepen: “o gij spotters, heersers over dit volk in Jeruzalem!” Of met Amos 6: 1: “Wee de zorgelozen op Sion en die zich veilig weten op de berg van Samaria, de uitgelezenen van de keur der volken, tot wie het huis Israëls komt!” O de schande en de smaad van de kerk van God, die deze kerk uit het feit dat er zulke priestergedrochten zijn, zich op de hals haalt! Waar zijn de bisschoppen of priesters die het Evangelie kennen, om er nog maar van te zwijgen of ze het verkondigen? Waarom geven zij er dan zo hoog van op dat zij priesters zijn? Waarom willen zij voor heiliger en beter en machtiger worden gehouden dan de andere christenen, die “maar” leken zijn? Dagtijden lezen, welke ongeleerde gaat dat te hoog? of (gelijk de Apostel zegt), welke, die in tongen spreekt? Dagtijden lezen, de gebeden van uren lezen, is de taak van monniken, kluizenaars, private personen en leken. Het ambt van een priester is: het Woord verkondigen en als hij dat niet doet dan is hij op die wijze “priester” als een mens op een schilderij “een mens” is! Of maakt dit iemand tot bisschop, als hij zulke zwetsers tot priesters wijdt? Of als hij kerken en klokken wijdt, of kinderen het vormsel geeft? Nee! Dit zou ook iedere diaken of leek kunnen doen. De dienst van het Woord maakt iemand tot priester en tot Bisschop.

Daarom: volgt mijn raad en vlucht, u allen die een rustig en veilig leven wilt leiden; vlucht, jongelingen, en laat u niet tot priesters wijden door deze heilige handelingen, tenzij u het Evangelie wilt verkondigen en tenzij u wilt geloven dat u door het sacrament van deze priesterwijding volstrekt niet beter bent geworden dan de leken. Immers: dagtijden lezen, dat betekent niets. Verder: een mis opdragen, dat wil zeggen: het sacrament ontvangen. Derhalve: wat blijft u toebedeeld, dat niet elke leek toebedeeld wordt? Het scheren van de kruin en uw priesterlijk gewaad? Een jammerlijke priester die uit een geschoren kruin en een priesterlijk kleed bestaat! Of zit het hem in de olie waarmee uw vingers zijn bevochtigd? Maar ieder christen, wie hij ook zij, is gezalfd met de olie van de Heilige Geest en geheiligd naar lichaam en ziel en vroeger ging hij met het sacrament met zijn eigen handen om, niet minder dan nu de priesters doen, ofschoon onze bijgelovigheid het nu de leken tot een zware schuld aanrekent als hij alleen maar een kelk of een lijfdoek aanraakt. Zelfs een heilige kloostermaagd mag de gewijde altaardoeken en het gewijde linnen niet wassen. Ik bezweer u, zie welke vorderingen de hooggewijde heiligheid van deze priesterwijding heeft gemaakt. Ik hoop dat het nog eens zal gebeuren dat het de leken zelfs zal verboden zijn het altaar aan te raken, tenzij dan alleen wanneer zij geld neertellen! Ik barst bijna van ergernis, als ik nadenk over deze meer dan goddeloze tirannieën van alleronbezonnenste mensen die met zulke beuzelachtige en kinderachtige nietigheden de vrijheid en de heerlijkheid van de christelijke religie bespottelijk maken en te gronde richten.

En daarom: een ieder die zich als een christen heeft leren kennen, zij er zeker van en kenne daarbij zichzelf, dat wij allen gelijkelijk priesters zijn, dat wil zeggen: dat wij dezelfde bevoegdheid hebben ten aanzien van het Woord en van elk sacrament. Maar tevens, dat het niemand vrijstaat van die bevoegdheid gebruik te maken, tenzij met bewilliging van de [christelijke] gemeenschap, of krachtens een roeping van een meerdere dan hij. Want wat allen gemeen is, kan niemand persoonlijk zich aanmatigen; hij kan het alléén zich toeëigenen, als hij er toe wordt geroepen. Derhalve, dat dit sacrament van de priesterwijding, als het iets is, niets anders is, dan een zeker gebruik om iemand tot de dienst van de kerk te roepen. Vervolgens dat het priesterschap naar zijn eigenlijke aard niet anders is dan een Dienst van het Woord; ik bedoel: niet van de Wet, maar van het Evangelie. En dat het diakenambt een dienst is, niet om de Evangeliën of de Brieven te lezen, zoals het heden ten dage de gewoonte is, maar een ambt dat tot taak heeft de gelden van de kerk uit te delen aan de armen, opdat de priesters bevrijd mogen worden van de last om voor de tijdelijke dingen zorg te dragen en vrijer en gemakkelijker zich kunnen geven aan het gebed en aan [de prediking van] het Woord. Immers uit deze overweging is, gelijk we lezen in Hand. 6, het diakenambt ingesteld; en zo komt het dat hij die het Evangelie niet kent en niet verkondigt, niet alleen niet een priester of een Bisschop is, maar een verderf voor de Kerk, die onder de valse naam van priester en Bisschop, als in een schaapsvacht het Evangelie naar beneden drukt en wurgt en de wolf in de kerk uithangt. Daarom zijn die priesters en Bisschoppen van wie heden ten dage de kerk overvol is, indien ze niet op een andere wijze hun zaligheid najagen, d.w.z., als ze niet erkennen dat ze noch priesters noch Bisschoppen zijn, en er zich over bedroeven dat ze een naam dragen, ja, maar terwijl ze òf het werk dat er aan verbonden is, niet kennen óf het niet kunnen volbrengen en op die wijze met gebeden en tranen het ellendige lot van hun geveinsdheid, betreuren - in waarheid een volk van eeuwige verdoemenis, en in hen wordt het bekende woord van Jesaja (5: 13 vv.) bewaarheid: “Daarom gaat mijn volk in ballingschap wegens gemis aan begrip; zijn edelen worden hongerlijders en zijn menigte versmacht van dorst. Daarom doet het dodenrijk zijn keel wijd open en spert het zijn muil op, mateloos, zodat daarin verzinkt de luister van dit volk, zijn menigte, zijn gedruis en al wat daarin dartel is.” O woord verschrikkelijk voor onze tijd, waarin de christenen in de bodemloze diepten van een maalstroom worden verzwolgen!



Zoveel wij dus uit de Schriften weten nl. dat wat wij het priesterschap noemen, een dienst is, zie ik in het geheel niet in waarom iemand die eenmaal. tot priester is gewijd, niet weer leek zou kunnen worden, aangezien hij van een leek in niets verschilt dan inzoverre hij met die dienst is bekleed. Immers ook het afgezet worden en uit de dienst ontslagen, is zo weinig onmogelijk, dat nu ook op allerlei plaatsen deze straf wordt toegepast op priesters die zich schuldig gemaakt hebben aan de één of andere zonde, terwijl ze dan of voor een tijd worden geschorst of voorgoed hun ambt hun wordt ontnomen. Immers dat verzinsel van het “onvernietigbaar karakter” (character indelebilis) [van de priesterwijding] is reeds lang bespot. Ik erken dit, dat de Paus dit karakter [aan de priesterwijding] indrukt, [maar] zonder dat Christus daarvan iets wil weten en dat juist daardoor een priester gewijd is niet zozeer als een voortdurende dienstknecht en gevangene van Christus, als wel van de Paus, zoals het heden ten dage is. Overigens zal, als ik mij niet bedrieg, wanneer dit sacrament, dit verzinsel, eenmaal inéénstort, het Pausdom zelf met zijn karakters nauwelijks of niet stand kunnen houden, en zal de blijde vrijheid weer tot ons terugkeren, waarin men van ons allen zal verstaan dat wij gelijken zijn in. enig recht of enige bevoegdheid en wij, als het juk van de tirannie van onze schouders is afgeschud, zullen weten dat wie christen is Christus heeft, en dat wie Christus heeft, alles bezit wat van Christus is; aller dingen machtig is; waarover ik nog veel meer en in nog krachtiger bewoordingen wil schrijven als ik bemerkt zal hebben dat zulke woorden het onbehagen wekken van mijn vrienden, de papisten.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   22


Dovnload 0.67 Mb.