Thuis
Contacten

    Hoofdpagina


De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri

Dovnload 0.67 Mb.

De captivitate ecclesiae. Praeludium Martini Lutheri



Pagina8/22
Datum12.03.2017
Grootte0.67 Mb.

Dovnload 0.67 Mb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   22

VII. HET SACRAMENT VAN HET LAATSTE OLIESEL


Tot het bekende gebruik van de zalving van [ernstig] zieken hebben onze theologen twee hun waardige toevoegselen toegedaan. Dit eerste, dat zij het een sacrament noemen. Dit tweede, dat ze het tot “het laatste” sacrament maken: zo zal het dan nu zijn het sacrament van de laatste zalving dat niet mag worden toebediend dan aan zulken die verkeren in het uiterste levensgevaar; misschien (overeenkomstig het feit dat zij spitsvondige redeneer-kunstenaars zijn) [hebben zij het de láátste zalving genoemd] terugziende op de eerste zalving die van de doop en op de twee volgende: die van de vorming [confirmatie] en de priesterwijding. - Máár: zij hebben hier wel een mogelijkheid om mij in het aangezicht te weerstaan. Nl. hiermee, dat we op het gezag van de apostel Jacobus hier een belofte en een teken hebben, waarvan ik zelf tot op dit ogenblik toe heb vastgesteld dat dit de beide kenmerken van een sacrament zijn. Deze apostel immers zegt: “Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heeren. En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken en de Heere zal hem oprichten”. Ziehier dan, zeggen zij, de belofte van vergeving van zonden en het teken van de olie! Maar ik antwoord: als er nu ergens waanzinnig is gesproken, dan is het toch wel heel in het bijzonder in dit geval! Ik laat nu nog dáár dat velen met naar mijn inziens grote waarschijnlijkheid beweren dat deze brief niet de apostel Jacobus tot auteur heeft en niet een apostolische geest ademt, ofschoon ik toestem dat deze Brief, door wie hij dan ook is geschreven, door de gewoonte [om hem te lezen en aan te halen] gezag heeft verkregen. Maar ook zelfs als hij door de Apostel Jacobus geschreven zou zijn, zou ik durven zeggen dat het niet geoorloofd mag heten dat een Apostel op eigen gezag een [nieuw] sacrament zou instellen: dat is dus: een goddelijke belofte zou afkondigen met een er aan verbonden teken. Immers dit recht kwam alleen Christus toe. Zo verklaart Paulus, dat hij het sacrament van het Avondmaal van de Heere heeft ontvangen en dat hij niet gezonden is om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen. En we lezen nergens in het Evangelie ook maar iets van een sacrament van deze laatste zalving. Maar: we willen ook zelfs dát maar dáárlaten. Wij willen de woorden zelf van de Apostel, of van wie ook die de auteur van deze Brief geweest is, nader bezien, en dan zullen we daarbij opmerken hoezeer zij, die aan het getal van de sacramenten er één hebben toegevoegd, die woorden in het geheel niet met scherpe blik hebben bekeken.

Vooreerst - indien zij de uitspraak van de Apostel een ware achten en die bindende kracht heeft, welke bevoegdheid hebben zij dan om haar te veranderen en tegen te spreken? Waarom maken zij op eigen gezag een zalving, waarvan de Apostel wil dat zij een algemene zal zijn, tot een laatste en bijzondere? Immers de Apostel heeft niet gewild dat deze zalving een laatste zou zijn en die alleen aan stervenden moest worden gegeven. Maar hij zegt in volstrekte zin: indien iemand ziek is, en niet: indien iemand op sterven ligt. Want ik hecht geen waarde aan wat Dionysius in zijn [boek] De Kerkelijke hiërarchie hier als wijsheid voorschotelt; de woorden zelf van de Apostel zijn duidelijk, op welke en hij en zij zich gelijkelijk beroepen, maar intussen volgen zij hem niet; waaruit blijkt dat zij op niemands gezag, maar alleen door eigen willekeurig oordeel er toe gebracht, uit de slecht-begrepen woorden van de Apostel een sacrament en een laatste zalving hebben gefabriceerd, tot nadeel van de overigen die ziek zijn van wie ze op eigen gezag de weldaad van de zalving, door de Apostel ingesteld, hebben afgenomen. Maar dit is nog mooier, dat de belofte van de Apostel met zoveel woorden zegt: “Het gebed des geloofs zal de zieke gezond maken en de Heere zal hem oprichten ...” Zie toch: de Apostel beveelt dat de zalving en het gebed zal geschieden tot dit doel, dat de lijder genezing zal ontvangen en opgericht zal worden, dat is dus: dat hij niet zal sterven, en dat het niet een “laatste” zalving zal zijn, wat ook de gebeden bewijzen die tot heden toe onder de acte van de zalving worden opgezegd, die er om vragen dat de zieke tot herstel moge komen! Zij evenwel beweren daartegenover dat de zalving niet mag worden gegeven dan aan zulken, die op 't punt zijn van te overlijden, dat is dus: opdat zij niet genezing verkrijgen en worden opgericht! Indien een zaak niet zo ernstig was, wie zou zich kunnen weerhouden te lachen om zulke schone, geschikte, gezonde kanttekeningen, gemaakt bij Apostolische woorden? Is het niet heel duidelijk dat men hen die zó spreken, hier betrapt op een sofistische dwaasheid, die - én hier én op zo vele andere plaatsen - tot waarheid verklaart wat de Schrift ontkent en ontkent wat zij verzekert? Waarom derhalve zullen wij onze zo uitnemende Leraars niet dankbaar zijn? - Het is dus juist wat ik gezegd heb: nooit is op meer klaarblijkelijke wijze waanzin gesproken, dan te dezer plaatse.

Voorts, indien deze zalving inderdaad een sacrament is, dan moet zij zonder twijfel (zoals zij zeggen) een “werkzaam teken” zijn dat “betekent” [afbeeldt] en belooft. Maar het belooft gezondheid en herstel van de zieke, gelijk de duidelijke woorden hiervoor instaan. “Het gebed des geloofs zal de lijder gezond maken en de Heere zal hem oprichten”. Wie echter ziet niet voor zijn ogen dat deze belofte ten goede van weinigen, ja feitelijk ten goede van niemand, wordt vervuld? Onder duizend “gezalfden” immers komt er nauwelijks één tot herstel en niemand gelooft dan dat dit geschiedt door de kracht van het sacrament, maar door de weldaad van een sterk gestel of van de medicijnen: immers: aan het sacrament schrijft men de tegenovergestelde werking toe! Wat zullen wij er dus van zeggen? Of: de Apostel liegt met deze zijn belofte of die zalving zal geen sacrament kunnen zijn. Want een sacramentele belofte is zeker en betrouwbaar; deze evenwel stelt in de meeste gevallen teleur. Welaan dan - opdat we het wijs inzicht en de waakzaamheid van deze theologen bij vernieuwing mogen opmerken - dáárom noemen zij deze zalving de láátste, opdat die belofte geen geldende kracht zal hebben, dat is: opdat het sacrament geen sacrament zij. Indien het immers het láátste is, dan geneest het niet, maar moet het bukken voor de oppermacht van de ziekte; en indien het geneest, dan kan het niet het laatste zijn. Hieruit volgt, naar de uitlegging van deze Leraars, dat men omtrent Jacobus moet verstaan dat hij zichzelf heeft tegengesproken, en dat hij om niet een sacrament in te stellen, een sacrament heeft ingesteld; omdat zij dáárom willen dat deze zalving de laatste zij opdat het niet waar zou zijn dat de lijder door haar genezing zou deelachtig worden, gelijk Jacobus dat toch heeft vastgesteld. Indien dit nu niet dwaasheid-spreken mag heten, ik vraag u: wat dan wèl “dwaasheid-spreken” is!

En dan komt dit woord van de Apostel Paulus op hun weg, dat hij spreekt in 1 Tim. 1: 7: “Zij willen leraars der wet zijn, zonder ook maar te beseffen wat zij zeggen of waarover zij zo stellig spreken”. Zo lezen zij [alle Heilige Schriften] en volgen die, maar zonder over de zin ervan zich een juist oordeel te vormen. Met dezelfde onverschillige slaperigheid hebben ze ook de oorbiecht geput uit het woord van de Apostel, als hij zegt, Jac. 5: 16: “Belijdt elkander uw zonden”. Maar zij geven geen acht hierop, dat de Apostel beveelt de oudsten van de gemeente erbij te roepen opdat zij over de zieke een gebed uitspreken. Tegenwoordig wordt nauwelijks één priestertje er heen gezonden, terwijl toch de Apostel beveelt dat er velen bij zullen zijn, niet vanwege de zalving, maar vanwege het gebed. Immers hij zegt: “Het gebed des geloofs zal de zieke gezond maken ...”; hoewel ik er niet zeker van ben of hij dit wil verstaan hebben van priesters, daar hij zegt: “de presbyters”, dat is: de oudsten. Want híj is niet altijd maar [tevens] een priester of dienaar van de kerk, die oud is; zodat u kunt vermoeden en van mening zijn dat de Apostel heeft gewild dat de oudsten en aanzienlijksten in de kerk de lijder zouden bezoeken, opdat zij, dit werk van barmhartigheid verrichtende en in het geloof voor hem biddende, hem zouden gezond maken. Hoewel men niet kan ontkennen dat de kerken in die oude tijden door de oudsten werden bestuurd, zonder zulke ordeningen en wijdingen [als wij nu kennen], maar die vanwege hun leeftijd en de langdurige ervaring in deze zaken, daartoe waren gekozen.

Daarom houd ik het ervoor dat deze zalving dezelfde is als die waarover Markus 6: 13 geschreven wordt met betrekking tot de Apostelen: “En zij dreven vele boze geesten uit en zalfden vele zieken met olie en genazen hen”; voorzeker een bepaald gebruik van de oude Kerk, waarmee ze wonderen deden ten gunste van zieken; een gebruik dat reeds voorlang is in onbruik geraakt; op de wijze gelijk ook volgens Marc. 16 Christus de gelovigen gaf dat zij slangen opnamen en op zieken de handen legden en deze zouden genezen worden. Het is wel een wonder dat zij uit deze woorden ook niet een sacrament hebben gefabriceerd, daar zij toch een gelijke kracht en belofte in zich dragen als deze woorden van Jacobus! Derhalve is deze “laatste”, dat is: als zodanig verzonnen zalving geen sacrament, maar een raadgeving van Jacobus waarnaar wie het maar wil kan handelen, genomen en overgebleven, gelijk ik zei, uit het Evangelie naar Marcus, want ik geloof niet, dat deze raad alle mogelijke zieken is gegeven, omdat ziekte een eer is van de kerk en de dood is een gewin, maar alleen aan degenen onder hen die te ongeduldig en zwakgelovig hun lijdenskruis droegen. En zulken heeft de Heere dáártoe laten overblijven, opdat in hen de wonderen en de kracht van het geloof zouden tot uitblinking komen. En juist dit heeft Jacobus ook met behoedzaamheid en oplettendheid voorzien, toen hij de belofte van de gezondmaking en van de vergeving van zonden niet heeft verbonden aan de zalving als zodanig, maar aan het gebed des geloofs. Want alzó spreekt hij: “En het gebed des geloofs zal de lijder gezondmaken en de Heere zal hem oprichten”, en: “Zo hij in zonden heeft geleefd, ze zullen hem vergeven worden”. Immers een sacrament eist niet het gebed of het geloof van de dienaar die het toebedient, want ook een ongelovige kan dopen en wijden, zonder gebed. Maar het rust alléén in de belofte en instelling van God en eist geloof bij hem die het ontvangt. In het gebruik echter van onze tegenwoordige laatste zalving - wáár is daar het gebed des geloofs? Wie bidt met zulk een geloof ten goede van een zieke, dat hij niet twijfelt of hij zal herstellen? Want zulk een gebed des geloofs beschrijft hier Jacobus, van hetwelk hij in 1: 6 had gezegd: “Hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende”. En Christus zei ervan, Marc. 11: 24: “Alwat gij bidt en begeert, gelooft dat gij het hebt ontvangen, en het zal u geschieden”.

Het lijdt ook geen twijfel: indien heden ten dage zulk een gebed zou worden opgezonden, over een zieke; dat wil zeggen: door oude, gezaghebbende en heilige mannen, die vol van geloof waren: er zouden er zovelen genezen als wij maar begeerden! Immers wat zou het geloof niet vermogen? Maar wij, terwijl we dit geloof (dat dit met [goddelijk] gezag geschreven woord van de Apostel toch boven alles vordert!) veronachtzamen - wij denken - als we van “oudsten” horen: mannen dan toch zeker die uitmunten door leeftijd en geloof - aan wat voor een doodgewone grote hoop priesters ook. En dan maken wij uit de dagelijkse en vrije zalving een “laatste”; en eindelijk: het door de Apostel beloofde gevolg: de gezondheid, verkrijgen we niet alleen niet, maar wij vernietigen het en stellen er zelfs het tegenovergestelde voor in de plaats! En niettemin geven we er toch hoog van op dat ons sacrament - ik moet liever zeggen: ons verzinsel! - door deze uitspraak van de Apostel, hoewel die er met meer dan het dubbele van de volle omvang van stemmen tegen strijdt, zou worden gefundeerd en bewezen! O gij theologen!

Ik veroordeel dus ons sacrament van de laatste zalving niet, maar ontken standvastig dat het dit is wat door de Apostel Jacobus wordt voorgeschreven omdat noch de vorm, noch het gebruik, noch de kracht, noch het doel van het zijne met het onze overeenstemt. Wij willen het nochtans onder die sacramenten rekenen die wij hebben ingesteld, als daar zijn: de wijding van en besprenging met zout en water. Want we mogen en kunnen niet ontkennen dat het één of ander schepsel wel door woord en gebed geheiligd wordt; immers dit leert de Apostel Paulus ons; en daarom ontkennen wij niet dat door het Laatste Oliesel schuldvergiffenis en vrede gegeven wordt. Niet omdat het een sacrament is, van Godswege ingesteld, maar omdat hij, die het ontvangt, gelooft dat hem dit zal gebeuren. Immers het geloof van hem die het [sacrament] ontvangt dwaalt niet, in welke mate ook de dienaar, die het hem toebedient, zou mogen dwalen. Wanneer hij immers “voor de grap” zou dopen en schuld kwijtschelden, dat is: niet zou kwijtschelden (voorzover het hem als bedienaar betrof) maar in waarheid toch kwijtscheldt en doopt, indien hij, die gedoopt wordt en wien zondevergeving wordt geschonken, gelóóft - hoeveel te meer brengt hij vrede, wanneer hij met de laatste zalving zalft, ook zelfs indien hij in waarheid hem geen vrede kan brengen, als u op zijn dienstbetoon let, omdat hier geen [eigenlijk] sacrament aanwezig is. Immers het geloof van de ontvanger ontvangt ook dat, wat hij die het hem toebrengt of niet kon of niet wilde geven. Het is toch voor hem die gezalfd wordt voldoende het Woord te horen en te geloven. Want wat wij ook geloven dat wij zullen ontvangen, dat ontvangen wij ook in der waarheid - wat ook de bedienaar doet of niet doet, hoe hij ook huichelt of spot. Immers Christus' uitspraak staat vast: “Alle dingen zijn mogelijk hem die gelooft”. En wederom: “U geschiede naar uw geloof”. Onze sofisten evenwel spreken bij de sacramenten in het geheel niet over dit geloof; maar zij bazelen alleen met alle ijver over de echte kracht van de sacramenten, “altijd lerende maar terwijl ze nooit komen tot de kennis der waarheid”.

Toch is het nuttig geweest dat deze “laatste” zalving is ingesteld; want door deze zegen is zij het minst van alle geteisterd door en onderworpen aan de tirannie en hebzucht en nu is voorzeker deze éne barmhartigheidsbetoning de stervenden gebleven dat zij zich vrij kunnen laten zalven, ook zonder biecht en zonder communiceren. En indien zij eens voor dagelijks gebruik ware toegewezen gebleven, en indien zij ook zieken genezing had gebracht, ook al zou zij de zondeschuld niet weggenomen hebben, hoevele landen in de wereld zouden nu de Pausen niet onder hun macht gekregen hebben; zij, die nu reeds door het éne sacrament van boete en door de sleutelmacht en door het sacrament van de priesterwijding geworden zijn tot zulke heersers en vorsten? Maar nu is het een gelukkige omstandigheid dat zij, zoals zij het gebed des geloofs verachtelijk terzijde stellen, zó geen enkele zieke genezen en uit een oud gebruik zich een nieuw sacrament hebben verdicht.


1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   22


Dovnload 0.67 Mb.